01-Zienswijze SMZ Nota Bodembeheerbeheer
Tekst van het document
1 Aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug T.a.v. Britta Scholten Postbus 200 3940 AE Doorn Zeist, 10 maart 2022 Betreft: Zienswijze Stichting Milieuzorg Zeist e.o. inzake ‘Nota Bodembeheer’, zaaknummer 15711
Beste gemeente(raad), Britta Scholten, Bij publicatie in de media is bekend gemaakt dat de: ‘Ontwerp-Nota bodembeheer Werkgebied ODRU’ voor de periode van 17 februari tot en met 10 maart 2022 voor het indienen van zienswijzen ter inzage is gelegd. Gaarne maakt de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. van de geboden gelegenheid gebruik daar een zienswijze op in te dienen. Eerst zal nog kort worden stilgestaan bij het planproces, waarna nog een meer inhoudelijke reactie zal worden gegeven. Afgesloten zal worden een conclusie. 1. Planproces Zoals ook de: ‘Ontwerp-Nota Bodembeheer – Werkgebied ODRU’ aangegeven, beschikken feitelijk de gemeenten binnen het Werkgebied van de ODRU al over een ‘Nota bodembeheer’, waarbij het er dan met name om gaat om onder bepaalde voorwaarden een grondverzet mogelijk te maken. Thans gaat het dan met name ook om een actualisatie, dat ook gezien de gewijzigde wetgeving. Daarbij wordt dan wel de kanttekening gemaakt dat er wel net ook door de gemeenten Vijfherenlanden en IJsselstein een eigen ‘Nota bodembeheer’ is vastgesteld, die dan op bepaalde punten afwijkt van het nu vast te stellen regionale beleidskader, inclusief bijbehorende kaarten, zoals een ‘Bodemkwaliteitskaart’. Dat regionale beleidskader betreft dan het gehele werkgebied van de ODRU, zij het dat het voorkomende geval dan in het bijzonder om het gebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug gaat.
In die in zin beperken de bij/aan de: ‘Nota Bodembeheer’ behorende/toegevoegde kaarten zich dan ook specifiek tot dat gebied. Meer in het bijzonder is meteen ook een beleid t.a.v. gronden met PFAS opgenomen, waarbij dan wordt aangesloten bij dat van de provincie Utrecht, althans voor zover de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. dat heeft begrepen. 2. Inhoudelijke aspecten Laat voorop worden gesteld dat het geen eenvoudige materie is. Maar dus wel goed dat er nu een geactualiseerd beleidskader is opgesteld, waarbij tevens in bepaalde mate al vooruit wordt gelopen op de invoering van de nieuwe Omgevingswet, althans wordt aangegeven welke mogelijkheden deze wet aan de gemeenten biedt om binnen hun grondgebied een bepaalde bodemkwaliteit te kunnen waarborgen, evenals ook wat in ieder geval gezien gewijzigde bevoegdheden nog nader dient te worden uitgewerkt in de nog op te stellen omgevingsplannen. Ondanks d(i)e complexiteit heeft de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. toch gemeend een zienswijze te moeten indienen. Het is immers haar ervaring dat er toch nog wel eens grondverzet plaatsvindt, waarbij het haar vraag is of dit wel allemaal volgens de regels heeft
2 plaatsgevonden, met dus ook mogelijk weer bepaalde gevolgen voor de binnen diverse gemeenten aanwezige bodemkwaliteiten. Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug speelde dat bijvoorbeeld t.a.v. het afvoeren van puin en ook grond op de locatie van het voormalige composteerterrein op de Woerd. Daarnaast is het haar ervaring dat ook met enige regelmaat grond tijdelijk wordt opgeslagen, dat al dan niet illegaal, waarvan de herkomst dan weer moeilijk is te achterhalen, hetgeen zij dan met name ook binnen de gemeente Zeist heeft geconstateerd. Eerst zal een meer algemene reactie worden gegeven, waarna nog op enkele meer specifieke aspecten zal worden ingegaan. 2.1 Algemene aspecten Laat het duidelijk zijn, iedereen wil natuurlijk vanuit het oogpunt van duurzaamheid dat als ergens om wat voor reden dan ook grond dient te worden vergraven/verzet, dat deze als het om niet verontreinigende grond of wellicht nog beter gezonde grond gaat dan elders kan worden hergebruikt, mits het dan bijvoorbeeld wel ook om hetzelfde type grond gaat. Anderzijds wil je natuurlijk voorkomen dat verontreinigde grond verder wordt verspreid. Juist om een en ander zorgvuldig te regelen is dus een geactualiseerde ‘Nota Bodembeheer’ opgesteld, inclusief ook bijbehorende toetsingskaarten.
De lijn in de: ‘Nota Bodembeheer’ is dan dat in het algemeen het: ‘Generieke beleidskader’ van toepassing is, tenzij de gemeenten een meer: ‘Gebiedspecifiek beleidskader’ wenselijk achten, dat vaak t.a.v. bepaalde thema’s. Dat dan onder het motto: ‘Streng waar het moet en soepel waar het kan’. Het centrale doel is daarbij dan dat de kwaliteit van de bodem binnen het vastgesteld bodembeheergebied niet verslechtert en verbetert waar dit nodig wordt geacht. Alvorens op aantal aspecten meer specifiek in te gaan, is het allereerst de vraag of juist de bodem bij tal van ontwikkelingen niet veel meer centraal zou moeten komen te staan, dat vanuit de zogenaamde: ‘Lagenbenadering’ (zie in deze dus ook onderstaande figuur: ‘Lagenbenadering (uit: ‘De lagenbenadering in de Nederlandse planning (Hagens, J., 2006)’). De bodem is een belangrijke basis voor het leven, net als overigens het water en de lucht, dus zou daar o.i. veel meer de aandacht uit moeten gaan, inclusief het bijbehorende bodemvoedselweb, wat overigens ook behoorlijk complex is. Dus dat het in die zin goed is dat eerst een meer algemeen bodembeleid zou worden ontwikkeld en pas dan een beleid hoe je bijvoorbeeld met vrijgekomen grond omgaat.
3
Fig.: Lagenbenadering (uit: ‘De lagenbenadering in de Nederlandse planning (Hagens, J., 2006)’) Vanuit dat meer algemene perspectief is het de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. dan opgevallen dat men bij de gegeven beleidskaders eigenlijk o.i. toch van vrij grove indelingen uitgaat, namelijk van de bodemkwaliteitsklassen ‘Landbouw/Natuur (voorheen achtergrondwaarde)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. En ook al worden in die zin allerlei nadere voorwaarden gesteld aan eventuele grondverplaatsingen, dat zou o.i. toch tot tal van ongewenste verplaatsingen aanleiding kunnen geven, zoals bijvoorbeeld het met fosfaat (en andere meststoffen) verzadigde landbouwgronden, vaak ook met bepaalde residuen van gewasbeschermingsmiddelen, zoals glyfosaat, die dan mogelijk, ook al is die kans dan in de gangbare praktijk, dat ook gezien de in die zin overeenkomstig de vigerende bestemmingsplannen vaak ter plaatse van kracht zijnde omgevingsvergunningenstelsels, gering, alsnog in natuurgebieden terecht zouden kunnen komen. Maar o.i. zou je dat dus bij voorbaat moeten willen voorkomen door toch op de gegeven kaarten een onderscheid te maken tussen gebieden die een specifieke natuurfunctie hebben of daartoe zijn aangewezen, inclusief ook gebieden die die potentie hebben, zoals de zogenaamde ‘groene contourgebieden, met die die dan een landbouwfunctie hebben. Wat dat betreft is het dan wel o.i.
weer goed dat men voor ‘boomgaarden’ dan wel weer een meer gebiedsspecifiek beleidskader heeft opgesteld, waarbij dan wel meteen zij aangetekend dat er steeds meer biologische boomgaarden/voedselbossen ontstaan, waarbij je natuurlijk ook niet wil dat daar grond wordt opgebracht die overmatig is voorzien van meststoffen en meer in het bijzonder natuurlijk gewasbeschermingsmiddelen. Dus ook goed daar nog eens naar te kijken. Meer in het bijzonder zou het o.i., dat ook uitgaande op een hoger schaalniveau, niet mogelijk moeten zijn als zandgronden met bijvoorbeeld klei of veen van elders worden gemengd, ongeacht of die gronden nu vervuild zijn of niet, aangezien je dan toch een bepaalde mate van ‘bodemvervalsing’ krijgt, dat terwijl je bodems vanuit diverse aspecten, waaronder de geologie 1, toch ook in die zin zo zuiver mogelijk wilt houden, inclusief hun (ecologische) potenties. Zo heeft de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. het regelmatig meegemaakt, nota bene in wat voorheen als: ‘Relatienotagebied’ werd aangeduid, dus ook met een natuurdoelstelling, dat daar ondanks dat daarvoor een aanlegvergunning nodig was, 1
Zie in deze overigens ook het initiatief om tot de oprichting van het: ‘Geopark Heuvelrug, Gooi & Vecht’ te komen.
4 zand op klei werd opgebracht, waardoor het gebied niet alleen veel droger werd, maar ook zo ook een inbreuk werd gedaan op de hele ecologie behorende bij de betreffende gronden. Natuurlijk bij de indeling van de zogenaamde: ‘Bodemkwaliteitszone’s’ is daarmede rekening gehouden (zie in deze dus bijvoorbeeld ook de: ‘Nota Bodembeheer’, Tabel 5: ‘Onderscheiden bk-zones en vertaling naar beleidszones (alle ODRU-gemeenten)’, pag. 21)’, maar dat onderscheid verdwijnt dan weer bij de bepaling van de zogenaamde ‘Beleidszones’, dus blijft het in die zin toch voor de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. de vraag of het op basis van gegeven systematiek nu wel of niet mogelijk is grond vanuit de ene ecosysteemeenheid met voornamelijk zand, dus van de Heuvelrug, naar bijvoorbeeld een andere ecosysteemeenheden te verplaatsen, dus bijvoorbeeld naar het Kromme Rijngebied, met voornamelijk klei- of zavelgronden, of het Noorderpark/Vechtplassengebied, met toch voornamelijk veengronden.
Ook voor het verspreiden van al dan niet vervuilde bagger over aangrenzende oevers/gronden is het laatste nog niet gezegd, waarbij dan wel overeenkomstig het generieke beleid aan bepaalde kwaliteitseisen moet worden voldoen (zie dus ook de: ‘Nota bodembeheer’, Bijlage 12), maar met name als het om natuurgebieden gaat, evenals watergangen met ook bepaalde kwaliteitseisen (zoals de watergangen die in het kader van de ‘KRW’ als waterlichaam zijn aangeduid) 2, blijf je daarbij toch bepaalde risico’s lopen om je doelen uiteindelijk in meerdere opzichten niet te halen. 2.2. Specifieke aspecten Hierbij zal dan bij het meer gebiedsspecifieke beleid worden stilgestaan, waarbij de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. dan wil opmerken dat het op zich natuurlijk goed is dat de gemeenten waar zij dat wenselijk/nodig achten zij dan ook echt t.a.v. bepaalde thema’s een meer gebiedsspecifiek beleid maken, dat ook gezien de mogelijkheden die de wet en zeker ook in de toekomst de Omgevingswet biedt. 2.2.1 Het toepassen van bodemvreemd materiaal Goed dat men m.b.t. het toepassen van ‘bodemvreemd materiaal’ tot een meer gebiedsspecifiek beleid wenst te komen. Eerlijk gezegd is de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. de mening toegedaan dat de gegeven percentages, zeker als het om natuur- en ook landbouwgebieden gaat, nog veel te hoog zijn.
De laatste tijd staat dit gelukkig steeds meer in de belangstelling, zoals m.b.t. de aanleg van recreatiepaden door SBB met veel bodemvreemd materiaal (lees: ‘vervuild bouwafval’), waaronder glas en ook plastic, maar eigenlijk zou je dit gewoon helemaal niet moeten willen, ook al is er dan de behoefte aan het hergebruik van bepaalde materialen. 2.2.2 Toepassen van grond op risicogevoelige bodemfuncties Hierbij wordt dan aandacht gegeven aan (gebieds)specifiek beleid t.a.v. gronden met risicogevoelige functies, zoals waterwingebieden (zie ook de: ‘InterimOmgevingsverordening provincie Utrecht’), maar ook moestuinen (m.b.t. lood) en ook tuinen waar kinderen spelen (eveneens m.b.t. lood). In ieder geval goed dat hier bijzondere aandacht aan wordt gegeven! Meer in het bijzonder wordt ook bij zogenaamde: ‘Ecologische beschermingsgebieden’ stilgestaan, zoals het NNN, de Natura 2000-gebieden, evenals ‘Overige gebieden met de 2
Overigens gelden inmiddels ook voor het ‘Overig water’ bepaalde kwaliteitseisen (zie o.a. ‘Waterbeheerprogramma HDSR 2022 – 2027 Stroomopwaarts (HDSR, 2021)’).
5 hoofdfunctie natuur’. Daarbij wordt dan aangegeven dat hierbij geen meer gebiedsspecifiek beleid wordt voorgestaan, aangezien het generieke beleid voldoende zekerheden biedt. O.i. is zoals hiervoor onder het hoofdstuk 2.1: ‘Algemeen’ reeds aangegeven nu juist voor natuurgebieden wel een meer specifiek beleid nodig, ook wat betreft de bodem. In beginsel zou je hier o.i. dus eigenlijk niet moeten willen dat hier bodems van elders worden aangevoerd, of deze nu zijn vervuild of niet, maar hier gewoon de natuurlijke processen de natuurlijke processen moeten laten. Waarbij bij dat laatste dan wel kan worden aangetekend dat dat helaas gezien o.a. stikstofbelasting lang niet altijd meer kan, maar dat zou dus in ieder geval voor bodems met doelstelling natuur dus wel zo moeten zijn. Wel wordt dan aangegeven dat voorafgaand bij toepassingen van grond en bagger in ecologische beschermingsgebieden contact dient te worden opgenomen met de provincie Utrecht, maar de vraag blijft dan toch welke betekenis daaraan dan m.b.t. de bescherming van de bodemkwaliteiten, dat ook gezien de natuurdoelen van de betreffende natuurgebieden, moet worden toegekend. 2.2.3 Uitwisselen van grond tussen wegbermen Ook bij het uitwisselen van grond tussen wegbermen zou met o.i. uiterst terughoudend moeten zijn.
Juist wegbermen worden gelukkig steeds meer ecologisch beheerd en dan niet alleen als zij binnen natuurgebieden zijn gelegen. In die zin vervullen zij, met name ook in landelijke gebieden met intensieve landbouw, een belangrijk refugium voor planten en dieren, waaronder insecten. Dat ook als verbindende functie. Dus is het o.i. van belang ook hierbij bij het uitwisselen van grond nadrukkelijk rekening te houden, niet op de laatste plaats ook met gronden alwaar dan Japanse duizendknoop in voorkomt (zie overigens gelukkig ook onder de: ‘Nota Bodembeheer’, Hoofdstuk 7.4.3: ‘Overige aandachtspunten’). 2.2.4 Uitwisselen van grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen Hierbij is al kort onder het hoofdstuk: 2.1: ‘Algemeen’ stilgestaan en wordt daarnaar in eerste instantie verwezen. Natuurlijk bij het meer specifieke beleid stelt men t.a.v. het toepassen van gronden uit (voormalige) boomgaardpercelen bepaalde eisen, zoals dat de gronden worden onderzocht op zogenaamde ‘OCB’s’ en deze onder de zogenaamde interventiewaarde dienen te liggen, maar ook dan zijn er o.i. nog steeds bepaalde risico’s. Verder zou deze grond dus o.i. niet naar boomgaarden mogen worden verplaatst met gronden mogen worden verplaatst die wel degelijk nog schoon zijn, zoals bij veel meer recente voedselbossen het geval is.
2.2.5: Tijdelijke opslag grond Ook dit komt veelvuldig voor, soms ook illegaal, maar alhoewel soms noodzakelijk, zou men ook hierbij om bijvoorbeeld uitspoeling te voorkomenwel ook nadere voorwaarden/eisen kunnen stellen, zoals het aanbrengen van een vloeistofdichte folie en dan het percolatiewater op te vangen/af te vangen en het tegelijkertijd te zuiveren alvorens het eventueel wordt geloosd. Een en ander uiteraard afhankelijk van de kwaliteit van de betreffende gronden. 2.2.6 Zonegerichte beleidsregels voor standaardstoffen Hierbij wordt dan ingegaan op de beleidsregels voor specifieke bk-zones of gebieden, zoals de bebouwde gebieden en de buitengebieden, evenals een meer algemene toetsingsregel m.b.t. minerale olie voor de ‘zandgemeenten’ .
6 Eerlijk gezegd zijn deze beleidsregels, ook al zit daar logischerwijs een bepaalde logica in, toch niet geheel eenvoudig te doorgronden, dat niet alleen aangezien i.r.t.. diverse situaties behalve met rekenkundige gemiddelden ook met verschillende percentielwaarden wordt gewerkt, die ook weer verschillend zijn voor diverse zogenaamde Bk-zones, maar ook doordat bij bepaalde tabellen, zoals de tabellen 14 en 16 wederom naar andere tabellen worden verwezen 3, zoals de diverse tabellen in Bijlage 13, zodat je er echt goed in moet zitten om te doorgronden wat een en ander in de praktijk kan beteken. Maar dat kan dus ook aan de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. liggen. 2.2.7 Gebiedsspecifiek beleid m.b.t. PFAS Als de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. dat goed heeft begrepen wordt hierbij aangesloten bij het beleid van de provincie Utrecht, althans wordt de: ‘Ontgravingenkaart PFAS’ daarbij als basis gebruikt. Meer in het bijzonder gelden dan meer specifieke eisen gesteld voor risicovolle gronden, zoals dus ‘moestuinen’, ‘grondwaterbeschermingsgebieden’ en ‘waterwingebieden’, hetgeen logisch lijkt, maar de vraag blijft toch waarom ook geen verder gaande eisen dan het generieke beleid m.b.t. ‘natuurgebieden’ worden gesteld, aangezien planten en dieren daar toch ook gevoelig voor kunnen zijn (zie in deze ook diverse literatuurstudies 4).
2.2.8 Handvat grondverzet én Bijzondere omstandigheden, etc. Dan mooi dat een: ‘Handvat grondverzet’ is opgenomen, evenals bij: ‘Bijzondere omstandigheden’, zoals: ‘Gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ en ook: ‘Grootschalige toepassingen’, wordt stilgestaan. Eveneens wordt een nader inzicht in het: ‘Beleid voor graven en saneren’ gegeven en ook alvast een: ‘Doorkijk naar de Omgevingswet’ (zie ook de: ‘Nota Bodembeheer’, Deel 2). Tenslotte wordt dan bij de ‘Bestuurlijke vaststelling’ stilgestaan (zie ook de: ‘Nota Bodembeheer’, Deel 3), inclusief ook bepaalde mogelijkheden tot delegatie, o.a. wat betreft het aanbrengen van bepaalde wijzigingen in de bij de: ‘Nota bodembeheer’ behorende kaarten, evenals ook het verlengen van geldigheidsduur. Alhoewel dan zo een compleet overzicht wordt gegeven, hetgeen ook in praktische zin van belang moet worden geacht, zal de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. gezien de kern van de: ‘Nota bodembeheer’, namelijk het mogelijk verplaatsen van grond, dus het grondverzet, daar nu niet verder op ingaan. Wel is zij de mening toegedaan dat ook aan handhaving toch nog meer aandacht zou moeten worden gegeven, dat dus teneinde te voorkomen dat ongewenste grondverplaatsingen plaatsvinden.. Dus ook in die zin is o.i.
nog veel te winnen (zie in deze overigens ook de: ‘Nota Bodembeheer’, Hoofdstuk 3.4: ‘Toezicht en handhaving Besluit Bodemkwaliteit’ en ook hoofdstuk 11.4: ‘Implementatie’). 2.2.9 Kaarten Hierbij is het dan toch in eerste instantie voor de Stichting Milieuzorg Zeist e.o. de vraag of het niet beter zou zijn op de diverse kaarten alsnog een onderscheid te maken tussen ‘natuurgebieden’ en ‘landbouwgebieden’, dat ook gezien de doelen die in die gebieden worden nagestreefd en de eisen in natuurgebieden veel hoger (zouden moeten) liggen. 3
Overigens wordt m.b.t. de grondstromenmatrix m.b.t. bebouwde gebieden op pag. 47 verwezen naar tabel 16, maar dat moet o.i. vrijwel zeker tabel 14 zijn. 4 Zie o.a. het rapport: ‘Ecotoxicologische risicogrenzen voor PFOS in bodem en water (RIVM, 2020)’.
7
Verder is het de vraag waarom er ook niet een kaart is waarop bijvoorbeeld gebieden met bepaalde verontreinigingen zijn aangegeven, of voormalige bedrijventerreinen, zoals het voormalige composteerterrein van de gemeente Driebergen, zodat bij eventuele grondverplaatsingen daarmede rekening kan worden gehouden. Natuurlijk er wordt aangegeven dat in die zin altijd een ‘puntbronnencheck’ dient te worden uitgevoerd, maar de vraag blijft toch of dat wel altijd gebeurt. 3. Conclusie Goed te zien dat er nu een geactualiseerde: ‘Nota bodembeheer’ met bijbehorende kaarten ligt. Wel zou o.i. toch nog eens goed moeten worden gekeken of we zo uiteindelijk wel met zijn allen de bodemkwaliteit bereiken die we willen bereiken, niet alleen voor de mens, maar ook voor de natuur. In die zin worden een aantal voorstellen gedaan teneinde met name de kwaliteit van bodems in natuurgebieden toch nog beter te kunnen waarborgen. Hoogachtend, P. Greeven
Afz.: Stichting Milieuzorg Zeist e.o. P/a: B. de Wolf Kometenlaan 70 3721 JV Bilthoven
B. de Wolf