01.10-24RV003 BP WA-Hoeve Bijlage 1.10 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Hiermee is sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 van de Wnb. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek, moet bepaald worden welke voorzorgs-, mitigerende en/of compenserende maatregelen genomen moeten worden om de staat van instandhouding niet significant negatief aan te tasten. Hierbij hoort tijdig aanbieden van tijdelijke en permanente vervangende verblijfplaatsen. Indien sprake is van overtreding van verbodsbepalingen is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb noodzakelijk.
6.4
Vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat twee soorten met jaarrond beschermde nesten, de havik en de buizerd voorkomen. De buizerd is tijdens het oriënterend veldbezoek in 2019 waargenomen, een horst is niet gevonden, maar kan mogelijk aanwezig zijn in het plangebied. Tijdens het aanvullende veldbezoek op 16 april is gelet op in de houtopstanden voorkomen soorten en mogelijk geschikte verblijfslocaties en nesten van vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
20
Projectgerelateerd
Deze zijn niet aangetroffen. Bij uitvoering van de werkzaamheden dient hier zorgvuldig op gelet te worden, het is namelijk vrijwel onmogelijk om in een dicht bos jaarrond beschermde nesten van roofvogels volledig uit te sluiten. Er zijn in geen van de ebouwingen sporen of indicaties aangetroffen dat hier jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, zoals van huismus of gierzwaluw. In de gebouwen worden geen jaarrond beschermde nesten verwacht. Er hoeft bij de te slopen bebouwingen, in tegenstelling tot de om te vormen bosdelen, geen nader onderzoek naar het voorkomen van jaarrond beschermde nesten plaats te vinden. Effectbeoordeling jaarrond beschermde vogelnesten Voor de ontwikkeling van het plangebied zullen bosdelen worden gekapt. Deze bosdelen zijn een broedgebied voor vele vogelsoorten. Overtredingen van de verbodsbepaling van de Wnb ten aanzien van vogels vallen niet uit te sluiten. Een aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten in het bos is noodzakelijk wanneer bomen of houtopstanden gekapt worden. Wanneer aanwezigheid van dit soort nesten wordt aangetoond is een aanvraag voor een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk en moeten compenserende maatregelen genomen worden.
6.5
Algemene broedvogels
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er zeer veel algemeen broedvogels in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft met name algemene soorten van bossen. Tijdens de veldbezoeken zijn ook verschillende vogelsoorten waargenomen zoals, koolmees, zwartkop, boomklever, gaai, zwarte kraai, merel en ekster. Ook zijn verschillende kleinere nestjes van algemene soorten waargenomen en meerdere bomen met holten waarin holenbroeders, zoals boomklever, kunnen broeden. Effectbeoordeling algemene broedvogels Voor de ontwikkeling van het plangebied zullen bosdelen worden gekapt. Deze bosdelen zijn een broedgebied voor vele vogelsoorten. Wanneer de kap in het broedseizoen wordt gepland is een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb vrijwel niet uit te sluiten. Door de werkzaamheden (ruim) buiten het broedseizoen (maart tot half augustus) uit te voeren, kan overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen. Het heeft daarnaast de aanbeveling om, bij het uitvoeren van de kapwerkzaamheden, met het oog op ook het voorkomen van andere beschermde soorten in de bosgebieden, een ervaren ecoloog te betrekken die de begeleiding van de werkzaamheden verzorgt en toeziet uit een juiste uitvoering binnen de kaders van de Wnb. Dit dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol
6.6
Vissen
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde vissen in het plangebied zijn waargenomen. De aanwezige oppervlaktewateren in het plangebied, in de HMA, zijn niet geschikt voor beschermde vissen. Het is wel mogelijk dat hier vissen in voorkomen. Beoordeling voorkomen van beschermde vissen Binnen het plangebied worden geen beschermde vissen verwacht. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen is uitgesloten.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
21
Projectgerelateerd
6.7
Amfibieën
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde amfibieën in het plangebied zijn waargenomen. Voortplantingswateren voor amfibieën ontbreken in de om te vormen terreindelen. Wel zijn in de HMA enkele oppervlaktewateren gelegen. Deze wateren zouden in potentie geschikt kunnen zijn voor algemene amfibieën, als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Het voorkomen van beschermde amfibieën wordt niet verwacht. Beschermde amfibiesoorten als kamsalamander en Alpenwatersalamander stellen (kritische) eisen aan hun leefomgeving. Ook ontbreekt de landbiotoop voor beschermde soorten binnen het plangebied, zoals open, zandige pionierslocaties. Op basis van de ligging van het plangebied buiten de bekende verspreiding van deze soorten en de aanwezig habitat, wordt het voorkomen niet verwacht. Omdat de aanwezige oppervlaktewateren in de HMA in hun huidige vorm en omvang behouden blijven, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Beoordeling voorkomen van beschermde amfibieën Binnen de om te vormen delen van het plangebied wordt het voorkomen van beschermde amfibieën niet verwacht. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van amfibieën wordt dan ook redelijkerwijs uitgesloten.
6.8
Reptielen
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er vier onder de Wet natuurbescherming beschermde reptielen in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de hazelworm en de ringslang. Gezien het grote aantal waarnemingen kan ervan uitgegaan worden dat alle vier de soorten een populatie in of om het plangebied hebben. Voorkomen van zandhagedis en levendbarende hagedis De zandhagedis en de levendbarende hagedis zijn in het heideterreintje ten oosten van het plangebied waargenomen, vlak bij de ‘Sylvia Borin’, ten zuidoosten van het plangebied van de HMA. Dit heideterreintje is zeer geschikte als leefgebied voor deze soorten. Hoewel het aanliggende bosgebied in het plangebied en rond de ‘Sylvia Borin’ minder geschikt zijn voor deze soorten, is het voorkomen van deze soorten in de HMA en NOV niet uit te sluiten. In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. De optimale habitat is een mozaïek van rijk gestructureerde dwergstruikvegetatie, afgewisseld met hogere grassen, ‘kale’ grond en plekken met open zand. De structuurdiversiteit is daarbij belangrijk.
Dat betekent dat er een mozaïekvormige afwisseling is tussen kale, zandige plekken, jonge- en oude struikheide, met daaronder een dikke strooisellaag en opslag of takkenhopen met hier en daar pijpenstrootje of bochtige smele. Eenvormige en jonge heide is weinig geschikt. Binnen dergelijke terreinen heeft de zandhagedis een voorkeur voor de nabijheid van struweel of bomen. Naast bovengenoemde habitats is de soort nog in andere landschapstypen en vegetaties aangetroffen, zoals spoorbermen, wegbermen, hakhoutwallen, zandafgravingen, tuinen en graslanden. Ze worden vrijwel uitsluitend gekoloniseerd wanneer er een bos-, heide- of duingebied in de directe nabijheid is (Creemers & van Delft, 2009).
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
22
Projectgerelateerd
De levendbarende hagedis heeft een voorkeur voor heide en hoogveen. De soort komt ook voor langs infrastructuur (spoorlijnen en wegbermen), bij bos en struweel, in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op venoevers en ook wel langs lijnvormige wateren. De winterslaap wordt gehouden van september t/m februari in grote gras- en zeggepollen, oude zoogdierholen en onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Voorkomen van hazelworm De hazelworm heeft een groter verspreidingsgebied dat ook in het plangebied ligt. De soort is met name rond de ‘Sylvia Borin’ en de ‘Centrale keuken’ waargenomen. Daarnaast zijn waarnemingen bekend verder westelijk in de HMA, nabij het ‘Bedrijfsgebouw’. De voorkeurshabitat van de hazelworm bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. Meer dan andere reptielen is de hazelworm een soort die leeft in bossen en dan met name in bosranden en houtwallen. Daarnaast wordt de soort ook veelvuldig aangetroffen op de heide, in het bijzonder tegen bosranden en opvallend vaak op (on)verharde wegen en zandpaden (Creemers & Van Delft, 2009).
Voorkomen van ringslang De ringslang is minder vaak waargenomen maar wel meer verspreid over het hele terrein ondanks dat er weinig water in de omgeving aanwezig is. Een van de waarnemingen betrof een juveniel wat indiceert dat in de omgeving geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig is. De voortplantingsbiotoop bestaat uit een broeihoop. De aanwezigheid van dood hout, takenrillen en holen in de grond maakt het plangebied een geschikt leef- en voortplantingsgebied voor de hazelworm en in mindere mate voor de ringslang. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Landschapstypen waarin relatief veel waarnemingen worden gedaan zijn laagveen, bos en struweel en op en nabij infrastructuur (wegen en spoorwegen). Meer dan andere reptielen komt de soort ook voor in een bebouwde omgeving en in het agrarisch gebied. Heide en hoogveen maken onderdeel uit van het leefgebied, maar zijn geen voorkeurshabitat. Vergeleken met de andere Nederlandse reptielen heeft de ringslang een vrij ruime habitatkeuze. De soort komt ook voor in systemen die voor vrijwel alle andere Nederlandse reptielen te voedselrijk en daarmee te ruig begroeid zijn. Voorbeelden zijn laagveengebieden, bossen met een vrij dichte ondergroei en uiterwaarden (Creemers & Van Delft, 2009).
Beoordeling voorkomen van beschermde reptielen Alle vier de genoemde reptielsoorten kunnen in het plangebied voorkomen. Voor de ontwikkeling van het plangebied zullen gebouwen en delen van gebouwen worden gesloopt. Met name gebouw de ‘Sylvia Borin’ en de ‘Centrale keuken’ liggen in of vlakbij het verspreidingsgebied van één of meerdere beschermde reptielen. Het betreft met name de hazelworm en de ringslang. Niet alleen de gebouwen wordt gesloopt ook worden meerdere voor reptielen, in het bijzonder hazelworm, geschikte houtopstanden gekapt ten behoeve van woningbouw. Het is daarom niet uit te sluiten dat bij de uitvoering reptielen worden gedood of verstoord. De te ontwikkelen locaties bestaan voor de hazelworm en ringslang uit respectievelijk geschikt en matig geschikt leefgebied waardoor de kans dat vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk worden beschadigd of vernield niet uit te sluiten valt.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
23
Projectgerelateerd
Overtredingen van de verbodsbepaling van de Wnb ten aanzien van reptielen vallen niet uit te sluiten. Wanneer vooral mitigerende maatregelen worden getroffen om de soorten vooraf uit het werkgebied te verplaatsen kan worden uitgesloten dat individuen opzettelijk gedood worden en een overtreding in het kader van de Wnb wordt begaan. Dit geldt met name voor de zandhagedis en de levendbarende hagedis waarvoor het plangebied geen geschikt leefgebied is. Dit dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Voor de hazelworm en ringslang die waarschijnlijk het plangebied wel als leefgebied gebruiken is aanvullend onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen noodzakelijk.
6.9
Ongewervelde diersoorten
Aanwezige en te verwachten soorten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er één onder de Wet natuurbescherming beschermde vlinder in het plangebied is waargenomen. Het betreft de kommavlinder. De kommavlinder leeft in droge en schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. Er is een lage vegetatie met polletjes gras aanwezig en hier en daar kale grond. Als de vlinders in deze schrale omgeving onvoldoende nectar kunnen vinden dient er op enige afstand een vegetatie met nectarrijke kruiden aanwezig te zijn, zoals kruiskruiden, distels, koninginnenkruid en watermunt (Bos et.al., 2006). Het plangebied is dusdanig dichtbegroeid met bos en struweel dat de soort hier geen geschikt leefgebied vindt. Het waargenomen exemplaar is waarschijnlijk een “verdwaald” individu van de naast gelegen heideterrein. Beoordeling voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten De in het plangebied aanwezige habitats voorzien ook niet in geschikt leefgebied voor andere beschermde ongewervelden zoals vlinders en libellen. Deze zijn namelijk vaak afhankelijk van zeer specifieke omstandigheden, zoals bloemrijke graslanden of stromende beken. Het voorkomen van beschermde ongewervelden, binnen de delen van het terrein welke omgevormd worden voor het planvoornemen, wordt op basis van deze gegevens niet verwacht.
6.10
Conclusie soortenbescherming
Het onderstaande overzicht (tabel 5-1) geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het plangebied en de hierboven beschreven effecten. In deze samenvatting is ook beschreven of nader vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien soorten of functies aanwezig zijn, welke door de voorgenomen ontwikkeling van het WAH te Den Dolder verloren gaan, is het aanvragen van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepaling(en) noodzakelijk. Tabel 5-1. Overzicht van voorkomende en niet uitgesloten soorten in het onderzoeksgebied, de mogelijk optredende negatieve tijdelijke en permanente effecten, en welk verbodsartikel van toepassing is. Er is ook aangegeven of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Ontwikkeling
Soort of soorten
Tijdelijke en/of permanente effecten?
Verbodsartikel Wnb
Vervolgonderzoek noodzakelijk?
Sloop van Sylvia Borin, Centrale keuken, Jeltje, Linnengebouw, Bedrijfsgebouw, Hoofdgebouw en Oud Wier, in de HMA.
Vleermuizen, potentiele verblijfsplaatsen.
Indien aanwezig, leidt de sloop tot een permanente aantasting van de verblijfplaats en mogelijk tot het doden of verwonden van individuen.
Artikel 3.5, lid 1, 2 en 4
Ja, nader onderzoek is nodig om verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen, dan wel uit te kunnen sluiten; indien aanwezig is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
24
Projectgerelateerd
Ontwikkeling
Soort of soorten
Tijdelijke en/of permanente effecten?
Verbodsartikel Wnb
Vervolgonderzoek noodzakelijk?
Sloop van de fietsenstalling, het Theehuis en de Gehoorzaal, in de HMA & Sloop Deltahuis, in het ZOV.
Geen potentiele verblijfplaatsen van vleermuizen of van (jaarrond beschermde) vogels of andere soorten.
De sloop van deze gebouwen leidt niet tot permanente effecten, indien de sloop in het broedseizoen plaatsvindt is het mogelijk dat algemene broedvogels verstoord worden.
n.v.t.
Nee, geen nader onderzoek, wel maatregelen uitwerken in een ecologisch werkprotocol.
Kap van houtopstanden in de HMA, NOZ en ZOV.
Verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen.
Mogelijk aantasten verblijfplaatsen of foerageergebied en doden individuen, verstoring door lichtuitstraling.
Artikel 3.5, lid 1, 2 en 4
Kap van houtopstanden in de HMA, NOZ en ZOV.
Buizerd, jaarrond beschermde nesten.
Mogelijk verstoren van individuen, mogelijk aantasten/vernielen nesten, doden van individuen.
Artikel 3.1, lid 1, 2 en 4
Ja, bij de bomen op aanwezigheid van horsten.
Kap van houtopstanden in de HMA, NOZ en ZOV.
Algemene broedvogels
Mogelijk verstoren van individuen, mogelijk aantasten/vernielen nesten, doden van individuen.
Artikel 3.1, lid 1, 2 en 4
Er hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden, wel moet de ontwikkeling buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, m.n. het bouwrijp maken van het terrein, kap van bomen, etc.
Kap van houtopstanden in de HMA en ZOV.
Zandhagedis
Mogelijk verstoren van individuen, aantasten of vernielen leefgebied inclusief vaste rust- en verblijfplaatsen, doden van individuen.
Artikel 3.5, lid 1, 2 en 4
Ja, wanneer bomen, ruigtes, takkenrillen en struwelen worden verwijderd.
Mogelijk verstoren van individuen, aantasten of vernielen leefgebied inclusief vaste rust- en verblijfplaatsen, doden van individuen.
Artikel 3.10, lid 1a en 1b
Mogelijk verstoren van individuen, aantasten of vernielen leefgebied inclusief vaste rust- en verblijfplaatsen, doden van individuen.
Artikel 3.10, lid 1a en 1b
Kap van houtopstanden in de HMA, NOZ en ZOV.
Verschillende grondgebonden zoogdiersoorten.
Kap van houtopstanden in de HMA en ZOV.
Hazelworm, ringslang en levendbarende hagedis
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
Bij voorkeur buiten het broedseizoen werken. Bij risico op verstoring werk stilleggen. Ja, wanneer bomen met potentieel geschikte holtes gekapt worden. Ook onderzoek naar vliegroutes langs lijnvormige structuren.
Maatregelen uitwerken in ecologisch werkprotocol.
Ja, wanneer bomen, ruigtes, takkenrillen en struwelen worden verwijderd. Onderzoek middels inzet van een of meerdere wildcamera’s.
Ja, wanneer bomen, ruigtes, takkenrillen en struwelen worden verwijderd. Onderzoek naar hazelworm middels plaatjes-methode.
BG9319_T&P_RP_2007141514
25
Projectgerelateerd
7
Houtopstanden
In dit hoofdstuk is beschreven of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, van toepassing is.
7.1
Voorgenomen kapomvang en beoordeling
In het kader van het bouwrijp maken van de verschillende de locaties in de HMA, het NOV en het ZOV zal tussen de 2 à 3 hectare bos gekapt moeten worden. Omdat het bij elkaar meer dan 10 are is, en de houtopstand buiten de bebouwde kom gelegen is, valt deze kap onder de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden.
7.2
Conclusie houtopstanden
Voor de kap van het bos dient minstens 6 weken voor het kappen een kapmelding ingediend te worden bij het bevoegd gezag, de Provincie Utrecht. Naast de meldplicht, geldt een herplantplicht. Omdat de functie van de locatie verandert van natuur naar wonen en de kap dus permanent is, bestaat de verplichting tot compensatie elders. Dit dient in een nader op te stellen compensatieplan houtopstanden uitgewerkt te worden. De herplant dient binnen 3 jaar na afloop van de kap gerealiseerd te zijn.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
26
Projectgerelateerd
8
Planologische gebiedsbescherming
8.1
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt deels binnen het NNN van de Utrechtse Heuvelrug, de aanwezige bebouwing en wegen op het terrein vallen buiten de begrenzing van het NNN. De Heuvelrug kent tegenwoordig, behalve meer bebouwing en wegen, ook weer veel meer bos naast heideterreinen en nog enkele stuifzandgebieden. De belangrijkste ecologische waarde van de Heuvelrug is, hoewel geregeld doorsneden door wegen, de grote aaneen geslotenheid van de natuur in combinatie met de variatie in bodem- en vochtcondities en biotopen. Het natuurbeleid is dan ook gericht op het versterken van de ecologische samenhang over grote oppervlakten en op het behoud en ontwikkeling van de variatie. Het droge bos op de Heuvelrug is nu nog vaak soortenarm. De oude boskernen en de bossen op oude bosbodems kennen een wat soortenrijkere kenmerkende flora met dalkruid en blauwe bosbes. Daarnaast zijn er nog vele kleine heideterreinen verspreid aanwezig (Provincie Utrecht, 2019a). In de onderstaande afbeelding is de begrenzing van de NNN weergegeven (afbeelding 8-1). De donkergroene vlakken zijn dennen-, eiken- en beukenbossen (N15.02), de bruine vlakken bestaan uit droog bos met productie (N16.03) en de roze delen zijn droge heide (N07.01). In het noordelijke deel, buiten het plangebied, ligt nog een groengeel vlak, wat kruiden- en faunrijk grasland (N12.02) is.
Figuur 8-1: Uitsnede beheertypekaart van het plangebied (Provincie Utrecht, 2019b).
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
27
Projectgerelateerd
8.2
Ligging van de HMA, NOV en ZOV t.o.v. het NNN
Voor de ontwikkelvelden die ten behoeve van de nieuwbouw bouwrijp gemaakt dienen te worden is hieronder aangegeven waar deze liggen ten opzichte van de NNN: • De HMA ligt deels in N16.03, en wordt rondom begrenst door N15.02 in het noordoosten en N07.01 in het zuidoosten en zuidwesten • Het NOV ligt hoofdzakelijk in N16.03 • Het ZOV ligt en wordt omringt door N15.02 en deels in het noorden door N16.03 Hieronder is aangegeven waar de te slopen gebouwen liggen ten opzichte van de NNN: • Sylvia Borin - N07.01 droge heide • Central keuken - N16.03 droog bos met productie • Linnengebouw - N16.03 droog bos met productie • Jeltje - N16.03 droog bos met productie • Bedrijfsgebouw - N16.03 droog bos met productie • Theehuis - N15.02 dennen-, eiken- en beukenbossen • Gehoorzaal - N16.03 droog bos met productie • Hoofdgebouw - N16.03 droog bos met productie • Oud Wier - N16.03 droog bos met productie • Cabine Oud Wier - N16.03 droog bos met productie • Deltahuis – N16.03 droog bos met productie Voor de locatie van het gebouw Sylvia Borin dient een kanttekening te worden geplaatst. Op kaart ligt het ontwikkelgebiedje in het beheertype droge heide maar in werkelijkheid ligt het gebouw in bos/struweel, dat meer tot de bosbeheertype N15.02 of N16. 03 behoort. Het betreft duidelijk een begrenzingsfout in de kaart.
8.3
Effecten op wezenlijke waarden en kenmerken NNN
Sloop gebouwen Het geheel of gedeeltelijk slopen van de gebouwen zal geen negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van de (omliggende) NNN. In het geval van de gebouwen Jeltje en Cabine Oud Wier zullen na de sloop de wezenlijke kenmerken en waarden mogelijk verbeteren doordat het gebied weer op gaat in de omliggende natuur. Omvorming van bos (bouwrijp maken ontwikkelzones) Het bouwrijp maken van de delen voor nieuwbouw in de HMA, het NOV en het ZOV heeft wel effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de ter plaatse aanwezige NNN. Het oppervlak van de NNN zal permanent significant verminderen met 2 à 3 ha (1,9 ha NOV en deel van de 1,1 ha van de HMA, het oppervlaktebeslag voor het ZOV wordt nog nader bepaald en bedraagt naar verwachting ca. 1,5 ha).
8.4
Conclusie planologische gebiedsbescherming
Bovenstaande betekent zondermeer een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN. Het bos heeft misschien niet de hoogste natuurwaarden maar ongeacht de kwaliteit is het verplicht het areaal aan bos elders te compenseren. De ontwikkeling van het plangebied zal een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN veroorzaken. Dit is alleen toegestaan wanneer er sprake is van een groot openbaar belang (‘Nee, tenzij’-toets). Een goede afstemming met de gemeente is nodig. Er dient uitwerking gedaan te worden van de vereiste mitigatie en compensatie volgende de geldende regels van de verordening.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
28
Projectgerelateerd
9
Conclusie en aanbevelingen
9.1
Gebiedsbescherming
Gelet op de aard en de grote afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden worden er geen effecten verwacht als gevolg van licht, geluid en emissie en depositie van stikstof tijdens deze fasen. Desalniettemin is het nodig om een berekening van de stikstofdepositie in AERIUS Calculator uit te voeren voor de aanlegfase, omdat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er meer dan 0,00 Mol stikstof per hectare per jaar plaatselijk wordt overschreden in een of meer Natura 2000-gebieden. AERIUS-berekening Voor de bestemmingsplannen voor de Willems Arntsz Hoeve is een AERIUS-berekening uitgevoerd om na te gaan of een vergunningsplicht van toepassing is voor onderhavig planvoornemen. De herinrichting en nieuwbouw in het gebied rond de Willem Arntsz Hoeve veroorzaken een blijvende toename in verkeersbewegingen tijdens de gebruiksfase. Voor het bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de stikstofdepositie in de gebruikersfase (na realisatie en bij ingebruikname van de nieuwe functies) geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het aantal extra verkeersbewegingen van en naar de drie deelgebieden HMA, NOV en ZOV is gebaseerd op CROW kentallen voor de categorie “Niet-stedelijk buitengebied”. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen woningtypen en gebruiksfuncties van overige gebouwen.
Conclusie Voor de gebruiksfase wordt geen toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden berekend (0,00 mol N/ha/j). Voor het bestemmingsplan vormt stikstofdepositie dan ook geen belemmering.
9.2
Soortenbescherming
In het plangebied waar de sloop van gebouwen en kap van bos voor ontwikkeling is voorzien komen verschillende beschermde soorten voor of kunnen er op basis van het voorkomende habitat voorkomen. Aanvullend onderzoek voor de volgende soorten is noodzakelijk voor een aantal soorten of soortengroepen, waaronder vleermuizen (boombewonende en gebouwbewonende), vogels met jaarrond beschermde nesten, boommarter en das en hazelworm en evt. ringslang. Op basis van deze natuurtoets kan geconcludeerd worden dat tenminste voor de gewone dwergvleermuis een ontheffing aangevraagd dient te worden voor het uitvoeren van de sloop van het gebouw. Uit de aanvullende onderzoeken kunnen nog extra mitigerende maatregelen en ontheffingsaanvragen voortvloeien wanneer beschermde soorten worden aangetroffen.
9.3
Houtopstanden
De voorgenomen kap van circa 3 hectare bos buiten de bebouwde kom valt onder de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er geldt een meld- en herplantplicht. Omdat de kap permanent is zal elders compensatie van het oppervlakte bos dat verdwijnt plaats moeten vinden. Hiervoor dient ontheffing aangevraagd te worden.
9.4
Planologische gebiedsbescherming
De ontwikkeling van het plangebied zal de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN significant aantasten als gevolg van de kap van circa 3 ha bos en de verandering van de functie natuur naar wonen. De circa 3 hectare bos zal elders gecompenseerd moeten worden (zie ook conclusie houtopstanden).
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
29
Projectgerelateerd
In het kader van een eventuele bestemmingsplanwijziging is een uitgebreidere toetsing noodzakelijk en is het aan te bevelen de NNN-wijzer van de provincie Utrecht daarbij te doorlopen. De ontwikkeling van het plangebied zal een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN veroorzaken. Dit is alleen toegestaan wanneer er sprake is van een groot openbaar belang (‘Nee, tenzij’-toets). Een goede afstemming met de gemeente is nodig. Er dient uitwerking gedaan te worden van de vereiste mitigatie en compensatie volgende de geldende regels van de verordening.
9.5
Aanbevelingen
Aanbevolen wordt om de benodigde aanvullende onderzoeken zo snel als mogelijk in te plannen bij een deskundig ecoloog. Het aanvullend onderzoek dient zich op de volgende soorten te richten: • Vleermuizen • Reptielen • Jaarrond beschermde nesten in bomen • Boommarter • Eekhoorn Afhankelijk van de resultaten van de onderzoeken zullen mogelijk extra mitigerende maatregelen genomen moeten worden en een uitbreiding van de ontheffingsaanvraag. Dit deel van de procedure kan nog eens 6 maanden in beslag nemen. Geadviseerd wordt om vroegtijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag over voorgenomen voortgang van het proces en te nemen mitigerende maatregelen. Tevens kan vooruitlopend op de resultaten, tijdelijke compensatie voor de soorten die je verwacht worden uitgevoerd. Voor vleermuizen zou dat betekenen dat er vleermuiskasten opgehangen worden. Het risico blijft dat soorten of aantallen worden aangetroffen waarvoor niet gecompenseerd is. Als beschermde soorten en/of verblijfsfuncties worden aangetroffen, is het zaak om rekening te houden met een ontheffingsaanvraag. Hierin moet duidelijk onderbouwd worden, dat: • er geen andere bevredigende oplossing of alternatief bestaat dat minder effect heeft op aanwezige beschermde natuurwaarden.
• de ontheffing is nodig in het kader van een geldig wettelijk belang; • er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Indien de ontwikkeling leidt tot vernietiging van onder artikel 3.1 beschermde Vogelrichtlijnsoorten of hun nesten, geldt dat de voorgenomen ontwikkeling dient in het belang te zijn van de openbare veiligheid en de volksgezondheid, indien dit niet het geval is kan geen ontheffing verleend worden ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn, zoals buizerd, havik en sperwer. Bij overtreding dient een compensatieplan te worden opgesteld te worden. Voor onder artikel 3.5 beschermde Habitatrichtlijnsoorten (o.a. vleermuizen) geldt dat de voorgenomen ontwikkeling in het belang dient te zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociaaleconomische belangen en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, dit lijkt van toepassing waardoor ontheffing verleend kan worden ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn. Voor onder artikel 3.10 beschermde Andere soorten, waarvoor geen algemene vrijstelling geldt, dient de voorgenomen ontwikkeling in het kader te zijn van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, inclusief gebruik.
De voorgenomen ontwikkeling voldoet voor de onder artikel 3.10 beschermde Andere soorten wel aan een geldig wettelijk belang.
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
30
Projectgerelateerd
Geraadpleegde Bronnen • • • • • • • • •
Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay & I. Wynhoff, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7 De Vlinderstichting, Wageningen en Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey, Nederland. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9 Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. IKL in samenwerking met Vleermuiswerkgroep Nederland, 2019 – http://www.vleermuis.net. laatst bezocht augustus 2019. Ministerie van LNV, 2019. https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx laatst geraadpleegd in december 2019. Provincie Utrecht, 2018. Bos Heide Notitie 2018. Een toetsingskader voor het verlenen ontheffing herplantplicht. Provincie Utrecht, 2019a. Natuurbeheerplan 2020, vastgesteld GS Utrecht 23 april 2019: Provincie Utrecht, 2019b. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=b0839b1f52ae4cdc9e739e7109a77219 Ministerie van LNV, 2019. https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx laatst geraadpleegd in december 2019. Stichting het Utrechts Landschap, 2011. Beheerplan Bossen rondom Bilthoven 2011-2021
14 juli 2020
TOETS IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
BG9319_T&P_RP_2007141514
31