CConstaterende datZeewolde
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Adromi Sternweg 22 Zeewolde

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente ZeewoldeBij agendapunt: Projectkader voor het realiseren van huisvesting voor internationale werknemers op het perceel Sternweg 2212.163 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Project:

Sternweg 22 Zeewolde

Onderwerp: Kenmerk: Auteurs:

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wil/L2025112/2501b J. Wildschut

Datum:

22-12-2025

Bijlagen:

-

Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl

Samenvatting Onderhavig advies heeft betrekking op de beoordeling van het gezondheidsrisico door blootstelling aan drift in het kader van het plan om een logiesfunctie te realiseren aan de Sternweg 22 te Zeewolde. Aangezien vooralsnog geen overeenstemming bestaat met de betrokken grondeigenaren/gebruikers op van de agrarische gronden nabij het plan, is het noodzakelijk om op eigen terrein maatregelen te treffen waarmee het blootstellingsrisico wordt verminderd. Door het treffen van deze voorzorgmaatregelen wordt afdoende invulling gegeven aan het belang van de bescherming van de gezondheid. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen. Het Unierecht biedt een uitputtend en omvattend kader voor de toelating en herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt. Niet alleen is het Europese recht op dit vlak het strengste regelkader voor gewasbeschermingsmiddelen in de wereld, maar ook worden stoffen in gewasbeschermingsmiddelen strenger beoordeeld dan iedere andere chemische stof of diergeneesmiddel dat op de Europese markt is toegelaten. In aanvulling hierop verplicht het Unierecht om invulling te geven aan het voorzorgsbeginsel om blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te minimaliseren. Nederland heeft deze Europese verplichting geïmplementeerd door minimaal 75% driftreductie verplicht te stellen voor spuitapparatuur.

In Nederland niet gebleken is van nadelige gezondheidseffecten onder het regime van het Unierecht. Tegelijkertijd kan niet volledig worden uitgesloten dat deze gezondheidseffecten er wel blijken te zijn. Om die reden is er aanleiding om het voorzorgbeginsel toe te passen. In het kader van planologische besluitvorming komt toepassing van het voorzorgbeginsel erop neer dat extra maatregelen worden getroffen om blootstelling te voorkomen en te verminderen bij onverhoopt optredende calamiteiten bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. In de gegeven situatie wordt daar invulling aan gegeven door te kiezen voor afscherming van locaties waar sprake zal zijn van reguliere menselijke aanwezigheid in combinatie met het aanhouden van extra afstand waar het niet mogelijk is om te kiezen voor afscherming.

Adromi B.V.

Pagina 1 van 37

Inhoudsopgave Samenvatting........................................................................................................................................... 1 1.

Inleiding ........................................................................................................................................... 3

1.1. Locatiespecifiek onderzoek .................................................................................................... 3 1.2. Drift, gezondheid, aandachtsafstanden ................................................................................. 3 1.3. Invulling van de maximale planologische mogelijkheden ..................................................... 4 1.4. Locatiespecificiteit ................................................................................................................. 4 2. Locatie en omgeving........................................................................................................................ 6 2.1. Bestaande situatie ................................................................................................................. 6 2.2. Beoogde situatie .................................................................................................................... 6 3. Agrarische gronden ......................................................................................................................... 8 3.1. Planologische situatie ............................................................................................................ 8 3.2. Grondslag en basisregistratie................................................................................................. 9 3.3.

Wateraspecten ..................................................................................................................... 10 3.4. Conclusie agrarisch grondgebruik ........................................................................................ 12 4. Regelgeving ................................................................................................................................... 13 4.1. Europees beoordelings- en toelatingskader ........................................................................ 13 4.2. Aanvullende regelgeving ...................................................................................................... 14 4.3. Evaluatie en herziening milieuregelgeving .......................................................................... 16 4.4. Conclusies ............................................................................................................................ 18 5. Beoordeling gezondheidsaspecten ............................................................................................... 22 5.1. Verspreidings- en blootstellingsmodellen ........................................................................... 22 5.2. Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling ....................................................................... 22 5.3.

Aandachtzones ..................................................................................................................... 23 5.4. Conclusies ............................................................................................................................ 25 6. Omgevingsaspecten ...................................................................................................................... 26 6.1. Wind ..................................................................................................................................... 26 6.2. Mate van kwetsbaarheid ..................................................................................................... 28 7. Maatregelen .................................................................................................................................. 30 7.1. Overdrachtsmaatregelen -> afscherming ............................................................................ 30 7.2. Bronmaatregelen -> afstand en aanwezigheidsbeperking .................................................. 32 8. Conclusie ....................................................................................................................................... 34 8.1. 8.2. 8.3.

Adromi B.V.

Résumé................................................................................................................................. 34 Maatregelen ......................................................................................................................... 35 Conclusie .............................................................................................................................. 37

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 2 van 37

1.

Inleiding

Onderhavige notitie is opgesteld in opdracht van de gemeente Zeewolde. Dit in verband met plan om aan de Sternweg 22 een logiesfunctie voor arbeidsmigranten te realiseren. In de bestaande situatie is hier een woning met mantelzorgwoning aanwezig. Vanwege de ligging van de beoogde woningen nabij agrarische gronden is een zogenaamd locatiespecifiek onderzoek vereist om het plan juridisch te kunnen onderbouwen. In een dergelijk onderzoek worden de mogelijke gezondheidsrisico’s beoordeeld die samenhangen met blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. 1.1. Locatiespecifiek onderzoek In het kader van een locatiespecifiek onderzoek naar driftblootstelling om een korte afstand tussen teeltgronden en driftgevoelige functies te rechtvaardigen dienen de volgende twee vragen te worden beantwoord: 1) Of toevoeging van de nieuwe driftgevoelige bestemmingen tot (verdergaande) potentiële beperkingen leidt bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische gronden; 2) Of sprake is een evenwichtige toekenning van functies aan locaties - artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet) waarbij rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling (artikel 2.1, lid 4 van de Omgevingswet). 1.2.

Drift, gezondheid, aandachtsafstanden In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken. Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt1. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Vooralsnog kan deze rechtspraak ook als relevant worden beschouwd onder de thans geldende Omgevingswet. Een reguliere menselijke aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw zal bepalend zijn op het moment dat regulier menselijk verblijf in de buitenlucht niet 1

ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 3 van 37

aan de orde is. Dit omdat in de buitenlucht sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen), terwijl inpandig enkel sprake kan zijn van blootstelling aan dampen/aerosolen en indirect via bijvoorbeeld huisstof. Onderhavige onderzoeksnotitie beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de handreiking ‘Aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten’2. In deze notitie wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden, natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.3. Invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat, waaronder ook de invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, te worden uitgegaan van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt3. Enkel bij wijze van uitzondering kan worden uitgegaan van een invulling die niet de maximale planologische situatie vertegenwoordigt4.

Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten5. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de bestemde teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). 1.4. Locatiespecificiteit In deze context is de vraag in welke zin sprake dient te zijn van een locatiespecifiek onderzoek. Aangezien moet worden uitgegaan van de maximale planologische situatie, is sprake van een abstractie ten opzichte van de sinds jaar en dag reëel bestaande situatie. Op dit vlak geldt verder dat de regelgeving omtrent toepassing van gewasbescherming landelijk geldt en dus niet locatiespecifiek is. Consequentie hiervan is dat zowel toegelaten 2

RVO, Expertteam woningbouw, juni 2025. ABRvS 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:650, ABRVS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1840 ov. 14.1 en ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3396 4 ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579, r.o. 4.3. en ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2225 r.o. 9.5. 5 ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131 en ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524 3

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 4 van 37

gewasbeschermingsmiddelen als toegelaten spuitapparatuur een algemene grootheid vormen. Er mogen per slot van rekening alleen voor een bepaalde teelt toegelaten middelen worden gebruikt welke enkel mag worden aangebracht met spuitapparatuur die voldoet aan de voorgeschreven technische eisen. Ook de beoogde ontwikkeling zal vanuit de abstractie van de maximale planologische mogelijkheden moeten worden beschouwd. Locatiespecifieke aspecten hebben kortom betrekking op aspecten zoals: - De planologie; - De grondslag en wateraspecten; - Vorm, afmetingen en onderlinge situering gewaspercelen en driftgevoelige functie(s); - Lokale windomstandigheden. Uiteraard zullen ook te treffen voorzorgmaatregelen locatiespecifiek zijn.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 5 van 37

2.

Locatie en omgeving

2.1. Bestaande situatie Het projectgebied is gelegen ten noorden van de kern van Zeewolde in het buitengebied. Het buitengebied ter plaatse kenmerkt zich door extensieve bebouwing met woningen en enige agrarische bedrijven. Verwezen wordt naar afbeelding 2.1.

Afbeelding 2.1: locatie en omgeving (bron: OSM)

2.2. Beoogde situatie In de beoogde situatie zal de locatie worden heringericht met een aantal logiesgebouwen. Verder zal op het terrein worden voorzien in parkeerterrein, een bushalte en voorzieningen voor ontspanning in de buitenlucht. Kadastraal is de projectlocatie bekend als gemeente Zeewolde, sectie L, nummers 1532 en 937 gedeeltelijk. Verwezen wordt naar afbeelding 2.2.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 6 van 37

Afbeelding 2.2: globale begrenzing locatie (bron: DSO)

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 7 van 37

3.

Agrarische gronden

3.1. Planologische situatie Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle onder het oude recht in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan. Voor de projectlocatie en de omgeving daarvan gelden de volgende planologische regelingen: - Omgevingsplan gemeente Zeewolde – 15 januari 2024 - Buitengebied 2016 - 2e Herziening – 7 november 2019 - Reparatieplan Buitengebied 2018 – 26 juni 2018 - Buitengebied 2016 – 29 september 2016 Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’ bevat de relevante verbeelding voor de agrarische gronden, in combinatie met de daaropvolgende herzieningen van de planregels. Verwezen wordt naar afbeelding 3.1 voor het relevante gedeelte van de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Afbeelding 3.1.1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied 2016 (bron: DSO)

Verwezen wordt naar afbeelding 3.1.1. De locatie zelf is grotendeels voorzien van een woonbestemming. De omliggende gronden zijn voor zover van belang aangeduid voor ‘agrarisch’, waarbij de Sternweg 19 (overzijde weg) is aangeduid voor ‘bedrijfskavel agrarisch bedrijf’ en voor ‘bed&breakfast’.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 8 van 37

Gronden die zijn aangeduid voor ‘agrarisch’ zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik. Permanente bollenteelt alsook houtteelt, bosbouw, fruitteelt, boomteelt en overige opgaande meerjarige teeltvormen zijn niet toegelaten (fruitteelt of boomteelt is enkel toegelaten ter plaatse van een aanduiding voor "specifieke vorm van agrarisch – fruit- en bomenteelt”). Een bedrijfskavel mag worden gebruikt voor vestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij, al dan niet als neventak is enkel toegelaten ter plaatse van een daartoe strekkende aanduiding). De gronden zijn verder bestemd voor bestaande ontsluitingswegen en extensief dagrecreatief medegebruik. Teeltondersteuning is toegelaten binnen bouwvlak tot een hoogte van 2,5 meter voor tunnelkassen en blaastunnels (artikel 3.2.1 onder b van de planregels). Buiten bouwvlak is overige teeltondersteuning toegelaten tot een hoogte van 5 meter (artikel 3.2.4 onder e van de planregels). 3.2. Grondslag en basisregistratie Er is sprake van kleiige ondergrond (Kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei), een vruchtbare grondsoort met een matige doorlatendheid/doorwortelbaarheid6. Via de basisregistratie gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van het agrarische grondgebruik. Voor 2024 blijkt dat de omliggende gronden ten zuiden overwegend in gebruik zijn geweest als grasland.

De gronden ten noorden zijn overwegend in gebruik geweest voor diverse soorten akker- en tuinbouw. Teeltinformatie vanaf 2009 laat een meer gevarieerd beeld zien met ook enige bloem(bollen)teelt7. Verwezen wordt naar afbeeldingen 3.2.1 en 3.2.2.

6 7

https://bodemdata.nl/basiskaarten https://apps.arcgisonline.nl/gewaspercelen/

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 9 van 37

Afbeelding 3.2.1: uitsnede basisregistratie gewaspercelen, groene percelen betreft gras (bron: PDOK)

Afbeelding 3.2.2: teelt op perceel ten zuidwesten vanaf 2009 (bron: EZK/ArcGis)

3.3. Wateraspecten Verwezen wordt naar afbeelding 3.2.3. Blijkens de Legger van het waterschap Zuiderzeeland is sprake van relevante watergangen rondom de projectlocatie. Voor de watergang 2329 ten westen geldt profiel K-02. De watergang bevindt zich op de perceelgrens, heeft een breedte van circa 6,5 meter en is bijna altijd jaarrond watervoerend. Watergang 3849 bevindt zich op de gedeelde perceelgrens aan de noordzijde en grotendeels aan de oostzijde van het perceel. Voor deze watergang is geen profiel vastgesteld. De watergang heeft een breedte van circa 3 meter.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 10 van 37

Langs de Sternweg is verder sprake van greppels (o.m. 15530) aan weerszijden met profiel B-9, deze watergangen zijn niet jaarrond watervoerend en hebben een breedte van circa 2,5 meter. Op momenten dat daadwerkelijk oppervlaktewater aanwezig is in deze watergangen, dient bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen rekening te worden gehouden met een zogenaamde teeltvrije zone, zie hiervoor verder paragraaf 3.2.1. De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied, zodat op die grondslag geen beperkingen gelden voor wat betreft de in te zetten gewasbeschermingsmiddelen8.

Afbeelding 3.3.1: uitsnede Legger wateren (bron: Waterschap Zuiderzeeland)

8

Bepaalde gewasbeschermingsmiddelen mogen niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 11 van 37

Afbeelding 3.3.2: profielen K-02 en B-9 voor de betrokken watergangen

3.4. Conclusie agrarisch grondgebruik Er is sprake van een agrarische bestemming die beperkingen inhoudt voor opgaande meerjarige teelten. Gelet hierop kan worden uitgegaan van diverse akker- en tuinbouw als maximale planologische situatie, afgewisseld met bloem(bollen/zaden)teelt. De aanwezige watergangen betekenen dat sprake zal zijn van extra onderlinge afstand, mede vanwege een aan te houden teeltvrije zone van minimaal 0,5 meter. Voor het perceel Sternweg 19, voor zover hier bebouwing en verharding aanwezig is voor het hier gevestigde agrarische bedrijf, wordt geen rekening gehouden met relevante inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Een ontwikkeling waarbij alle bebouwing en verharding zou worden verwijderd en de gronden in gebruik zouden worden genomen voor teelten vormt immers geen reëel scenario.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 12 van 37

4.

Regelgeving

4.1. Europees beoordelings- en toelatingskader De toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door de Europese verordeningen 1107/2009/EU, 396/2005/EU, 2017/625/EU en 1185/2009/EU en 528/2012/EU. In deze context is Verordening 528/2012/EU (hierna ook: de Biocidenverordening) het meest relevant welke aanvullend geldt op verordening 1107/2009/EU. Met verordening 2018/605/EU zijn aanvullende beoordelingscriteria ingevoerd. Daarnaast geldt richtlijn 2009/128/EU (sustainable use of pesticides - SUD), welke verder aan de orde komt in paragraaf 3.2. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening). De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld.

Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening 528/2012/EU).

Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld9, ook gezondheidsrisico’s op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en 9

De verordening 1107/2009 is daarbij bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen, niet als een regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot alleen de in de verordening opgenomen beoordelingscriteria, zie HvJ 24 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e.v. Het niet (volledig) beschouwen van alle mogelijke gezondheidseffecten is om die reden strijdig met het Unierecht. In algemene zin geldt op dat punt, dat een beoordeling of wordt voldaan aan wettelijke voorschriften geen onderdeel vormt van de toetsing van planologische aspecten. Bij de beoordeling van een planologisch besluit moet ervan worden uitgegaan dat wettelijke voorschriften worden nageleefd. Zie ARRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:967 en ARRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:337.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 13 van 37

immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening). In een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch10, waarbij ingegaan wordt op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in lelieteelt, wordt geconcludeerd dat bovenstaande beoordelingen leemtes bevatten, omdat er geen onderzoek is gedaan naar risico’s op neurodegeneratieve ziektes of de risico’s van combinaties van gewasbeschermingsmiddelen. De EFSA en het Ctgb erkennen dat dergelijke aspecten nader onderzocht moeten worden volgens het Unierecht. Het Ctgb heeft inmiddels aangeven om het nieuwste toetsingskader, indien deze strenger is in de beoordeling, te gaan gebruiken11. Ook het RIVM en EFSA hebben deze kennisleemtes opgepakt12, zodat in toekomstige (her)beoordelingen dergelijke risico’s meegenomen worden. Kennisleemtes dienen te worden beschouwd als een fundamenteel kenmerk van de wetenschap, geen tekortkoming. Hierbij geldt dat politieke besluitvorming dient plaats te vinden op basis van beschikbare kennis. Relevant hierbij is verder, dat in het kader van planologische besluitvorming ervan moet worden uitgegaan dat wet- en regelgeving wordt nageleefd, dus ook het Unierecht13.

Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Dit is anders in de context van planologische besluitvorming, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1. 4.2. Aanvullende regelgeving Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen.

Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand). 10

ECLI:NL:GHSHE:2025:2043 https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2025/03/26/ctgb-gaat-nieuw-toetsingskader-sneller-gebruiken 12 https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/chemical-mixtures https://www.rivm.nl/en/bestrijdingsmiddelen/spark 13 Zie noot 9. 11

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 14 van 37

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op de geldende Nederlandse regelgeving. 4.2.1. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 2.1, lid 3 onder b van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken. In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 50 cm tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop. In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.

Op grond van artikel 4.723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast worden. De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. 4.2.2. Overig Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen14 cq. een alternatieve bestrijding van plagen), dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. Echter in het kader van deze notitie dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen15 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In

14

Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009. 15 Een biologisch gewasbeschermingsmiddel kan chemisch identiek zijn aan een regulier beschermingsmiddel. Enig verschil is dat het middel en de daarin aanwezige werkzame stoffen een biologische oorsprong hebben en niet zijn gesynthetiseerd.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 15 van 37

een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). 4.3. Evaluatie en herziening milieuregelgeving Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 201616 en 20 mei 202017, zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen18 gepaard gaat met risico’s voor de menselijke gezondheid, waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 201819 en 202020 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie21, waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM22 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico’s wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR23. Nu in Duitsland ook het Unierecht geldt voor toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, is de situatie in Duitsland representatief te noemen voor Nederland. De Gezondheidsraad24 komt op basis van internationale epidemiologische literatuur tot de conclusie dat gewasbescherming met chemische middelen gepaard kan gaan met gezondheidsschade bij mensen.

In lijn daarmee pleit de Gezondheidsraad ervoor dat beter invulling wordt gegeven aan de eisen op basis van het Unierecht bij toelating en herbeoordeling van middelen. Op dit vlak is relevant dat de gevolgtrekkingen van de Gezondheidsraad onvoldoende zijn toegesneden op de

16

Report from the commission on the sustainable use of biocides pursuant to Article 18 of Regulation (EU) No 528/2012 of the European Parliament and of the Council concerning the making available on the market and use of biocidal products, COM(2016) 151 https://health.ec.europa.eu/document/download/68a5733b-67b9-4727-a77db2df88b01afb_en?filename=2016_report_sustainableuse_biocides_en.pdf, geraadpleegd op 7 februari 2024 17 Report from the commission on the experience gained by Member States on the implementation of national targets established in their National Action Plans and on progress in the implementation of Directive 2009/128/EC on the sustainable use of pesticides, COM(2020) 204 final, https://food.ec.europa.eu/document/download/e4380b91-8cca-4f0c-b5f4dd9d99692ec6_en?filename=pesticides_sud_report-act_2020_en.pdf geraadpleegd op 8 februari 2024 18 Relevant is te vermelden dat sommige lidstaten een lange opgebruiktermijn hebben gehanteerd voor gewasbeschermingsmiddelen die al lang onder de Biocidenverordening zijn verboden. Blijkens artikel L258-8 IV van de Code Rural hanteerde Frankrijk bijvoorbeeld een opgebruiktermijn tot 1 januari 2022.

Dit betekent dat pas vanaf 1 januari 2022 de Biocidenverordening in volle omvang van toepassing is in Frankrijk, terwijl lidstaten zoals Nederland op basis van reeds voor de Biocidenverordening gehanteerd systeem van periodieke herbeoordeling al vrijwel direct alleen middelen toelieten die onder de Verordening waren (her)beoordeeld. 19 RIVM rapport 2018-0068, Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen, 2018 20 RIVM report 2020-0056, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses, 2020 21 Deze conclusies zijn niet geldig voor landen zoals Frankrijk welke na invoering van de Biocidenverordening een opgebruiktermijn hebben gehanteerd, zie hiervoor paragraaf 3.1 22 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 23 Bfr, Fernab vom Feld: Gesundheitliche Beeinträchtigungen durch Abdriften von Pflanzenschutzmitteln sind unwahrscheinlich, Mitteilung Nr. 054/2020 des BfR vom 23. November 2020 zie: https://www.bfr.bund.de/cm/343/fernab-vom-feld-gesundheitliche-beeintraechtigungen-durch-abdriften-vonpflanzenschutzmitteln-sind-unwahrscheinlich.pdf (geraadpleegd op 1 juni 2023) 24 Gezondheidsraad, Gewasbescherming en omwonenden (2020/10)

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 16 van 37

locatiespecifieke omstandigheden in Nederland. Er kan hierbij worden gewezen op de volgende verschillen ten opzichte van de door de Gezondheidsraad aangehaalde internationale studies. - Toegelaten middelen; - Toepassingsvoorschriften (hoeveelheid en concentratie per behandeling, behandelfrequentie etc.); - Wijze van toepassing (zoals met 75% driftreductie, dan wel (worst case) met sproeivliegtuig); - Betreding van gewassen (wandelpaden door gewaspercelen, spelende kinderen in gewaspercelen). Gelet hierop vormt het advies van de Gezondheidsraad goede aanleiding om in Nederlandse context te kiezen voor toepassing van het voorzorgbeginsel in de context van planologische besluitvorming waarbij het aspect driftblootstelling een rol kan spelen. Los hiervan is uiteraard positief indien beter wordt toegezien op naleving van de geldende voorschriften bij toelating van middelen, maar het advies vormt geen aanleiding om te concluderen dat in Nederlandse context sprake is van nadelige effecten voor de gezondheid v.w.b. blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht, mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland.

Zoals al gebleken is uit paragraaf 4.1, gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau, waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon wordt aangehouden, gekoppeld aan worst case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t.a.v. extra driftreductie). Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde ‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen25. Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever invulling geeft aan de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie26, niet op afstandseisen27 of de genoemde aandachtszone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd.

25

European Commission, Proposal (final) Regulation on the sustainable use of plant protection products and amending Regulation (EU) 2021/2115, artikel 18, lid 1 en 19, lid 1 26 Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%). Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www.rvo.nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0.pdf) 27 In diverse uitspraken, laatstelijk ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder), overweegt de Afdeling de noodzaak van wettelijke afstandseisen: “Omdat er geen wettelijke bepalingen gelden over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en woningen, is niet uitgesloten dat ook in de bestaande situatie ter plaatse van de bedrijfswoning die als burgerwoning in gebruik is genomen hinder kan worden ondervonden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.”

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 17 van 37

4.4. Conclusies 4.4.1. Mate van bescherming In het Unierecht noch in het Nederlandse milieurecht is een verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. Het Unierecht kent de volgende beschermingscategorieën: - Consumenten; - Toepassers; - Omwonenden (waaronder begrepen passanten e.d.). Omwonenden worden gelijkelijk beschermd door de Verordening, ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De vraag of omwonenden wonen in een woning die hoort bij het bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast, dan wel bij een ander agrarisch bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of vanwege aanwezigheid op een agrarisch perceel maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben krachtens de milieuregelgeving. Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe, ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast.

De milieuregelgeving gaat uit van een gelijke bescherming van mensen en daarmee van functies. Evenmin is bijvoorbeeld kortdurend verblijf dus noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van verminderde bescherming, hoogstens is dat een kwestie van verminderde gevoeligheid (minder blootstellingstijd en -risico). De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen, d.w.z. dat aan één persoon evenveel bescherming toekomt als aan honderd personen. In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus in geen enkele omstandigheid lager beschermingsniveau worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van de goede ruimtelijke ordening gerespecteerd te worden28.

28

Zie in strijd met de Verordening op dit punt: ARRvS 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4331, nu de Afdeling hier de rechtsopvatting hanteert dat bepaalde functies en mensen minder bescherming toe zou mogen komen.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 18 van 37

Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn, is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is cq. niet kan worden uitgesloten dat zich veranderingen voordoen qua: - de verblijftijd van personen29; - de verblijfswijze (zoals binnen of buiten); - de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving, kinderen e.d.). 4.4.2. Mate van kwetsbaarheid / blootstelling De al geldende woonbestemming van het projectperceel alsook de geldende agrarische bestemming voor de omliggende gronden dient worden beschouwd als potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat vanuit oogpunt van maximale planologische mogelijkheden al rekening moet worden gehouden met reguliere menselijke aanwezigheid op deze locatie, inclusief aanwezigheid van kwetsbare personen. De omstandigheid dat reeds driftgevoelige functies zijn toegelaten, betekent dat in planologische zin ter plaatse reeds sprake is van een bestaande potentiële beperking ten aanzien van de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. De situatie is gelijk aan de situatie Buitenhuisweg I30. In de zaak Buitenhuisweg was sprake van een afwijkingsbevoegdheid, in het kader waarvan de menselijke gezondheid geen punt van afweging was, enkel de vraag of sprake zou zijn van een toename van mogelijke beperkingen voor omliggende functies.

In onderhavige situatie dient een bredere afweging plaats te vinden. De agrarische bestemming sluit eveneens kwetsbare functies in, doordat extensief dagrecreatief medegebruik is toegelaten. Menselijk verblijf zal zich concentreren in de dagperiode in het kader van recreatief medegebruik. Dit is ook de periode waarin er in de regel gewasbescherming wordt toegepast. Hierbij kan in aanmerking worden genomen dat recreatief gebruik in de regel overdag en bij droog weer aan de orde zal zijn, dus in de periode waarop ook gewasbescherming zal worden toegepast (er mag niet worden gespoten bij sterke wind, maar toepassing bij regen of op gewas dat nog nat is door dauw of regen vindt evenmin bespuiting plaats want dit zal de effectiviteit van de behandeling sterk aantasten omdat middel verdund zal worden en/of zal wegspoelen). De omstandigheid dat ondanks de agrarische hoofdbestemming reeds driftgevoelige functies zijn toegelaten, betekent dat in planologische zin ter plaatse reeds sprake is van een bestaande potentiële beperking ten aanzien van de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Tot sloten dienen op grond van het voorzorgbeginsel ook naburige teeltpercelen als mogelijke beperking te worden beschouwd bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

Immers als spuitmiddel dat wordt toegepast op het ene perceel ook terecht zou komen op een ander gewas op een naburig perceel, dan kan die oogst worst case worden afgekeurd voor menselijke consumptie. Op grond van bijlage 1 artikel 1 onder 3a en 3c van richtlijn 2009/128/EU vormt het voorkomen van het

29

In die strekking ook ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1575 ov. 11.5.1 dat een fietspad vanwege korte verblijfstijd geen voor driftblootstelling relevante functie zou zijn. 30 ABRvS 16 augustus 2023, 202204200/1/R4, o.v. 13.4

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 19 van 37

gezondheidsrisico dat kan ontstaan door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen die niet op het doelgewas terecht zijn gekomen een concrete uitwerking van het voorzorgbeginsel, waar bijvoorbeeld ook aandacht voor dient te bestaan in het kader van de vakbekwaamheidseisen die gelden om gewasbescherming te mogen toepassen (artikel 5 van genoemde richtlijn jo. artikel 17, lid 1 onder c van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden). Dit betekent dat, uitgaande van de bestemde mogelijkheden, de ontwikkeling sowieso niet zal kunnen leiden tot een toename van mogelijke beperkingen voor omliggende agrarische gronden, cq. dat mogelijke beperkingen inherent verbonden zijn met het toepassen van gewasbescherming (vraag 1 van paragraaf 1.1). In het navolgende wordt verder ingegaan op het belang van de bescherming van de gezondheid in het kader van een evenwichtige toedeling (zie paragraaf 1.1). 4.4.3. Gezondheidscriteria De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening), waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid mogen, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming.

Tegelijkertijd is bekend dat de Afdeling ervan uitgaat dat er vanuit planologisch oogpunt geen ruimte is om strengere normen te hanteren zodra er wettelijke blootstellingsnormen zijn vastgesteld31. Dit zelfs in de situatie dat voldoende wetenschappelijke zekerheid bestaat dat die vastgestelde normen niet voorkomen dat er gezondheidsschade ontstaat32 (en dus in strikte zin niet voldoen aan het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Het is niet duidelijk om welke reden de Afdeling de wettelijke blootstellingsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen uit het Unierecht niet accepteert. Mogelijk speelt mee dat dat de Afdeling het Europese recht gemakshalve als rechtsfeit blijft beschouwen, ondanks dat het Europese Hof het Unierecht als autonome rechtsorde beschouwt welke voorrang heeft op het nationale recht33. In contrast daarmee gaat de Afdeling er bijvoorbeeld van uit dat luchtkwaliteitsnormen ten aanzien waarvan weinig wetenschappelijk onzekerheid bestaat dat deze de menselijke gezondheid onvoldoende beschermen in de context van planologische besluitvorming dienen te worden gehanteerd34. Deze wettelijke normen zijn daarbij zelfs representatief voor stoffen waarvoor geen wettelijke normen zijn vastgesteld, zoals elementair koolstof en voor cumulatieve aspecten35.

Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd, bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht

31

ARRvS 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2833, onder 7.1 ARRvS 27 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076 onder 75.3, waar de Afdeling impliciet ook te kennen heeft gegeven dat aspecten van cumulatie, synergisme en aggregatie geen rol spelen voor planologische besluitvorming zodra er wettelijke blootstellingsnormen gelden, ongeacht de vraag of die aspecten zijn meegewogen in de blootstellingsnormen. 33 De bekende arresten Van Gend & Loos en Costa/ENEL. 34 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2833, onder 7.1 35 ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 75.3 32

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 20 van 37

op landbouwpercelen wonen, zoals geur en/of neerslag van deeltjes. Hier zijn geen gevalideerde modellen voor, want bij dat soort risico’s speelt het aspect gezondheid geen rol36.

36

In een recente uitspraak wordt door de Afdeling immers niet langer gesproken van gezondheidsrisico’s die kunnen samenhangen met blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen, maar alleen nog van hinder die hierdoor kan worden veroorzaakt. Zie hiervoor: ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) ten opzichte van eerdere uitspraken zoals ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 (Asdonkterrein) en ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 (Houten) waarin gesproken werd van gezondheidseffecten.

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 21 van 37

5.

Beoordeling gezondheidsaspecten

5.1. Verspreidings- en blootstellingsmodellen Uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt, dat voorhanden modellen waarmee blootstelling aan drift kan worden geprognosticeerd niet worden geaccepteerd voor planologische besluitvorming. Gewezen kan worden op de zaak Houten37, welke betrekking had op het zogenaamde PRI model. Verder kan worden gewezen op de uitspraak Asdonkterrein Beuningen38 over het zogenaamde EFSA-OPEX model. In andere uitspraken is bevestigd dat het PRI model en het EFSA-OPEX model in het kader van planologische besluitvorming niet worden geaccepteerd. Gelet hierop zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren. Verder is van belang dat de Afdeling hiermee ook de wijze waarop de volksgezondheid wordt beschermd onder het Unierecht afwijst. Per slot van rekening worden gewasbeschermingsmiddelen toegelaten en herbeoordeeld met behulp van het EFSA-model en verdere toxicologische informatie over individuele stoffen en zaken als cumulatie, synergisme, aggregatie en additie.

Tot slot kan worden geconcludeerd dat het niet de taak van de rechter of de wetenschap kan zijn om de politieke keuze te maken in welke mate van blootstelling aan gewasbescherming en welke inherent daaraan gekoppelde mate van restonzekerheid als acceptabel kan worden beschouwd in de context van de bescherming van de volksgezondheid. 5.2. Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hierbij is het een vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige39. In een andere uitspraak40 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in een situatie dat een agrarisch perceel41 zal grenzen aan een perceel met een gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden.

Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd42. 37

ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 39 ABRVS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1353 40 ABRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3160 41 De uitspraak had betrekking op een agrarische bestemming die tevens boomgaarden en boomteelt toelaat. 42 ABRvS 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3921 38

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 22 van 37

De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd43. Ook in een uitspraak van 19 maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd44. In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. Het plaatsen, onderhoud en instandhouding dient ruimtelijk te worden verzekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan. In een andere recente uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag, maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte erfafscheiding kan bieden45. In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek), dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing, dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen.

Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden. 5.3. Aandachtzones Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. Door de uitspraken over het gebruik van verspreidingsmodellen is daarbij de vraag relevant geworden vanaf welk punt maatregelen niet meer proportioneel of effectief zijn. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 200246 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’ uit 1996)47. Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c.q.

het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden48, waardoor bedoelde afstand van 50 meter 43

ARRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:269 Rechtbank Midden Nederland 19 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 45 ARRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263 46 ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 47 In civielrechtelijke context wordt uitgegaan van een procesbelang bij aanwezigheid binnen 500 meter tot een gewasperceel, zie: Rechtbank Oost Brabant 19 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3440 48 Zie ook paragraaf 3.1. 44

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 23 van 37

thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden. In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse gewasbehandelingen, kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt, is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling49. Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d.w.z.

afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtsafstand en niet als normafstand. Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht, terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht, botsingen druppels met gewas etc.). Echter uitgaande van de wettelijke 75% driftreductie kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts spuiten, waarbij extra driftreductie ook betekent dat minder damp- en aerosoldrift zal kunnen ontstaan. Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om verwaarloosbare hoeveelheden.

Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht. Een vergelijking met blootstelling aan bijvoorbeeld stikstofdioxiden en fijnstof afkomstig van wegverkeer, industrie en veehouderijen gaat maar gedeeltelijk op. Gewasbeschermingsmiddelen breken immers ook relatief snel af onder invloed van zonlicht. Stoffen afkomstig van wegverkeer e.d., en de afbraakproducten daarvan, blijven evenwel langer aanwezig in de lucht en verdwijnen hier alleen uit middels neerslag.

49

ARRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263

Adromi B.V.

Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 24 van 37

Gelet op een en ander kan ervan worden uitgegaan dat het geen meerwaarde heeft om afschermende maatregelen te nemen op een afstand van 25 meter bij zijwaarts en opwaarts gespoten gewassen en 12,5 meter in overige gevallen. Op deze afstanden is druppeldrift al lang uit de lucht gevallen, terwijl dampen en aerosolen al tot zodanig verwaarloosbare concentraties verdund zijn dat maatregelen om verdergaande verdunning te bewerkstelligen niet proportioneel zijn. 5.4. Conclusies Gelet op hoofdstuk 4 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt, niet accepteert en in het kader van planologische besluitvorming aanvullende maatregelen eist, dit onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving en/of uitspraken van de civiele rechter. Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtsafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende maatregel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zeewolde&id=b475aa9c-8761-4179-b29a-640aaf703c4f