Brief inspreekreactie de heer De Pater_Sternweg 22
Tekst van het document
Goedenavond voorzitter, commissieleden, Mijn naam is Job de Pater. Ik spreek vanavond namens mijzelf en de heer Ben van de Westering. Wij zijn eigenaar van de agrarische gronden direct rondom het perceel aan de Sternweg 22 te Zeewolde Het gaat om de percelen kadastraal bekend gemeente Zeewolde, sectie L, nummers 1006, 1008 en 1531. Wij maken ons grote zorgen over de gevolgen van dit plan voor de gebruiksmogelijkheden van onze agrarische percelen. Onze gronden worden intensief agrarisch gebruikt, waaronder teelt van uien, aardappelen, bloembollen en andere gewassen. Daarbij worden gewasbeschermingsmiddelen toegepast, wat planologisch volledig is toegestaan. Bij het toestaan van nieuwe gevoelige functies, zoals huisvesting van arbeidsmigranten, moet voor alle bewoners een goed en veilig woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Andersom moeten wij als agrarische ondernemers niet belemmerd worden in onze gebruiksmogelijkheden. Uit vaste rechtspraak blijkt dat hiervoor een afstand van 50 meter moet worden aangehouden tussen gevoelige bestemmingen en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Niet alleen de woning, maar ook de tuin geldt als gevoelige functie. Deze afstand wordt in dit plan niet gehaald. Bij de omgevingsvergunning is een locatie specifiek onderzoek uitgevoerd dat zou aantonen dat een kortere afstand mogelijk is.
Maar in de praktijk grenst de tuin direct aan onze percelen. De feitelijke afstand is dus 0 meter. Daarmee klopt de basis van het onderzoek al niet. Daarnaast is uit meerdere rechterlijke uitspraken gebleken dat locatie specifieke onderzoeken naar spuitzonering juridisch uiterst kwetsbaar zijn. Alle onderzoeken die tot nu toe aan de rechter zijn voorgelegd, zijn vernietigd. Ik heb enkele uitspraken bijgevoegd. Ook verwijs ik naar de brief van het ministerie aan de Tweede Kamer, waarin wordt aangegeven dat de huidige rekentechnieken tekortschieten. Het RIVM en de WUR werken aan een nieuwe methode, maar die is pas halverwege 2026 gereed. Dit laat zien dat er momenteel geen bruikbare rekenmethode is. Het is duidelijk dat het onderzoek dat voor dit plan is gebruikt juridisch geen standhoudt. Juridisch zou een spuitvrije zone van 50 meter over onze gronden moeten worden gelegd. Dat is onmogelijk, omdat dit onze agrarische bedrijfsvoering ernstig zou beperken. Om deze redenen verzoeken wij u niet in te stemmen met het plan. Het is juridisch niet houdbaar en beperkt onze gebruiksmogelijkheden aanzienlijk. Dank u wel voor uw aandacht.
Bijlage1: regels omgevingsplan Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het agrarisch grondgebruik, niet zijnde permanente bollenteelt of houtteelt, bosbouw, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen, tenzij fruitteelt of boomteelt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - fruit- en bomenteelt";
3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in Artikel 38 in ieder geval gerekend: m. het gebruik van gronden ten behoeve van de houtteelt en de bosbouw; n. het gebruik van gronden ten behoeve van permanente bollenteelt; o. het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen, tenzij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - fruit- en bomenteelt";
Bijlage 2: uitspraken spuitzonering. ECLI:NL:RVS:2025:807 De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025 betreft een wijzigingsplan van de gemeente Zundert. Het plan voorziet in een functiewijziging van de bestemming "Agrarisch – Agrarisch bedrijf" naar "Wonen", waarmee de bouw van een nieuwe burgerwoning op de locatie van een voormalige bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt. De aangrenzende boomkweker, appellant in deze zaak, vreest dat deze nieuwe woonbestemming zijn bedrijfsvoering zal beperken, met name vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zijn percelen. De boomkweker stelt dat hij het hele jaar door gewasbeschermingsmiddelen gebruikt en dat de afstand tussen zijn teeltpercelen en de nieuwe woning te klein is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Hij wijst erop dat de afstand minder dan 50 meter bedraagt en dat het college geen locatiespecifiek onderzoek heeft uitgevoerd om te onderbouwen dat een kleinere afstand verantwoord is. Het college verdedigt het plan door te wijzen op verschillende mitigerende factoren: een verplichte bladhoudende haag rondom het perceel van de woning, een watergang die een spuitvrije zone afdwingt, en moderne spuittechnieken die volgens het college tot 95% driftreductie kunnen leiden.
Daarnaast verwijst het college naar een rapport van Wageningen Universiteit uit 2012, waaruit zou blijken dat een afstand kleiner dan 50 meter in de laanboomteelt verantwoord kan zijn. Ook stelt het college dat op grond van het vorige bestemmingsplan al een bedrijfswoning was toegestaan, wat eveneens een gevoelige functie is. De Afdeling volgt deze redenering niet. Zij herhaalt haar vaste lijn dat er geen wettelijke minimale afstand bestaat, maar dat een spuitvrije zone van 50 meter in het algemeen niet onredelijk is. Een kortere afstand kan, maar dan moet dit deugdelijk worden gemotiveerd. In dit geval bedraagt de afstand tussen de boomkwekerij en het bouwvlak slechts 13 meter. De Afdeling benadrukt dat ook een tuin als gevoelige functie geldt, waardoor de relevante afstand niet 30 maar 13 meter is. Cruciaal is dat het college geen locatiespecifiek onderzoek heeft uitgevoerd. Het aangehaalde WUR-rapport is algemeen van aard en gaat niet in op de specifieke situatie, zoals het type teelt, de gebruikte middelen, de lokale omstandigheden en de effectiviteit van de geplande haag. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Ook het argument dat eerder een bedrijfswoning was toegestaan, ontslaat het college niet van de plicht om de nieuwe woonbestemming ruimtelijk te motiveren.
De Afdeling concludeert dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en vernietigt het wijzigingsplan wegens strijd met artikel 3:46 Awb. Een nieuw besluit moet worden genomen onder het regime van de Omgevingswet.
ECLI:NL:RVS:2025:3396 De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3396) betreft het bestemmingsplan van de gemeente Deurne dat de ontwikkeling van CPO Allemansland mogelijk maakt: een collectieve woonvorm met 24 woningen en gemeenschappelijke voorzieningen in het buitengebied. De locatie grenst aan agrarische gronden van appellant, die daar gewassen teelt waarvoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk is. Appellant vreest dat de nieuwe woonbestemming, op slechts 15 meter van zijn percelen, zijn bedrijfsvoering zal beperken. De Afdeling schetst het toetsingskader: de gemeenteraad heeft beleidsruimte bij het vaststellen van een bestemmingsplan, maar moet de betrokken belangen zorgvuldig afwegen en motiveren dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is. Uit vaste rechtspraak volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is. Een kortere afstand kan, maar alleen wanneer deze wordt onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. De raad motiveerde de verkleinde afstand van 15 meter met een landschappelijke inpassing: een brede groene buffer van 15 meter met opgaande beplanting en ondergroei.
Daarnaast bracht de raad een locatiespecifiek onderzoek in, maar dit onderzoek dateert van ná het besluit van 2 juli 2024. Daarmee staat vast dat het besluit is genomen zonder dat een dergelijk onderzoek aan de verkleinde afstand ten grondslag lag, terwijl dat wel noodzakelijk was. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. De Afdeling beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Daarbij benadrukt zij dat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat niet alleen naar de bestaande situatie moet worden gekeken, maar naar de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende agrarische gronden. Voor de gronden van appellant geldt een ruime agrarische bestemming die verschillende vormen van teelt toestaat, waaronder teelten waarbij intensief gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke middelen is in het plan niet beperkt. De Afdeling oordeelt dat de raad ten onrechte uitsluitend heeft gekeken naar het huidige gebruik (mais en gras) en niet naar de maximale planologische mogelijkheden, zoals aardappelteelt, waarbij circa 15 keer per jaar wordt gespoten. Het onderzoek van Adromi houdt evenmin rekening met deze mogelijkheden. De verwijzing naar eerdere
uitspraken waarin sprake was van uitzonderingssituaties slaagt niet: in dit geval zijn geen concrete omstandigheden aanwezig die een wijziging van het agrarisch gebruik onwaarschijnlijk maken. De Afdeling vernietigt het besluit en draagt de raad op de gebreken te herstellen. De raad moet een nieuw of gewijzigd besluit nemen waarin zowel de gevolgen voor de agrarische bedrijfsvoering als de minimale breedte en werking van de groene afscherming deugdelijk zijn vastgelegd. ECLI:NL:RVS:2025:1205 In de zaak met ECLI:NL:RVS:2025:1205 speelde een geschil tussen enkele agrariërs en de gemeenteraad van Venray over de vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan Oostrum-Oost, dat een kader moest vormen voor de bouw van maximaal 59 woningen aan de noordoostzijde van de kern Oostrum. Tegen dit plan werd beroep ingesteld door omwonenden en agrariërs die vreesden dat de woningbouw zou plaatsvinden binnen de zogenoemde spuitzone, dat wil zeggen binnen de 50-meterafstand rond agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, waardoor die agrarische activiteiten mogelijk zouden worden belemmerd.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder, bij uitspraak van 21 december 2023, een deel van het oorspronkelijke plan geschorst voor zover het betrekking had op gronden binnen 50 meter van agrarische percelen, omdat die afstand in de jurisprudentie als spuitvrije zone gold en woningbouw daarbinnen in beginsel problematisch is in verband met een goed woon- en leefklimaat. Nadat de raad het bestemmingsplan op 14 mei 2024 opnieuw, gewijzigd had vastgesteld (het herstelbesluit), werd dit opnieuw aangevochten. In het herstelbesluit had de raad expliciet in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 5.5.4 en een toelichting over spuitzonering. Volgens deze wijziging mocht een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen op gronden met de aanduiding “specifieke vorm van wonen – spuitzone” pas worden verleend nadat binnen 50 meter van de beoogde woningen het telen van gewassen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk was.
De raad had deze voorwaardelijke verplichting gecombineerd met een functieaanduiding op de verbeelding, waardoor de gronden van de agrarische eigenaren ten noorden van het plangebied werden aangemerkt als aangrenzende agrarische percelen, wat theoretisch bewerkstelligde dat geen gewasbeschermingsmiddelen meer gebruikt konden worden binnen de spuitzone voordat bouwvergunningen zouden worden verleend. Ter zitting merkte de voorzieningenrechter echter op dat de raad ook een voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels spuitvrije zone had genomen, dat in het werkingsgebied van dat besluit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht verbood en wijzigingen naar ander agrarisch gebruik waarbij dergelijke
middelen worden gebruikt, belemmerde. De gemeente had toegelicht dat dit noodzakelijk was omdat in de directe nabijheid van bestaande en toekomstige woningen een goed woon- en leefklimaat niet kon worden gegarandeerd zolang agrarische activiteiten met gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter mogelijk bleven. Dit voorbereidingsbesluit verving als het ware het oude regime waarin de agrarisch ondernemer zijn activiteiten onverminderd kon voortzetten en regelde formeel dat binnen die zone geen gewasbeschermingsmiddelen meer konden worden gebruikt, althans dat wijziging van agrarisch gebruik met gebruik van die middelen niet was toegestaan. In de onderliggende feiten lag aan de orde dat de agrarische gronden – waaronder die van de appellanten – werden gebruikt als grasland en dat daar jaarlijks bespuit werd toegepast. Uiteindelijk heeft de Afdeling de beroepen tegen het herstelbesluit gegrond verklaard voor zover het bepaalde in artikel 5.5.4 van de planregels betreft, en heeft ze dat artikel vernietigd.
De Afdeling heeft vervolgens zelf bepaald hoe artikel 5.5.4 moest worden geformuleerd, namelijk dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen en bijbehorende tuinen met de aanduiding spuitzone pas mag worden verleend nadat binnen 50 meter van de beoogde woningen én de bijbehorende tuinen het telen van gewassen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk is. Deze formulering benadrukt dat zowel woningen als tuinen onder de beschermde zone vallen en dat de beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van groot belang is voor de ruimtelijke toelaatbaarheid van nieuwbouwwoningen. Het oordeel reflecteert de vaste jurisprudentie dat bij nieuwe gevoelige functies zoals woningen in de nabijheid van agrarische activiteiten een spuitvrije zone van ongeveer 50 meter geldt en dat een bestemmingsplan of omgevingsplan daar expliciet rekening mee moet houden door middel van planregels of andere uitvoerbare instrumenten als de bestaande gebruiksmogelijkheden onveranderd zouden blijven.
De uitspraak toont daarmee hoe de Afdeling omgaat met spuit- en uitloopzones binnen ruimtelijke plannen: het vergt expliciete en juridisch uitvoerbare borging in de planregels dat de gevoelige functies niet worden gerealiseerd voordat agrarische activiteiten met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de spuitzone zijn beëindigd of onmogelijk zijn gemaakt, conform vaste rechtspraak over de 50-meter afstand.
Bijlage 3: Kamerbrief ministerie van LVVN. Geachte Voorzitter, Met deze brief reageer ik op het verzoek van de commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om de Kamer te informeren over het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar een afwegingskader ter onderbouwing van spuitvrije zones. In 2024 zijn meerdere inhoudelijke overleggen gevoerd naar aanleiding van een verzoek van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) om te verkennen of een nieuw wetenschappelijk model ontwikkeld kan worden voor de beoordeling van gezondheidsrisico’s door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot spuitzones rond woningen. Spuitzonering betreft de afstand tussen agrarische activiteiten met gewasbeschermingsmiddelen en bebouwing, zoals woningen. Dit verzoek komt voort uit een uitspraak van de Raad van State die aangeeft dat de huidige rekentechnieken tekortschieten in het adequaat beoordelen van spuitzonering vanuit een goed ruimtelijk ordeningsperspectief. Uitvoering gevend aan de door uw Kamer aangenomen motie, zijn het RIVM en de WUR gevraagd om een verkennende studie uit te voeren naar spuitzonering vanuit een wetenschappelijk perspectief.
Hierin wordt de haalbaarheid van nieuwe of bestaande modellen voor het onderbouwen van het blootstellingsrisico in relatie tot spuitzonering onderzocht. De onderzoeksvragen die nu voorliggen zijn: 1. Welke definities en begrippen zijn relevant in het kader van spuitzonering en drift? 2. Wat is de oorsprong van de huidige norm van 50 meter voor spuitzonering? 3. Welke risico's zijn verbonden aan blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, vooral in relatie tot drift? 4. Welke maatregelen kunnen worden genomen om driftblootstelling te verminderen? 5. Wat is het toepassingsgebied van de methoden die gebruikt worden om veilige afstanden tot spuitzones te bepalen? 6. Welke modellen en gegevens over blootstelling zijn beschikbaar voor deze beoordeling? 7. Welke eisen en gegevens zijn nodig voor de toxicologische evaluatie van bestrijdingsmiddelen? 8. Wat zijn de functionele vereisten voor de methode die gebruikt wordt om gezondheidsrisico’s in te schatten?
De belangrijkste stakeholders in deze eerste verkenning zijn het Ministerie van LNV en BZK, de VNG, het RIVM, de WUR en het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Halverwege 2026 zullen de WUR en het RIVM een rapport opleveren waarin de haalbaarheid van een nieuw rekenmodel wordt beschreven voor het voorspellen van gezondheidsrisico’s van bewoners nabij spuitzones. Zodra het rapport gereed is, zal ik de Kamer hierover informeren. Dit rapport dient als basis voor eventuele vervolgstappen, zoals de daadwerkelijke ontwikkeling van een model. Hoogachtend, Femke Marije Wiersma Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur