CConstaterende datZeewolde
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Noorderwold_aanvulling MER 7 augustus 2024

Beeldvormende avond 5 september 2024, gemeente ZeewoldeBij agendapunt: Raadzaal 20:15 - 21:30 uur Bestemmingsplan Noorderwold15.458 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aanvullende notitie Plan- en projectMER Noorderwold-Eemvallei 7 augustus 2024

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Verantwoording Titel

Aanvullende notitie Plan- en projectMER Noorderwold-Eemvallei

Opdrachtgever

Gemeente Zeewolde

Projectleider

Renze Haitsma

Auteurs

Laura van der Stelt, Wendy Liefting

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Aantal pagina’s

42 (exclusief bijlagen)

Datum

7 augustus 2024

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding aanvullende notitie ........................................................................................... 5

1.2

Advies Commissie mer....................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Nadere toelichting voornemen en alternatieven ........................................................................ 6 2.1

Toelichting voornemen ....................................................................................................... 6

2.2

Ontwerpproces ................................................................................................................... 7

2.3

Alternatieven .................................................................................................................... 11

2.3.1

Beschrijving alternatief 1 ........................................................................................... 12

2.3.2

Beschrijving alternatief 2 ........................................................................................... 14

2.4 3

Toetsing doelbereik ................................................................................................................. 17 3.1

Beschrijving huidige situatie ............................................................................................. 17

3.2

Hoogteligging en bodemdaling: randvoorwaarden voor een robuust hydrologisch systeem ......................................................................................................................................... 18

3.3

Doelstelling (gewenste omgevingscondities) ................................................................... 18

3.3.1

N05.04 Dynamisch moeras ....................................................................................... 19

3.3.2

N14.03 Haagbeuken- en essenbos .......................................................................... 20

3.3.3

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland ..................................................................... 21

3.4

Algemeen doelbereik ....................................................................................................... 21

3.4.1

Structuur.................................................................................................................... 21

3.4.2

Connectiviteit............................................................................................................. 22

3.5

Doelbereik vochttoestand en overstromingstolerantie ..................................................... 23

3.5.1

Alternatief 1 ............................................................................................................... 23

3.5.2

Alternatief 2 ............................................................................................................... 26

3.6 4

Verschillen tussen de alternatieven ................................................................................. 17

Conclusie en aanbevelingen doelbereik .......................................................................... 30

Aanvulling op de effectbeoordeling ......................................................................................... 31 4.1

Bodemopbouw ................................................................................................................. 31

4.2

Natuur .............................................................................................................................. 35

4.3

Landschap ........................................................................................................................ 36

4.4

Archeologie ...................................................................................................................... 37

3/42

Kenmerk

4.5

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Tijdelijke effecten realisatiefase ....................................................................................... 38

5

Overige aanbevelingen Commissie mer.................................................................................. 39

6

Conclusie ................................................................................................................................. 41

Bijlage 1

Definitieve tabel effectbeoordeling

4/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding aanvullende notitie

Stichting Flevo-landschap wil een gebied van 152 hectare in het project Noorderwold-Eemvallei herontwikkelen, aansluitend op een reeds ontwikkeld gebied (Noorderwold-Eemvallei Noord DG3). Ze wil onder andere 68,5 hectare (ha) moeras en 36 ha bos realiseren. De gemeente Zeewolde wil in dit project ook ‘roodkavels’ realiseren: delen van het gebied waar verschillende functies mogelijk zijn, zoals woningbouw, infrastructuur en verharding. Hiervoor wordt een bestemmingsplan opgesteld. Op 14 maart 2024 is een Plan- en ProjectMER opgesteld. Het doel van de mer-procedure is om de milieueffecten van de maatregelen van het voorgenomen plan in beeld te brengen. Hiermee kan het bevoegd gezag verantwoord een zorgvuldig besluit nemen. Daarnaast is het MER voor de vergunningverlening en realisatie een belangrijk document dat inzicht geeft in de effecten en hoe deze eventueel te mitigeren zijn. Deze notitie is een aanvulling op het Plan- en ProjectMER Noorderwold-Eemvallei, als reactie op het advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage (Commissie mer) op het MER, zie paragraaf 1.2. Deze notitie vormt hiermee de meest actuele informatie, waarbij de informatie in het MER op sommige onderdelen achterhaald ofwel onvolledig is. In hoofdstuk 5 (effectbeoordeling) is aangegeven welke milieuthema's anders zijn beoordeeld of gelijk zijn gebleven met een nadere onderbouwing.

Deze notitie geeft daarnaast een meer uitgebreide onderbouwing van het doelbereik van de kwaliteitsdoelen van de te ontwikkelen natuur aan de hand van de SNLnatuurtypen.

1.2

Advies Commissie mer

De Commissie mer heeft op 4 juni 2024 een toetsingsadvies uitgebracht over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop. Op grote lijnen gaat het om de volgende adviezen: 1. Gewenste natuurkwaliteit en positieve natuureffecten: De ecologische doelen dienen nader vertaald te worden naar gewenste omgevingscondities (verwerkt in deze notitie in paragraaf 2.1). Specifiek moet aandacht besteed worden aan de gevolgen voor de water- en grondwaterkwaliteit voor beide alternatieven, waaronder de gevolgen van al dan niet verleggen van Wulptocht. De condities voor beide alternatieven moeten uitgewerkt worden en

2.

beschreven hoe de gevolgen voor de natuurkwaliteit verschillen (verwerkt in deze notitie in paragraaf 3) Uitwerking grondbalans. Beoordeeld moet worden of de grondbalans in alternatief 1

3.

sluitend kan worden. De effectbeoordeling moet daarop aangepast worden (verwerkt in deze notitie in paragraaf 2.4 en hoofdstuk 5) Gevolgen voor de bodemopbouw in alternatief 2. Werk nader uit wat het opbrengen van ongerijpte klei uit de moerassen op de oude Eemgeul en het afgraven van aanzienlijke hoeveelheden grond betekent voor de bodemopbouw (verwerkt in deze notitie in hoofdstuk 5)

5/42

Kenmerk

4.

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Grootschalige zichtbaarheid Eemloop in alternatief 2. Onderbouw het positieve effect van het zichtbaar maken van de Eemloop in alternatief 2, of stel dit naar beneden bij. Dit effect is namelijk afhankelijk van ontwikkelingen buiten het plan. De Commissie adviseert bovenstaande informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan en de ontgrondingsvergunning (verwerkt in deze notitie in hoofdstuk 5)

Daarnaast geeft de Commissie mer meerdere aanbevelingen voor het voorkeursalternatief. De reactie hierop is verwerkt in hoofdstuk 5.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt worden de belangrijkste kenmerken van het voornemen herhaald. Een belangrijke toevoeging is de nadere uiteenzetting van de beoogde (kwaliteits)doelen van de natuurontwikkelingen. In paragraaf 2.3 wordt het doorlopen ontwerpproces van de afgelopen jaren en de bijbehorende keuzes die zijn gemaakt beschreven. Om het doelbereik te kunnen toetsen, en de alternatieven te kunnen beoordelen, worden de twee alternatieven nader uiteengezet in paragraaf 2.4. Hierbij wordt duidelijk wat de onderscheidende elementen zijn. Het doelbereik van beide alternatieven wordt beschreven in hoofdstuk 3. De generieke natuurdoelen worden in paragraaf 3.3 vertaald naar specifieke ecologische doelen op basis van de SNL-natuurtypen, in de vorm van grenswaarden. Deze informatie is benut om het doelbereik te toetsen. Per alternatief wordt beoordeeld in hoeverre met het ontwerp en toekomstige beheer de beoogde natuurkwaliteit en een goed werkend (eco)systeem wordt bereikt. Beoordeeld wordt in hoeverre de ecologische, hydrologische en eco-hydrologische condities worden behaald bij beide alternatieven. In hoofdstuk 4 (effectbeoordeling) wordt de effectbeoordeling nader uitgewerkt daar waar er een aanpassing benodigd is ten opzichte van het MER. Hierbij wordt aangegeven welke milieuthema's anders zijn beoordeeld ofwel gelijk zijn gebleven met een nadere onderbouwing.

In hoofdstuk 5 wordt gereageerd op de aanbevelingen van de Commissie mer. In hoofdstuk 6 wordt afgesloten met conclusies en onderbouwing van het voorkeursalternatief.

2 Nadere toelichting voornemen en alternatieven In dit hoofdstuk is het voornemen en beide alternatieven nader toegelicht.

2.1

Toelichting voornemen

Het algemene doel van het project Noorderwold-Eemvallei is om natuur, landbouw en stad bij elkaar te brengen. Daarnaast ligt er een concrete doelstelling voor NNN (toentertijd EHS) compensatienatuur ten gevolge van de aanpassing van de A6. Het gaat om 68,5 hectare moeras en om 36 hectare bos. Naast moeras en bos komt er kruidenrijk grasland om zo de landschappelijke elementen, met name de Eemvallei, goed in te kunnen passen. Voor het moeras, het bos en het fauna- en kruidenrijke grasland is aangesloten bij de natuurbeheertypen zoals SNL die hanteert en na realisatie wordt het natuurgebied ook zo beheerd. De realisatie leidt tot een aaneengesloten en gevarieerd moerassig landschap en bosgebied met een hoge natuurkwaliteit en natuurinclusieve landbouw. 6/42

Kenmerk

2.2

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Ontwerpproces

Basis opgave voor het gebied Noorderwold-Eemvallei is vanaf het begin het realiseren van een compensatie opgave van 68,5 ha. moeras en 36 ha. bos. Het Flevo-landschap streeft daarbij naar een halfopen landschap waarin natuur, natuurinclusieve landbouw en rode functies organisch samengaan. 2017 Alternatief 1 is het oorspronkelijk ontwerp voor Noorderwold-Eemvallei, zie figuur 2.1. In paragraaf 2.4 wordt de precieze invulling van de alternatieven nader toegelicht.

Figuur 2.1 Schematische weergave van alternatief 1

Dit plan ging uit van verleggen van de Wulptocht waardoor het waterpeil binnen het gebied kon worden opgehoogd. Zo hoefde voor het moeras maar beperkt te worden afgegraven. Uit nadere onderzoeken die zijn gedaan bleek dat bij het verleggen van de Wulptocht er een risico was op opbarsten van de bodem. Dit risico werd dusdanig groot geacht dat het wat betreft het Waterschap niet akkoord was. Als de Wulptocht niet verlegt kon worden, was peilopzet binnen het gebied echter ook niet mogelijk gezien de versnippering van de waterpeilen die dan zou ontstaan. 2020-2022 Vanwege de compensatie opgave moest er echter 68,5 ha moeras komen. Er is daarom toen een alternatief bedacht waarbij moeras gerealiseerd kon worden op niveau van de Wulptocht. Hieronder de principe schets van hoe het moeras dan zou moeten werken.

7/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Figuur 2.2 Schematische weergave alternatief 2 (2020)

Voornemen hierbij was om de diepe delen uit te graven tot -7,2 m NAP, met de gedachte dat het waterpeil dan in droge tijden kon terugzakken tot -6,2 m NAP (niveau Wulptocht) en dan nog 1 meter water zou staan in de diepe delen. Indien het water lager zou uitzakken dan -6,2 m NAP in het moeras zou via een terugslagklep water kunnen worden aangevoerd vanuit de Wulptocht. Voor de ondiepe delen zou uitgegraven worden tot -6,2 m NAP, waarbij door het vasthouden van regenwater hier maximaal 50 cm water zou staan en in droge tijden kon droogvallen. De droge delen van het moeras zouden blijven op het huidige maaiveld niveau van ca. -4,5 tot -5,0 m NAP. Op basis van dit principe is in beginsel alternatief 2 ontworpen. De resultaten vanuit de archeologische onderzoeken Eemvallei die inmiddels bekend waren zijn daarbij meegenomen.

Figuur 2.3 Ontwerptekening alternatief 2 (schetsontwerp 2020-2022)

8/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

2023 Alternatief 2 had de voorkeur op alternatief 1, mede resulterende uit de concept MER. Hoewel alternatief 2 de voorkeur had, had het ook nadelen zoals de hoeveelheid grond die ervoor uitgraven moet worden en waren er vanuit de Commissie MER vragen gesteld. Op basis daarvan is in 2023 Het Flevo-landschap alternatief 2 verder gaan uitwerken. Omdat alternatief 1 minder positief was beoordeeld t.o.v. alternatief 2 is vanwege zo efficiënt mogelijk inzetten van middelen en tijd gekozen niet alternatief 1 verder te gaan optimaliseren. Vanuit de optimalisatie van alternatief 2 is het voorlopig ontwerp gekomen van oktober 2023. De basis voor de aangepaste MER die maart 2024 is ingediend bij de Commissie MER.

Figuur 2.4 Ontwerptekening alternatief 2 (voorlopig ontwerp)

Ontwerp plat bekeken zat de grootste aanpassing in de locatie voor de roodontwikkeling en daarmee de aanpassing in het bos en moeras eromheen. In de uitwerking is daarnaast veel tijd besteed aan hoe er minder grond afgegraven kan worden bij de moerasdelen. De aspecten minder milieu impact, zorgvuldig omgaan met archeologie, voorkomen van onnodige kwel en hergebruik van de vrijkomende grond voor de droge natuur in het plan (bos) zijn daarin aan de orde geweest. Zie daarvoor ook bovenstaande principeprofiel. Daarin is te zien dat de diepe delen van het moeras is aangepast van -7,2 m NAP naar -6,8 m NAP.

9/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Figuur 2.5 Principeprofiel alternatief 2 (voorlopig ontwerp 2023)

2024 Echter ook na oktober 2023 is het Flevo-landschap bezig geweest om alternatief 2 zo optimaal mogelijk te maken, met name ten aanzien van het moeras en de hoeveelheid benodigde afgraving. Zo is door Sweco hydrologisch onderzocht wat te verwachten is aan hoeveelheid neerslag en op welke wijze en in welke mate deze neerslag vastgehouden kan worden. Dit heeft geresulteerd in het definitief ontwerp (DO) van april 2024.

Figuur 2.6 Ontwerp alternatief 2 (definitief ontwerp, 2024)

Principe van dit ontwerp is nog steeds dat het moeras gerealiseerd wordt op peilniveau van de Wulptocht, -6,2 NAP en door regenval en verdamping er een natuurlijk fluctuatie ontstaat. Bij gemiddelde omstandigheden zijn de waterpartijen 1 m diep waarmee voorkomen wordt dat deze dichtgroeien. Eén keer per 3 jaar kan het onder zeer droge omstandigheden voorkomen dat in de zomer het peil uitzakt naar -6,2 m NAP waardoor de waterpartijen een diepte hebben van 0,3 m. Voor de ontwikkeling van een robuuster dynamisch systeem is dat prima. De aanleg van verhoogde beheerpaden zorgt daarbij ervoor dat het regenwater niet via kleischeuren kan wegstromen. De diepe delen van het moeras hoeven hiermee maar tot ca. -6,5 m NAP te worden afgegraven. Door dit te doen bij de reeds lagere gelegen delen van het plangebied betreft dat nog maar 1,5 meter diepte beneden maaiveld.

10/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Hiermee wordt voorkomen dat er gegraven wordt in de bodemlaag die archeologisch nog niet is vrijgegeven. De ondiepe delen worden afgegraven op verschillende dieptes (van -5,1 m NAP tot 5,9 m NAP). De diepere delen (met name waterriet en waterpartijen) worden ontgraven van -5,9 m NAP tot -6,5 m NAP en de droge delen (bos) worden opgehoogd tussen de -4,0 m NAP tot -1,0 m NAP. De vrijkomende grond vanuit de natte delen zijn nodig om voldoende droge delen te creëren voor de ontwikkeling van het compensatiebos (anders zouden deze locaties te nat worden). Op deze manier is de te ontgraven grond hoeveelheid substantieel verlaagd ten opzichte van het oorspronkelijke alternatief 2. De huidige te ontgraven grondhoeveelheid bedraagt ca 672.000 m3. De vrijkomende grond wordt in alternatief 2 volledig binnen het gebied verwerkt ten behoeve van de drogere natuurdelen.

Figuur 2.7 Principeprofiel alternatief 2 (definitief ontwerp, 2024)

Met deze nadere notitie wordt ten aanzien van alternatief 2 dit geoptimaliseerde ontwerp als uitgangspunt gehanteerd. In paragraaf 2.3.2 wordt het huidige ontwerp van alternatief 2 nader toegelicht. De Commissie mer heeft aanbevolen om de positieve elementen van de alternatieven te combineren. Zoals een minimum aan ontgraving, zodat minder grond verzet hoeft te worden en minder gevolgen zijn voor archeologische waarden. Daarnaast het toestaan van aanzienlijke fluctuaties tussen zomer- en winterpeilen, zodat een dynamisch moeras ontstaat. En behouden van de ligging van de Wulptocht. Geconcludeerd kan worden dat de aanbevelingen van de Commissie mer verwerkt zitten in de optimalisaties van alternatief 2. De hoeveelheid te ontgraven grond is van alternatief 2 is inmiddels stuk verkleind, richting alternatief 1. Er is spraken van een dynamisch moeras en de potentiële archeologische bodemlagen worden ontzien. Hieronder wordt dit bij de diverse onderdelen nog nader toegelicht.

2.3

Alternatieven

De alternatieven zijn de twee verschillende ontwerpen die zijn afgewogen en beoordeeld in het MER. In onderstaande paragraaf zijn de alternatieven beschreven. Het betreft deels de tekst zoals beschreven in het MER, met daarop waar nodig een aanvulling of aanpassing. In deze paragraaf is tevens per alternatief een overzicht opgenomen van de specifieke kenmerken van de alternatieven en de onderscheidende elementen.

11/42

Kenmerk

2.3.1

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beschrijving alternatief 1

Inrichting Voor alternatief 1 wordt de Wulptocht in het gebied verlegd. De boscompensatie is hoofdzakelijk ten noorden en deels ten zuidwesten van deelgebied 1 en ten noorden van deelgebied 2 noord (langs de A6), het moeras ligt voor het overgrote deel in 2 noord en zuid en deels in 1 zuidoost (ten zuiden en noorden van de Ibisweg). Watersysteem De Wulptocht zorgt voor de aanvoer van water in het gebied. Vanaf de Wulptocht wordt het water in de toekomstige situatie met een gemaal opgepompt naar een parallel gelegen, nieuw te graven watergang die de aangrenzende gebieden bedient. De watergang kruist de hoger gelegen Ibisweg met een duikerconstructie. Overtollig water kan via een verderop gelegen stuw worden afgevoerd naar de Wulptocht. De tussengelegen strook dient als overgangszone om het peilverschil te overbruggen. De huidige watergangen hebben een polderpeil van -6,2 m NAP, dit betreft circa 1,2 tot 1,7 m onder maaiveld. Voor het aangelegde moeras moet het waterpeil circa 50 cm boven maaiveld staan (ofwel -5,0 m NAP). Hiervoor moet het waterpeil kunstmatig worden opgezet. Voor het voorlopig ontwerp van alternatief 1 is gekozen om de aangewezen gebieden voor het kleimoeras deels af te gegraven gecombineerd met een peilopzet tot -5,0 m NAP (figuur 2.8). Hierbij wordt de mogelijkheid gecreëerd om het peil te fluctueren.

Figuur 2.8 Visualisatie met de te hanteren peilen bij alternatief 1

Ten zuiden van de Ibisweg grenst het moeras aan het landbouwgebied. Om vernatting van deze percelen te voorkomen, is een brede strook grasland opgenomen als overgangszone met daaraan grenzend een kavelsloot op het lage polderpeil. Natuur(verbindingen) De Wulptocht sluit aan op de natuurstrook en het watersysteem van de Grote Trap. De nieuwe Wulptocht krijgt een natuurvriendelijke oever (NVO). Binnen het ontwikkelplan is ruimte gereserveerd om 6,5 hectare nieuw oppervlaktewater te realiseren. De kleimoerassen zijn geprojecteerd op de laagste delen van het plangebied, waar meer kweldruk aanwezig is en de bodem relatief sterk daalt. De verschillende eenheden staan via watergangen, waaronder de ‘oude’ Wulptocht, met elkaar in verbinding. De Grote Trap vormt daarnaast een belangrijke schakel tussen de gebieden voor de bezoekers van de gebieden middels fiets- en wandelpaden.

12/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Ontgronding en grondbalans Om te garanderen dat de kleimoerassen nat blijven is het plan om deze drie gebieden af te graven en het peil daarbij te verhogen. Uitgegaan is van een maaiveldverlaging van 0,7 m (ten opzichte van het huidige maaiveld) en een peilopzet tot -5,0 m NAP. Verder zijn de bos- en landbouwgronden binnen het plangebied verhoogd met 0,5 m tot 0,65 m. Vanwege het ontbreken van de grondbalans voor alternatief 1 is het totaal vrijkomende hoeveelheid grond niet bekend. Gezien alternatief 2 wordt een optimalisatie van alternatief 1 waarbij alle vrijkomende grond in het gebied wordt verwerkt mogelijk geacht. Roodkavels Binnen alternatief 1 zijn drie zoekgebieden aangewezen voor de uitwerking van de roodkavels (rood omcirkeld in figuur 2.9).

Figuur 2.9 Alternatief 1 ontwikkelplan Noorderwold-Eemvallei Fase 1 (bron: Feddes Olthof Landschapsarchitecten)

Tabel 2.1 Samenvatting kenmerken alternatief 1 Beoogde inrichting

Alternatief 1

1. Aanpassing watersysteem

Wulptocht verleggen. Nieuwe watergangen parallel aan de Wulptocht Via gemaal oppompen water Wulptocht in parallel sloten. Groot risico op opbarsten ondergrond bij verleggen Wulptocht, waarbij er een aanzienlijke extra hoeveelheid kwel ontstaat.

2. Waterpeil

Wulptocht blijft -6,2 m NAP Binnen moeras peilopzet tot -5,0 m NAP

3. Afwatering

Overtollig water kan via stuw worden afgevoerd naar de Wulptocht. Geen open verbinding met de Wulptocht Duiker onder Ibisweg ter verbinding nieuwe watergangen ten noorden en zuiden Ibisweg.

4. Peildynamiek en duur

Door middel van pompgemaal gestuurd dynamisch waterpeil tot max -5,0 NAP. 13/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beoogde inrichting

Alternatief 1

5. Waterkwaliteit

Combinatie van regenwater en water vanuit de Wulptocht. Water Wulptocht van mindere kwaliteit door aansluitend agrarisch gebruik.

6. Maaiveldhoogtes

Huidige maaiveld -4,5 tot -5,0 m NAP. Huidige maaiveld wordt behouden (met uitzondering van moeras)

7. Oppervlaktes per natuurtype

Moeras 68,5 ha. Bos 36 ha Integratie Experimenteerruimte natuur 10 ha. Rood en infra ca. 7,7 ha. Biologische landbouw 30 ha Grasland 32,5

8. Ontgravingsdieptes moeras

Diepe delen moeras (open water): -6,5 m NAP (Zou mogelijk geoptimaliseerd kunnen worden) Ondiepe delen moeras (waterriet, inundatieriet, vochtig riet, droog riet, nat grasland): -5,5 m NAP (Zou mogelijk geoptimaliseerd kunnen worden) Wulptocht: -7,5 m NAP

9. Vrijkomende grond

Vrijkomende grond zou met optimalisatie 0 m3 kunnen worden, ofwel een gesloten grondbalans. Deze optimalisatie is niet doorgevoerd. In het MER en deze notitie is het uitgangspunt gehanteerd dat de grondbalans niet gesloten is en grond wordt afgevoerd.

10. Grondverzet (m3)

ca. 550.000 m3

11. Voorzieningen /

Wandelen

recreatiemogelijkheden

Aangesloten op fietsnetwerk Almere – Zeewolde Parkeergelegenheid voor fietsen en auto’s

12. (ecologische) verbindingen

Aangesloten op natuurgebied Grote Trap

13. Archeologie

Moeras, bos, watergang en landbouw door loop van de Eemvallei. Aantasting archeologische potentiële waardevolle laag met verleggen Wulptocht.

14. Roodontwikkeling

Verspreid in het gebied. Niet alle locaties zijn geschikt voor woningbouw vanwege hindercontouren.

2.3.2

Beschrijving alternatief 2

Inrichting Alternatief 2 voorziet in tegenstelling tot alternatief 1 niet in verlegging van de Wulptocht. In het alternatief is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oorspronkelijke elementen van het gebied. Zo zijn de moerassen voornamelijk gesitueerd op plekken die al lager liggen. Tevens is de ligging van het moeras aangepast op basis van de ligging van de oeverwallen om archeologische waarden te ontzien. Ook de roodlocaties zijn daarop aangepast.

14/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Watersysteem Er worden geen wijzigingen aan het watersysteem gerealiseerd, afgezien van het aanleggen van nieuwe (kavel)sloten, en er wordt geen peilverhoging voorzien. In dit alternatief wordt het originele waterpeil gehanteerd. Er worden greppels en kavelsloten gerealiseerd waardoor het overtollig water beter kan worden afgevoerd en er een duidelijkere grensafbakening is. Om het benodigde peil voor de ontwikkeling van de natuurwaarden in en rondom het (klei)moeras te behalen, voorziet alternatief 2 in het dieper ontgraven van de moerasgebieden. Het voornemen bij alternatief 2 is om in Noorderwold-Eemvallei Noord een gesloten, regenwater gestuurd systeem te creëren. Het gesloten watersysteem is een belangrijke laag in het ontwerp. Het water is de drager van de natuur in het bos - en moeraslandschap. Rondom het moerasgebied worden (opgehoogde) beheerpaden als kade aangelegd om kleischeuren te dichten en het regenwater vast te houden. Het regenwater wordt hierbij vastgehouden tot een gemiddeld peil van ca. -5,5 m NAP. In droge jaren naar inschatting gemiddeld 1 keer per 3 jaar kan het peil in de zomer door verdamping uitzakken tot een niveau van max -6,2 m NAP. Er komt geen pomp maar duiker met terugslagklep, dan wel een stuwput.

In plaats van peilverhoging naar -5,0 m NAP wordt het moeras gerealiseerd op peilniveau van de Wulptocht, -6,2 m NAP en door regenval en verdamping is er een natuurlijk fluctuatie tot maximaal -5,5 m NAP in het voorjaar. Ontgrondingen en grondbalans Er wordt op een aantal plaatsen een moeras gegraven, totaal zo’n 68,5 ha. De diepe delen van het moeras, ca. 10% van het moeras, wordt op de laag gelegen delen ontgraven tot ca. 6,5 m – NAP (1,5 m beneden huidig maaiveld). Voor de ondiepe diepe delen wordt ontgraven tot een diepte van -5,1 tot -5,9 m NAP. Tezamen met de te realiseren kavelsloten en natuurvriendelijke oevers komt hiermee totaal circa 672.000m3 grond vrij. De vrijkomende grond wordt volledig hergebruikt in het plangebied. Gronden die vrijkomen worden gebruikt voor een ophoging van de oude Eem (0,5 tot 1,0 meter boven maaiveld), het ophogen van de bospercelen en de roodkavels en het realiseren van twee uitkijkheuvels. Hierdoor ontstaat een gesloten grondbalans. Naar aanleiding van het conceptadvies is alternatief 2 verder ontwikkelt, met het oog op zo min mogelijk grondverzet. Inmiddels is door ontwerp en herberekeningen het grondverzet teruggebracht naar 672.000 m3. De genoemde 707.000 m3 in het MER en het advies van de Commissie mer is dus foutief/achterhaald.

De diepere delen van het moeras in alternatief 2 (plusminus 4 ha/10% van het gehele moeras) worden afgegraven tot de maximum diepte van -6,5 m NAP. Roodkavels Aan de zuidzijde van deelgebied 1 bevindt zich een roodkavel van circa 9,4 ha. Deze is gelegen aan de Ibisweg. Er is bij het bepalen van de ligging van de roodkavel rekening gehouden met de hindercontouren, waaronder de slagschaduw van de naburige windmolens, de archeologische hoofdloop van de Eem en de geluidscontour van de A6. De huidige locatie van de roodkavel is de enige locatie waar deze geen overlap heeft met deze contouren. Binnen de roodkavel is zijn maximaal 200 woningen toegestaan met in totaal maximaal 23.287 m2 BVO.

15/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Tabel 2.2 Samenvatting kenmerken alternatief 2 Beoogde inrichting

Alternatief 2

1. Aanpassing watersysteem

Kavelsloot tussen de roodlocatie (deelgebied 1) en natuur en tussen moeras en agrarisch (medegebruik) (deelgebied 2 zuid) Ten behoeve van dynamisch moeras vasthouden van regenwater Evenwichtig sturend watersysteem (geen toename van kwel).1

2. Waterpeil

Behoud huidige waterpeil -6,2 m NAP. Enkel regenwater wordt vastgehouden ten behoeve van de gewenste natuurkwaliteit.

3. Afwatering

Stuwen richting Wulptocht voor extreem natte tijden, als het niveau in het moeras hóger wordt dan -5,5 m NAP. Geen open verbinding met de Wulptocht

4. Peildynamiek en duur

Dynamisch regenwater gestuurd systeem tussen -5,5 m NAP tot -6,2 m NAP

5. Waterkwaliteit

Maximaal vasthouden van regenwater.

6. Maaiveldhoogtes

Bos 50 tot 400 cm boven huidige maaiveld (-1,05 tot -4,55 m NAP). Uitkijkheuvels worden ca. +2 tot +3 m NAP.

7. Oppervlaktes per natuurtype

Bos: 36 ha (waarvan 6,5 ha reeds gerealiseerd in deelgebied 3) Kruidenrijk grasland: circa 31 ha Moeras onderverdeeld in open water, waterriet, inundatieriet, vochtig riet, droog riet, natte graslanden en struweel: 68,5 ha Ruigteveld: 3,3 ha (al gerealiseerd in deelgebied 3) Rood zoeklocatie: 9,6 ha Natuurvriendelijke oever: 1 ha Agrarisch gebruik: 36,9 ha (al gerealiseerd in DG 3 en voortgezet gebruik in DG 2), waarvan 9,6 ha regulier en 27,3 ha natuurinclusieve landbouw. Experimenteerruimte (agroforestry): 7,8 ha (gerealiseerd in dg 3)

8. Ontgravingsdieptes moeras

Moeras diepe delen (open water, ca. 4 ha) circa -6,5 NAP (ofwel 1,5 m mv) Moeras (waterriet, inundatieriet, vochtig riet, droog riet, nat grasland): tussen -5,1 m en -6,3 m NAP

9. Vrijkomend grond

672.000 m3

10. Grondverzet

0 m3, alle grond wordt verwerkt binnen gebied.

11. Voorzieningen /

Wandelen

recreatiemogelijkheden

Aangesloten op fietsnetwerk Almere – Zeewolde Parkeergelegenheid voor fietsen en auto’s

12. (ecologische) verbindingen

Aangesloten op natuurgebied Grote Trap

13. Archeologie

Oude loop van Eemvallei wordt in landschap teruggebracht. Moeras wordt aangelegd binnen het archeologisch vrijgegeven gebied.

14. Roodontwikkeling

Geconcentreerd binnen het plangebied. Gespecificeerd tot wonen met inachtneming van de diverse hindercontouren.

1

Door te ontgraven tot maximaal 1,5 m - maaiveld wordt voorkomen dat er onnodige kwel ontstaat. Alternatief 2 is dus meer ‘bodem en water sturend’ dan alternatief 1 waarbij de Wulptocht wordt verlegd (2,2 m - maaiveld).

16/42

Kenmerk

2.4

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Verschillen tussen de alternatieven

De alternatieven verschillen in de volgende aspecten met elkaar:  In het wel of niet verleggen van de Wulptocht, en het wél of niet hebben met een open verbinding met de Wulptocht;   

Het wel of niet verhogen van het waterpeil Het wel of niet in acht nemen van de archeologische waardevolle oeverwallen De effecten van alternatief 1 zijn dusdanig groot dat op deze drie aspecten dat deze

geresulteerd hebben in een keuze voor alternatief 2 als voorkeursalternatief Daarnaast is van onderscheidend verschil dat de roodontwikkeling verspreid in het gebied (alternatief 1) of geclusterd is (alternatief 2)

Bomenrij langs de A6, ter bescherming dat vogels A6 opvliegen (in alternatief 2)

3 Toetsing doelbereik In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het doelbereik van de alternatieven. Hiervoor wordt eerst de huidige situatie beschreven. Vervolgens een korte beschrijving van de uitdagingen die er zijn bij het komen tot een robuust hydrologisch systeem binnen de Flevopolder. Daarna worden de gewenste beheertypen omschreven en bijbehorende grenswaarden waarna de alternatieven aan deze grenswaarden worden getoetst.

3.1

Beschrijving huidige situatie

Het plangebied draagt de typische kenmerken van het agrarisch landschap van de gemeente Zeewolde: grootschalige agrarische percelen doorsneden door rechte wegen en brede waterlopen. De rechtlijnige en grootschalige structuur vindt zijn einde ter plekke van het plangebied tegen de A6 met daarachter Almere. Aan de noordzijde van het plangebied ligt de A6. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Gruttotocht. Door het plangebied (tussen twee in te richten percelen) loopt de Wulptocht. De huidige watergangen hebben in de huidige situatie een polderpeil van -6,2 m NAP, dit is circa 1,2 tot 1,7 m onder maaiveld. Waterkwaliteit Wulptocht De Wulptocht betreft een KRW-watergang. De biologische toestand van de Wulptocht was in 2017 matig tot goed. De algemene fysisch-chemische parameters zijn als goed beoordeeld. Wel zorgt de hoeveelheid aan specifiek verontreinigde stoffen (onder andere bestrijdingsmiddelen) dat de waterkwaliteit niet voldoet aan de norm 'Goed Ecologisch Potentieel'.

17/42

Kenmerk

3.2

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Hoogteligging en bodemdaling: randvoorwaarden voor een robuust hydrologisch systeem

Het huidige maaiveld in het gebied ligt tussen de -4,5 m en -5,0 m NAP. Net als veel gebieden in de polder is het gebied onderhevig aan bodemdaling door diepe(re) ontwatering. De prognose voor bodemdaling in en rondom het plangebied is 0,05 tot 0,10 m in de periode 2020-2050.2 Wanneer water wordt vastgehouden, zoals bij natte natuurgebieden, zal de bodem niet of minder gaan dalen. Hoe groter het hoogteverschil tussen polderpeil en het natuurgebied, hoe lastiger het is om water vast te houden (minder tegendruk tegen wegzijging en meer rijping/lekkage van randen). Om dan voldoende water in een nat natuurgebied te houden moet zoveel mogelijk (regen en/of kwel) water vast worden gehouden, al dan niet in combinatie met het oppompen van water. De bodem in het plangebied is gedraineerd op zo’n 1,1 meter onder maaiveld (dat is -5,6 tot -6,1 m NAP) en betreft daardoor zeer goed gerijpte klei. Het gevolg hiervan is dat er veel kleischeuren zijn waardoor tot de hoogte van de drainage de bodem ‘lek’ is en grondwater gemakkelijk wegloopt. Het aanleggen van een nieuw moeras vergt een waterdichte bodem en zijkanten om lekkage naar omliggende, lagergelegen gebieden, te voorkomen. Een in Flevoland bewezen methode om kleischeuren te dichten is door deze kleischeuren uit te graven en te dichten met bouwvoor en vervolgens druk op te brengen middels ophoging.

3.3

Doelstelling (gewenste omgevingscondities)

Het plan Noorderwold-Eemvallei geeft invulling aan compensatie van NNN dat is aangetast bij de aanpassing van de A6. Conform de gesloten overeenkomst met de provincie Flevoland moet 68,5 ha N05.04 Dynamisch moeras en 36 ha H14.03 Haagbeuken- en essenbos gerealiseerd worden. Voor het resterende areaal is op basis van expert judgement, in samenspraak met ecologen, het meest passende beheertype gekozen. Bij invulling van de alternatieven is gestreefd naar de hoogst haalbare natuurkwaliteit met inachtneming van de projectdoelstelling. In deze paragraaf worden de gewenste omgevingscondities voor de gewenste beheertypen beschreven. Hiervoor wordt de SNL-systematiek gebruikt en de bijbehorende grenswaarden (bijvoorbeeld voor waterpeil, voedselrijkdom). De beheertypensystematiek is gebaseerd op landelijk voorkomen, waar de abiotische situatie sterk kan afwijken met de situatie in Flevoland. Om die reden zijn de grenswaarden vervolgens aangescherpt op basis van de situatie in Flevoland. In Tabel 3.1 zijn de grenswaarden samengevat. In navolgende paragrafen zijn de grenswaarden nader omschreven. Ook is het uit te voeren beheer (gebaseerd op SNL) toegelicht.

2 Kooi, H., G. Bakema, J. Gunnink, R. Melman, D. Walvoort, B. Knaake, S. Jansen & G. Erkens, 2023. Bodemdalingsprognose Flevoland: versie 2023. Deltares, Wageningen UR, TNO. In opdracht van Waterschap Zuiderzeeland.

18/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Tabel 3.1 Samenvatting grenswaarden beheertypen (gebaseerd op SNL, aangevuld met expert judgement op basis van situatie in Flevoland) Beheertype

Structuur

Vochttoestand

Connectiviteit

(afbakening)

Overstromingstolerantie

N05.04

Tot 20% open

0 tot -20 cm-mv, kan

Verbonden met

Dynamisch

water, 10%

in droge periode

ondersteunende

moeras

struweel

uitzakken tot -40

beheertypen

cm-mv, behoudens

(maximaal 30 meter)

Regelmatig

periodieke droogteperiode, behoudens inundatie N12.02 Kruiden-

20% bedekking

en faunarijk

kruiden

-

-

Incidenteel

Incidenteel

grasland N14.03

Maximaal 20%

-25 tot -40 cm-mv,

Verbonden met

Haagbeuken- en

niet inheemse

behoudens dieper

ondersteunende

essenbos

bomen

uitzakken

beheertypen

In de tabel valt op dat met name voor N05.04 Dynamisch Moeras en N14.03 Haagbeuken- en essenbos concrete grenswaarden geformuleerd zijn. Voor het beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland geldt dat (maai)beheer leidend is voor de ontwikkeling. Dit beheertype heeft geen specifieke vereisten voor de hydrologische situatie, met uitzondering van inundatie. Voor het beheertype N14.03 Haagbeuken- en essenbos is in de landelijke omschrijving het wegzakken van grondwaterstanden als knelpunt benoemd. Het beheertype is matig voedselarm en gebufferd. Op droge zandgronden kan het type verzuren bij verdroging, op kleigronden is dit niet van toepassing. Daarom is het dieper wegzakken van waterstanden op deze locatie geen knelpunt voor de ontwikkeling. In onderstaande paragrafen zijn de drie beheertypen en de bijbehorende gewenste condities nader toegelicht. 3.3.1 N05.04 Dynamisch moeras Dynamisch moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Ze worden gekenmerkt door de aanwezigheid van open water en grondwaterstanden die tenminste in de winter en voorjaar dicht aan of boven maaiveld staan. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal. Voor een goede kwaliteit en duurzame instandhouding is een natuurlijk fluctuerend waterpeil (dynamisch peilbeheer) en een goede waterkwaliteit essentieel.

Vaak is extra beheer nodig is om voldoende oppervlak en kwaliteit te behouden.

19/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Een aantal belangrijke condities zijn:  

Het moeras kan tot 20% uit open water bestaan en tot 10% uit struweel. De zomersituatie geldt hier als referentiepunt Minstens dertig procent van de oppervlakte van het beheertype wordt ingenomen door riet, hoge zeggen en/of hoge biezen. Dit structuurelement is van groot belang als broedgebied voor moeras- en rietlandvogels zoals grote karekiet, roerdomp, purperreiger, snor en rietzanger

  

De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperiode In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en -20 cm De pH bevindt zich tussen zwak zuur tot basisch. De typische begroeiingen, vegetaties met biezen, riet of grote zeggenvegetaties, komen onder voedselrijke omstandigheden voor. Overgangen naar ruigten en struwelen zijn nog voedselrijker

Beheer: De natuurdoeltype omschrijving Dynamisch Moeras heeft vanuit SNL nog geen vastgesteld beheeradvies. HFL heeft meerdere natuurgebieden in haar beheer waar dit natuurdoeltype volgens de SNL-systematiek op ligt en heeft dus ruime ervaring met het beheer van dit natuurdoeltype. Voor een duurzame instandhouding wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke processen, in combinatie met peilbeheer. Successie is het belangrijkste proces, in een natuurlijke situatie zouden door successie de meeste stadia/biotopen waar het moerassysteem uit is opgebouwd, ontstaan. Op deze natuurlijke successie wordt, waar mogelijk, dus zo min mogelijk ingegrepen. Er wordt een zo natuurlijk mogelijk peilbeheer in stand gehouden, waarbij de waterstand in de winter hoog is, zodat het in de zomer kan uitzakken. Door middel van de monitoringscyclus kunnen de eventuele maatregelen worden bepaald indien het systeem op weg geholpen dient te worden, zoals bijvoorbeeld te maaien in de winter en daarmee het riet te verjongen. Het ontwikkelbeheer van dit gebied kan bestaan uit het verwijderen van wilgen ten behoeve van de rietontwikkeling, eventueel extra riet aanplanten als het riet niet uit zichzelf vestigt. Dit wordt echter dus alleen toegepast indien het natuurlijke proces niet voldoende wordt geacht. 3.3.2

N14.03 Haagbeuken- en essenbos

Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Komt voor op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter. Het meeste bos wat tot het beheertype behoort is aangeplant, zoals op de kleibodems in Flevoland. Een rijke voorjaarsflora is kenmerkend in de eikenhaagbeukenbossen en hellingbossen met soorten als daslook, speenkruid en grote muur. Open plekken worden vaak gedomineerd door ruigtekruiden. Een aantal belangrijke condities zijn:  

Maximaal 20% van de oppervlakte wordt gedomineerd door niet inheemse bomen Op 80% van de oppervlakte wordt geen hout geoogst of is de houtoogst minder dan 20% van de bijgroei

Haagbeuken- en essenbos omvat bos- en struweel op basenrijke klei- en leemgronden en/of gronden waar periodiek aanrijking plaatsvindt door periodiek hoge grondwaterstanden buiten de invloed van overstroming van beek en rivier

20/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beheer: In deze bossen is voor de natuurfunctie in de ideale situatie beheer in principe weinig of niet nodig. In veel bossen is wel geregeld ingrijpen noodzakelijk om de gewenste structuur te ontwikkelen en te behouden. Dit beheer bestaat uit het selectief kappen van bomen hetzij door te dunnen (uitkappen) of het kappen van vlakken (groepenkap). 3.3.3 N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. Het kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Kruiden- en faunarijk grasland wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Een aantal belangrijke condities zijn:  De grasachtigen zijn dominant, maar kruiden en mossen hebben een oppervlakteaandeel van tenminste 20%  

Het gebied heeft meerdere structuurelementen (maximaal 20% van het oppervlakteaandeel) Variatie in structuur is belangrijk voor faunasoorten die in dit grasland voorkomen. Een afwisseling tussen korte en hoge vegetatie met plaatselijk ruigte en struweel zorgt voor verschil in microklimaat. Dit is van belang is voor dagvlinders, andere insecten, reptielen, vogels en kleine zoogdieren Dit beheertype omvat droge tot vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke graslanden

Beheer: Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden.

3.4

Algemeen doelbereik

Voor beide alternatieven geldt dat deze een gelijk doel hebben, namelijk het realiseren van de projectdoelstelling. Doordat de projectdoelstelling en locatie gelijk zijn, zijn de alternatieven niet voor alle grenswaarden onderscheidend. Zo is connectiviteit sterk afhankelijk van de natuurwaarden die gerealiseerd worden en welke in de (ruime) omgeving aanwezig zijn. En is structuur een kenmerk dat sterk afhankelijk is van het gevoerde beheer. Om die reden worden de grenswaarden voor structuur en connectiviteit in deze paragraaf beschouwd, geldend voor beide alternatieven. 3.4.1

Structuur

De grenswaarden voor structuur zijn gelinkt aan een bedekkingspercentage van bijvoorbeeld kruiden, struweel of uitheemse bomen. Voor het dynamisch moeras geldt dat er tot 20 procent open water mag zijn en 10 procent struweel. In beide alternatieven is open water voorzien, aangezien dit onderdeel is van een volledig functionerend moerassysteem. Dit blijft echter ruimschoots onder de 20 procent voor beide alternatieven. De mate van bedekking van struweel is afhankelijk van het gevoerde beheer (of het afwezig zijn hiervan). Ditzelfde geldt voor de bedekking van kruiden in N12.02 Kruiden en Faunarijk grasland (maairegime) en aanwezigheid van uitheemse boomsoorten in N14.03 Haagbeuken en Essenbos (door het actief verwijderen van uitheemse boomsoorten kan worden voldaan aan de voorwaarde voor structuur. 21/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Tabel 3.2 Doelbereik structuur Beheertype

Structuur (afbakening)

Doelbereik alternatief 1 en 2

N05.04 Dynamisch moeras

Tot 20% open water, 10%

Volstaat. Beheer vindt plaats op basis van

struweel

expertise ter zake kundigen van HFL, ondersteund door zesjaarlijkse monitoringscyclus

N12.02 Kruiden- en faunarijk

20% bedekking kruiden

Volstaat. Beheer en monitoring conform SNL

N14.03 Haagbeuken- en

Maximaal 20% niet

Volstaat. Beheer en monitoring conform SNL

essenbos

inheemse bomen

grasland

3.4.2

Connectiviteit

De connectiviteit is afhankelijk van omliggende natuurwaarden. Om die reden worden deze per beheertype generiek getoetst. De plangebieden voor de alternatieven zijn gelijk waardoor deze hierin niet onderscheidend zijn. In tabel 3.3 is per beheertype de grenswaarde voor connectiviteit per beheertype getoetst. Tabel 3.3 Doelbereik connectiviteit Beheertype

Connectiviteit

Doelbereik alternatief 1 en 2

N05.04 Dynamisch moeras

Verbonden met

In de omgeving van het plangebied zijn de

ondersteunende

Grote Trap en de Oostvaardersplassen

beheertypen (maximaal 30

gelegen. Op deze locaties zijn andere

meter)

beheertypen gekarteerd (N16.04 Vochtig bos met productie, N14.03 Haagbeuken- en essenbos, N12.06 Ruigteveld en N01.03 Rivieren Moeraslandschap). Hoewel dit niet precies dezelfde beheertypen zijn, hebben deze wel overeenkomsten. Zo zijn er rietkragen aanwezig en zijn de typen vochtig en relatief voedselrijk. Voor de locatie is connectiviteit geen knelpunt. De alternatieven zijn in relatie tot connectiviteit niet onderscheidend van elkaar.

N12.02 Kruiden- en faunarijk

-

N.v.t.

N14.03 Haagbeuken- en

Verbonden met

In aangelegen percelen is het beheertype

essenbos

ondersteunende

N14.03 Haagbeuken- en essenbos gelegen. Dit

beheertypen

zijn veelal smalle stroken langs de Wulptocht

grasland

en Gruttotocht. De stroken zijn klein in omvang maar wel aaneengesloten. Het plan draagt bij aan een robuuste zelfstandige eenheid. Dit is ongeacht het alternatief aangezien beiden in eenzelfde realisatie van areaal bos voorzien. Voor de locatie is connectiviteit geen knelpunt. De alternatieven zijn hierin niet onderscheidend. 22/42

Kenmerk

3.5

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Doelbereik vochttoestand en overstromingstolerantie

In onderstaande paragraaf wordt het doelbereik van beide alternatieven apart beschreven aan de hand van de onderscheidende factoren: vochttoestand en overstromingstolerantie. 3.5.1 Alternatief 1 De grenswaarden waarbij de alternatieven onderscheidend zijn hebben betrekking op het hydrologisch systeem. Het gaat daarbij om de vochttoestand en overstromingstolerantie, evenals het bereiken van een robuust hydrologisch systeem (zie ook paragraaf 3.2). In deze paragraaf wordt alternatief 1 getoetst aan de grenswaarden voor vochttoestand en overstromingstolerantie. Daarnaast wordt ingegaan op het ontwerp en of hiermee de doelen ook langdurig behaald worden (e.g. een robuust hydrologisch systeem). Tabel 3.4 Doelbereik vochttoestand en overstromingstolerantie alternatief 1 Beheertype

Vochttoestand

Doelbereik alternatief 1

Overstro

Doelbereik

mings-

alternatief 1

tolerantie Bos (N14.03)

-25 tot -40 cm-mv,

De standplaats van N14.03 is

behoudens dieper

niet gespecificeerd in het

Incidenteel

Afhankelijk van het gevoerde

uitzakken

ontwerp. Er zijn echter diverse

peilbeheer zijn

standplaatsen die voldoen aan

er geschikte

de grenswaarde voor

standplaatsen.

vochttoestand, afhankelijk van het gevoerde peilbeheer. Dynamisch

0 tot -20 cm-mv,

Beheer (niets doen beheer) is

Regel-

Beheer is

moeras

Struweel

kan in droge

sturend voor ontwikkeling van

matig*

sturend

(N05.04):

periode uitzakken

struweel. Nadere beoordeling

tot -40 cm-mv,

is niet nodig.

Nat

behoudens

Geschikte locaties voor natte

Beperkt

grasland

periodieke

graslanden zijn gelegen op de

inunderend.

droogteperiode,

flanken van het kleimoeras

Deze

behoudens

naar het huidig maaiveld. De

standplaats is

inundatie*

mate van voorkomen en

aanwezig

locatie is afhankelijk van het

binnen het

gevoerde peilbeheer. Doordat

ontwerp.

het waterpeil tot max -5,0 m NAP gaat zal de standplaats hier maximaal 20 centimeter boven liggen. Hierboven betreft het droge(re) graslanden (N12.02) Inundati

Inundatieriet staat merendeel

Regelmatig

eriet

van het seizoen ondiep in het

inunderend. Is

(klei-

water (10 tot 50 cm). Ook hier

noodzakelijk

moeras)

geldt dat er voldoende

voor dit type

mogelijkheden zijn binnen het

rietmoeras.

ontwerp (in het kleimoeras of

Deze 23/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beheertype

Vochttoestand

Doelbereik alternatief 1

Overstro

Doelbereik

mings-

alternatief 1

tolerantie op de flanken richting open

standplaats is

water). Het peilbeheer is

aanwezig

echter doorslaggevend voor

binnen het

de locaties waar inundatieriet

ontwerp.

zal ontwikkelen. Waterrie

Waterriet staat vrijwel

Waterriet staat

t (klei-

permanent onder water. De

vrijwel

moeras)

geschikte standplaatsen zijn

permanent

aanwezig nabij het open

onder water.

water.

Deze standplaats is aanwezig binnen het ontwerp.

Open

De ontgravingsdiepte betreft -

Inundatie niet

water

6,5 m NAP. Met een dalend

van toepassing

peil tot -6,2 m NAP staat er minimaal 30 cm water. *De grenswaarden voor vochttoestand en overstromingstolerantie zijn voor N05.04 Dynamisch moeras voor het gehele beheertype geformuleerd. Het betreft echter een breed scala aan rietmoerasvegetaties, waarbij waterriet vrijwel altijd onder water staat, inundatieriet regelmatig inundeert en nat grasland en struweel slechts incidenteel inunderen.

In tabel 3.4 zijn de beheertypen uit alternatief 1 weergegeven met de bijbehorende grenswaarde voor vochttoestand en overstromingstolerantie. In de kolom rechts van de grenswaarde is met een korte onderbouwing aangegeven of alternatief 1 voldoet volgens de grenswaarden. Wanneer het alternatief voldoet aan de grenswaarde voorziet het alternatief in het doelbereik. Zoals in de tabel is opgenomen zijn in het ontwerp standplaatsen aanwezig die voldoen aan de gestelde grenswaarden conform de SNL-systematiek. Hiermee wordt geconcludeerd dat het alternatief voorziet in doelbereik door deze grenswaarden. In onderstaande paragrafen is de conclusie nader onderbouwd.

Figuur 3.1 Principeprofiel alternatief 1

24/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Nadere toelichting doelbereik alternatief 1 De droge delen blijven op het huidig maaiveld (-4,5 tot -5,0 m NAP). Dit zijn de locaties waar bos, kruiden- en faunarijk grasland en overige gebruiksfuncties beoogd zijn. Alleen voor het bos zijn de grenswaarden relevant. Voor de overige typen is het een kwestie van adequaat beheer of een andere gebruiksfunctie. Bij een maximaal waterpeil staat deze tot maaiveld of 50 cm onder maaiveld. Er is dus geen sprake van inundatie en het waterpeil zal doorgaans lager liggen. De grenswaarde voor haagbeuken- en essenbos betreft -25 tot -40 cm-mv, behoudens dieper uitzakken. De overstromingstolerantie is incidenteel. Het maaiveld in de droge delen is gelegen op -4,5 tot -5,0 m NAP. Bij een maximale grondwaterstand is de waterstand bij de drogere delen tot aan maaiveld of 50 centimeter onder maaiveld. Gunstige standplaatsen zullen aanwezig zijn op de droge delen of op de flanken van de droge delen naar de ondiepe delen. In de droge zandlandschappen is het beheertype gevoelig voor verdroging omdat dit vaak verzuring tot gevolg heeft. Dit is op kleigronden niet van toepassing. Ook daar waar het maaiveld op -4,5 m NAP ligt en de grondwaterstand dus 50 centimeter onder maaiveld ligt zal sprake zijn van gunstige omstandigheden voor de ontwikkeling van het beheertype.

De ondiepe delen zijn de locaties waar kleimoeras beoogd is (N05.04 Dynamisch moeras). Het moeras is overwegend gelegen op -5,5 m NAP, maar er zijn diverse gradiënten tussen het open water, moeras tot aan het huidig maaiveld. Bij een maximaal peil van -5,0 m NAP staat het gehele moeras onder water. De grenswaarde voor het waterpeil van een dynamisch moeras betreft 0 tot -20 cm onder maaiveld. Dit kan in droge perioden uitzakken tot -40 cm mv, behoudens periodieke droogteperiode en inundatie. Het maaiveldniveau varieert tussen -6,5 m NAP bij het open water en het kleimoeras -5,5 m NAP. Het ontwerp voorziet in diversiteit in maaiveld waardoor in combinatie met het peilbeheer geschikte omstandigheden aanwezig zijn voor diverse typen moeras (open water, waterriet, inundatieriet en nat grasland). Een combinatie van deze typen draagt bij aan een robuust rietmoeras. Gelet op de regulering door middel van een pompgemaal zal in deze situatie het beheer sturend zijn voor het doelbereik. Doordat de vochttoestand mede afhankelijk zijn van het peilbeheer, is beheer een belangrijk factor voor het daadwerkelijk doelbereik bij realisatie. Ter plaatse van het open water wordt afgegraven tot -6,5 m NAP. Dit betekent dat bij het uitzakken tot het peil van de Wulptocht (-6,2 m NAP) er circa 30 cm water staat. Deze waterstand betreft het minimum, in de meeste gevallen zal het waterpeil hoger zijn.

Bij de maximum waterstand van -5,0 m NAP staat er 1,5 meter water. Beheer Voor dit alternatief geldt dat met de beoogde maaiveldhoogten er in potentie geschikte standplaatsen aanwezig zijn voor de diverse typen moeras (N05.04) en bos (N14.03).

25/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Het dynamisch moeras is een pioniervegetatie in de Flevolandse kleigronden. Het ontwerp voorziet in variatie in hoogtes in het moeras. Hierdoor zullen diverse stadia van het dynamisch moeras kunnen vestigen (van open water tot waterriet en vochtige graslanden). Voor de waterhuishouding is sprake van een gestuurd peil. Zeker in de ondiepe zone waar het moeras beoogd is zal beheer en peilbeheer sturend zijn voor het doelbereik. Na realisatie eerst aandacht zijn voor rietontwikkeling, waarna gestreefd wordt naar een zo natuurlijk mogelijk peil (hoger in de winter, lager in de zomer). Door deze dynamiek zullen meer variaties en gradiënten ontstaan binnen het rietmoeras. Het watersysteem wordt gereguleerd door middel van een pompgemaal waarbij wordt gestuurd dynamisch waterpeil tot max -5,0 m NAP. In de diepe delen moeras wordt dus grotendeels gegraven tot onder de gerijpte klei. Aan de onderzijde zal dus beperkt tot geen sprake zijn van lekkage. Voor de ondiepe delen moeras geldt dat deze relatief dicht op de ongerijpte klei liggen, waardoor in combinatie met het waterpeil stagnatie van water aannemelijk is. Mogelijk is via de randzones nog wel sprake van lekkage richting de omliggende percelen. Peilbeheer is echter essentieel voor het daadwerkelijk bereiken van de doelen van het dynamisch moeras.

Bij het alternatief zijn ingrijpende wijzigingen in het maaiveld beoogd in combinatie met een kunstmatig peil door oppompen. Het doelbereik is op orde, mits het peilbeheer op orde is. Vanuit de SNL verplichtingen is HFL verplicht een beheerplan en monitoringsplan op te stellen die iedere zes jaar herzien worden. Door deze verplichting is adequaat beheer en indien nodig tijdige bijsturing geborgd. Zowel met betrekking tot peilbeheer als aanvullende beheermaatregelen. 3.5.2 Alternatief 2 In alternatief 2 is meer gestuurd op ontwikkeling van vochtige typen in de natuurlijke laagten van het gebied. Hierdoor is minder afgraving benodigd. Het vaste waterpeil van de Wulptocht wordt aangehouden op -6,2 m NAP aangevuld met regenwater. Gedurende de ontwikkeling van het moeras wordt een peilbeheer van gemiddeld -5,5 m NAP aangehouden. Wanneer er voldoende moerasontwikkeling is wordt de regenwaterdynamiek groter. Dan zal het waterpeil uitzakken in zeer droge perioden tot -6,2 m NAP (niveau Wulptocht). Het dynamisch regenwater gestuurd systeem zal dan fluctueren tussen -5,5 m en -6,2 NAP. Tabel 3.5 Doelbereik vochttoestand en overstromingstolerantie alternatief 1 Beheertype

Grenswaarde

Doelbereik alternatief 2

vochttoestand

Overstro

Doelbereik

mingstole

alternatief 2

rantie Bos (N14.03)

-25 tot -40 cm-

De standplaats voor bossen

mv, behoudens

varieert sterk (-1,05 m tot -

Incidenteel

Er zal geen sprake zijn van

dieper uitzakken

4,55 m NAP), maar betekent

inundatie. Het

dat de waterstand veelal ruim

type kan echter

onder maaiveld ligt. Het bos

ook zonder

wat zal ontwikkelen is

incidentele

regenwater gevoed en er is

inundatie

geen sprake van inundatie. De

ontwikkelen

waterstand komt tot maximaal 1 meter onder maaiveld 26/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beheertype

Grenswaarde

Doelbereik alternatief 2

vochttoestand

Overstro

Doelbereik

mingstole

alternatief 2

rantie (gezien vanaf de laagstgelegen standplaats bij de hoogst mogelijke waterstand). Dynamisch

0 tot -20 cm-mv,

Beheer (niets doen beheer) is

Regel-

Beheer is

moeras

struweel

kan in droge

sturend voor ontwikkeling van

matig*

sturend.

(N05.04):

periode

struweel. Nadere beoordeling

uitzakken tot -40

is niet nodig.

nat

cm-mv,

Het vochtig grasland is tijdelijk

Tijdelijk

grasland

behoudens

inunderend in natte perioden.

inunderend. De

periodieke

De standplaats heeft een

standplaats is

droogteperiode,

hoogte van -5,2 tot -5,9 m

geschikt voor

behoudens

NAP. Gedurende de

de ontwikkeling

inundatie*

ontwikkeling van het gebied

van nat

zullen delen onder water staan

grasland.

(de delen onder -5,5 m NAP). Ontwikkelingsbeheer is noodzakelijk. Inundatieri

Het inundatieriet zal

Regelmatig

et

regelmatig onder water staan.

inunderend. Is

De standplaats heeft een

noodzakelijk

hoogte van -5,9 tot 6,1 m

voor dit type

NAP. Het waterpeil kan hier

rietmoeras. De

uitzakken van 20 tot 40 cm

standplaats

onder maaiveld, maar zal

volstaat.

doorgaans hoger staan (in de eerste jaren zal het waterpeil uitzakken tot maximaal -5,9 m NAP in plaats van -6,2 m NAP). Inundatieriet staat merendeel van het seizoen ondiep in het water (10 tot 50 cm) maar kan gedeeltelijk droogvallen. Het is aannemelijk dat hier zowel inundatieriet als vochtig riet zal ontwikkelen. De vochttoestand voldoet dus aan de grenswaarden. waterriet

De standplaats van waterriet

Waterriet staat

heeft een hoogte van -6,1 tot -

vrijwel

6,3 m NAP. Het waterriet zal in

permanent

de eerste jaren permanent

onder water. 27/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Beheertype

Grenswaarde

Doelbereik alternatief 2

vochttoestand

Overstro

Doelbereik

mingstole

alternatief 2

rantie onder water staan (20 tot 40

De standplaats

centimeter bij een waterpeil

voldoet.

van -5,9 m NAP, dus doorgaans is de standplaats natter). In latere perioden zal het gedeeltelijk permanent onder water staan bij het laagste waterpeil (10 cm boven water tot 10 cm onder water). Waterriet kan jaarrond diep in het water staan (50 cm). open

Het open water heeft een

Inundatie niet

water

standplaats op -6,5 m NAP.

van

Met een dalend peil tot -6,2 m

toepassing.

NAP staat er minimaal 30 cm water.

*De grenswaarden voor vochttoestand en overstromingstolerantie zijn voor N05.04 Dynamisch moeras voor het gehele beheertype geformuleerd. Het betreft echter een breed scala aan rietmoerasvegetaties, waarbij waterriet vrijwel altijd onder water staat, inundatieriet regelmatig inundeert en nat grasland en struweel slechts incidenteel inunderen. Het getoetste ontwerp is dus gedetailleerder dan het niveau waarvoor de grenswaarde bepaald is.

In tabel 3.5 zijn de beheertypen uit alternatief 2 weergegeven met de bijbehorende grenswaarde voor vochttoestand en overstromingstolerantie. In de kolom rechts van de grenswaarde is met een korte onderbouwing aangegeven of alternatief 2 voldoet volgens de grenswaarden. Wanneer het alternatief voldoet aan de grenswaarde voorziet het alternatief in het doelbereik. Zoals in de tabel is opgenomen zijn in het ontwerp standplaatsen aanwezig die voldoen aan de gestelde grenswaarden conform de SNL-systematiek. Hiermee wordt geconcludeerd dat het alternatief voorziet in doelbereik door deze grenswaarden. In onderstaande paragrafen is de conclusie nader onderbouwd.

Figuur 3.2 Dwarsdoorsnede alternatief 2

28/42

Kenmerk

R004-1285969LLS-V01-agv-NL

Nadere toelichting doelbereik alternatief 2 Het ontwerp voorziet in voldoende gradiënten voor de ontwikkeling van verschillende typen moeras. Door met verschillende ontgravingsdieptes te werken en verschillende taluds (steil tot flauw) ontstaan er verschillende hydrologische omstandigheden (van zeer nat open water tot lokaal struweel droog). Moeras omvat open water, begroeiingen van riet (waterriet), lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. Er wordt, zoals gewenst, ingezet op de overgang van water naar land. Het rietland kan vrij open zijn met waterpartijen van voldoende omvang en enkele poeltjes waarin waterplanten groeien of al ouder met hoog opgaand riet die geleidelijk overgaan in ruigten met moerasspirea of poelruit. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet). De waterpartijen van het moeras hebben een minimale diepte van 1 meter waardoor deze locaties niet dichtgroeien. Incidenteel zal het in droge tijden voorkomen dat de waterpartijen een diepte hebben van 0,3 meter. Vanaf deze waterpartijen naar het nieuwe maaiveld toe (van nat naar droog) worden er verschillende plateaus (vlakken) aangelegd op verschillende dieptes en variabele taluds (van flauw naar steil).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zeewolde&id=d4f0ee2b-0bd1-42fb-9f72-a44ab6466874