16b Was-wordt tabel Apv wijziging 2024
Tekst van het document
Was-Wordt-tabel In dit document worden de wijzigingen schematisch weergegeven met links de bestaande Apv-tekst, en rechtst de voorgestelde wijziging. Onder het schema staat een korte toelichting op de wijziging.
Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie 1.In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:71 Definitie 1.In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
2.In deze afdeling wordt onder carbidschieten verstaan het in melkbussen en/of soortgelijke voorwerpen op explosieve wijze verbranden van acetyleen gas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide en water of gasmengels met vergelijkbare eigenschappen.
2.In deze afdeling wordt onder carbidschieten verstaan het in melkbussen en/of soortgelijke voorwerpen op explosieve wijze verbranden van acetyleen gas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide en water of gasmengels met vergelijkbare eigenschappen.
Toelichting: Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De formulering in het Vuurwerkbesluit is gewijzigd en met het Invoeringsbesluit Omgevingswet is het vermelden van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 overbodig. Zo valt bijvoorbeeld categorie F3 al niet meer onder vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld aan particulieren.
Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 28 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen 6 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 28 dagen in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Toelichting: Vierde lid is aangepast vanwege het strafrechtelijk als bestuursrechtelijk kunnen optreden bij een gebiedsverbod. Als iemand de openbare verstoort, kan er overlap ontstaan tussen de bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van deze bepaling met een gebiedsontzegging op te treden. Het vierde lid geeft voorrang aan een gedragsaanwijzing door de officier van justitie boven een gebiedsontzegging door de burgemeester. Aan de hand van jurisprudentie is er een noodzakelijke wijziging betreffende de term: ‘bevel’. Hoge Raad 11-10-2022, ECLI:NL:HR:2022:1417. Art. 2.3.13, eerste lid, APV Breda 2004 luidt: ‘Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend besluit, schriftelijk genomen door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door de burgemeester aangewezen gebied gedurende de tijd die in dat besluit genoemd is.’ Art. 2.3.13 APV Breda 2004 houdt niet uitdrukkelijk in dat de burgemeester is gerechtigd tot het geven van een bevel of het doen van een vordering als in de bewezenverklaring bedoeld.
Artikel 6:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2:26, 2:41, 2:50a, 2:74, 2:74a, 2:74b, 3:3, 3:6, 3:8 en 3:9.
Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: 2:26, 2:41,2:74, 2:74a, 2:74b, 2:78.
2.Overtreding van het bij of krachtens de overige niet in het vorige lid vermelde artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde juncto eerste lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, tweede lid. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de wet veiligheidsrisico’s geldende regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet Veiligheidsrisico’s..
2.Overtreding van het bij of krachtens de overige niet in het vorige lid vermelde artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, eerste lid, 2:11, eerste lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, tweede lid. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de wet veiligheidsrisico’s geldende regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet Veiligheidsrisico’s..
Toelichting: Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. Er zijn enkele Apv-artikelen gewijzigd, welke wel/niet opgenomen zijn in de strafbepaling. O.a. artikel 2:78 (gebiedsontzegging) is toegevoegd aan de strafbepaling. Het openbaar ministerie heeft besloten om geen feitcode voor een gebiedsontzegging open te stellen.