Raadsinformatiebrief beantwoording vragen omgevingsvisie
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief
Onderwerp Beantwoording raadsvragen omgevingsvisie Nummer 2021/606020 Datum college 9 november 2021 Portefeuillehouder Verheij – de Haas, E. Programma/beleidsveld 4.1 duurzame stedelijke ontwikkeling Afdeling PG Auteur J. Traudes Telefoonnummer 023-5113506 Email jtraudes@haarlem.nl Bestemd voor: Het college zendt deze raadsinformatiebrief ter kennisname aan de gemeenteraad Bijlagen Geachte leden van de gemeenteraad, Onlangs zijn door de OPZ raadsvragen gesteld m.b.t. de omgevingsvisie. In deze brief worden de vragen beantwoord. Vraag 1: Gezien het belang van deze aanvullingen op het Omgevingseffectrapport verzoeken wij die voorafgaand aan de a.s. gemeenteraad door de Commissie m.e.r. te laten toetsen. Bent u daartoe bereid? Zo niet, waarom niet? Antwoord: De commissie heeft advies uitgebracht en het college heeft het belangrijkste advies opgevolgd: het duiden van de plek waar effecten optreden.. We denken een nieuwe toetsing door de commissie niet tot nieuwe inzichten gaat leiden. Toetsing door de Commissie voor de MER heeft daarnaast gevolgen voor de planning. De doorlooptijd is hiervoor te kort. Het zou betekenen dat de behandeling van de omgevingsvisie naar verwachting maanden naar achteren schuift. Belangrijker echter zijn inhoudelijke overwegingen. Het is daarnaast goed om te weten dat een nieuw advies ook tot meerkosten gaat leiden.
Daarnaast begrepen wij dat de Commissie m.e.r. niet in de gelegenheid werd gesteld om de ingekomen zienswijzen en adviezen te betrekken bij haar advies. Vraag 2: Werd dit verzuimd op grond van inhoudelijke overwegingen? Zo ja, welke? Zo niet, bent u bereid de Commissie m.e.r. voorafgaand aan de a.s. gemeenteraad alsnog in de gelegenheid te stellen om de ingekomen zienswijzen en adviezen te betrekken bij haar advies?
Kenmerk: 2021/606020
1/6
Antwoord: De procedure rond de toetsing is als volgt. Het nu gevraagde advies is wettelijk verplicht. Dit advies brengt de commissie uit als onderdeel van de ter visie legging. Feitelijk zou het advies dus kunnen worden gezien als een zienswijze door de commissie MER. Normaal gesproken zou het advies ook ontvangen zijn tijdens de ter visielegging. Door hoge werkdruk aan de kant van de commissie is dit niet gelukt.. Andere adviezen, zoals een advies helemaal aan het begin van het traject of een advies op de OER na verwerking van eventuele zienswijzen, zijn optioneel. De aanpassingen die gedaan zijn na beoordeling van de zienswijzen raken de visie en niet de OER, waardoor het onwaarschijnlijk is dat dit tot een ander advies zou leiden.
Vraag 3: Welke rolopvatting heeft het college inzake de realisering van de vele ambities? Antwoord: De gemeente agendeert met de omgevingsvisie een groot aantal gewenste nieuwe ontwikkelingen voor de komende 20 jaar. In veel gevallen ziet de gemeente zich als facilitator van ontwikkelingen. Soms is de gemeente opdrachtgever van ontwikkelingen (bijvoorbeeld bij veel projecten in de openbare ruimte), veel vaker heeft de gemeente een faciliterende en toetsende rol. Hierbij is de gemeente deels afhankelijk van ontwikkelingen van initiatiefnemers in Zandvoort. Vraag 4: Op welke wijze kwantitatief & kwalitatief wil het college initiatieven faciliteren? Antwoord: In de omgevingsvisie worden zeven ontwikkelprincipes beschreven (p.86) die de basis leggen op welke manier de gemeente initiatieven gaat faciliteren. De komende tijd zal dit nog verder uitgewerkt moeten worden. De precieze insteek kan ook verschillen per project (zowel kwantitatief als kwalitatief, afhankelijk van het initiatief, de grootte van het initiatief, de initiatiefnemer en in welke mate het betreffende initiatief aansluit bij de ambities uit de omgevingsvisie). Uitgangspunt is echter altijd een samenwerking tussen de overheid, initiatiefnemers en derden. Veel zaken in de omgevingsvisie moeten nog verder worden uitgewerkt.
Jaarlijks zal in het gebiedsprogramma Zandvoort worden aangegeven welke plekken in de omgevingsvisie worden opgepakt. De gemeente is hiervoor deels ook afhankelijk van de snelheid waarmee door initiatiefnemers plaatsen bepaalde ontwikkelingen worden geïnitieerd. Vraag 5: In geval van initiatieven van derden, welke rol ziet het college voor zichzelf weggelegd (passief / actief sturend, facilitator, partner)? Antwoord: Dat is afhankelijk van het initiatief. Vaak zal het faciliterend zijn, maar een meer actieve rol of een rol als partner in de ontwikkeling is ook mogelijk. Dit is afhankelijk van het type initiatief, grootte, locatie en doelstellingen.
Kenmerk: 2021/606020
2/6
Omdat de Omgevingsvisie de basis is voor beleid en het inzetten van juridische, financiële of andere instrumenten (zoals convenanten, marketing, subsidiëring, handhaving, voorlichting etc.), is het wel zaak dat de in de Omgevingsvisie opgenomen beleidsdoelen realistisch zijn. Vraag 6: Heeft het college een doorrekening gemaakt van de meerjarige financiële consequenties en de vereiste ambtelijke capaciteit? Antwoord: De Omgevingsvisie Zandvoort 2040 is een lange termijn visie op de hoofdlijn. Omdat het uitspraken betreft op hoofdlijn zijn hier in dit stadium geen doorrekeningen gemaakt van de meerjarige financiële consequenties en ambtelijke capaciteit. Zoals eerder aangegeven moeten veel zaken in de omgevingsvisie nog verder worden uitgewerkt middels thematische omgevingsprogramma’s en gebiedsprogramma’s. Afhankelijk van de wijze waarop de visie uitgevoerd gaat worden (denk aan snelheid en fasering) vraagt dit meer of minder inzet en geld. Bij het prioriteren de ambities en projecten speelt dit natuurlijk zeker een rol. Vraag 7: Zo niet, in welk stadium acht het college die doorrekening opportuun? Antwoord: Een totale doorrekening voor een omgevingsvisie is niet te maken, dat hangt van teveel factoren af. Bij het jaarlijks opstellen van het gebiedsprogramma wordt ook gekeken naar prioritering, capaciteit en middelen.
De gemeente is bovendien ook niet de enige partij die investeert in Zandvoort. Alleen samen met andere partijen, publiek en privaat, kan er een volgende stap gezet worden. Vraag 8: Op welk moment en op basis waarvan kan de raad de haalbaarheid beoordelen van de beleidsdoelen zoals in de voorliggende Omgevingsvisie verwoord? Antwoord: Met het vaststellen van de omgevingsvisie doet de raad feitelijk ook een uitspraak over de haalbaarheid. Bij de uitwerking van de visie middels omgevingsprogramma’s en gebiedsprogramma’s worden de beleidsdoelen uit de visie geconcretiseerd. Het nu voorliggende besluit en de besluiten die nog genomen gaan worden dragen in gezamenlijkheid bij aan de haalbaarheid. Via omgevingsprogramma’s, gebiedsprogramma’s, projectbesluiten etc. zal de haalbaarheid steeds concreter worden. Vraag 9: Wanneer en in welk stadium is het maken van keuzes en het stellen van prioriteiten door de raad voorzien? Antwoord: Met het vaststellen van de omgevingsvisie door de raad zijn keuzes op een hoger abstractieniveau gemaakt. Vervolgens zal de visie verder worden uitgewerkt, op projectniveau, maar ook in omgevingsprogramma’s. Daarnaast is het gebiedsprogramma een belangrijk instrument waarin geprioriteerd word. Niet alle projecten kunnen tegelijkertijd worden opgestart i.v.m. de beschikbare financiële en ambtelijke middelen.
Jaarlijks wordt in het gebiedsprogramma Zandvoort aangegeven welke plekken in de omgevingsvisie worden opgepakt. Dit biedt ruimte voor prioritering en sturing op middelen.
Kenmerk: 2021/606020
3/6
Citaten: “We zien we goede kansen voor een nieuwe hoogwaardige openbaar verbinding aan de zuidkant, via de Zandvoortselaan. Deze regionale (snel) busverbinding verbindt Zandvoort direct met Schiphol en de Haarlemmermeer, en ontsluit de zuidflank van de metropoolregio.” “Om de bereikbaarheid vanuit de richting Haarlem-Zuid en Heemstede te verbeteren, zien we grote kansen voor een nieuwe hoogwaardige OV-verbinding langs de Zandvoortselaan.” Vraag 10: “We zien goede / grote kansen…” maar hoe en waar zou een (vrijliggende?), HOV-busverbinding via de Zandvoortselaan ruimtelijk ingepast kunnen worden? Antwoord: De volgende stap is dit meer nadrukkelijk te onderzoeken. Er zijn meerdere opties aanwezig, afhankelijk van de vraag hoe je omgaat met zowel fiets, auto’s als HOV. Meerijden met het verkeer of niet, zowel fietspaden langs Zandvoortselaan en de Oude Trambaan, hoe om te gaan met bermen etc. Antwoord op de vraag hoe de inpassing er daadwerkelijk uit gaat zien is daarom voor deze fase prematuur. In de visie wordt de ambitie uitgesproken, concretisering is de volgende stap. Citaat: “We zien kansen voor zo’n mobiliteitshub direct bij het NS-station, maar ook op een centrale plek in het noorden aan boulevard en circuit.
Ook P-De Zuid biedt wellicht mogelijkheden? En ergens anders: Met kansen voor een smart mobility hub met mobiliteitsdiensten, met deelauto’s, deelfietsen, (e-)scooters en shuttlediensten (op piekdagen) in combinatie met een HOV-verbinding.” Vraag 11: Voor dagtoerisme is Zandvoort eindbestemming waarom zou je als je hier op loopafstand van het strand / circuit bent aangekomen nog over willen stappen op andere vormen van vervoer? Antwoord: De loopafstand is afhankelijk van de eindbestemming binnen Zandvoort. Niet alle eindbestemmingen zijn op loopafstand. Bovendien spreken we in de omgevingsvisie de ambitie uit om 365 dagen aantrekkelijk te zijn. Dat betekent dat we ons niet alleen richten op de strandtoerist, maar ook bijvoorbeeld op mensen die straks werken aan zee, voor evenementen of congressen komen op het circuit etc. De verbreding brengt ook een andere mobiliteitsbehoefte met zich mee. Waaronder versterken van de ketenmobiliteit. Citaat: Ook binnen de bebouwde kom kan het lokale fietsnetwerk in Zandvoort en Bentveld verbeterd worden en meer ruimte ontstaan voor voetgangers, fietsers en openbaar vervoer.
Kenmerk: 2021/606020
4/6
Bovendien zijn ook doorgaande wandel- en fietsroutes nodig die met name rond het centrum verkeersveiliger en aantrekkelijker worden ingericht, met een betere situering van objecten - reclameborden, masten of prullenbakken - die zo geen belemmering (meer) vormen in de openbare ruimte. Vraag 12: Hoe vallen deze verbeteringen in te passen en te rijmen met de beperkte breedte op de slechts 2 gebiedsontsluitingswegen die bijgevolg intensief door alle modaliteiten worden gebruikt? Antwoord: Ook dit is een ontwerpopgave. In algemene zin kan worden gesteld dat niet alle lokale verbindingen via de twee ontsluitingswegen hoeven te lopen. Daarnaast valt er op deze twee ontsluitingswegen zeker nog te optimaliseren. De moet in de verder uitwerking van de visie worden onderzocht. Citaat: Parkeercapaciteit langs de boulevard zo veel mogelijk handhaven, maar het zicht op auto’s wegnemen door parkeren te integreren in zeewaartse duinverbreding (deels ondergronds, verdiept of onder een verhoogd maaiveld). Vraag 13: Op grond waarvan wordt het integreren van parkeren in zeewaartse duinverbreding en het uit het zicht halen van auto’s ruimtelijk en financieel haalbaar geacht? Is er toestemming van het Hoogheemraadschap? Wat is de betrokkenheid van de provincie Noord-Holland? Antwoord: De omgevingsvisie stelt een ambitie.
Samen met andere partijen (waaronder Hoogheemraadschap en de Provincie Noord-Holland) moet de ambitie verder worden onderzocht en uitgewerkt. In opmaat naar de visie zijn beide partijen betrokken en is dit onderwerp meermaals aan bod geweest. Ook in de zienswijzen is dit onderwerp naar voren gebracht. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft aangegeven graag met ons verder in gesprek te gaan over dit onderwerp. Onderdeel van een dergelijk project is het opstellen van een business case. Dan wordt de haalbaarheid verder duidelijk. Het uit het zicht halen van parkeren, gekoppeld aan nieuwe ontwikkelingen op maaiveld is echter niet uniek. Citaat: Het zijn vooral de Vernieuwing van bestaande gebouwen langs de boulevard en Van Fenemaplein, met in het bijzonder de verdichting en vernieuwing van het Badhuisplein en Watertorenplein. Vraag 14: Wie zou de vernieuwing van bestaande gebouwen van derden moeten trekken en bekostigen?
Kenmerk: 2021/606020
5/6
Antwoord: Feitelijk zijn dit projecten die al lopen. De precieze constructie verschilt per plek, afhankelijk van ambitie en eigendomssituatie. Soms zal dit de gemeente zijn, soms een private eigenaar/ontwikkelaar. Citaat: Nieuwe bebouwing en functies op een duurzame manier integreren met P-De Zuid met circulair bouwen, duurzame energie en vooral natuurinclusief bouwen met een goede landschappelijke inpassing in het omringende duinenlandschap. Meervoudig ruimtegebruik van parkeerruimte van P-De Zuid met integratie van nieuwe wellness en woonzorgfuncties en verbetering van de landschappelijke inpassing. Vraag 15: Betekent dit een intentie om parkeerterrein De Zuid te bebouwen? Zo ja, waar is die op gebaseerd? Antwoord: We zien P-De Zuid inderdaad als potentiële transformatielocatie. Met behoud van parkeren, maar door meervoudig ruimtegebruik krijgt het meer betekenis voor Zandvoort dan het op dit moment een beperkt aantal dagen per jaar heeft. Dit is een ambitie die o.a. voorkomt uit de participatie. Dubbelgebruik van P-De Zuid biedt de mogelijkheid om verschillende opgaven en ambities binnen Zandvoort te realiseren. Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris
de burgemeester
Kenmerk: 2021/606020
6/6