CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Quickscan Flora en Fauna

Raadscommissie 14 juni 2022, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Bijlagen Bestemmingsplan Bentveld5.696 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NIPA MILIEUTECHNIEK BV T.a.v. dhr. J. van der Stroom Landweerstraat-Zuid 109 5349 AK Oss

Datum

7 juni 2019

Kenmerk

BE/2019/391/R

Uw kenmerk

Email d.d. 22 mei 2019

Auteur(s)

A.E. Vos (update juni 2019) J.J.M. Jansen (versie 1.0)

Projectleider(s)

A.E. Vos

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 te Bentveld Aan de Zuidlaan 51 te Bentveld bevindt zich een manege genaamd Stal de Naaldenhof. Op het perceel zijn paardenpaddocks, paardenstallen/schuren en een stuk bos aanwezig. Aansluitend aan de noordzijde van het terrein bevindt zich een bosrijke tuin behorend bij Duinrooslaan 3. De voorgenomen ontwikkelingen op beide percelen betreffen de realisatie van 7 vrijstaande woningen. Dit betreft twee kavels op het terrein aan Duinrooslaan 3 en vijf kavels op het terrein van Zuidlaan 51 te Bentveld. In het kader van deze ontwikkeling zal de huidige bebouwing en het bos (deels) verwijderd worden. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in deze ontwikkeling en dient voor deze ontwikkeling te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht.

Tevens is getoetst of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot aantasting van Natura2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland of overige beschermde gebieden. NIPA milieutechniek BV begeleidt de procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de effecten van de voorgenomen ontwikkelingen te toetsen aan de hand van het vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord:  Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project, zoals hiervoor omschreven, uitvoerbaar zoals het bepaalt in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)?  Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied?  Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?  Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 te Bentveld. Het gehele plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom en grenst aan het Natura2000 gebied Kennemerland-Zuid. Op het perceel aan Zuidlaan 51 is Stal de Naaldenhoef gevestigd. Het terrein wordt dan ook gekenmerkt door paardenstallen, paddocks, schuren en overige terreininrichting behorend bij het gebruikstype. De paardenstallen zijn opgetrokken uit steense muren met golfplaten daken en zijn verstevigd met metalen onderdelen. Tevens zijn er ook schuren aanwezig die bestaan uit houten muren die zijn verstevigd met houten draagbalken. Ook de daken hiervan bestaan uit houten platen. De dakgoten die aanwezig zijn, bevatten vogelschroot. De overige terreininrichting betreft een bosachtig gebied en paardenpaddocks met houten hekken. In de paardenpaddocks bevindt zich zand. Daarnaast is het overgrote deel van de planlocatie (behalve het bosgebied) verhard met klinkers. Het terrein aan Duinrooslaan 3 betreft een natuurlijke bostuin behorend bij de particuliere woning. De woning zelf en het terrein hier direct omheen valt buiten het plangebied (zie figuur 1). De tuin is geheel omheind en enkel toegankelijk vanaf de woning. Binnen het terrein is geen sprake van bebouwing of enige vorm van terreinverharding. Het gehele terrein is begroeid met bomen, kruiden en gazon.

In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen ten zuiden van Bentveld. De directe omgeving wordt gekenmerkt door bosachtig gebied ten zuidwesten van de locatie en door bebouwde kom ten noordoosten van de locatie. Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich het bos ‘Naaldenveld’. Tevens ligt op 0,2km ten zuidwesten van de planlocatie het Noordoosterkanaal. Ten noorden van de planlocatie ligt de provinciale weg op 0,6km. Op 3,3km afstand is Nederlandse kust gelegen.

Bentveld

Nr. 3 Nr. 51

Figuur 1

De planlocatie (rood kader) is gelegen aan Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 te Bentveld (bron kaart: openstreetmap).

Functieverandering en effecten De beoogde ingreep betreft het slopen van de bebouwing, verwijderen van de overige terreininrichting en de (plaatselijke) kap van bomen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:     

2

Kap bomen en verwijderen vegetatie Sloop huidige bebouwing Terrein voorbereiding en bouwrijp maken Realisatie nieuwbouw Revitalisatie terrein

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocaties komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk). Negatieve effecten die kunnen optreden voor beschermde gebieden zijn aantasting van de doelen of wezenlijke kenmerken en waarden door verstoring en/of externe werking. Methode Inventarisatie De inventarisatie is een oriënterend onderzoek waarbij gedetailleerd een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek voor de locatie aan Zuidlaan 51 heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 0/8 bewolkt, 21 Celsius en windkracht 0 (Bft.). Het veldbezoek aan Duinrooslaan 1 heeft plaatsgevonden op 28 mei 2019.

De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 1/8 bewolkt, 12 Celsius en windkracht 1-2 (Bft.) Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de voormalige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Noord-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordHolland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Vos Woelrat

Egel

Meerkikker

3

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt definitie vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Op de locatie aan Zuidlaan 51 zijn geen beschermde vaatplanten en/of sporen hiervan aangetroffen. Het overgrote deel van de planlocatie is bebouwd met de stallen of bedekt met klinkers. Daarnaast is een groot gedeelte van de planlocatie met zand bedekt vanwege de paddocks. Het overige gedeelte betreft een bosachtig gebied. Deze bevat vegetatie die algemeen voorkomend is in Nederland. Aangetroffen soorten betreffen onder andere: Noorse esdoorn, beuk, gewone esdoorn, wilde lijsterbes, grove den, zilverpopulier, zomereik, jacobskruiskruid, paardenbloem, ruige leeuwentand, muskuskaasjeskruid, klimop, grote brandnetel, kleefkruid, nachtkoekoeksbloem, pastinaak, winterpostelein, zwarte nachtschade, schijnaardbei, look-zonder-look, hondsdraf, robertskruid, koningsvaren en kornoelje.

Rondom de bomen is sprake van ontwikkelde vegetatiestructuren. Beschermde vaatplanten zijn ook niet aangetroffen op het terrein aan Duinrooslaan 3. Dit perceel betreft een bosrijkperceel met grove den als hoofdboomsoort. De opstand is vrij open waardoor overige boomsoorten als onderlaag er tussendoor gegroeid zijn wat resulteert in een gemengd geheel. Waargenomen soorten op dit terrein betreffen onder andere conifeer, klimop, grote brandnetel, reigersbek, kleefkruid, nagelkruid, vlierbes, beuk, meidoorn, grove den, hondsdraf, esdoorn, hulst, Spaanse aak, wilde kamperfoelie, lijsterbes, klein springzaad, paardenbloem, pinksterbloem en sleutelbloem. In de omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van diverse beschermde vaatplanten. In een straal van circa 2 km rondom de planlocatie is het voorkomen bekend van vier nationaal beschermde vaatplanten, namelijk de kartuizer anjer, kleine ereprijs, rood peperboompje en stofzaad. De kartuizer anjer is waargenomen op circa 1.5 km ten noordoosten van het plangebied in het bosgebied de Koningshof. Ook alle waarnemingen van het rood peperboompje en het stofzaad beperken zich tot dit gebied (NDFF, 2014-2019). Aanwezigheid van stofzaad en rood peperboompje binnen het plangebied is uitgesloten. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden tijdens de bloeiperiode van stofzaad. Rood peperboompje is een langlevende soort.

Voor beide soorten geldt dat deze tijdens het veldbezoek zou zijn aangetroffen als deze aanwezig waren binnen het plangebied. Voor de Kartuizer anjer ontbreken geschikte groeiplaatsen. De aanwezigheid van beschermde vaatplanten binnen het plangebied is daarom uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren De locatie aan Zuidlaan 51 betreft grotendeels verharding terwijl het aangrenzende perceel aan Duinrooslaan 3 hoofdzakelijk bosrijk is. De directe omgeving van de planlocatie bestaat uit stedelijk gebied ten noordoosten van de planlocatie en een uitgestrekt bos ten zuidwesten van de planlocatie. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van meerdere nationaal beschermde zoogdieren bekend die niet vallen onder de vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren die waargenomen zijn in een straal van ca. 2 km van de planlocatie betreffen de boommarter, bunzing, damhert, eekhoorn en wezel (NDFF, 2014-2019). Binnen het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor het damhert door afwezigheid van voldoende schuilplaatsen en de veelvuldige betreding van het terrein door mensen. Daarnaast zijn beide percelen door een hek ontoegankelijk vanaf het duingebied. Voor het perceel aan Duinrooslaan geldt dat geschikte rustplaatsen voor veel grondgebonden zoogdieren ontbreken als gevolg van een loslopende hond over het gehele perceel.

Op het perceel zijn diverse takkenhopen aanwezig, tijdens controle waren hier dan ook geen sporen die wijzen op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren. Voor beide percelen geldt dat sporen die duiden op de aanwezigheid van kleine marterachtigen, zoals vraatsporen (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren, etc.),

4

uitwerpselen, latrines, pootafdrukken of loopsporen niet zijn aangetroffen waardoor het uitgesloten is dat beide percelen een functionele betekenis hebben binnen het leefgebied van kleine marterachtigen zoals de steenmarter, boommarter of bunzing. Tijdens de boomcontrole op het perceel aan Duinrooslaan 3 is ook geen holte aangetroffen die geschikt zou zijn als vaste rust- en verblijfplaats van de boommarter. Nestbomen van de eekhoorn zijn niet aangetroffen, ook was er geen sprake van vraatsporen van de eekhoorn. Zowel de boommarter als de eekhoorn leven in allerlei typen en leeftijden bos waar de planlocatie gedeeltelijk geschikt voor zou kunnen zijn. Echter door de afwezigheid van nestbomen, vraatsporen en de veelvuldige verstoring binnen het plangebied is het uitgesloten dat het plangebied een functionele betekenis heeft voor beide soorten. Bovendien is er in de omgeving voldoende alternatief leefgebied beschikbaar waar deze soorten zich naartoe kunnen verplaatsen, mochten ze zich in de buurt van de planlocatie begeven. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van beide soorten. Op de locatie is wel sprake van aspecifiek leefgebied voor zoogdiersoorten die algemeen voorkomen, dit betreft soorten zoals: bruine rat en egel.

Aannemelijk maken opportunistische en algemene soorten incidenteel gebruik van de planlocatie. Voor dergelijke soorten is in de direct omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen in het kader van habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde overige soorten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In een straal van ca. 2 km rondom het plangebied is het voorkomen bekend van onder andere: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone/grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF, 2014-2019). De beoogde ontwikkeling leidt tot de sloop van de bestaande opstallen en tot de kap van bomen. Beide kunnen een essentieel onderdeel van het vleermuishabitat vormen indien deze vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen bevatten of als deze een functioneel onderdeel zijn van de vliegroute. De bebouwing op het perceel aan Zuidlaan 51 bevatten kieren maar geen geschikte achterliggende ruimtes. De openingen komen uit in de golfplaten daken waar zich geen ruimtes bevinden.

Daarnaast bevindt er zich in de golfplaten daken een zeer instabiel microklimaat waar het snel heet of koud wordt in de zomer dan wel winter. Hierdoor zijn de gebouwen niet geschikt voor vleermuizen en kunnen effecten op vaste rust- en/of verblijfslocaties van gebouw-bewonende vleermuissoorten worden uitgesloten. De beoogde werkzaamheden betreffen tevens het (gedeeltelijk) kappen van het bosgebied op het perceel aan Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3. Het overgrote deel van de te kappen bomen betreft grove den, gevolgd door beuken, esdoorn, wilde lijsterbes en zomereik. In geen van deze bomen zijn holtes of openingen aangetroffen die geschikt zouden kunnen zijn voor vleermuizen. Op het terrein aan Zuidlaan 51 zijn de bomen tevens te dun om in geschikte openingen ten aanzien van vaste rust- en/of verblijflocaties voor vleermuizen te voorzien. Op het terrein aan Duinrooslaan 3 is een enkele spechtenhol aangetroffen in een grove den. Deze holte was van boven open waardoor deze niet geschikt is (figuur 2). Geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen zijn derhalve niet aanwezig binnen het plangebied.

5

Figuur 2

Spechtenholte in een grove den op het terrein aan Duinrooslaan 3.

Vleermuizen foerageren opportunistisch waarbij het actuele insectenaanbod leidend is voor de plaats waar ze op dat moment foerageren. Het bosgebied maakt mogelijk onderdeel uit van het foerageer- en migreernetwerk van vleermuizen. De beoogde ontwikkeling betreft tevens het verwijderen van (een gedeelte van) de bomen. In de directe omgeving zijn voldoende alternatieve bosgebieden aanwezig die kunnen dienen als foerageergebied. Daarnaast zal de komst van de kavels hoogstwaarschijnlijk nieuwe vegetatie met zich meebrengen waardoor de structuur niet dusdanig wordt aangetast dat vleermuizen zich niet meer kunnen oriënteren in het landschap en de locatie niet ongeschikt raakt voor vleermuizen. Mogelijk worden aanwezige vleermuizen verstoord gedurende het foerageren en migreren. Hiervan is echter enkel sprake indien er gewerkt wordt gedurende de schemer of na zonsondergang. Tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van foeragerende en passerende vleermuizen (verlichting aanpassen of werken tussen zonsopkomst en zonsondergang). Amfibieën en reptielen Tijdens beide veldbezoeken zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In een straal van ca. 2km rondom de planlocatie is het voorkomen bekend van de boomkikker, rugstreeppad en zandhagedis (NDFF, 2014-2019).

In de omgeving van de planlocatie is veel geschikt leefgebied van de zandhagedis aanwezig in de vorm van het gebied Kennemerland-zuid. Het leefgebied van de zandhagedis bestaat voornamelijk uit heide en duingebieden of open vlakten in bossen, bosranden en dergelijke met een voorkeur voor zuidgeoriënteerde hellingen. Binnen het plangebied is geen sprake van dit voorkeurshabitat. De aanwezige bosranden bevatten weinig dekking. De naastgelegen paddocks worden veelvuldig betreden door de paarden en voren daardoor geen geschikte ei-afzetplaats. Met name op het terrein aan Zuidlaan 51 ontbreekt de benodigde structuurrijke vegetatie. Op het terrein aan Duinrooslaan 3 is dit in hogere mate aanwezig, echter ontbreken ook hier geschikte rustplaatsen als gevolg van loslopende honden. De omgeving van het plangebied vormt kwalitatief hoogwaardig leefgebied, het is dan ook uitgesloten dat de zandhagedis een ongeschikt habitat betrekt als kwalitatief hoogwaardig leefgebied voorhanden is. De verspreiding van de boomkikker beperkt zich tot het Kennemerland-Zuid. Door het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied is het zomerhabitat geheel afwezig. Door de hoge eisen die de soort stelt aan de overwinteringshabitat is het uitgesloten dat de soort verbonden is aan de planlocatie. De rugstreeppad is waargenomen op ca 650 m ten noorden van het plangebied.

Overige waarnemingen beperken zich tot het gebied ten zuiden van het plangebied. Trek van deze populatie richting het plangebied is uitgesloten gezien de barrièrewerking van het noordoosterkanaal. In de huidige situatie biedt het plangebied geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Voor het perceel aan Duinrooslaan 3 ontbreekt de benodigde dynamiek. Aan Zuidlaan 51 is vergraafbaar zand aanwezig in de paddocks maar ontbreekt geschikt oppervlaktewater. Daarnaast is de verstoring van het zand door de paarden dermate hoog dat dit in de huidige situatie ongeschikt is als zomerhabitat. Geschikt habitat kan mogelijk wel ontstaan tijdens de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Om negatieve effecten op

6

de soort te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort het plangebied kan gebruiken als voortplantingslocatie. De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als gewone pad en bruine kikker kan echter niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Vissen Op en rondom de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater of watergangen die onder invloed staan van de geplande ontwikkelingen. Tevens zijn er geen werkzaamheden gepland aan watergangen of oppervlaktewateren. Dagvlinders, libellen en overige ongewervelden In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelde aangetroffen. In de omgeving is het voorkomen bekend van een vijftal beschermde soorten, namelijk de gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, aardbeivlinder, bruine eikenpage en grote parelmoervlinder (NDFF, 2014-2019). Door het ontbreken van oppervlaktewater heeft de planlocatie geen functionele betekenis voor de gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel.

De aardbeivlinder is verspreid ten westen van de planlocatie waargenomen. Het leefgebied van de soort is niet binnen de planlocatie aanwezig. Kwalitatief hoogwaardig leefgebied van de soort heeft een hoge dichtheid waardplanten (tot 20 planten per m2). Een dergelijke vegetatiestructuur is niet aangetroffen binnen het plangebied waardoor een essentiële functie van het plangebied voor de soort uitgesloten is. De waarnemingen van de bruine eikenpage beperken zich tot het bosgebied de Koningshof. De waardplant van de soort, eik, is in lage dichtheid aanwezig binnen het plangebied. Echter door het ontbreken van voldoende eikenopslag en nectar binnen het plangebied is het plangebied kwalitatief niet hoogwaardig genoeg voor deze soort. Het is derhalve uitgesloten dat het plangebied essentieel is voor de soort. Van de grote parelmoervlinder is geen populatie in de omgeving van de plangebied aanwezig. Daarnaast ontbreekt geschikt leefgebied van de soort op de planlocatie. Tijdens de veldbezoeken zijn geen mierenhopen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van zeldzame, kwetsbare en/of beschermde mieren. Op de locatie zijn diverse bomen aanwezig. De vegetatie in het bosgebied is voor veel algemene insecten geschikt ten behoeve van voedsel, voortplanting, opgroei (larvale stadium), popstadium en verblijfplaats.

Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: boerenzwaluw, winterkoning, boomkruiper, roodborst, merel, grote bonte specht, zilvermeeuw, zwarte mees, heggenmus, lijster, fitis, roodborst, houtduif, zwarte roodstaart en huiszwaluw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie en in de directe omgeving hiervan zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. In de omgeving zijn diverse waarnemingen van uilen bekend, dit betreft uitsluitend categorie 5 soorten zoals de bosuil en ransuil (NDFF, 2014-2019). De omgeving van de planlocatie is geschikt als leefgebied van de huismus. Binnen het plangebied ontbreken geschikte nestlocaties vanwege de houten en golfplaten daken. Tevens is er op een groot deel van de dakgoten vogelschroot aanwezig. Voor gierzwaluw geldt dat deze goede aanvliegroutes nodig hebben en hierdoor ook een nestlocatie van minimaal 3 meter hoog. De stallen zijn zeer laag en bevatten tevens geen openingen die mogelijke nestlocaties bieden. Daarnaast heeft het dak een zeer instabiel microklimaat.

De werkzaamheden leiden hierdoor niet tot aantasting van het nabijgelegen leefgebied of potentiële nestlocaties van huismus of gierzwaluw. Rondom de bomen zijn geen eischalen, braakballen, veren, uitwerpselen of andere sporen aangetroffen die mogelijk aanleiding geven dat een van de te kappen bomen een functie vervult ten aanzien van ransuilen of sperwerachtigen. Tevens zijn in de directe omgeving ruim

7

voldoende geschikt alternatieven dat de (tijdelijke) afname van enkele bomen geen effect uitoefent op de lokale populaties. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) Het bosachtige gebied op de planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden. Een dergelijk biotoop is geschikt voor de beide categorie 5 uilensoorten, de ransuil en de bosuil, die in de omgeving zijn waargenomen. Binnen het plangebied zijn echter geen geschikte nestlocaties van deze soorten of sporen zoals braakballen e.d. aangetroffen. Hierdoor is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie heeft voor deze beide soorten. De beoogde ontwikkeling leidt tot een afname in het aantal bomen. Mogelijk worden er een aantal nieuwe bomen teruggeplaatst op de kavels wanneer de bestemmingen hiervoor bekend zijn. De bomen en nabijgelegen groen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek ook nesten aangetroffen van boerenzwaluw en de grote bonte specht. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, belangrijk weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt tegen een Natura2000 gebied aan. Hetzelfde geldt voor het Natuurnetwerk Nederland. Figuur 3 en 4 geven de afstanden weer tot de gemeten vanaf het midden van de planlocatie.

Figuur 3

8

De planlocatie (rood traject) ligt op een afstand van 0,1km tot Kennemerland-Zuid (bron: natura2000.eea.europa.eu).

Figuur 4

De planlocatie (rood kader) ligt op een afstand van 0,1km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: maps.noord-holland.nl).

De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van de stallen en schuren, en het verwijderen van het bosgebied om hiervoor in de plaats 7 kavels te kunnen realiseren. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke (n.a.v. vergelijkingsberekening met als referentie 2012 t/m 2014) en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Op dit moment is er sprake van stikstofdepositie door de aanwezigheid van manege en de aanwezige paarden. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie kan een verhoging in stikstof met zich meebrengen al zal eventuele bebouwing goed geïsoleerd worden en de hoge uitstoot door de paardenmanege afnemen. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de Natura2000-gebieden zeer klein is waardoor de werkzaamheden mogelijk kunnen leiden tot tijdelijke verstoring. Daarnaast liggen er geen percelen of infrastructuur tussen de planlocatie waardoor er geen bufferwerking van toepassing is. De ontwikkeling resulteert niet in een significant verhoogde verkeersintensiteit (van manege naar 7 woningen).

Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significante effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Aangezien een Natura2000-gebied tegen de planlocatie is gelegen (Kennemerland-Zuid) die zeer gevoelig is voor stikstofdepositie, wordt er een mogelijk effect verwacht en dient er een Aerius berekening te worden uitgevoerd. Indien hieruit komt dat er sprake is van een te hoge stikstofdepositie op het Natura2000 gebied, dient er een vergunning te worden aangevraagd of een melding te worden gedaan in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) bij de provincie of dienen er maatregelen te worden getroffen om de uitstoot te verlagen en schade te voorkomen.

De (mogelijk) nieuwe bebouwing op de kavels dient gebouwd te worden naar de nieuwste energie- en uitstooteisen waardoor het zeer energiezuinig zal zijn. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat effecten op doelsoorten en instandhoudingsdoelstellingen niet op voorhand uitgesloten zijn aangezien de planlocatie grenst aan het Natura2000-gebied Kennemerland-Zuid. Negatieve effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase en mogelijk ook in de gebruiksfase als gevolg van een functieverandering. Derhalve wordt geadviseerd om een Voortoets uit te voeren om de (eventuele) effecten op het gebied nader te beschouwen. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland is externe werking overigens geen toetsingskader.

9

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) Het dunnen van een houtopstand; h) Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. De kapwerkzaamheden zijn voorzien aan een houtopstand waarvoor een meldingsplicht geldt (art. 4.2). In hoeverre er sprake is van een herplantplicht (art.

4.3) en op welke wijze deze eventueel moet worden uitgevoerd dient afstemming te worden gezocht met bevoegd gezag. Conclusies In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Mogelijk maken vleermuizen gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. De planlocatie en de directe omgeving hebben (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De bomen zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels waar in het broedseizoen rekening mee dient te worden gehouden. De planlocatie ligt naast een Natura2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is er mogelijk sprake van externe werking op het Natura2000-gebied en dient er een Voortoets met Aerius berekening te worden uitgevoerd. Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht (en mogelijk herplantplicht) geldt.

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

zoogdieren

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

vaatplanten

Legenda

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

10

Geschikt habitat Habitarichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat overige soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

+/-

n

+/-

-

-

+/-

-

-

n

n

n

broedvogels (j)

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de te verwachten effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

broedvogels (a)

Tabel 2

+

-

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura2000

0,1km

mogelijk

Voortoets en Aerius

Natuurnetwerk Nederland

0,1km

nee

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding/ vergunning

Struiken

nee

n.v.t.

n.v.t.

Bomen

ja

ja

ja

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan De werkzaamheden en toekomstige situatie leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden. Ten aanzien van het gebied Kennemerland-Zuid dienen mogelijk maatregelen te worden getroffen om effecten op doelsoorten en instandhoudings- doelstellingen te voorkomen (Voortoets). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling van 7 woningen aan de Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 te Bentveld is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). 

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Ten aanzien van rugstreeppad geldt dat de soort gedurende de sloop en ontwikkeling de locatie kan bevolken. In de periode april t/m augustus/september dient te worden voorkomen dat er potentiële voortplantingswateren ontstaan door het terrein voortdurend te egaliseren en met name de delen waar niet gewerkt wordt. In het gehele jaar maar met name in de periode oktober t/m maart dienen het ontstaan van potentiële verblijf- en overwinteringslocaties te worden vermeden. Hopen puin en ander sloopafval dient direct te worden afgevoerd. Een alternatief voor bovenstaande werkwijze is gehele uitrastering van de gehele werklocatie middels een amfibieënscherm. Welke werkwijze wordt toegepast is ter beoordeling aan de uitvoerend partij. Indien ondanks de zorgvuldige aanpak rugstreeppadden worden aangetroffen moeten de werkzaamheden per direct worden gestaakt. Een ter zake deskundige geeft aan op welke wijze de werkzaamheden hervat kunnen worden.

De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden

11

in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Omdat er mogelijk effecten worden verwacht in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt er geadviseerd om een feitelijke rekenkundige onderbouwing uit te voeren in de vorm van een Aerius berekening.

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon)(redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites maps.noord-holland.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl synbiosys.alterra.nl www.arcgis.com www.bij12.nl

www.ravon.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos

Bijlage 1

Blom Ecologie B.V., ir. J.J.M. Jansen

Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie bv worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie bv is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie bv.

12

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1

De initiatiefnemer is voornemens om de paardenstallen op het terrein aan Zuidlaan 51 te verwijderen om plaats te maken voor 5 kavels.

Figuur 2

De paardenpaddocks op het terrein aan Zuidlaan 51 bevatten een zandgrond waardoor er geen vegetatie aanwezig is. Op de achtergrond het perceel aan Duinrooslaan 3 te Bentveld.

13

Figuur 3

Het bosgebied op de planlocatie ligt tegen een Natura2000 gebied aan. Het bosgebied wordt gebruikt door de manege en is niet openbaar toegankelijk.

Figuur 4

14

Bosrijke tuin op het terrein aan Duinrooslaan 3 te Bentveld.

Figuur 5

Gazon op het terrein aan Duinrooslaan 3 te Bentveld

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11101435/1