CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 Toetingsadvies Omgevingsvisie Zandvoort commissie MER

Gemeenteraad 23 november 2021, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsvisie4.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsvisie Zandvoort Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 29 september 2021 / projectnummer: 3553

Advies in het kort De gemeente Zandvoort stelt een omgevingsvisie op, ter bepaling van de koers voor de

ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente voor de korte en langere termijn (tot 2040). Voor het besluit hierover is een omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. 1 De gemeenteraad van

Zandvoort heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het rapport.

Wat blijkt uit het OER?

Het OER geeft met behulp van een ‘foto van de leefomgeving’ aan hoe de leefomgeving in de gemeente Zandvoort er nu voor staat en zich autonoom tot 2040 ontwikkelt. Daaruit blijkt dat er knelpunten zijn op het gebied van onder andere beschermde natuurgebieden,

grondwater, duurzame energieopwekking en woningaanbod. Ook op andere aspecten is veel

inspanning nodig om doelen te halen, zoals bij geluidhinder, bereikbaarheid/parkeren en klimaatadaptatie (droogte, hitte en wateroverlast). In het OER zijn drie alternatieven

vergeleken aan de hand van effecten op de leefomgeving: ‘Zandvoort durft!’ met een accent

op het circuit, evenementen en durfsport, ‘Zandvoort zorgt!’, dat focust op zorg, wellness en gezondheid en ‘Zandvoort Leeft’ met meer aandacht voor cultuur en verbindingen. Uit deze alternatieven is een voorkeursalternatief samengesteld dat de basis vormt voor de omgevingsvisie.

Het OER maakt duidelijk dat met het beleid dat volgt uit het voorkeursalternatief een aantal

doelen niet gehaald worden en knelpunten blijven bestaan, onder andere op het gebied van

natuur, klimaatbestendigheid, energiegebruik, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Daarom beschrijft en beoordeelt het OER voor zeventien thema’s aanvullende maatregelen, waarmee de leefomgeving verbeterd kan worden en het behalen van de doelen dichterbij komt.

Diverse ontwikkelingen kunnen leiden tot schade aan de natuur in de omgeving, vooral door neerslag van extra stikstof door een toename van het verkeer. Voor beschermde Natura

2000-gebieden geldt dat delen van de visie mogelijk niet passen binnen de kaders van de

Wet natuurbescherming.

Wat is het advies van de Commissie?

Het OER is methodisch goed opgezet. Het planproces voor het opstellen van de

omgevingsvisie en de rol van het OER is helder beschreven. Het OER volgt logische stappen, waarmee de belangrijkste opgaven, ambities, knelpunten en kansen geïdentificeerd kunnen worden. Vooral de ‘foto van de leefomgeving’ geeft hiervoor waardevolle informatie. Ook is op hoofdlijnen duidelijk welke opgaven met elkaar kunnen botsen.

De Commissie signaleert bij de toetsing van het OER echter een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten:

1

Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.

-1-

•

Effectbeoordeling geeft beperkt inzicht in belangrijkste knelpunten en kansen. De

effecten zijn beoordeeld aan de hand van indicatoren die niet altijd goed aansluiten op de Zandvoortse situatie. Doordat gebiedsspecifieke informatie niet wordt gebruikt zijn

effectscores generiek en weinig onderscheidend en kan niet goed worden vastgesteld of doelen bereikt kunnen worden. De optelling van scores tot een totaalbeeld kan de lezer op het verkeerde been zetten.

•

Ruimtelijke beoordeling ontbreekt. In de ontwerp omgevingsvisie ‘Zandvoort 365 dagen aantrekkelijk’ zijn de belangrijkste opgaven en de koers voor 2040 in hoofdlijnen beschreven. Ook is een visie voor elk van de zeven onderscheiden deelgebieden

opgenomen. De ‘foto van de leefomgeving’ geeft inzicht in locatie en omvang van

knelpunten en kansen in de huidige situatie. De alternatieven en de effecten zijn echter

niet of nauwelijks ruimtelijk beoordeeld. In het OER is weinig gebiedsspecifieke

informatie en kaart- en ander beeldmateriaal opgenomen.

Het gevolg van bovenstaande tekortkomingen is dat in het OER scherpte ontbreekt ten

aanzien van de belangrijkste opgaven, knelpunten en kansen voor Zandvoort. Dit sluit niet goed aan bij de visie, die wel ruimtelijk onderscheid maakt, en geeft weinig aanknopingspunten voor een (gebiedsgerichte) uitwerking van de visie.

De Commissie adviseert de ontbrekende informatie in een aanvulling op het OER op te

nemen, en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. Aanleiding MER De omgevingsvisie beschrijft het integrale beleid van de gemeente met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor de middellange tot lange termijn (tot 2040). Omdat de omgevingsvisie kaderstellend kan zijn voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten – zoals uitbreiding van woon- en werkgebieden, duurzame energieopwekking en uitbreiding van infrastructuur - is het nodig om een plan-MER op te stellen. Een plan-MER is ook nodig omdat een Passende beoordeling is opgesteld met het oog op mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden zoals Kennemerland-Zuid, Noord-Hollands Duinreservaat en Polder Westzaan. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Zandvoort - besluit over de omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies.

U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3553 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op de beoordeling In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe. Aan deze beoordeling koppelt zij

aanbevelingen. Sommige van die aanbevelingen zijn opgenomen in een tekstkader en andere niet. Als deze in een kader staan dan is het uitvoeren ervan volgens de Commissie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij het besluit over de omgevingsvisie.

-2-

Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

Figuur 1: visuele weergave ontwerp omgevingsvisie Zandvoort (bron: OER, figuur 6.1, voor legenda, zie aldaar)

-3-

Omgevingsvisie en rol van het OER

De omgevingsvisie is een nieuw beleidsinstrument, voortkomend uit de nieuwe

Omgevingswet. Een omgevingsvisie is integraal, wat wil zeggen dat deze bestaand en nieuw

beleid voor verschillende beleidsvelden moet integreren voor de gehele fysieke leefomgeving. Dit is in de praktijk een complexe opgave, op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.

Omdat het opstellen van een integrale omgevingsvisie nieuw en complex is, is de inzet van

het instrument milieueffectrapportage voor omgevingsvisies ook nog een zoektocht: hoe kan het OER het omgevingsbelang volwaardig mee laten wegen en keuzes in en op basis van de omgevingsvisie onderbouwen? Uit de ontwerp-omgevingsvisie, het OER en gesprekken met de gemeente blijkt dat het OER een belangrijke rol heeft gespeeld bij het proces voor de

totstandkoming van de omgevingsvisie van de gemeente Zandvoort. Het OER is daarmee –

naast participatie – in belangrijke mate ondersteunend in het besluitvormingsproces over het omgevingsbelang.

Beoordelingskader doelbereik en effecten onvoldoende specifiek Voor het beoordelen van de referentiesituatie (‘foto van de leefomgeving’), de integrale

alternatieven en het voorkeursalternatief is een groot aantal indicatoren gebruikt. Het gebruik daarvan en de presentatie van de resultaten verschilt. Voor de referentiesituatie en het

voorkeursalternatief is gebruik gemaakt van het ‘rad van de leefomgeving’. De vergelijking van de alternatieven is gepresenteerd in omvangrijke tabellen met toelichting.

De Commissie is van oordeel dat het beoordelingskader op een aantal punten tekort schiet: •

Een deel van de gebruikte indicatoren om doelbereik en effecten te beoordelen is erg

algemeen en de beoordeling is deels gerelateerd aan landelijke gemiddelden. 2 Doelen

zijn ook in veel gevallen vrijblijvend geformuleerd en het is niet of nauwelijks mogelijk om alternatieven te toetsen aan het ‘doelbereik’ 3. Daardoor ontbreken in sommige gevallen doelen en effectindicatoren die specifiek voor Zandvoort van belang zijn.

Bijvoorbeeld omdat daarvoor gemeentelijke ambities gelden of (lokale) knelpunten zijn gesignaleerd. 4 Hierdoor is ook niet duidelijk welk gewicht de gemeente Zandvoort toekent aan de verschillende indicatoren en waarom.

•

Effectscores zijn vooral generiek voor de hele gemeente Zandvoort weergegeven, vrijwel

zonder ruimtelijke differentiatie. 5 Daardoor worden verschillen tussen de onderzochte

alternatieven niet goed zichtbaar en lijken deze (ten onrechte) klein. Veel criteria krijgen 2

Landelijke normen zijn goed bruikbaar als deze ook voor een stad als Haarlem kunnen gelden. Vaak is dat niet zo en kan een norm van vergelijke gemeenten, vanuit eigen beleidsstukken of vanuit kennisinstellingen veel beter passen.

3

Hier komt bij dat doelen veelal betrekking hebben op de lange termijn (2040), en dat niet duidelijk is welke ‘tussendoelen’

4

Bijvoorbeeld: voor circulariteit wordt de huidige status beschreven in de ‘foto van de leefomgeving’. Omdat de

de gemeente zich stelt voor 2030.

omgevingsvisie onvoldoende concrete uitspraken bevat zijn geen indicatoren opgesteld. Dit element wordt daarom niet getoetst in het OER. Het ligt voor de hand dat de constatering hiervan juist had geresulteerd in een specificering van

doelstellingen vanuit de gemeente. 5

Uit de ‘foto van de leefomgeving’ (bijlage A1) blijkt dat gebiedsspecifieke informatie die hiervoor gebruikt kan worden wel

beschikbaar is (bijvoorbeeld voor mobiliteit, geluid, natuur en cultuurhistorie). Kennelijk is ervoor gekozen deze informatie in het ‘rad’ generiek te presenteren, om een totaalbeeld voor de gehele gemeente te verkrijgen. Hoewel een totaalbeeld

voor de gemeente waardevol kan zijn, gaat hiermee gebiedsspecifieke informatie verloren, die zowel illustratief als urgent kan zijn. Gebiedsspecifieke informatie maakt duidelijk hoe groot opgaven en hoe urgent knelpunten op bepaalde locaties

zijn, waar de grootste kansen liggen en waar scherpe keuzes nodig zijn. Dit sluit niet goed aan bij de visie, die wel

ruimtelijk onderscheid maakt in deelgebieden, en geeft weinig aanknopingspunten voor een (gebiedsgerichte) uitwerking

van de visie in programma’s en omgevingsplan.

-4-

mede hierdoor uiteindelijk eenzelfde zwaarte, hetzij een licht positieve, neutrale of licht

negatieve score. Belangrijke verschillen binnen de gemeente komen mede daardoor niet

tot uitdrukking, waardoor niet altijd duidelijk is waar in de gemeente de grootste kansen en risico’s zich voor doen. Dit leidt er toe dat een kans wordt gemist om de

omgevingsvisie en het OER sturend te laten zijn voor de uitwerking in (gebiedsgerichte)

programma’s en andere besluiten. •

Voor een snel overzicht van de verschillen tussen de alternatieven is gebruik gemaakt van illustraties waarin de toegekende aantallen plussen en minnen rekenkundig bij elkaar zijn opgeteld. Deze weergave heeft als belangrijk nadeel dat geen weging van criteria

plaatsvindt (belangrijke en minder belangrijke criteria wegen even zwaar), waardoor

focus op de belangrijkste effecten en te behalen doelen verloren gaat. Doordat deze figuren ook in de samenvatting van het OER zijn opgenomen, bestaat de kans dat

bestuurders en burgers deze als uitgangspunt zullen gebruiken, zonder daarbij rekening te houden met de beperkingen van deze weergave.

De gebiedsspecifieke informatie is volgens de Commissie essentieel voor het vaststellen van de omgevingsvisie, maar zeker ook voor de uitwerking daarvan in gebiedsgerichte en/of

sectorale programma’s, het omgevingsplan en/of andere besluiten. Ook voor het monitoren

van ontwikkelingen, doelbereik en effecten en het eventueel bijsturen van de koers (zie § 2.3 van dit advies) is meer ruimtelijke en gebiedsspecifieke informatie noodzakelijk.

Hieronder licht de Commissie de consequenties hiervan toe aan de hand van voorbeelden bij

de ‘foto van de leefomgeving’ en de beoordeling van de effecten van de alternatieven. 6

Mobiliteit •

De omgevingsvisie maakt een keuze voor een aanzienlijke economische groei met onder

meer extra mobiliteit. Dat is een van de aanleidingen voor het streven naar duurzame en slimme mobiliteit. Het is echter niet duidelijk hoe en in welke mate de drie alternatieven en het VKA effecten zullen hebben op de groei van de mobiliteit en welke gevolgen dat

zal hebben voor de infrastructuur en de noodzaak tot duurzame mobiliteit. 7 In de

omgevingsvisie zijn hier echter wel duidelijke speerpunten voor genoemd. •

In het OER is gekeken naar de bereikbaarheid via vervoerwijzen (autonetwerk, parkeren, openbaar vervoer, fiets) om het vervolgens te toetsen voor geheel Zandvoort. In de

omgevingsvisie zijn zeven deelgebieden genoemd die per deelgebied verschillende eisen stellen aan hun bereikbaarheid. Het in beeld brengen van de bereikbaarheid van

gebieden (economische centra, recreatiegebieden, woon- werkgebieden) kan van invloed zijn op te treffen maatregelen en op de prioritering daarvan. •

Het aspect automobiliteit scoort in de huidige situatie redelijk en verslechtert iets in de referentiesituatie (autonome ontwikkeling). Niet altijd duidelijk is waar, waardoor, in

welke mate en wat dat betekent, bijvoorbeeld in de zin van de verkeersafwikkeling. Voor het begrijpen van de gemaakte keuzes in de omgevingsvisie is meer inzicht in de groei van de (auto)mobiliteit nodig.

•

In de visie is opgenomen dat een verkennende studie zal plaatsvinden naar een betere ontsluiting tussen noord en zuid. Dit is een van de vijf speerpunten van het

6

De opsomming is niet uitputtend. Dat wil zeggen dat het ook voor andere criteria van belang kan zijn om zoveel mogelijk

gebruik te maken van gebiedsspecifieke informatie. 7

Dat wil zeggen de mate waarin milieuvriendelijke vervoerwijzen worden bevorderd, het verkorten en verschonen van

verplaatsingen gaat plaatsvinden en de organisatie van de mobiliteit (smart mobility, deelauto-systemen, mobility as a

service, groepsvervoer) wordt aangepakt.

-5-

mobiliteitsbeleid uit de omgevingsvisie. Hierbij is echter geen inzicht gegeven in nut en noodzaak van een nieuwe verbinding tegen de achtergrond van de overige genoemde

speerpunten die moeten leiden tot een mobiliteitstransitie. Op basis van een beter beeld van de algehele mobiliteitsontwikkeling in en om Zandvoort kan de toekomstige

bereikbaarheidsproblematiek scherper worden gedefinieerd. De Commissie geeft in

overweging om in een eerste stap de toekomstige problematiek nader te verkennen, in

een tweede stap de mogelijke oplossingsrichtingen te ontwikkelen en te vergelijken op effecten en pas daarna de voorkeursoplossing te onderzoeken en nader uit te werken.

Natuur en biodiversiteit •

Voor de beoordeling van de effecten op ‘natuur en biodiversiteit’ is onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten en beschermde gebieden. Daarmee blijven effecten op

natuurwaarden die niet specifieke beschermd zijn buiten beschouwing. De effecten op de biodiversiteit zijn daardoor niet volledig in beeld, terwijl dit vooral voor de duingebieden van groot belang is. De risico’s van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-

gebieden worden wel genoemd, maar de ernst van dit effect verdwijnt grotendeels door de wijze van aggregeren van verschillende effecten 8. Stikstofeffecten kunnen sterk bepalend zijn voor de uitvoerbaarheid van verschillende activiteiten, waaronder

woningbouw, evenementen, toeristisch-recreatieve ontwikkelingen en andere activiteiten die leiden tot verkeersbewegingen. •

In de effectbeschrijving voor natuur/beschermde gebieden is onvoldoende aandacht voor de effecten van extra verstoring door beleidsuitspraken/maatregelen die kunnen leiden tot extra bezoekers of toename van geluid in de omringende (Natura 2000-)gebieden.

Gezondheidsbescherming •

Woningbouw kan grote invloed hebben op de mate van gezondheidsbescherming. Bij de nieuwe woningen wordt deze bepaald door de geluidbelasting en de luchtkwaliteit in de omgeving van deze woningen. Nieuwbouw genereert extra verkeer en kan daardoor

invloed hebben op de geluidbelasting, luchtkwaliteit en verkeersveiligheid bij bestaande

woningen. De grootte van de invloed wordt sterk bepaald door de locatie en omvang van de woningbouw en de toename in verkeersstromen en de routes. In alle drie de

alternatieven en het voorkeursalternatief is sprake van verschillende vormen en locaties van woningbouw. De locaties worden ook aangegeven op de visiekaarten voor de

deelgebieden. Deze ruimtelijke informatie wordt echter niet gebruikt bij de beoordeling van de effecten voor de nieuwbouw of bestaande woningen en de risico’s worden gelijk (‘in geringe mate’) gescoord. Niet duidelijk is of er een verschil is in de kwaliteit van de leefomgeving voor de nieuwe woningen, maar ook bijvoorbeeld niet of en bij welke

alternatieven de geluidbelasting, bij woningen langs wegen die in de huidige situatie al een groot geluidknelpunt vormen, nog verder toeneemt.

•

Ook evenementen met grote bezoekersaantallen kunnen een grote verkeersaantrekkende werking hebben en daarmee negatieve invloed hebben op geluid, luchtkwaliteit en

verkeersveiligheid. Ook deze evenementen worden niet ruimtelijk beoordeeld. Zo worden de risico’s van uitbreiding van het circuit, waar in de directe omgeving al veel woningen te hoog worden belast met geluid, even licht (‘in geringe mate’) beoordeeld als die van andere beleidsuitspraken zoals het versterken van kleinschalige wijkeconomie.

8

De Passende beoordeling bevat meer gedetailleerde informatie, maar door de wijze van aggregeren in de effectbeoordeling gaat deze detailinformatie grotendeels verloren.

-6-

Sociale aspecten •

Het percentage vrijwilligerswerk is negatief beoordeeld op basis van vergelijking met het

•

Het VKA scoort licht positief, vooral door wijkgerichte werkgelegenheid. Ook in

landelijk gemiddelde, zonder te kijken naar vergelijkbare gemeentes.

hoofdstuk 10 worden enkele aanvullende opties genoemd met het oog op de

werkgelegenheid. Daarmee is de beoordeling van sociale aspecten sterk vanuit

economisch perspectief uitgevoerd en blijft de sociale dimensie (bijvoorbeeld deelname aan sportverenigingen, religieuze voorzieningen, wijkorganen etc.) onderbelicht.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de

besluitvorming, de beschikbare ruimtelijke en gebiedsspecifieke informatie te gebruiken voor een meer gebiedsspecifieke analyse van knelpunten en kansen in de huidige en toekomstige

situatie. Deze analyse kan leiden tot belangrijke aandachtspunten voor te maken afwegingen in de omgevingsvisie en vooral voor de (gebiedsgerichte) uitwerkingen daarvan en voor monitoring en evaluatie.

Referentie, alternatieven en voorkeursalternatief 2.2.1

‘Rad van de leefomgeving’ geeft snel overzicht De foto van de leefomgeving (hoofdstuk 4 van het OER en bijlage A1) geeft de huidige

toestand en autonome ontwikkelingen in de gemeente weer voor een groot aantal thema’s en aspecten. Voor deze aspecten is met kleurencodes (groen, oranje, rood) aangegeven in

hoeverre zich in de huidige situatie knelpunten voordoen en welke trends voor de periode tot 2030 worden gezien (positief, neutraal, negatief). Bijlage A1 geeft inzicht in de gebruikte informatiebronnen en geeft een toelichting – voorzien van kaartjes – op de scores.

De resultaten van deze analyse zijn samengevat in een ‘rad van de leefomgeving 2030’ (zie figuur 4-1 of 0-2 in het OER). Dit figuur geeft burgers en besluitvormers in een oogopslag

inzicht in de toestand van de leefomgeving en de ontwikkeling daarin. Hieruit kunnen globaal aandachtspunten en opgaven voor de omgevingsvisie worden afgeleid. Doordat ook de

effecten van het voorkeursalternatief (zie figuur 6-2 in het OER) in een rad zijn gevisualiseerd is de effectiviteit van het nieuwe beleid op hoofdlijnen snel inzichtelijk. Het OER signaleert op

relatief veel criteria knelpunten, en laat zien dat die in de autonome situatie blijven bestaan.

De urgentie van risico's en de betekenis van kansen komen hierbij echter minder duidelijk naar voren, doordat de effectbeoordeling onvoldoende gebiedsspecifiek is en door de optelling van scores (zie § 2.1 van dit advies).

2.2.2

Alternatieven gericht op beperkt aantal ambities In het OER zijn drie integrale alternatieven met elkaar vergeleken die de mogelijke

ontwikkeling van de gemeente vertegenwoordigen: ‘Zandvoort Durft!’, ‘Zandvoort Zorgt!’ en

‘Zandvoort Leeft!’. In algemene zin richt Zandvoort Durft zich vooral op het racecircuit,

evenementen en durfsport, Zandvoort Zorgt legt de focus op zorg, wellness en gezondheid

en Zandvoort Leeft op cultuur en verbindingen. De beschrijvingen in hoofdstuk 5 van het OER

en bijlage A5 geven aan op welke thema’s en onderdelen de alternatieven van elkaar verschillen en welke beleidsuitspraken in elk van de alternatieven zijn opgenomen.

-7-

De Commissie constateert dat de ontwikkeling van de drie alternatieven niet helder is

onderbouwd. De omschrijving van de alternatieven in het OER roept de volgende vragen op: •

Mede doordat kaartmateriaal ontbreekt is weinig inzichtelijk wat de kernkarakteristieken

per alternatief zijn. De beleidsuitspraken per alternatief hebben ook niet altijd betrekking op dezelfde thema’s, waardoor ze op deze onderdelen niet vergelijkbaar zijn. Zo komen klimaatadaptatie en verduurzaming van de woningvoorraad alleen in ‘Zandvoort Zorgt! aan de orde. •

Het is niet duidelijk hoe de alternatieven aansluiten op de ambities van de gemeente

(zoals beschreven in de ontwerp omgevingsvisie) en of voor het realiseren daarvan ook

andere opties zijn overwogen. In andere woorden: het is niet duidelijk in hoeverre de ‘hoeken van het speelveld’ zijn verkend. •

De alternatieven lijken ook niet logisch te volgen uit de opgaven en knelpunten zoals

deze uit de ‘foto van de leefomgeving’ blijken. De alternatieven verschillen weinig van

elkaar en lijken vooral gericht op verschillende economische scenario’s. Ze lijken op basis

van de beschrijving in het OER (tabellen 5-1, 5-2 en 5-3) een selectie van

beleidsuitspraken te bevatten, waarbij niet voor alle opgaven en knelpunten (duidelijk herkenbare) oplossingen zijn opgenomen. In ‘Zandvoort Durft’ heeft de helft van de

uitspraken betrekking op verkeer, terwijl de problematiek zich richt op klimaat, natuur, energie, water. Mogelijkheden om de stikstofproblematiek in Natura 2000-gebieden in

de omgeving te verminderen worden niet benoemd, terwijl een aantal beleidsuitspraken –

met name gericht op verduurzaming in 2040 – hiervoor goede aanknopingspunten bieden.

Het bovenstaande leidt er – in combinatie met het gestelde in de vorige paragraaf - toe dat

het OER onvoldoende inzichtelijk maakt in hoeverre de alternatieven tegemoet komen aan de verschillende ambities van de gemeente én waar sprake kan zijn van botsende ambities of ruimteclaims. Gezien de opgaven is op verschillende locaties een ‘strijd om de ruimte’ te verwachten, maar deze komt niet in het OER tot uitdrukking. Mogelijk worden risico’s en

kansen over het hoofd gezien bij het besluit over de omgevingsvisie en komen deze pas bij de nadere uitwerking aan het licht.

2.2.3

Voorkeursalternatief volgt niet logisch uit effectbeoordeling Uit de drie alternatieven is een voorkeursalternatief samengesteld. Daarbij zijn elementen uit de alternatieven samengevoegd en is gekeken naar elementen/keuzes die zoveel mogelijk

positief scoren in de alternatievenbeoordeling, die bijdragen aan het halen van ambities en die elkaar zoveel mogelijk versterken.

De Commissie constateert dat de stap van de alternatieven naar het VKA niet goed

navolgbaar is op basis van de effectbeoordeling en in de relatie tot de doelen van de gemeente. Hoewel Bijlage 9 van het OER een argumentatie bevat van de opgenomen beleidsuitspraken in de omgevingsvisie, is niet altijd duidelijk waarom sommige

beleidsuitspraken wel zijn opgenomen in het VKA en anderen niet. Vooral relevant is welke

rol het milieubelang en sociale aspecten daarbij hebben gespeeld. Verder gelden voor het

VKA dezelfde kanttekeningen als voor de alternatieven: ook voor het VKA is nog onvoldoende duidelijk in hoeverre ambities gerealiseerd kunnen worden en waar belangen en ambities

kunnen botsen. Opvallend is dat de beleidsuitspraken van het VKA vooral op ‘profit’

gerelateerde criteria (economie, bereikbaarheid) tot verbetering leiden. Voor ambities

gerelateerd aan ‘people’ en ‘planet’ (zoals natuur, klimaat, gezondheid en veiligheid) worden vooral risico’s op negatieve effecten voorzien. Dat betekent dat de ambities op deze

-8-

onderdelen (zoals vermeld in de omgevingsvisie) slechts in beperkte mate zijn uitgewerkt in

beleidsuitspraken.

2.2.4

Opties voor verbetering leefomgeving goed in beeld gebracht Ondanks het feit dat de informatie in het OER weinig gebiedsspecifiek is, laat het OER zien dat op veel aspecten knelpunten blijven bestaan. Hoofdstuk 10 van het OER (“Hoe kan de leefomgeving verder verbeterd worden?”) stelt vast dat op deze aspecten (in totaal 17

thema’s) ondanks het nieuwe beleid ‘nog een tekortschietend kwaliteitsniveau te verwachten

is’. Vervolgens is in dit hoofdstuk een overzicht gegeven van aanvullende beleidsopties en

mitigerende maatregelen met het oog op het verbeteren van dit kwaliteitsniveau. Dit levert een groot aantal aanbevelingen op voor de besluitvorming over de omgevingsvisie en voor

verdere uitwerking in diverse vervolgtrajecten.

De Commissie ziet dit hoofdstuk 10 als een van de belangrijkste resultaten van het OER. De beleidsopties en maatregelen die hier worden genoemd zijn van belang voor de

besluitvorming over en de uitwerking van de visie in programma’s en omgevingsplan. Zij kunnen tevens als input worden gebruikt voor (toekomstige) bijstelling van de omgevingsvisie.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER: •

de eerder in dit advies genoemde gebiedsspecifieke informatie te gebruiken om te analyseren tot welke extra aandachtspunten voor de leefomgeving dit leidt, omdat

binnen de gemeente knelpunten blijven bestaan of groter worden of omdat ambities niet gehaald worden; •

hiervoor zo nodig extra beleidsopties en/of mitigerende maatregelen te beschrijven, in aanvulling op hoofdstuk 10 van het OER;

•

op hoofdlijnen te analyseren in hoeverre sprake is van botsende ruimteclaims en/of meekoppelkansen.

Monitoring en evaluatie Paragraaf 11.3 van het OER bevat een zeer beknopte en algemene beschrijving van de rol van monitoring en evaluatie binnen de beleidscyclus. De Commissie is van mening dat deze

beschrijving onvoldoende houvast biedt voor een effectieve inzet van monitoring van het beleid van de omgevingsvisie en relatie tot de uitwerking daarvan in programma’s, omgevingsplan en andere beleidsinstrumenten.

Op basis van het OER kan het ‘vijf-stappenplan’ al voor een aanzienlijk deel ingevuld worden, door de te monitoren ontwikkelingen en indicatoren te benoemen. Hiervoor komen zowel de indicatoren voor doelbereik als voor effecten in aanmerking. Zoals aangegeven zijn de in het OER gehanteerde indicatoren vaak nog te algemeen en is nog niet duidelijk wat de

belangrijkste indicatoren voor effecten of doelbereik zijn. Voor effectieve monitoring zijn

goed gedefinieerde en zoveel mogelijk kwantitatieve en meetbare indicatoren van belang. Het daadwerkelijk meten hiervan levert de benodigde informatie om het beleid te kunnen

evalueren en bijsturen. De eerdergenoemde gebiedsspecifieke informatie speelt hierbij een belangrijke rol.

-9-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.

Samenstelling van de werkgroep

Bij dit project bestaat de werkgroep uit: Eric van der Burg (voorzitter) ir. Tilly Fast

drs. Pieter Jongejans (secretaris) ing. Ben Peters

ir. Suzanne van der Velde drs. Kees Vertegaal

Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Omgevingsvisie.

Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld?

Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist

zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het bijvoorbeeld om de activiteit D11.2, “stedelijke ont-

wikkeling” of D9 “functiewijziging”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld.

Bevoegd gezag besluit

Gemeenteraad van Zandvoort. Initiatiefnemer besluit

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zandvoort. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?

Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld?

U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3553 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10697436/1