Bijlage 3 - Bijlagen ontwikkelperspectief binnenduinrand
Tekst van het document
standaard elementen) Baathebbers profiteren als free riders
Baathebbers bepalen mee
De overheid realiseert de maatschappelijke doelen
De overheid verplicht de realisatie van
eenvoudige doelen (eventueel samen
met maatschappelijke partners). De overheid
realiseert opgaven die zij zelf in de hand
hebben. De overheid stimuleert maatschappelijke initiatieven.
Landschapsfinanciering is een zaak van inventiviteit en creativiteit Vanuit het besef dat er verbinding moet worden aangebracht tussen de waarde creërende activiteiten en de waardedragers natuur en landschap zijn er al diverse instrumenten ontwikkeld die de potentie hebben om binnen enkele jaren een substantieel deel van natuur en landschap op een andere wijze te laten financieren. Deze instrumenten kunnen bij projecten met duidelijk te definiëren kasstromen en private baten een efficiëntere vorm van interventie via publieke middelen zijn dan een directe gift of subsidie. Met de inzet ervan kan bovendien een hefboomeffect worden gecreëerd waardoor private financiering kan worden aangetrokken. Enkele voorbeelden van nieuwe financiële instrumenten zijn: Landschap-CV Binnen een Landschap-CV oefenen één of meerdere partners onder een gemeenschappelijke naam een bedrijf uit. Een CV bestaat uit één of meer beherende vennoten en één of meer stille vennoten. De beherende of gecommanditeerde vennoten brengen geld, goederen, arbeid en/of goodwill in. Ze zijn bevoegd om te handelen namens de vennootschap. De stille vennoten hebben alleen een financiële inbreng. Ze mogen niet namens de vennootschap optreden.
Verschillende partijen kunnen stille vennoot zijn: een vermogende burger, een zorginstelling, maar ook een ondernemer die zijn bedrijf inbrengt en daar een deel van de winst terug ontvangt van de onderneming waarin hij vennoot is.
| 47
Uitzichtgarantie Binnen deze financieringsvorm betalen burgers en bedrijven die belang hebben bij een aantrekkelijk landschap daaraan mee. Een directe betaling voor landschappelijke kwaliteit (via entree) blijkt echter lang niet altijd eenvoudig. Directe betaling is niet altijd gewenst. Een nieuw arrangement is de uitzichtgarantieverzekering: huizenbezitters verzekeren hun vrije uitzicht voor bijvoorbeeld een periode van twintig jaar. De premie wordt deels gebruikt voor beheer van het landschap Als het vrije uitzicht toch vervalt, krijgen de huiseigenaren een schadeloosstelling. (Note: Het Ministerie van Landbouw heeft twee pilotgebieden (Amstelland bij Amsterdam en het Binnenveld tussen Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal als proefgebied voor experimenten met alternatieve financiering van landschapsbeheer) Landschapsveiling Een ander idee voor de financiering is de landschapsveiling. Via de landschapveiling (fysiek in het land en via een website) kan iemand een landschapselement zoals een heg, graft, holle weg of boomgaard adopteren (‘kopen’). Streeklening Het is een arrangement waarin een bank samenwerkt met nationale en regionale landschappen. Overheden, bedrijven en streekorganisaties openen de streekrekening bij één van de betrokken banken. Zij ontvangen over hun spaargeld minimaal een marktconforme rentevergoeding.
De bank geeft daarop een bonus, die rechtstreeks naar een fonds vloeit. Deelnemende bedrijven worden uitgenodigd om eenzelfde percentage of meer te doneren. Het streekrekening-arrangement sluit aan op de wensen van bedrijfsklanten die verantwoordelijkheid willen nemen voor hun bedrijfsomgeving: het gebied waarin zij werken en waarin de medewerkers wonen. Voor de landschappen is het een nieuwe en aantrekkelijke manier om inkomsten te genereren. Duinenfonds Op 14 mei 2014 is de Stichting Duinenfonds Zuid-Kennemerland gelanceerd. Dit is een initiatief vanuit het bedrijfsleven: BDO Accountant & Adviseurs, Imbema Groep, Landgoed Duin & Kruidberg, Rabobank Haarlem e.o., PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland. Zij vinden het onvoldoende alleen maar vast te stellen dat wij wonen en werken in een uniek duinlandschap. Zij weten dat uniciteit vraagt om verantwoordelijk beheer. Vandaar hun initiatief gezamenlijk een concrete bijdrage te leveren aan het scheppen van optimale condities voor het doorgeven van dit kwetsbare bio-cultureel erfgoed aan onze volgende generaties. De Stichting wil de ogen van betrokkenen openen voor de unieke waarde van het gebied waarin zij werken en wonen. Die betrokkenheid moet uiteindelijk de voorwaarden scheppen om fondsen te genereren ter ondersteuning of verbetering van het duinlandschap.
De Stichting wil daartoe uiterlijk in 2018 jaarlijks minimaal € 200.000 ter beschikking hebben om een aantal grote en kleine projecten in het duingebied te kunnen financieren. Groen (project)ontwikkeling Groene (project)ontwikkeling biedt aanzienlijke perspectieven op het gericht ontwikkelen en/of behouden van grote groene gebieden met private middelen, zeker in combinatie met groen beleggen. Hieronder valt ook de verkoop van “dure natuur” om er veel goedkope natuur mee te kopen, of te verbeteren. Groen beleggen Groen beleggen kan extra aantrekkelijk worden wanneer het wordt gekoppeld aan terreinen in de omgeving van de belegger. Behalve een redelijk rendement (3,5%, waarvan 2,5% fiscaal) versterkt de belegger zijn of haar band met natuur en landschap. Green Finance Lab Het Green Finance Lab (GFL) is een initiatief van de gemeente Amsterdam, ABN AMRO en het Rijk en maakt deel uit van de in 2011 gesloten Green Deal tussen Rijk en Amsterdam. In samenwerking met 48 |
universiteiten, maatschappelijke organisaties en bedrijven wordt gezocht naar nieuwe vormen van
financiering van publieke infrastructuren met een belangrijke rol voor de private sector. Beoogde resultaten van het Green Finance Lab zijn het opbouwen van kennis over de vraag hoe maatschappelijke doelen rendabel met privaat geld gefinancierd kunnen worden, en het versterken van netwerken en leerprocessen. In het GFL zoeken experts uit de private, publieke en not-for-profit sector gezamenlijk naar financieringsmechanismen voor urgente opgaven in de duurzaamheidagenda. Het GFL zoekt doorbraken in financieringsopgaven op het gebied van energie, grondstoffen, ecosysteemdiensten/ biodiversiteit, water en mobiliteit. Het betreft zowel projecten gelokaliseerd in Metropoolregio Amsterdam als projecten gericht op het vergroenen van de internationale value chain van Amsterdamse bedrijven en de gemeente.
| 49
50 |
Bijlage 4. De Binnenduinrand in (boven) regionaal beleid
| 51
52 |
In deze bijlage worden kort de beleidsopgaven of -aandachtspunten benoemd die effect hebben op de te maken keuzes voor het landschap van de Binnenduinrand. Daarbij is gekeken naar ruimtelijk en/of landschappelijk relevant beleid van hogere overheden, regio en partners (natuurbeheer-organisaties). Ook is het beleid voor aangrenzende buitengebieden betrokken, zoals de bufferzone AmsterdamHaarlem en het Noordzeekanaalgebied. De achtergronden bij de beleidsstukken zijn summier gehouden. De focus ligt telkens op wat van belang is voor de Binnenduinrand.
1
Beleid rijk, provincie en waterschap
Het relevante beleid van het rijk richt zich op concrete doelstellingen als een adequate kustverdediging (het Deltaprogramma), waarin Zandvoort een pilotgemeente is en de bescherming van natuurgebieden, voorzover zij zijn aangesloten bij de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nu bekend als het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natura 2000 (Nationaal Park Zuid-Kennemerland). Het Rijk stelt dus wel algemene kwaliteitsdoelen voor natuur en landschap, maar heeft geen eigen ondersteunend landschapsbeleid (meer) en de rijksregimes in het natuurdomein beperkt. Provincies en gemeenten worden beter in staat geacht af te wegen wat er in een gebied moet gebeuren. Daarbij wordt vooral bij provincies een taak gelegd om te zorgen voor voldoende groene ruimte binnen en rondom de steden. Ook heeft het Rijk natuurbeheer en plattelandsontwikkeling overgedragen aan de provincies. Jaarlijks leggen rijk en regio afspraken vast in het Bestuurlijk Overleg MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport). De Binnenduinrand zal deel uit gaan maken van de gebiedsagenda voor Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. De gebiedsagenda levert de input voor de MIRT-afspraken. De provincie heeft als basis voor haar ruimtelijk beleid de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (juni 2010). Daarin zijn drie hoofdbelangen gedefinieerd: klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik.
De Binnenduinrand kan bijdragen aan die hoofdbelangen. Relevant zijn de volgende uitgangspunten: •
behoud en ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit van het Noord-Hollandse landschap;
•
aanpassing van ruimtelijke functies aan het veranderende grondwaterpeil en de veranderende waterkwaliteit. Bij nieuwe bouwlocaties en nieuw grondgebruik rekening houden met de randvoorwaarden vanuit waterveiligheid (overstromingsrisico) en wateroverlast;
•
ontwikkeling van nationale en metropolitane landschappen voor groen en recreatie om de stad. Uitvoering vindt o.a. plaats op basis van de ‘Agenda Groen’ (2013). Een van de belangrijkste opgaven is het landschap beter ‘beleefbaar’ maken;
•
aanleggen van regionale wandel-, fiets- en vaarroutes, betere verbindingen tussen bestaande recreatiegebieden en meer recreatief medegebruik van natuur- en landbouwgebieden;
•
behoud en ontwikkeling van natuur en soortenrijkdom door het begrenzen en beschermen van de ecologische hoofdstructuur en weidevogelleefgebieden;
•
maken van ruimte voor landbouw door het opstellen van een ruimte-voor-ruimteregeling1 en toepassen van een stimuleringsfonds grondruil.
Nieuwe bouwplannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en bebouwingskarakteristiek van het landschap en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Om de groene gebieden intact te houden wordt zoveel mogelijk binnenstedelijk gebouwd. In het coalitieakkoord Noord-Holland 2015-2019 wordt ten aanzien van het landschap de hoofdambitie uitgesproken om het waardevolle, eigen en unieke landschap zorgvuldig te bewaken. Natuur en recreatie dragen bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en het authentieke, open landschap vormt de weelderige achtertuin van de stadsbewoners. Een gebied waar natuur en recreatie beide een plaats hebben en waarin fauna en flora hun plek kunnen vinden. Met de verdere uitvoering van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Natura 2000 staat de provincie daarvoor garant. In dit kader is o.a. afgesproken om 250 ha natuur per jaar binnen het NNN | 53
aan te schaffen, in te richten en te beheren. Tevens wordt ingezet op de bevordering van biodiversiteit binnen het bestaande landschapsbeleid. Voor de recreatieve behoeften van de inwoners van de regio biedt de Leefstijlatlas van de Provincie Noord-Holland aanknopingspunten. De Leefstijlatlas onderscheidt verschillende recreatieve doelgroepen. Het vrijetijdsgedrag (en –hieraan gelieerd– de behoefte aan recreatieve voorzieningen) wordt niet alleen bepaald door demografische variabelen als leeftijd, inkomen en opleiding. Juist de wensen, motieven, interesses en behoeften bepalen het recreatieve gedrag. Mensen hebben overigens op verschillende momenten verschillende recreatieve behoeftes. Leefstijlen kunnen gebruikt worden om de lokale of regionale identiteit van een gebied vast te stellen, de vraag naar recreatieve voorzieningen in kaart te brengen, ruimtelijke opgaven in te vullen en locaties vast te stellen en arrangementen of communicatie richting doelgroep te ontwikkelen. De Leefstijlatlas onderscheidt de volgende leefstijlen: •
Ondernemend Paars: ‘Cultuur, historie, verrassing en inspiratie’
•
Creatief en Inspirerend Rood: ‘Creatieve, uitdagende en inspirerende ervaringen’
•
Uitbundig Geel: ‘Samen actief bezig zijn, uitgaan en genieten’
•
Gezellig Lime: ‘Even lekker weg met elkaar’
•
Rustig Groen: ‘Even rust nemen in eigen omgeving’
•
Ingetogen Aqua: ‘Brede interesse, ruimdenkend en engagement’
•
Stijlvol en Luxe Blauw: ‘Luxe, stijlvol ontspannen, sport en ‘social network’’
Veel van de doelstellingen op het gebied van landschapsontwikkeling en natuurbescherming zijn afhankelijk van geld. Nu de (rijks)overheid zich op dit punt steeds meer terugtrekt is de grootste opgave te zoeken naar creatieve en inventieve oplossingen om die doelstellingen toch te realiseren. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is een belangrijke partner in de opstelling en uitvoering van een regionaal waterplan. Rijnland is momenteel bezig met de opstelling van een Watergebiedsplan voor de regio Zuid-Kennemerland. Het plangebied van watergebiedsplan Zuid-Kennemerland beslaat het gebied vanaf de polder Vogelenzang (gemeente Bloemendaal) in het zuiden tot aan het Noordzeekanaal (gemeente Velsen). Aan de westkant wordt het plangebied begrenst door de duinen en aan de oostkant door de Leidsevaart, de Delft en door de N206. Het watergebiedsplan Zuid-Kennemerland is een integraal plan, waarbij maatregelen voor waterkwantiteit en waterkwaliteit worden gecombineerd. Voor de waterkwantiteit wordt gekeken of het gebied voldoet aan de normen voor wateroverlast. Eventuele knelpunten in het watersysteem, de berging, de aan- en afvoer en het peilbeheer worden onderzocht en aangepakt. Waar nodig worden nieuwe peilbesluiten opgesteld. Ten behoeve van de waterkwaliteit wordt in Zuid-Kennemerland onderzocht of aanwezig duinwater langer vastgehouden kan worden.
Op die manier wordt het inlaten van gebiedsvreemd water uit de boezem wellicht overbodig en kan op meer locaties een gebiedseigen waterkwaliteit verkregen worden. In de waterplannen van Bloemendaal en Haarlem is dit zogenaamde ‘duinwateronderzoek’ ook genoemd. In het overleg met Rijnland over de verdere uitwerking van het regionale waterbeleid zullen de opgaven uit het Ontwikkelperspectief worden betrokken.
54 |
1. Deze regeling zorgt voor het opruimen van verouderde bebouwing in het landelijk gebied. Het gaat daarbij om gebouwen die als visueel storend of qua functie niet (meer) passend zijn. Als compensatie mag de grondeigenaar een beperkt aantal woningen bouwen mits dit passend ontworpen wordt en leidt tot een ruimtelijke meerwaarde.
2
Ambities Metropool Regio Amsterdam
De Metropool Regio Amsterdam (MRA) is in 2007 als samenwerkingsverband tussen 36 gemeenten en 2 provincies ontstaan uit het voormalig Noordvleugeloverleg. De bundeling van krachten zorgt voor betere afstemming, snellere besluitvorming en een krachtiger stem richting ‘Den Haag’. Als basis geldt het Ontwikkelingsbeeld 2040. In het Ontwikkelingsbeeld zijn (boven)regionale opgaven benoemd als urgent en belangrijk voor de ruimtelijke hoofdstructuur van de MRA. Voor de Binnenduinrand is het volgende van betekenis: Landschap: in de MRA heeft het landschap een belangrijke functie als eigenstandige kwaliteit en als recreatiegebied voor de stedeling. De omvorming tot ’metropolitane landschappen’ moet worden afgestemd op de ontwikkeling van de verstedelijkte gebieden. De identiteiten van de diverse landschappen zijn daarbij uitgangspunt. In de MRA is het landbouwkundig gebruik een belangrijke economische drager. Het waternetwerk is een belangrijk verbindend element in het landschap. Een gevarieerd landschap maakt de MRA aantrekkelijk en onderscheidend en draagt bij aan de leefbaarheid voor de eigen bevolking en de internationale concurrentiekracht. Het discussiedocument “De Kracht van het Landschap 2013; toekomstbestendig Metropolitaan Landschap in een sterke MRA” (7 februari 2013) vormt een belangrijke richtlijn voor het ontwikkelperspectief voor de Binnenduinrand.
In de inleiding is dit al kort benoemd. De MRA hanteert in het document drie landschapstypen als basis die voortkomen uit het gebruik. Het gaat om kerngebieden, stadsranden en zogeheten landschappelijke ‘hubs’. Met hubs worden logische toegangspoorten tot het landschap bedoeld, waar diverse functies elkaar kunnen versterken. De drie landschapstypen geven een ‘mate van verwevenheid van stad en land’ weer, namelijk van rustig naar druk. Deze indeling zorgt ervoor dat steeds via dezelfde bril wordt gekeken naar (de accommodatie van) ontwikkelingen. Uitgangspunt is het integreren van ‘gebruik’ van gebieden en de ‘bescherming’ ervan, mede door stad en land als één ruimtelijk systeem te (gaan) zien. De drie landschapstypen vormen een hulpmiddel bij het opstellen van een ontwikkelperspectief en uitvoeringsstrategie en geven sturing aan ontwikkelingen in het landelijk gebied. Het hanteren hiervan maakt in een vroeg stadium duidelijk wat wel en niet inpasbaar is, zonder het kenmerkende karakter van het betreffende landschap geweld aan te doen. Ook wordt helder wat de meerwaarde van bepaalde ontwikkelingen kan zijn voor een bepaald gebied. Tenslotte vormen de landschapstypen een hulpmiddel om binnen gebieden een investerings- en ontwikkelkoers uit te zetten. Wonen: Zuid-Kennemerland is gekenmerkt als één van de topwoonmilieus van de MRA.
Binnen de MRA wordt gezocht naar ruimte voor extra woningbouw (zie ook paragraaf 1.2 van het Ontwikkelperspectief). Belangrijk voor de Binnenduinrand is dat vanuit MRA-verband wordt ingezet op duurzaam en compact bouwen om verkwisting van schaarse ruimte te voorkomen. Toerisme/recreatie: voor Zuid-Kennemerland / Binnenduinrand zijn er kansen het bestaande toeristisch product te verbeteren. In dit verband wordt via de Pres MRA en het project “Amsterdam Bezoeken Holland Zien” samengewerkt. Dit project biedt veel mogelijkheden om de MRA internationaal op de kaart te zetten en de internationale verblijfstoeristen in Amsterdam te informeren over de toeristische attracties in de omgeving van Amsterdam. Om de regio’s te onderscheiden is er per regio gekozen voor een toeristisch karakter dat de beleving van die bestemming uitstraalt. Zo wordt het strand van Zandvoort “Bubbling Beach”, het strand van Velsen “Wind Water Beach” en de duinen “Dutch Dunes” genoemd.De focus ligt voor wat betreft ZuidKennemerland op hotels, de rijke cultuurhistorie, het water en de in- en externe verbindingen. Door meer bezoekers te accommoderen en deze langer vast te houden, dan wel herhaalbezoek te stimuleren, liggen er duidelijke kansen in het verbreden van stadstoerisme naar regiotoerisme. Het zakelijk toerisme kan daarbij zorgen voor een betere spreiding door het jaar, zoals het laagseizoen.
Een verbetering van de bereikbaarheid is nodig om de kust toeristisch verder te ontwikkelen en sterker te verbinden aan de stedelijke gebieden. In MRA-verband wordt de kuststrook van Zuid-Kennemerland gemarkeerd als Metropool Aan Zee.
| 55
3
Regionaal beleid Zuid-Kennemerland
De tien gemeenten in de regio’s IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer, aan de westkant van de metropoolregio Amsterdam (MRA) hebben de handen ineen geslagen bij de opstelling van de Visie MRA West (2014). Deze visie beschrijft de positie van de genoemde regio’s binnen de metropoolregio en maakt inzichtelijk welke bijdrage zij individueel leveren aan de internationale concurrentiepositie van de gehele MRA. De gemeenten stellen dat de economische urgentie tot regionale samenwerking in de metropoolregio Amsterdam toeneemt. Daarnaast constateren de gemeenten dat de drie regio’s een grote bijdrage leveren aan de internationale concurrentiepositie van de metropoolregio Amsterdam als geheel. De stad Amsterdam en luchthaven Schiphol vormen daarbij de belangrijkste levensaders en de hele metropoolregio ontwikkelt zich steeds meer tot één woon-, werk- en leefsysteem; een ‘daily urban system’. De gemeenten willen met deze visie de aandacht vestigen op de specifieke bijdragen vanuit de westkant van de MRA en zij stellen een aantal verbeteringen voor om nog beter in MRA verband samen te werken. De MRA West beschikt over alle benodigde woonmilieus om de arbeidsmarkt van de toekomst te kunnen huisvesten.
Het hoogwaardige woonmilieu van Zuid- en Midden Kennemerland, waaronder Haarlem, Bloemendaal en Heemstede, maar ook het groene woonmilieu van Uitgeest en het wonen rond de landgoederenzone, zoals die tot stand is gekomen in de 17e en 18e eeuw en die zich uitstrekt van Heemstede en Bloemendaal tot aan beverwijk en Heemskerk, heeft voor de MRA een specifiek economisch belang. Een goed woonmilieu biedt net als in de Gooi – en Vechtstreek, plaats aan de top van het Nederlandse en internationale bedrijfsleven en een steeds grotere groep expats, hoogopgeleiden, ondernemers en vertegenwoordigers van de creatieve klasse. Haarlem is daarbij een stad met een hoogwaardig, internationaal cultuuraanbod en een historisch gegroeid bestuurscentrum met circa 10.000 banen (o.a. rechtbank, parket en provinciehuis). In combinatie met haar menselijke maat maakt dit Haarlem tot een van de meest aantrekkelijke steden van Nederland (in 2013 gestegen van de zevende naar de vijfde plaats in de Atlas van Nederlandse gemeenten). Met Amsterdam Beach (vijf kustplaatsen) en Haarlem als de beste monumentale en culturele winkelstad van Nederland verleidt de MRA West de toerist die Amsterdam bezoekt, naar de regio te komen (o.a.
3 miljoen bezoekers aan Haarlem, 4 miljoen bezoekers aan Zandvoort, 2 miljoen bezoekers aan IJmuiden, 2 miljoen bezoekers aan de Bazaar van Beverwijk en een groei van 30% van het regionale toerisme in de afgelopen vijf jaar). Citymarketing Haarlem, Zandvoort en Amsterdam hebben elkaar in hun uitingen gevonden en verlossen Amsterdam met hun aanbod deels van een overbezocht centrum. Deze positie van Kennemerland als tweede toeristische trekpleister in de MRA is een extra motivatie om de bereikbaarheid van stad en strand te optimaliseren. De MRA West wil naast het strand met ontwikkeling en beheer van metropolitane landschappen en parken als Binnenduinrand, Spaarnwoude en Park 21 de recreatieve mogelijkheden van tientallen miljoenen bezoekers uit MRA, binnen- en buitenland versterken. Er is daarbij een sterke behoefte om in samenwerking met de andere partners van de MRA regie te voeren op versterking van de groene waarden en ecologische verbindingen, op recreatief medegebruik van het landschap en afspraken te maken over de financiering hiervan. In de Intergemeentelijke Structuurscan Zuid-Kennemerland (IGS, 2012) is een verkenning gemaakt van trends, ontwikkelingen en opgaven op de domeinen landschap, natuur en water, wonen, economie, recreatie en toerisme en bereikbaarheid. In hoofdstuk 4 van het ontwikkelperspectief is een aantal kernkwaliteiten van de Binnenduinrand benoemd.
Voor het ontwikkelperspectief zijn daarnaast de volgende bevindingen uit de IGS van belang:
56 |
•
De stadsranden liggen op unieke landschappelijke en ecologische overgangen (gradiënten); deze kwaliteiten staan onder druk door stedelijke ontwikkelingen. Een sterkere recreatieve structuur kan hier wellicht uitkomst bieden, tezamen met de inpassing van nieuwe stadsrandfuncties en een verbeterde vormgeving. Belangrijk hierbij is het versterken en herstellen van de openheid tussen de woonkernen;
•
Er is meer coördinatie nodig ter bevordering van de groei en aantrekkelijkheid voor toeristische en recreatieve voorzieningen. Voorbeelden zijn een betere benutting van de aanwezige goede congresfaciliteiten, een ruimer horecabeleid en betere afstemming in meer jaarrond voorzieningen voor toerisme. Daarnaast is ideevorming nodig over compensatie van natuurruimte in verband met de omzetting van campings in vakantiehuisjes;
•
Qua bereikbaarheid is doortrekken van een HOV-verbinding vanuit Zandvoort naar Bloemendaal aan zee gewenst door de gemeenten en een afgestemd beeld over de ontbrekende schakels in het regionale fietsnetwerk. Een doorlopend fietspad langs de kust is een grote wens;
•
Door prioriteit bij haar landschappelijke kwaliteit te leggen - dat is immers één van de hoofddragers van haar kwalificatie als hoogwaardig woonmilieu - blijft de bijdrage van ZuidKennemerland aan de woningbouwopgave binnen de MRA relatief bescheiden. Daarbij speelt de invloed van omliggende ontwikkelingen, zoals woningbouw versus uitbreiding contour Schiphol (SMASH);
•
De mix en de kwaliteit van zee, duinen, landgoederen en veenweidegebied bieden rust en stilte. Intensivering van het toeristisch-recreatief medegebruik van deze gebieden kan leiden tot tegengestelde belangen.
De regiogemeenten willen samen de bereikbaarheid van Zuid-Kennemerland verbeteren. Met de regionale bereikbaarheidsvisie “Zuid-Kennemerland bereikbaar door samenwerking” (2011) is inzicht gegeven in de meest knellende bereikbaarheidsopgaven en mogelijke oplossingen hiervoor. Daarbij is een eindbeeld 2030 geschetst van een robuust regionaal netwerk voor OV, fiets en auto. Velsen werkt momenteel samen met Beverwijk en Heemskerk aan een soortgelijke visie voor de IJmond. Op langere termijn is nieuwe infrastructuur nodig, in de vorm van een volwaardige ringenstructuur om Haarlem en om de regio. Daarnaast wordt gewerkt aan de realisatie van R-net (hoogwaardig OV), inclusief het verbeteren van het vervoer per spoor. Het kustverkeer naar Bloemendaal en Zandvoort vormt zeker een knelpunt. Daarom is het doortrekken van de HOV-lijn naar Zandvoort (Zeeweg en boulevard) wenselijk voor de gemeenten. De bereikbaarheid van de duingebieden en de stranden in Velsen vormt zowel voor auto- als busverkeer geen probleem. De busverbinding naar IJmuiden aan Zee zal vanaf 2015 bovendien onderdeel worden van R-net. De stations in Bloemendaal, Overveen en Santpoort zijn genoemd als te verbeteren P&R. Voor de auto wil de regio een rechtstreekse autoverbinding tussen Zeeweg en Westelijke Randweg.
Tot slot zijn investeringen gewenst voor meer verplaatsingen per fiets en een strakke regie op de keuze van vervoer bij evenementen. De regio’s Zuid-Kennemerland en IJmond hebben een aandeel in het realiseren van nieuwbouw van woningen. Dit komt voort uit MRA-afspraken en de ‘Provinciale Woonvisie 2010-2020’. In de twee regio’s samen gaat het in totaal om 7.800 extra woningen. Om deze doelstelling te realiseren maakt de provincie bestuurlijke afspraken met de regio’s in ‘Regionale Actieprogramma’s Wonen’ (RAP’s). Voor de regio’s Zuid-Kennemerland en IJmond zijn de woningbouwafspraken vastgelegd in een RAP voor de periode 2016-2020. Het doel van dit RAP is te komen tot een regionale woningbouwprogrammering, met afstemming tussen vraag en -aanbod. In Zuid-Kennemerland en IJmond is sprake van weinig doorstroming, scheefgroei en weinig bouwruimte. De woningmarkt is hierdoor gespannen voor bijna alle doelgroepen. Om te bevorderen dat een zo groot mogelijk deel van de nieuwe woningen binnen bestaand bebouwd gebied wordt gebouwd, blijven de gemeenten zoeken naar nieuwe mogelijkheden voor binnenstedelijke verdichting (herstructurering). Het Regionaal Economisch Overleg Zuid-Kennemerland (REO) zet onder andere in op groei van toerisme en recreatie in de regio en streeft naar een betere nationale profilering. Met het Actieplan | 57
Toerisme en Recreatie Zuid-Kennemerland (2012) wordt beoogd de regio meer te laten profiteren van de economische effecten van recreatie en toerisme. Uit het plan is een aantal belangen te vertalen voor de Binnenduinrand: •
de mix en de kwaliteit van zee, duinen en landgoederen meer inzetten voor de stijgende behoefte aan rust, stilte en gezondheid;
•
het ‘strandproduct’ van Bloemendaal aan Zee en Zandvoort verbeteren voor bestaande en nieuwe doelgroepen;
•
het aanbod aan historisch erfgoed (waaronder de landgoederen) beter beleefbaar maken en promoten;
•
de bereikbaarheid van de stranden (met name op stranddagen) verbeteren.
Voorts beoogt het actieplan om de regio meer te laten en het recreatieve aanbod aan te passen aan zowel de behoeften van de bewoners van het gebied en de Metropoolregio Amsterdam als van (inter-) nationale toeristen. Beleving (onder andere van het landschap) is hierbij het centrale thema. De hoofdambitie is om het toeristisch product van Zuid-Kennemerland te vergroten door een stijging van het aantal (zakelijke) toeristen en de verblijfsduur, een betere spreiding over het jaar (jaar-rond gebruik) en de verhoging van de bestedingen per dag. Meer ruimte voor hotelkamers en promotionele samenwerking zijn hierbij de belangrijkste instrumenten. Voor de landgoederen in Zuid-Kennemerland is het voorstel om – behalve het terrein van het landgoed – ook meer gebouwen open te stellen. Dit kan bijvoorbeeld door terugkerende culturele evenementen in en rondom de gebouwen. De bestaande (fiets)routes langs de landgoederen dragen bij aan de aandacht voor en de vindbaarheid van dit bijzondere cultuurhistorische erfgoed. Deze routes kunnen meer onder de aandacht gebracht worden van (potentiële) bezoekers. De door de ANWB bewegwijzerde Beeckestijnroute is hier een goed voorbeeld van. De gemeente Velsen heeft haar toeristische beleid vastgelegd in de Economische Agenda 2011-2014.
Speerpunten uit de Economische Agenda: een uitnodigend evenementenbeleid, het verder ontwikkelen van hèt avontuurlijke strand van de MRA en het uitbreiden en verbeteren van recreatieve verbindingen.
4
Beleid omliggende buitenstedelijke gebieden
Voor de Bufferzone Amsterdam-Haarlem is een visie opgesteld (2013) in samenwerking met provincie en de gemeenten Haarlem, Amsterdam, Haarlemmermeer, Haarlemmerliede & Spaarnwoude en Velsen. Doel is het groen- en recreatiegebied open en groen houden en ontwikkelen met meer mogelijkheden voor ontspanning en recreatie. Het plan voorziet in kaders en ideeën om de toenemende vraag naar recreatiemogelijkheden op te vangen (doordat steeds meer mensen in de omgeving komen wonen). Met de visie willen de overheden ook zoeken naar nieuwe financieringsmogelijkheden voor beheer en ontwikkeling van het gebied. Hiervoor wordt een uitvoeringsprogramma geschreven. In en rond het gebied speelt een aantal grote discussies, zoals een mogelijke uitbreiding van de Amsterdamse haven in de Houtrakpolder en een aanpassing van de Schipholcontouren. Hiervoor bestaan aparte besluitvormingstrajecten. De Bufferzone heeft net als de Binnenduinrand een belangrijke functie om (toenemende) recreatiedruk op te vangen (routes, vertier, natuur), elke met hun eigen specialiteiten en mogelijkheden. Het Noordzeekanaal is een zone waar beide gebieden op aanhaken. Tussen de gebieden zijn weinig ‘poorten’, door de sterk scheidende werking van de A9 en stad Haarlem. Voor fiets- en wandelverkeer zijn er enkele onderdoorgangen van de A9, zoals het CRM-tunneltje.
De Verdolven Landen / Slaperdijk en de Verenigde Polders zijn groene oostwest-assen tussen de gebieden. In samenwerking tussen gemeenten, rijk en provincie is een integrale visie voor het Noordzeekanaalgebied opgesteld (Visie NZKG 2040, juli 2013). Het doel is het vastleggen van de toekomstige ontwikkeling van het gebied, vanuit het perspectief van een internationaal 58 |
concurrerende MRA. Uitgangspunt is een duurzame economische groei, waarbij (in de havens) transities mogelijk gemaakt worden in de richting van duurzame energieproductie en energiediensten. Overslag mag stijgen van 100 miljoen tot 125 miljoen ton op bestaand gebied. Daarnaast wordt binnen het Noordzeekanaalgebied ingezet op het toevoegen van meerdere centrumstedelijke woon-werkmilieus, onder andere om de benodigde beroepsbevolking, waaronder (internationale) kenniswerkers te kunnen herbergen en binden aan de regio. Het groengebied krijgt duidelijke entrees en er wordt ingezet op goede recreatieve verbindingen, zodat het groengebied een grotere betekenis krijgt voor bewoners van de regio. Ook de cultuurhistorie van het gebied wordt beter zichtbaar gemaakt door het koppelen van recreatieve ontwikkelingen aan de verschillende cultuurhistorische elementen en aan historische structuren als de IJ-dijken en de Stelling van Amsterdam. In IJmuiden en Velsen wordt hoogwaardig openbaar vervoer toegevoegd door aansluiting op de Zuidtangent. Verder ontstaat langs de oevers van het IJ een snelle en een recreatieve fietsroute. In de IJmond wordt geïnvesteerd in de leefbaarheid en wordt in het kader van de Milieudialoog naar een oplossing gezocht voor onder meer fijn stof en geluid, met behoud of uitbreiding van bedrijvigheid en/of overslag.
Landschappelijk raakt het kanaal de Binnenduinrand bij het strand van IJmuiden en bij de uitlopers van de landgoederen bij Velsen Zuid / Oud-Velsen. Door de inzet op duidelijke entrees naar het groengebied en goede recreatieve verbindingen voor zowel fietsers, wandelaars als over water, krijgt het gebied een grotere betekenis voor de bewoners van de regio en zijn stad en landschap goed met elkaar verbonden. De oevers zijn over het algemeen zoveel mogelijk openbaar toegankelijk. In de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 wordt ten aanzien van landschap, toerisme en recreatie ingezet op de ontwikkeling van de Westflank van Haarlemmermeer als een aantrekkelijk recreatiegebied worden waarin groen en water met elkaar zijn verweven. Met de ontwikkeling van Park21 wordt een groen hart gerealiseerd van internationale allure. Dergelijke voorzieningen zijn bedoeld om voldoende recreatiemogelijkheden in “eigen huis” hebben. Hiermee kan de recreatieve druk op de Binnenduinrand worden verlaagd. De uitgangspunten voor wat betreft de bereikbaarheid sluiten goed aan bij de regionale bereikbaarheidsvisie van Zuid-Kennemerland. Voorbeelden zijn de verbinding N206-A4 (de Duinpolderweg), de intensivering van de HOV / Zuidtangent, een directe verbinding tussen Haarlem en de Zuidas via Schiphol en Badhoevedorp en een ‘Nieuwe weg om de Noord’ met een mogelijke afwaardering van de N201 in Hoofddorp.
Uit de intergemeentelijke structuurvisie Greenport (2009) blijkt met name het belang van de relatie tussen de Bollenstreek en de gemeente Haarlemmermeer. De relatie met Zuid-Kennemerland komt tot uitdrukking op het gebied van cultuur, toerisme en recreatie. De cultuurhistorische en landschappelijke overeenkomsten zijn benoemd, in de vorm van duinen, bollenvelden, lange zichtlijnen, hooggelegen wegen en zandsloten, weteringen en de trekvaart tussen Leiden en Haarlem. Bouwen is niet mogelijk in het buitengebied in verband met de vigerende compensatieregeling van het bollenteeltareaal. Voor het duinlandschap is nadrukkelijk de inzet te werken aan een samenhangend gebied met het duinlandschap van Kennemerland; van Katwijk tot IJmuiden. Het beleid is gericht op het open houden en recreatief medegebruik van het landschap. De Bollenstreek en Zuid-Kennemerland zetten zich in voor een gezamenlijk doel op het gebied van bereikbaarheid, de verbinding N205-N206 (Duinpolderweg).
| 59
5
Beleid stakeholders
De stakeholders in de Binnenduinrand zijn grofweg in drie hoofdgroepen in te delen, te weten: •
De landschapseigenaren en -beheerders (PWN, Waternet, Nationaal Park Zuid-Kennemerland, Landschap Noord-Holland, etc.);
•
De land- en tuinbouwbedrijven;
•
De eigenaren van landgoederen en buitenplaatsen.
Het beleid van de stakeholders in de Binnenduinrand is vrij eenduidig. Het is primair gericht op: •
Het in stand houden van een rendabele bedrijfsvoering;
•
Het in stand houden en ontwikkelen van natuur, landschap en cultuurhistorie;
•
Het stimuleren en verbeteren van de mogelijkheden voor de beleving daarvan, door natuurgerichte recreatie;
•
Het ontwikkelen van een stimulerend pakket van communicatie en educatie;
De belangrijkste opgave waarvoor men zich ziet staan is dan ook om voldoende middelen te genereren om de beleidsuitgangspunten te kunnen uitvoeren. Voor het landschapsbeheer lukt dat doorgaans nog in voldoende mate, maar voor landschapsontwikkeling en instandhouding van de opstallen (het Landhuis of de agrarische bebouwing) wordt er een knelpunt ervaren.
6
Trends en ontwikkelingen
Naast het hiervoor beschreven beleid is tevens een aantal algemene tendensen waar te nemen die voor de opstelling van een ontwikkelperspectief van belang zijn: •
Bij landschapsontwikkeling wordt steeds vaker over de grenzen heen gekeken. De duinen zijn niet alleen het recreatiegebied van de Bloemendaler, maar ook van de Haarlemmer en de Heemstedenaar;
•
Er wordt gezocht naar verbinding van landschappen, waardoor er een landschappelijk netwerk ontstaat dat op zichzelf een meerwaarde oplevert ten opzichte van de landschappen die van dat netwerk deel uitmaken;
•
Het is niet meer vanzelfsprekend dat landschapsbeheer en –ontwikkeling primair een taak is van de overheid. Er wordt steeds meer gezocht naar breed gedragen oplossingen, waarbij de overheid regisseert en de maatschappij initieert. Dat geldt overigens ook voor de financiering (zie ook hoofdstuk 5 van het Ontwikkelperspectief en bijlage 3);
60 |
Bijlage 5. Impressies van de raadsconferenties van 17 april 2013, 22 januari 2014 en 29 november 2016 en 22 januari 2014
| 61
62 |
Impressie van de discussiebijeenkomst van de raadsconferentie Binnenduinrand d.d. 17 april 2013 Locatie: Tata Steelstadion te Velsen-Zuid Deelnemers: ca. 35 raadsleden, statenleden en portefeuillehouders van de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemstede, Velsen, Zandvoort en de provincie Noord-Holland Doel van de bijeenkomst: Een inhoudelijke discussie over de gepresenteerde dilemma’s, waarbij voor elk van de dilemma’s een duidelijke keuze wordt gemaakt en waarbij ook wordt aangegeven welke “tol” men bereid is voor die keuze te betalen. Impressie van de discussie: A. Inleiding van de heer Cassee Tijdens de informatiebijeenkomst van 3 april 2013 is door een aantal aanwezigen de behoefte geuit om verder te discussiëren over de vraag welke ruimte er binnen de regio Zuid-Kennemerland is voor het accommoderen van de opgaven uit de MRA en hoe de democratische legitimering kan worden georganiseerd. Naar aanleiding hiervan heeft de heer Cassee voorafgaand aan de inhoudelijke discussie over de dilemma’s een nadere toelichting gegeven, waarin hij nog eens benadrukte dat de Binnenduinrand een van de metropolitane landschappen in de MRA is en net als de Bufferzone van groot belang voor het landschappelijk karakter van de metropool. In de MRA wordt (overigens net als in Zuid-Kennemerland) de gebiedsontwikkeling integraal aangepakt.
Opgaven als landschap, economie, woningbouw, duurzaamheid en bereikbaarheid worden gewogen in de besluitvorming. Zuid-Kennemerland heeft dit zorgvuldig gedaan met de Intergemeentelijke Structuurscan, maar doet dit ook met de Regionale bereikbaarheidsvisie, het Regionaal Actieprogramma wonen (RAP), de inbreng in het Platform regionale afstemming bedrijfsterreinen en kantoren (Plabeka), en de ontwikkelperspectieven voor de Bufferzone en de Binnenduinrand. In Haarlem wordt gewerkt aan de Structuurvisie Openbare Ruimte (SOR) en ook daar wordt nauwkeurig per wijk bekeken hoe de verschillende opgaven als woningen, fiets, auto, groen zich verhouden tot een specifieke wijk. Het hangt van de identiteit van de wijk, gecombineerd met stedelijke opgaven af welke opgave in welke wijk de prioriteit krijgt. Hetzelfde geldt voor de ontwikkelstrategie voor de Binnenduinrand. Daar wordt onder meer gesproken over de rol die de verschillende ruimtelijke opgaven kunnen gaan spelen in een metropolitaan landschap, maar ook over zaken als organisatie, financiering, participatie, etc. Het is van belang dat daarbij wordt vastgesteld dat de betrokkenheid en het mandaat van alle gemeenteraden de democratische legitimiteit borgt. Bestuurlijke afspraken in Zuid-kennemerland en MRA vinden hierin hun basis.
De vragen uit de zaal hebben vooral betrekking op de aansluiting van dit proces op andere lopende processen, zoals de visie voor het Noordzeekanaalgebied, en op de status van het ontwikkelperspectief binnen de MRA. Het gaat bij deze processen om een optelsom van claims, ofwel een optelsom van kleine delen. Voor een deel zal er daarbij sprake zijn van overlap. De vraag is of dat erg is. In principe is dat niet het geval. De MRA heeft vooralsnog geen geformaliseerde status, maar mede door processen als dat van de Binnenduinrand gaat er steeds meer een vraag naar democratische legitimering ontstaan. En dan is de vervolgvraag hoe je dat democratisch organiseert.De aanwezigen zijn het erover eens dat er in de afwegingen prioriteit moet worden aangebracht, dus eerst bepalen of wij het landschap willen behouden, waar wij het willen versterken en ontwikkelen en vervolgens hoe wij dat gaan financieren, etc.
| 63
Tevens is het van belang dat de verschillende visies (Binnenduinrand, Bufferzone, Noordzeekanaalgebied) worden gekoppeld en vervat in een integrale visie op MRA-niveau. Dat vraagt om een integrale agenda, hetgeen momenteel ook wordt voorbereid. Er is in elk geval voldoende aanleiding om deze discussie op een later tijdstip voort te zetten. B. Bespreking van de dilemma’s Aansluitend op de inleiding is in een vijftal groepen gediscussieerd over de ten opzichte van 3 april aangevulde dilemma’s. Hieronder is per thema het resultaat va de discussie en de visie op de bijbehorende dilemma’s aangegeven. 1:
Is er ruimte voor meer intensieve (en economische aantrekkelijkere) recreatievormen in het duin- en kustgebied?
80% van de Binnenduinrand is nationaal park en staat onder het regime van Natura 2000 en het beleid van enkele grote beheersorganisaties. Daarmee is dit gebied wezenlijk anders dan bijvoorbeeld de Bufferzone, waar het doel is recreatie te intensiveren zonder aantasting van de natuurwaarden. De Binnenduinrand heeft ook belangrijke cultuurhistorische waarden. De groep vindt dat aan de natuurwaarden groot belang moet worden toegekend, maar dat intensivering van recreatie en toerismemogelijkheden biedt om middelen voor beheer en onderhoud te genereren, goed is voor de gezondheid en welzijn en van belang is voor de werkgelegenheid. Zo zou een toekomstige afname van staalproductie voor een deel moeten worden gecompenseerd door inkomsten uit toerisme en recreatie. Mogelijkheden voor versterking en intensivering moet vooral gezocht worden in bestaande recreatielocaties. Belangrijk is de zonering intensief-extensief en de identiteit van de kustplaatsen. Bij ruimte voor intensivering moet vooral worden gedacht aan het natuurgebied rond de boulevard tussen Bloemendaal aan Zee en het circuit in Zandvoort. Als voorbeelden worden genoemd meer jaarrond-horeca, overnachtingen op het strand mogelijk maken, meer strandtenten. Ook de recreatiemogelijk-heden in dit deel van de duinen kunnen geïntensiveerd worden.
Voor bepaalde strandrecreatie is de auto belangrijk (vliegers, strandzeilen, gezinsrecreatie) in IJmuiden. De mogelijkheden zijn ook in de kuststrook beperkt vanwege natuurregelgeving. In en aan de randen van de natuurgebieden zou gekeken moeten worden naar mogelijkheden voor extensieve kleine activiteiten (mobiele kiosken, trekkershutten, natuurcamping, fietsen en wandelen). Overigens ziet de groep dat de ruimte voor intensivering van recreatie en toerisme in dit gebied beperkt is en dat dit vooral in Spaarnwoude geconcentreerd moet blijven. De groep ziet een goede bereikbaarheid als een belangrijke randvoorwaarde. Daarvoor zal een aantal knelpunten moeten worden opgelost, zoals bijvoorbeeld het doortrekken van de OV-verbindingen van Zandvoort naar Bloemendaal aan zee en het oplossen van knelpunten en manco’s in het recreatieve fietspadennetwerk. Het geplande fietspad van Haarlemmermeer naar Zandvoort is hier een goed voorbeeld van. Verder wordt ontsluiting van de Waterleidingduinen voor recreatief fietsverkeer, mits goed ingepast ten opzichte van de wandelaars en natuur, als meerwaarde gezien. Dilemma: Geven we ruimte aan de versterking van de recreatieve functies in het gebied of ligt de nadruk op natuur? Resultaat van de discussie: De (natuur)landschappelijke waarde staat voorop, de mensen zijn te gast.
Met name het gebied rond het circuit van Zandvoort en de strook langs de boulevard naar Bloemendaal aan Zee lenen zich voor intensivering. De bereikbaarheid ten behoeve van natuurrecreatie kan nog worden verbeterd. Voor de benodigde financiering zou naast intensivering van de bestaande recreatie ook moeten worden gekeken naar andere mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld overheveling van opbrengsten vanuit het Recreatieschap Spaarnwoude (voor zover dit mogelijk is). 64 |
2:
Wat is de rol van de land- en tuinbouw bij het behouden van de landschappelijke kwaliteiten voor de toekomst?
De groep constateert dat verrommeling van land- en tuinbouwgebieden sluipend optreedt. De aanwezige agrariër redt het niet, zorgt voor neveninkomsten als plantenkweker, bouwt vervolgens een kas, in de kas worden later caravans gestald en tenslotte wordt de kas uitgebouwd tot tennishal. Een passieve houding van de overheid is geen optie. Het is in elk geval van belang om het bestemmingsplan in te zetten als instrument om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan, bijvoorbeeld door het omzetten van een agrarische bestemming in een recreatieve. Bestemmingsplannen zijn overigens doorgaans op orde, maar het schort aan de handhaving. De ruimtelijke “tol” voor schaalvergroting wordt als hoog ervaren. Eerst is er een stal nodig voor minimaal 200 koeien met bijbehorende silo’s, maar de ruimtevraag wordt steeds groter, wil de boer kunnen blijven concurreren. Agrariërs “sterven” vanzelf uit in dit gebied door verhuizing naar gebieden met meer mogelijkheden of bedrijfsbeëindigingen vanwege het ontbreken van een opvolger. De vraag is wat er dan moet gebeuren. De groep ziet de agrarische sector dan ook niet als enige gegadigde voor het open houden van kwetsbare gebieden. Initiatieven als stadslandbouw, stadsparken of natuurontwikkeling en -beheer bieden kansen, maar dan wel open en grondgebonden.
De (kleinschalige) land- en tuinbouw (de bollenvelden horen bij dit gebied) bepalen echter wel de karakteristiek. Die moet je koesteren. Men is het er over eens dat er op dit aspect hoe dan ook geld bij moet. Dat geldt voor landbouw, natuurbeheer of particuliere initiatieven. Verder is de groep van mening dat de sector betrokken moet zijn bij deze discussie om aan te geven welke mogelijkheden zij zien en moet ook buiten de gebaande paden worden verkend. Dilemma 1: Behouden wij het “open landschap” door een gezonde agrarische bedrijfsvoering te faciliteren of waarderen wij de rol van de land- en tuinbouw af van agrarische bedrijfsvoering tot landschapsbeheer. Resultaat van de discussie: De landschappelijke kenmerken van de overgangszone tussen de duinen en de stad hebben geleid tot dit type activiteiten en op grond deze cultuurhistorische achtergrond moet getracht worden de activiteiten zoveel mogelijk in de huidige vorm te behouden. Het bestemmingsplan kan voor dit doel nog beter worden benut. Schaalvergroting is vaak niet mogelijk of wenselijk, maar in kleine/beperkte zones kan wellicht enige bebouwing worden toegestaan. Dit kan alleen als de openheid niet wordt aangetast. Kansen worden niet gezien in de uitbouw van nevenactiviteiten in de landbouw, maar wel in de stadslandbouw of in natuur- en landschapsbeheer.
Dilemma 2: Is er bij een eventuele afwaardering van de land- en tuinbouw wel of geen ruimte voor maatschappelijke of particuliere initiatieven. Resultaat van de discussie: Als een gezonde bedrijfsvoering niet meer haalbaar is, dan moet naar alternatieven worden gezocht. Initiatieven in deze richting moeten dan ook gestimuleerd worden. Initiatieven als stadslandbouw, stadsparken of natuurontwikkeling en -beheer bieden kansen, maar dan wel met een open karakter en grondgebonden. Er zijn goede voorbeelden van rendabele stadslandbouw met directe relaties naar bv nabijgelegen restaurants of winkels. | 65
3:
Hoe ver gaan wij als overheid om de openheid en de kwaliteit van kwetsbare gebieden te vergroten?
De groep geeft aan dat voor het borgen van de openheid en kwaliteit een actief beleid nodig is. Als je niets doet, dan zal er verrommeling plaatsvinden. Voorbeeld hiervan is het Manpadslaangebied. De kwaliteit van dit gebied gaat door de verrommeling achteruit, waardoor de stap naar ontwikkeling van het gebied kleiner zal worden. Met een actief beleid kan hierop beter worden gestuurd. Daarvoor is wel een financiële reservering nodig. De groep vraagt zich wel af of het toestaan van ontwikkelingen om het gebied te behouden, bijvoorbeeld in de vorm van bebouwing of openbaar toegankelijk park, de juiste weg is. Het toestaan van bebouwing zal leiden tot nog meer bebouwing. Als de eerste ontwikkeling eenmaal in gang is gezet, dan is de stap naar volgende ontwikkelingen snel gezet. Als alternatieve mogelijkheden worden genoemd beheer van de betreffende gronden door samenwerkingsverbanden met particulieren of vrijwilligersorganisaties. De groep is het er tevens over eens dat de overheid grond zou kunnen aankopen in kwetsbare gebieden om de openheid te borgen. Die gronden zouden dan beheerd kunnen worden door natuurorganisaties of private partijen. Dilemma 1: Passieve versus actieve sturing van de overheid: Moet alleen worden gestuurd via het planologisch regime of is een actieve sturing (beperking, verplaatsing c.q. onteigening van functies t.b.v. landschapsontwikkeling) ook denkbaar.
Resultaat van de discussie: Een actieve rol van de overheid is nodig om het behoud te regelen en om de kwaliteit van de betreffende gebieden te behouden. Ook het beheer wordt hierdoor indirect geborgd. Voor actieve sturing moeten echter wel de benodigde middelen worden gereserveerd. Dilemma 2: Alleen of samen?: Is het borgen van de openheid en de kwaliteit van de kwetsbare gebieden primair een overheidstaak of is er een rol voor private partijen? Resultaat van de discussie: Private partijen kunnen met name een rol vervullen bij het beheer van het landschap. Het in bezit geven aan particulieren is in beginsel niet wenselijk, aangezien dat doorgaans gepaard gaat met een extra behoefte aan bebouwing. Dilemma 3: Moet een landgoedbeheerder ruimte krijgen om zijn landgoed toekomstbestendig te maken door bijvoorbeeld toevoeging van enige bebouwing of een verruiming van het gebruik van opstallen of is de kwaliteit van een landgoed alleen gebaat bij conservering van de bestaande situatie. Resultaat van de discussie: Ook hier geldt: Wel in beheer geven, maar niet in bezit vanwege de behoefte aan meer bebouwing.
66 |
4:
Biedt het landschap ruimte voor het accommoderen van de (MRA-)opgaven op het gebied van woningbouw, economie en duurzaamheid?
De groep is het er unaniem over eens dat de invulling van de opgaven primair binnen het bestaand bebouwd gebied moet worden opgelost. Daarvoor moeten creatieve oplossingen worden gezocht, want schaarste maakt bijvoorbeeld de bereikbaarheid van woningen moeilijker. Dit betekent ook dat er toekomstgericht en voor de juiste mensen moet worden gebouwd. Dan krijg je automatisch de gewenste invulling van de opgave. Ander voorbeelden van creatieve oplossingen zijn het toepassen van functiewijziging en bouwen in de hoogte. Essentiële randvoorwaarde voor ontwikkelingen is overigens de realisatie van de bijbehorende infrastructuur, zodat de bereikbaarheid is gewaarborgd. Hetzelfde geldt voor de instandhouding van de kwaliteit van het binnenstedelijke groen. Dilemma: Zoeken wij de oplossing voor de ruimtelijke opgaven uitsluitend binnen bestaand bebouwd gebied of is er -onder strikte voorwaarden- eveneens ruimte in het buitengebied? Resultaat van de discussie: Er wordt nu al volop gebouwd naar vermogen. Dit beperkt zich in alle gemeenten tot bouwen binnen bestaand bebouwd gebied. Van belang is dat creatief wordt gebouwd (toekomstgericht en voor de juiste mensen). Essentiële randvoorwaarden zijn realisatie van de bijbehorende infrastructuur en de borging van de kwaliteit van het binnenstedelijke groen. 5:
Wordt het belang van een regionale aanpak van het behoud van de landschappelijke
kwaliteit onderschreven? Er bestaat binnen de groep geen discussie over het belang van de Binnenduinrand als natuurgebied. De nadruk ligt dan ook primair op beheer en niet op ontwikkeling. Ook vanuit economisch perspectief is een kwalitatief hoogwaardig woon- en leefmilieu van groot belang. Op MRA-niveau bezien moet intensieve recreatie vooral worden geaccommodeerd in het recreatiegebied Spaarnwoude en moet in de Binnenduinrand de aandacht meer worden gericht op natuurrecreatie. De groep is het erover eens dat de Binnenduinrand met al haar kwaliteit een belang dient in de MRA en dat die kwaliteit meteen ook beperkingen met zich meebrengt. De compensatie van die beperkingen moet gevonden worden binnen de MRA. Ook is helder dat de regiogemeenten een gezamenlijke verantwoordelijkheid in deze hebben. De vraag is vooral wie er op MRA-niveau het voortouw zou moeten nemen. De groep is van mening dat dat de provincie Noord-Holland zou moeten zijn. Voor wat betreft de financiering wordt geconstateerd dat het Rijk met het dichtdraaien van de geldkraan de betrokken partijen in een lastig parket brengt. Die financiële last moet uiteraard ook worden gedeeld. Gepleit wordt voor een bottom-upbenadering van geldstromen. Vervolgens moet de financiële last worden gedeeld door de provincie en de regio. Geld en invloed gaan vervolgens hand in hand met elkaar (meebetalen is meebepalen).
Dat uitgangspunt geldt ook in geval van een eventuele schaalvergroting van het beheer. Hiertegen bestaat bij de groep geen principieel bezwaar, mits de kwaliteit van het landschap voorop staat en die organisatie tenminste de eigen broek kan ophouden. Dilemma 1: In hoeverre is het toekomstbestendig maken van het landschap in de Binnenduinrand en de financiering daarvan in de Binnenduinrand een gedeelde verantwoordelijkheid? | 67
Resultaat van de discussie: De regio realiseert zich dat zij een aandeel in de financiering heeft, wat ook betekent dat zij aandeel in de beleidsbepaling op MRA-niveau moet hebben. Omgekeerd dient de gemeente Amsterdam zich als grondeigenaar (Amsterdamse waterleidingduinen/Haven) te realiseren dat zij eveneens een aandeel in de financiering heeft. Dilemma 2: Draagt schaalvergroting van het landschapsbeheer (1 beheerder voor het hele gebied in plaats van eerdere beheerders, zoals in de huidige situatie) wel of niet bij aan de kwaliteit van het landschap? Resultaat van de discussie: Als je als overheid één beheerder aanstelt, zoals bijv. het recreatieschap, dan moet je die organisatie mede verantwoordelijk maken voor een rendabele exploitatie. Overheden hebben hierin echter ook een rol en houden zo ook voldoende zeggenschap. C.
Resumé door de heer Van Doorn
De heer Van Doorn concludeert naar aanleiding van de plenaire terugkoppeling van resultaten dat de belangrijkste winst van de avond is dat de aanwezigen dezelfde kijk hebben op de Binnenduinrand. Als de trend van een zich terugtrekkend Rijk op gebied van financiën doorzet, dan is het ook van belang dat door de regio over gezamenlijk financiering wordt nagedacht. De regio is het op de inhoud over veel eens, maar het bijbehorende prijskaartje gaat een dilemma opleveren. Na de zomervakantie vindt over het ontwerp-ontwikkelperspectief de discussie plaats in het portefeuillehoudersoverleg. Daarna zal het ontwerp aan de raden worden voorgelegd met de vraag of de vandaag uitgesproken visie goed is vertaald naar het ontwikkelperspectief en of het ontwerp de inspraak in kan. Pas na de inspraak zal het ontwikkelperspectief voor definitieve besluitvorming aan de raden worden voorgelegd. Dit levert concreet de volgende planning op: Opstellen concept-ontwikkelperspectief t/m nov 2013 Bespreken ontwikkelperspectief en voorbereiden raadsbijeenkomst
december 2013
in het portefeuillehoudersoverleg Binnenduinrand Raadsbijeenkomst over het concept-ontwikkelperspectief
december 2013
Verwerken resultaat raadsbijeenkomst februari 2014 Bespreken definitief ontwerp-ontwikkelperspectief in het
februari 2014
portefeuillehoudersoverleg Binnenduinrand Besluitvorming over terinzagelegging
maart 2014
ontwerp-ontwikkelperspectief in de colleges van B&W Inspraak op het ontwerp-ontwikkelperspectief
2e kwartaal 2014
Verwerking inspraakreacties en voorbereiding definitieve besluitvorming
3e kwartaal 2014
Besluitvorming over definitief ontwikkelperspectief in de B&W-colleges
4e kwartaal 2014
Besluitvorming over definitief ontwikkelperspectief in de gemeenteraden
4e kwartaal
2014 De heer Van Doorn dankt tot slot de gespreksleider, Hans Luiten, voor zijn bijdrage en de aanwezige raads- en statenleden voor hun bijdrage. 68 |
Impressie regionale raads- en statenleden conferentie Zuid-Kennemerland over de visie MRA West en het ontwikkelperspectief voor de Binnenduinrand d.d. 22 januari 2014 De dagvoorzitter, de heer Van de Stadt, wethouder RO van gemeente Heemstede) en voorzitter van het Portefeuillehouderoverleg Ruimtelijke Ordening Zuid-Kennemerland, opent de bijeenkomst en heet de raadsleden en portefeuillehouders van de gemeenten uit de regio’s IJmond en ZuidKennemerland, de gemeente Haarlemmermeer en de statenleden van de Provincie Noord-Holland, welkom in het raadhuis van Heemstede. Vervolgens geeft de heer Luiten, voormalig wethouder van de gemeente Zaanstad en gesprekleider van de avond, een toelichting op het programma. In het eerste deel van de avond wordt de visie MRA West besproken en in het tweede deel het ontwikkelperspectief voor de Binnenduinrand. De visie MRA West wordt door de heer Schneiders, burgemeester van de Gemeente Haarlem, gepresenteerd als een gezamenlijke focus van de 10 MRA West gemeenten in de regio’s IJmond, ZuidKennemerland en Haarlemmermeer op de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en Amsterdam in het bijzonder. Met elkaar zijn de gevarieerde kwaliteiten van de westkant van de MRA in beeld gebracht en geven onze regio’s een helder visitekaartje af.
De visie MRA West schetst de inhoudelijk bijdrage die de MRA West kan leveren aan de internationale concurrentiepositie van o.a. de MRA, van Tata complex tot Schiphol, van hoogwaardige woonmilieus tot bestuurscentrum, van kust en Binnenduinrand tot groene Bufferzone. Met een gezamenlijke visie positioneert de MRA West zich sterker in het totale daily urban system van de MRA ten opzichte van de andere windstreken, waar in het verleden de aandacht wat meer naar uit ging door de grote bouwopgaven in de uitleggebieden. Met deze visie komen juist onze veelzijdige regio’s wat meer in beeld. Hoofdlijnen discussie In de discussie is er sprake van grotere schaalniveaus zoals Randstad of Benelux, maar lijkt de keuze voor het daily urban system van de MRA op dit moment het meest concrete. Aan een groot aantal opgaven wordt al samengewerkt in de MRA met Amsterdam (zoals m.b.t. toerisme en metropolitane landschap), maar een aantal andere opgaven vragen om concretisering en/of bestuurlijke versnelling. In het algemeen wordt de visie MRA West omarmd als een helder document en een goede tussenstap voor de verdere metropolitane samenwerking. Het zet onze regio op een goede manier in de etalage, is geen opmaat voor herindelingen en gaat uit van een bottom-up werkwijze die past bij het MRA netwerk.
De brochure zal worden verspreid onder de gemeenteraden en op 19 februari 2014 worden aangeboden aan burgemeester Van der Laan. De bijgevoegde strategische agenda zal in de komende bestuursperiode in de portefeuillehouderoverleggen nadere invulling of uitwerking nodig hebben. Van theorie naar praktijk, van hoofdlijnen naar activiteiten en resultaten. De visie kan tevens benut worden in de op te stellen coalitieprogramma’s om de nodige bestuurlijke versnelling te bewerkstelligen.
Ontwikkelperspectief Binnenduinrand De heer Mulder, wethouder Landschap van de gemeente Haarlem, samen met de heer Bond, gedeputeerde Landelijk Gebied van de provincie Noord-Holland, trekker van het proces, leidt kort dit deel van de avond in. Het doel van de bespreking van het ontwikkelperspectief voor de Binnenduinrand is om de vraag naar de bestuurlijke ambities te beantwoorden: worden de beoogde ambities worden gedeeld, zijn er ambities over het hoofd zijn gezien, of moeten ze op onderdelen worden bijgesteld? Tijdens de raadsconferentie van 17 april 2013 zijn een aantal dilemma’s besproken. De uitkomsten van deze discussie zijn meegenomen in de uitwerking van het ontwikkelperspectief en de geformuleerde ambities. De heer Dekker, landschapsarchitect van de gemeente Haarlem, gaat kort in op de inhoud van het | 69
ontwikkelperspectief. In het ontwikkelperspectief worden per thema de ambities voor het behoud en ontwikkeling van de landschappelijke kwaliteit van de Binnenduinrand verwoord. Er moeten heldere keuzes moeten worden gemaakt: Welk ambitieniveau is nodig en gewenst? “Wat is het landschap ons waard?”. Wordt het alleen afstoffen en oppoetsen of is een vernieuwing van het landschapsbeleid nodig als antwoord op de uitdagingen? En wat betekent een lage ambitie of een hoge ambitie voor het behoud van de historisch gegroeide kwaliteit? Voor de borging van de landschappelijke kwaliteit is het formuleren van ambities alleen niet toereikend. Het vraagt tevens om een aantal ordeningsprincipes (ontwikkelprincipes), die bij beoogde ruimtelijke ontwikkelingen leidend zouden moeten zijn. In het ontwikkelperspectief zullen deze ontwikkelprincipes dan ook naast de ambities worden opgenomen. Voor een viertal thema’s uit het ontwikkelperspectief is een concrete casus uitgewerkt, te weten de verbindingszone Manpadslaangebied, de duinen als een Nationaal Park, buitenplaats Elswout en ov-knooppunt Santpoort-Noord. In vier werkgroepen is aan de hand van deze voorbeelden verkend of men de belangrijkste knelpunten van de huidige situatie herkend, of de beoogde ambities worden gedeeld, of er ambities over het hoofd zijn gezien of dat deze op onderdelen moeten worden bijgesteld.