CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting concept verordening jeugdhulp gemeente Zandvoort

Raadscommissie 14 mei 2024, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Concept verordening Jeugdhulp gemeente Zandvoort 202410.945 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Concept verordening jeugdhulp gemeente Zandvoort

Versie 26 januari 2024

1

Inhoudsopgave Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet ........................................................................ 4 Jeugdhulpstelsel ...................................................................................................................................... 4 Afbakening verordening ...................................................................................................................... 6 Artikelsgewijze toelichting ....................................................................................................................... 7 Artikel 1.1 Begripsbepalingen.............................................................................................................. 7 Hoofdstuk 2 Jeugdhulp ............................................................................................................................ 9 Artikel 2.1 Vormen van jeugdhulp ....................................................................................................... 9 Artikel 2.2 Dyslexiezorg........................................................................................................................ 9 Artikel 2.3 Vervoer .............................................................................................................................

10 Hoofdstuk 3 Toegang tot jeugdhulp ...................................................................................................... 11 Paragraaf 3.1 Toegang via het college ............................................................................................... 11 Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het college ................................................................................... 11 Artikel 3.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren .............................. 12 Artikel 3.3 Identificatie ...................................................................................................................... 13 Artikel 3.4 Voorwaarden individuele voorziening ............................................................................. 13 Artikel 3.5 Inhoud beschikking .......................................................................................................... 14 Paragraaf 3.2 Toegang tot jeugdhulp niet via het college ................................................................. 14 Artikel 3.6 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts ............................... 14 Artikel 3.7 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter .............................

15 Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen ........................................................................... 16 Artikel 4.1 Afstemming gezondheidszorg .......................................................................................... 16 Artikel 4.2 Afstemming langdurige zorg ............................................................................................ 16 Artikel 4.3 Afstemming voorschoolse voorzieningen en het onderwijs ............................................ 16 Artikel 4.4 Afstemming maatschappelijke ondersteuning................................................................. 16 Artikel 4.5 Afstemming werk en inkomen ......................................................................................... 17 Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget ............................................................................................... 18 Artikel 5.1 Persoonsgebonden budget. ............................................................................................. 18 Artikel 5.2 Onderscheid formele hulp en informele hulp .................................................................. 20 Artikel 5.3 Hoogte van een Pgb-tarief ...............................................................................................

21 Hoofdstuk 6 Herzien, intrekken, terugvorderen en opschorten ........................................................... 23 Artikel 6.1 Informatieplicht................................................................................................................ 23 Artikel 6.2 Herziening of intrekking ................................................................................................... 23 Artikel 6.3 Terugvordering Pgb bij de Pgb-aanbieder ........................................................................ 23 Artikel 6.4 Opschorting betaling uit het Pgb ..................................................................................... 23 Artikel 6.5 Wangedrag ....................................................................................................................... 24

2

Hoofdstuk 7 Controle en toezicht .......................................................................................................... 25 Artikel 7.1 Controle............................................................................................................................ 25 Artikel 7.2 Toezichthouders ............................................................................................................... 25 Artikel 7.3 Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik ........... 25 Artikel 7.4 Fraudepreventie ............................................................................................................... 25 Hoofdstuk 8 Overige bepalingen ........................................................................................................... 26 Artikel 8.1. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders .............................. 26 Artikel 8.2 Vertrouwenspersoon........................................................................................................ 26 Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap ........................................................................................ 26 Artikel 8.4 Klachtregeling...................................................................................................................

26 Artikel 8.5 Nadere regels ................................................................................................................... 27 Artikel 8.6 Hardheidsclausule ............................................................................................................ 27 Hoofdstuk 9 Slotbepalingen .................................................................................................................. 28 Artikel 9.1 Intrekking oude verordening en overgangsbepalingen ................................................... 28 Artikel 9.2 Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................................ 28

3

Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de gemeente naast het preventieve jeugdbeleid ook verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Op grond van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen. De verordening regelt de rechten en plichten die jeugdigen en ouders hebben op grond van de Jeugdwet. Met andere woorden: in de verordening staat wat ouders en jeugdigen van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van hen verwacht. De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet: “De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d.

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.” Daarnaast is de gemeente ook verplicht door middel van een verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie, dit staat beschreven in artikel 2.10 van de Jeugdwet. Ook is de verordening bedoeld als waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp die de gemeente inkoopt, dit staat beschreven in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Tot slot kunnen in de verordening voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor informele zorg worden opgenomen. Dit staat in artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet. In deze verordening zijn deze voorwaarden opgenomen in artikel 5.1 De gemeenteraad kan een aantal punten in het college in nadere regels laten uitwerken. Hierbij is zij gehouden om de wezenlijke en belangrijkste dingen in de verordening op te nemen. In de nadere regels worden alleen onderwerpen uitgewerkt waarvoor in de wet of verordening de grondslag is opgenomen.

Jeugdhulpstelsel De 7 gemeenten in de regio’s Zuid Kennemerland en IJmond hebben de jeugdhulp met elkaar vormgegeven en ingekocht. Centraal in de regionale werkwijze staat het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Het CJG neemt namens het college besluiten over de inzet van jeugdhulp en biedt zelf ook ondersteuning. Waar nodig betrekt het CJG expertise van een specialistische jeugdhulp aanbieder. Met ingang van 2023 is het jeugdhulpstelsel op een andere manier vormgegeven. De basis hiervoor is een taakgerichte financiering waarbij in de regio’s Zuid-Kennemerland en IJmond vier consortia zijn gecontracteerd. De consortia zijn verantwoordelijk om binnen hun budget de door het CJG en andere op grond van de Jeugdwet benoemde verwijzers verwezen jeugdigen en ouders van passende hulp te

4

voorzien. De verordening sluit aan op de gemaakt beleidskeuzes. De doelen van de inkoop gelden daarom ook voor de verordening: 1. Ouders en Jeugdigen kunnen, met steun van hun omgeving, omgaan met de gewone hobbels in het opvoeden en opgroeien. 2. Kinderen en jongeren krijgen tijdig de best passende hulp; zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig (matched care). 3. Kinderen en jongeren groeien zo thuis mogelijk op. 4. Kinderen en jongeren groeien veilig op. 5. Jeugdhulp en onderwijs zetten zich in samenhang in voor de ontwikkeling van Jeugdigen. Er is een gezamenlijke regionale visie op hoe jeugdhulp wordt ingezet en wat van de partijen wordt verwacht. Deze visie ligt ten grondslag aan deze verordening en sluit aan op de Jeugdwet en de daarin onderliggende uitgangspunten van zelfredzaamheid, het kritisch kijken wanneer een individuele voorziening nodig is en ruimte voor professionals om hun expertise in te zetten. Deze visie op jeugdhulp van de gemeenten, consortia en CJG is als volgt te beschrijven: Visie op Jeugdhulp in de regio’s Zuid-Kennemerland en IJmond Wat verwachten wij van ouders, opvoeders en het gezin? - Dat ouders en opvoeders hun wettelijke verantwoordelijkheid nemen voor het veilig en gezond opgroeien en opvoeden van hun kinderen. - Dat zij eerst zelf initiatief en actie ondernemen en hun netwerk inzetten, voordat hulp van de gemeente wordt gevraagd.

- Dat zij accepteren dat opvoeden altijd gepaard gaat met hobbels. - Dat zij meewerken aan het oplossen van de problematiek in het gezin. - Dat de mogelijkheden uit het voorveld benut worden voordat hulpverlening opgestart wordt. Wat verwachten wij van de verwijzers? - Dat het CJG en de andere verwijzers onderzoeken wat ouders en hun netwerk zelf kunnen dragen. - Dat met behulp van CJG of andere verwijzers ingeschat wordt of er direct hulp nodig is. - Dat wachttijd een mogelijkheid is voordat niet vrij-toegankelijke jeugdhulp wordt ingezet. - Dat verwijzers een inschatting maken van de zorgen en krachten en tijdig expertise vanuit het eigen netwerk, sociale basis of specialistische jeugdhulp betrekken. Wat verwachten wij van het voorveld? - Dat er een dekkend aanbod is van vrij toegankelijke voorzieningen. Wat verwachten we van aanbieders? - Dat effectieve jeugdhulp wordt ingezet met concrete doelen en afspraken over evaluatiemomenten. - Dat samen met cliënt, gezin/netwerk en verwijzer de doelen worden opgesteld. - Dat afbouw van de hulpverlening zo snel mogelijk zal plaatsvinden wanneer de doelen voldoende gerealiseerd zijn en/of afspraken over terugval zijn gemaakt. - Uitgangspunt is gelijke behandeling. Als de veiligheid van de jeugdige in het gedrang is, kan de aanbieder een uitzondering maken. - Dat de cliënt handvatten heeft om voldoende zelfstandig te kunnen leven.

- De hulp zal zo snel als mogelijk worden aangeboden door een gecontracteerde aanbieder.

5

Wat mogen inwoners verwachten we van de gemeente? - Dat deze de kaders stelt en hierover communiceert met alle betrokkenen, zoals ouders, opvoeders, aanbieders, verwijzers en de overige betrokkenen. - Dat deze het voorveld, de verwijzers en gecontracteerde aanbieders faciliteert in het kunnen leveren van de benodigde zorg. - Dat de ingekochte jeugdhulp dekkend is. - Dat de gemeente en de jeugdhulppartners gezamenlijk staan voor de moeilijke keuzes.

Afbakening verordening De basis voor welke verantwoordelijkheid de gemeente heeft bij het bieden van jeugdhulp staat in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Hier staat: indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Het woonplaatsbeginsel is van toepassing op de reikwijdte van deze verordening. Alleen jeugdigen die op basis van het woonplaatsbeginsel, zoals genoemd in artikel 1.1 van de Jeugdwet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen kunnen aanspraak doen op een jeugdhulpvoorziening bij de gemeente.

In deze verordening en de daaraan verbonden nadere regels zijn de verbindende voorschriften opgenomen hoe het college invulling en uitwerking geeft aan het bepalen wanneer er jeugdhulp wordt ingezet. In de beleidsregels is opgenomen welke afwegingen worden gemaakt bij de inzet van jeugdhulp. Deze gemeentelijke verordening gaat alleen over de algemene voorzieningen en individuele jeugdhulpvoorzieningen. Het jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsaanbod zijn volgens de Jeugdwet geen jeugdhulpvoorzieningen en zijn daarom niet geregeld in deze verordening. Hetzelfde geldt voor de toegang door de gecertificeerde instellingen richting de specialistische jeugdhulp. Op grond van de Jeugdwet (dit staat in artikel 3.5 van de wet) hebben de gecertificeerde instellingen hierin een eigen bevoegdheid, waarbij zij wel verplicht zijn om hierover te overleggen met het college. In deze verordening zijn ook tal van andere zaken niet geregeld omdat zij al in de Jeugdwet of andere (landelijke) wet- en regelgeving geregeld zijn. Denk aan zaken als de kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, het werk van de vertrouwenspersonen in het jeugdstelsel en privacyregels rond het delen van informatie en het instemmen met hulp. Deze zijn vanzelfsprekend wel van toepassing op de werkzaamheden en in de dagelijkse praktijk.

6

Artikelsgewijze toelichting In de artikelsgewijze toelichting zijn de bepalingen één voor één toegelicht. Als teksten ook in de Jeugdwet zijn opgenomen, dan wordt er naar die wet verwezen. Ook de Algemene wet bestuursrecht (afgekort: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (dit staat in artikel 1:3, derde lid van de Awb) en ‘beschikking’(dit staat in artikel1:2 van de Awb). Deze begrippen spreken voor zich en anders is in de Awb na te gaan wat deze precies inhouden.

Artikel 1.1 Begripsbepalingen Hier zijn de begrippen gedefinieerd die belangrijk zijn om de verordening te begrijpen. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook van toepassing zijn voor deze verordening. Een aantal definities staat ook in de Jeugdwet, maar is voor de duidelijkheid ook in deze verordening opgenomen. De meeste van de wettelijke definities zijn niet nogmaals opgenomen in de verordening. In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen onderscheiden: • • •

overige voorzieningen individuele voorzieningen andere voorzieningen

Individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn centrale begrippen. Omdat de wet hiervoor ruimte biedt, zijn zij in deze verordening nader gedefinieerd. In artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet staat dat het college de regels over het verlenen van deze voorzieningen opneemt in de verordening. De definitie van ‘andere voorziening’ gaat over de voorziening zoals bedoeld in artikel 2.9, onder b, van de wet. Dit zijn voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Voor de definitie van het Persoonsgebonden Budget is de afkorting ‘Pgb’ opgenomen omdat de afkorting Pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘Persoonsgebonden budget’. Omdat in deze verordening vaak het woord jeugdhulp wordt gebruikt is het belangrijk om te begrijpen waar dit over gaat. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen; 2.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttienjaar nog niet hebben bereikt, en 3. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

7

In deze verordening gebruiken we de begrippen ‘jeugdige’ en ‘ouder’ zoals opgenomen in de Jeugdwet. We spreken over ‘jeugdigen en ouders’ als het beide betreft. Daarnaast spreken we over ‘de jeugdige of zijn ouders’. Als het gaat om beide of één van beide. Het woordje en/of komt de leesbaarheid namelijk niet ten goede. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld zestien jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met één of beide ouders (bij een jeugdige tussen de twaalf en de zestien jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan twaalf jaar)’. De wetgever heeft pleegouders van het ouder begrip uitgesloten omdat zij de hulpverlening via de pleegzorgorganisatie ontvangen. Een pleegouder die tevens voogd is valt wel onder het ouder begrip in deze verordening. Een familiegroepsplan is een plan van aanpak opgesteld door de ouders en kinderen, samen met bloedverwanten, aanverwanten en/of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Er wordt hierbij uitgegaan van de eigen kracht en de mogelijkheid om de regie te voeren over de hulp die zij nodig hebben. Het familiegroepsplan is vormvrij, kan herhaald en bijgesteld worden. Als een gezin professionele hulp nodig heeft en een familiegroepsplan heeft gemaakt, maakt dit altijd onderdeel uit van het totale hulpverleningsplan of van het gedragen plan.

Gezinnen hebben op grond van de Jeugdwet. het recht op het maken van een familiegroepsplan, maar zijn daartoe niet verplicht. Dit staat in artikel 1.1, 2.1, 4.1.2 en 6.1.10 van de wet. De CJG coach biedt het gezin de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen als bedoeld in de wet, al dan niet gefaciliteerd door het CJG en/of hulpverleners. De wet geeft een aantal uitzonderingen waarin het gezin geen gelegenheid krijgt om eerst een familiegroepsplan op te stellen. Dit is in geval van uitvoering van jeugdreclassering door de gecertificeerde instelling of wanneer die de voogdij uitoefent in het geval dat het gezag van de ouders is beëindigd.

8

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp Dit hoofdstuk geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin staat dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij-toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij-toegankelijke vormen van ondersteuning wordt door de verwijzer en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld of de jeugdige en/of zijn ouders de hulp daadwerkelijk nodig hebben, voordat er jeugdhulp wordt ingezet.

Bij vrij toegankelijke jeugdhulp is er over het algemeen geen toets en mag iedereen er gebruik van maken die verwacht de hulp te kunnen gebruiken, in een beperkt aantal gevallen zal er een lichtte toets plaatsvinden of de hulp past bij de hulpvraag die er is. De Jeugdwet kent, zoals eerder verwoord en opgenomen in artikel 1.1 van de wet, 3 lijnen waarvoor jeugdhulp kan worden ingezet. Een voorziening op grond van de Jeugdwet kan daarom veel verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving van de voorzieningen is gewenst, zodat de ouders en jeugdige zich een beeld kunnen vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. Hier zijn de verschillende vormen van jeugdhulp beschreven. In artikel 2.1, eerste lid, worden de vrij toegankelijke voorzieningen beschreven. Voor deze voorzieningen is geen besluit of verwijzing nodig. Wel kan er een lichte toegangstoets door de aanbieder van de vrij toegankelijke voorziening van toepassing zijn. De verschillende vormen van jeugdhulp waarbij wel een besluit of verwijzing nodig is, staan genoemd in artikel 2.1 tweede lid en in de artikelen 2.2 en 2.3. Deze noemen we individuele voorzieningen.

Artikel 2.1 Vormen van jeugdhulp Een individuele voorziening heeft vaak betrekking op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning moet eerst worden beoordeeld of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Bij de beschrijving van de vormen van niet vrij toegankelijke voorzieningen is aangesloten bij de aanbestedingen voor jeugdhulp. Mocht in de praktijk blijken dat het aanbod gaat veranderen dan kan het college op grond van het derde lid van dit artikel dit aanpassen. Er is voor gekozen om de individuele voorzieningen in de verordening in het kort te omschrijven. Het college zal in de beleidsregels de producten verder omschrijven. Dyslexiezorg en vervoer zijn apart beschreven omdat deze voorzieningen anders van aard zijn.

Artikel 2.2 Dyslexiezorg Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie (ED) viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en het regiem van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend. Vanaf 1 januari 2015 is door gemeente de, voor die tijd gegroeide, praktijk

9

voortgezet. Deze bestond eruit dat alleen dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie wordt vergoed en dat jeugdigen in de leeftijd van 7 tot 13 jaar betreft (deze laatste inperking lag vast in de ministeriële regeling behorende bij de Zvw). Sindsdien is de taak van de school als toeleider tot en de geprotocolleerde aanpak bij het inschakelen van dyslexiezorg door scholen gehandhaafd. Hierbij wordt aangemerkt dat uitsluiting van behandeling van jeugdigen tussen de 7 en 12 jaar ten aanzien van wie op andere wijze dan volgens het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDD&B 3.0) de diagnose Ernstige Dyslexie is gesteld, door de rechtbank Zeeland West-Brabant in december 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:8065) in strijd wordt geacht met de (voorzieningenplicht van de) Jeugdwet. Het vaststellen van ED kan alleen als het protocol is doorlopen. Als school voldoende inzet heeft gepleegd, kan er door de aanbieder een onderzoek ingesteld worden en eventueel ED geconstateerd worden. Wanneer school weigert toe te leiden, is dat volgens de Awb en de Jeugdwet een weigeringsbesluit. Aangezien scholen niet gemandateerd zijn om namens het college een dergelijk besluit te nemen zullen ouders die het daar niet mee eens zijn door de school naar het college moeten worden verwezen.

Dyscalculie valt niet onder de jeugdhulp maar onder de ondersteuning die de school hoort te bieden, dit volgt uit een brief die de toenmalige staatssecretaris Dekker aan de Tweede Kamer schreef (21 april 2016) “Gemeenten hoeven op grond van de Jeugdwet niet te voorzien in een diagnosestelling en behandeling van dyscalculie.”

Artikel 2.3 Vervoer Alleen als ouder en jeugdige het niet zelf kunnen valt vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp gegeven wordt binnen de door het college te treffen voorzieningen. Dit is het geval als een jeugdige jeugdhulp ontvangt op grond van de Jeugdwet en niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te komen waar de jeugdhulp wordt gegeven in verband met een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid (dit staat in artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet). In welke gevallen de jeugdige en zijn ouders in aanmerking komen voor vervoer zal door het college nader worden uitgewerkt in nadere regels.

10

Hoofdstuk 3 Toegang tot jeugdhulp In dit hoofdstuk worden de verschillende wijzen van toegang tot de niet vrij-toegankelijke jeugdhulp beschreven. Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. Namens de gemeente neemt het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) deze vraag in behandeling. De aanvraag wordt dan behandeld door het college gemandateerde CJG-coaches (paragraaf 3.1). De Jeugdwet regelt ook dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdartsen of de medisch specialist, dit is opgenomen in artikel 3.6. Een andere wettelijke ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting (artikel 3.7). Veilig Thuis en scholen zijn geen wettelijke verwijzers, bij inzet van jeugdhulp zal in die gevallen het college via de CJG-coaches betrokken worden. Crisishulp wordt over het algemeen rechtstreeks ingezet.

Paragraaf 3.1 Toegang via het college Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het college In artikel 3.1 staat dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend, onder schriftelijk wordt ook digitale wijze van aanvraag bedoeld. Een mondelinge aanvraag is niet mogelijk, indien er een mondelinge aanvraag komt zal de aanvrager worden gewezen op de verplichting om de aanvraag schriftelijk te doen. Als de aanvrager daartoe niet in staat is zal er voor ondersteuning worden gezorgd, dit kan door de CJG-Coach of door de onafhankelijke cliënten ondersteuning zijn. Gezinnen hebben op grond van de Jeugdwet (artikel 1.1, 2.1, 4.1.2 en 6.1.10) het recht op het maken van een familiegroepsplan, maar zijn daartoe niet verplicht. De CJG-coach biedt het gezin de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen als bedoeld in de wet, al dan niet gefaciliteerd door het CJG en/of hulpverleners. Een familiegroepsplan is een plan van aanpak opgesteld door de ouders en jeugdigen, samen met bloedverwanten, aanverwanten en/of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Er wordt hierbij uitgegaan van de eigen kracht en de mogelijkheid om de regie te voeren over de hulp die zij nodig hebben. Het familiegroepsplan is vormvrij, kan herhaald en bijgesteld worden.

Als een gezin professionele hulp nodig heeft en een familiegroepsplan heeft gemaakt, maakt dit altijd onderdeel uit van het totale hulpverleningsplan of van het gedragen plan. De wet geeft een aantal uitzonderingen waarin het gezin geen gelegenheid krijgt om eerst een familiegroepsplan op te stellen. Dit is in geval van uitvoering van jeugdreclassering door de gecertificeerde instelling of wanneer die de voogdij uitoefent in het geval dat het gezag van de ouders is beëindigd. Bij een aanvraag wordt er afgestemd met andere voorzieningen, daarbij kan worden gedacht aan het onderwijs of de Wmo. Het doel van deze afstemming is om goed te kunnen bepalen welke hulp nodig is vanuit de Jeugdwet en welke andere hulp er wordt geboden. Jeugdhulp gaat vaak samen met vraagstukken op andere terreinen, en daarom is het belangrijk dat er wordt afgestemd met andere voorzieningen. Vanzelfsprekend binnen de geldende privacyregels.

11

Artikel 3.2 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Bij het onderzoek van een aanvraag zal in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders of de wettelijke vertegenwoordiger, in de eerste plaats gekeken worden naar hun behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren. Er kan op basis van dit gesprek worden bepaald dat een andere voorziening of overige voorziening voorliggend is, in plaats van het toekennen van een individuele voorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s), wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is in principe persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt dan ook voor de hand dat er een of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s). Een zorgvuldig onderzoek vereist het doorlopen van de volgende stappen. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 mei 2017: ECLI:NL;CRVB:2017:1477 waarin deze stappen zijn opgenomen.

Stap 1: inventariseer de vraag Wat is eigenlijk de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband wordt opgemerkt dat uit artikel 1.1 van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Stap 2: breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Stap 3: stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Welke hulp is noodzakelijk en in welke omvang? Deze vraag moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4: kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de toereikendheid van de eigen kracht.

De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5: stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert. Ten aanzien van de afstemmingsplicht valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Wet langdurige zorg(Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs.

12

Als er een aanvraag is ingediend voor jeugdhulp zijn de jeugdige en zijn ouders verplicht om mee te werken aan het onderzoek van het college. Dit betreft een actieve medewerkingsplicht, zoals ook staat in artikel 8.1.2, derde lid, Jeugdwet. De CRvB heeft een aantal uitspraken gedaan over situaties waarin de medewerking van ouders onvoldoende werd bevonden door het college (ECLI:NL:CRVB:2019:276, ECLI:NL:CRVB:2021:410, ECLI:NL:CRVB:2021:510 en ECLI:NL:CRVB:2022:693) Bij de bepaling van jeugdhulp wordt ook rekening gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. De jeugdige en zijn ouders met hun levensovertuiging en culturele achtergrond zijn het uitgangspunt bij de relatie tussen de jeugdige en de gemeente. Deze eis houdt niet in dat een jeugdige per se geholpen moet worden door iemand die de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging of de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders deelt, maar wel dat de gemeente bij de uitoefening van haar taken geen beslissingen neemt die met die gezindheid, overtuiging of achtergrond onverenigbaar zouden zijn. Het gaat hier kortom om het respecteren van de jeugdige en/of diens ouders op de genoemde gebieden, binnen de kaders van de Nederlandse wetgeving.

Artikel 3.3 Identificatie Om zeker te weten dat de juiste persoon hulp ontvangt wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (bijvoorbeeld paspoort). Het doel van het vaststellen van de identiteit is het beoordelen welke gemeente verantwoordelijk is voor het verlenen van jeugdhulp. De identificatieplicht is alleen van toepassing als er wordt doorverwezen naar niet vrij toegankelijk jeugdhulp. Voor jeugdige die niet in het bezit zijn van een Burgerservicenummer, geeft artikel 7.2.4 van de wet een regeling. Van die jeugdigen dienen de volgende gegevens te worden opgenomen: 1. 2. 3. 4.

achternaam; voornamen; geboortedatum, en; postcode en huisnummer van het woonadres.

Het niet hebben van een BSN is geen reden om jeugdhulp te onthouden, zelfs als de jeugdige niet rechtsgeldig in Nederland verblijft. Hiervoor zijn landelijke afspraken en protocollen opgesteld die in dergelijke gevallen gevolgd dienen te worden.

Artikel 3.4 Voorwaarden individuele voorziening Voordat ouders of jeugdige in aanmerking kunnen komen voor een individuele voorziening dient er eerst een beroep te worden gedaan op de eigen mogelijkheden en die van het sociaal netwerk, en/of andere voorzieningen die vrij toegankelijk beschikbaar zijn. Ook als er op basis van een andere wet hulp beschikbaar is, de overige voorzieningen, wordt hier eerst een beroep op gedaan voordat er een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet wordt ingezet. Lid 2 geeft het college de mogelijkheid om bij nadere regeling kaders te stellen aan de uitvoering van de individuele voorziening. Een voorbeeld die thans al in gebruik is, is bij ernstige dyslexie waarbij alleen via het landelijk dyslexieprotocol mag worden gehandeld (zie artikel 2.2). Indien uit bijvoorbeeld de hervormingsagenda jeugd vergelijkbare afbakeningen komen, kan het college dit door het opstellen of aanpassen van de nadere regels van toepassing verklaring op jeugdhulp in onze gemeente.

13

Artikel 3.5 Inhoud beschikking In de verordening wordt een zo compleet mogelijk beeld gegeven van de rechten en plichten van de ouders of jeugdige. De mogelijkheid om bezwaar bij het college in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter, is geregeld in de Awb. Als een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep wil gaan, doen zij dit op basis van het besluit op hun aanvraag. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de ouders of jeugdige op grond van de Awb de ingang van bezwaar bij het college en beroep bij de rechtbank, afdeling bestuursrechtspraak.

Binnen de ingekochte zorg is op diverse wijzen jeugdhulp ingekocht, het grootste deel gaat via de consortia, daarnaast is er met afzonderlijk ingekochte aanbieders van enkelvoudige jeugdhulp een contract in perceel 2. In deze verordening zijn deze verschillende vormen van inkoop niet apart opgenomen omdat de manier waarop de jeugdhulp voor de aanbieders wordt ingezet hetzelfde is. Met de consortia is afgesproken dat zij bepalen welke hulp nodig is en welke intensiteit. In de verrwijzing waarbij de jeugdige en/of zijn ouders naar de consortia worden verwezen zal hetgeen wat in dit lid onder a en b staat grotendeels door het consortia worden bepaald en zal de aard en omvang niet in de beschikking worden opgenomen. Voor aanbieders in perceel twee wordt op basis van het berichtenverkeer aan de gecontracteerde aanbieders de benodigde hulp en intensiteit vermeld. Het uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een Pgb. De jeugdige of zijn ouders moeten motiveren dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is. Voor de eisen waaraan moet worden voldaan verwijzen naar hoofdstuk 5 van deze verordening. Er wordt geen aparte beschikking meer afgegeven.

Het plan dat wordt opgesteld door het CJG is voorzien van een bezwaarclausule. Daarmee vormt het plan het besluit. Hiermee is de rechtszekerheid van ouders en jeugdige gewaarborgd op een administratief arme manier. Indien ouders het niet eens zijn met het besluit, is het uitgangspunt dat zij eerst in gesprek met CJG gaan om te komen tot passende zorg. Indien dit niet lukt dan staat de mogelijkheid open van bezwaar bij het college.

Paragraaf 3.2 Toegang tot jeugdhulp niet via het college De wetgever heeft naast de toegang via het college ook in de wet opgenomen dat er jeugdhulp kan worden verkregen via medici en vanuit het justitiële kader. In deze gevallen ontvangen ouders geen beschikking omdat er andere juridische wegen beschikbaar zijn als ouders het niet eens zijn met het de verwijzing. In het justitiële kader is het de rechter die binnen toepasselijke recht degene is die over de verplichte jeugdhulp beslist. Bij medici is de Wet geneeskundige behandelovereenkomst van toepassing met de rechtsbescherming die daarin is opgenomen, daarnaast kunnen ouders die het niet eens zijn met de verwijzing van een medicus ook met hun vraag naar het CJG gaan om daar in het vrijwillig kader ondersteuning te vrage.

Artikel 3.6 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts De Jeugdwet regelt dat jeugdhulp, naast de toegang via de gemeente, toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar het jeugdaanbod van één van de aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. In de praktijk zal het de aanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele

14

autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoelang (de duur). Daarbij dient de aanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze verordening (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen). De medische verwijzers mogen alleen verwijzen naar aanbieders en de zorg die zijn ingekocht. Indien de medicus van mening is dat er jeugdhulp van een niet ingekochte aanbieder noodzakelijk is de eerste stap die onderzocht dient te worden of de hulp via onderaanmerschap mogelijk is, als dat ook niet mogelijk is zullen ouders een aanvraag voor een Pgb indienen bij het college, daarbij zal de noodzakelijkheid van de verwijzing worden beoordeeld.

Artikel 3.7 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren kinderbeschermingsmaatregelen uit. Dit zijn (voorlopige) voogdij maatregelen en (voorlopige) ondertoezichtstellingen. Daarnaast voeren zij de jeugdreclasseringsmaatregelen uit. In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (dit staat in artikel 3.5, eerste lid van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, ook andere instanties kunnen besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht.

Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (dit staat in artikel 2.4, tweede lid onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling of een (voorlopige) voogdijmaatregel uitspreekt en daardoor er geen ouder meer het gezag heeft, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

15

Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen Artikel 4.1 Afstemming gezondheidszorg Specialistische jeugdhulp die valt onder de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen valt vanaf de achttiende verjaardag van de jeugdige onder de Zvw. Zorgverzekeraars stellen aan zorgaanbieders eisen met betrekking tot de toegang. Zo moet er een rechtmatige verwijzer zijn in de vorm van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. De wijze waarop dit zal plaatsvinden zal worden uitgewerkt in beleidsregels. Vanaf hun achttiende verjaardag zijn jeugdigen niet meer automatisch meeverzekerd met hun ouders. Zij dienen zelf een zorgverzekering af te sluiten. Bovendien geldt voor hen vanaf die leeftijd ook een eigen risico. Beide kunnen een belemmering vormen voor de jeugdige om de behandeling voort te zetten. De lokale toegang, andere verwijzers binnen de Jeugdwet en betrokken jeugdhulpaanbieders zijn hier alert op en kunnen de jeugdige zo nodig bij deze veranderingen en nieuwe verantwoordelijkheden ondersteunen.

Artikel 4.2 Afstemming langdurige zorg Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben vallen zij onder de Wlz. Bij jeugdigen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen, omdat zij nog volop in ontwikkeling zijn. Het CJG of de onafhankelijke cliëntenondersteuning ondersteunt de jeugdige en zijn ouders, zo nodig, bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat. Als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz en de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken, dan hoeft het college geen voorziening toe te kennen (dit staat in artikel 1.2, eerste lid onder c van de wet). Hierbij staat natuurlijk altijd het belang van de jeugdige voorop. De jeugdige mag nooit het slachtoffer worden van onwillige ouders.

Artikel 4.3 Afstemming voorschoolse voorzieningen en het onderwijs Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat degenen die beroepsmatig met jeugdigen werken, deskundig advies kunnen krijgen over vragen en problemen met betrekking tot opgroeien en opvoeden, psychische problemen en stoornissen. Dit doet het college door het beschikbaar stellen van contactpersonen die dergelijke vragen kunnen beantwoorden of verder kunnen doorverwijzen. De contactpersonen kunnen verschillend zijn, denk hierbij aan jeugdgezondheidszorg, (school) maatschappelijk werk of CJG-coach. Problematiek thuis en op school kent vaak samenhang. Daarom is afstemming met onderwijs erg belangrijk. Het college gaat daarom in overleg met school als er individuele voorziening wordt ingezet vanuit de Jeugdwet, mits dit relevant is voor de hulpvraag. Dit staat in artikel 2.7 eerste lid van de Jeugdwet. Hierin staat ook dat onder het bevoegd gezag van een school het volgende wordt verstaan:“ als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waar de jeugdige schoolgaand is.”

Artikel 4.4 Afstemming maatschappelijke ondersteuning De lokale toegang, of eerder betrokken jeugdhulpaanbieder, stemmen af met een passende Wmo aanbieder. De aanbieder dient dit in het perspectiefplan op te nemen, mits dit voor de hulpvraag relevant is. Deze afstemming start vanaf de 17e verjaardag of bij verlengde jeugdhulp een jaar voordat

16

de jeugdhulp stopt. jaar voor de 18e verjaardag. De jeugdige wordt begeleid en voorbereid op de veranderingen na het 18e jaar, met als beoogd resultaat continuïteit van zorg.

Artikel 4.5 Afstemming werk en inkomen Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouders hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden.

17

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget Zoals uitdrukkelijk volgt uit de wettekst en de daaraan ten grondslag liggende parlementaire geschiedenis dient bij de aanvraag om jeugdhulp, in welke vorm dan ook, allereerst uitgegaan te worden van de eigen mogelijkheden – ‘eigen kracht’ – van de ouders, de jeugdige zelf en diens sociale netwerk voor het opvangen van deze primaire ondersteuningsbehoefte. Slechts voor zover de eigen kracht ontoereikend is, hoeft de gemeente een jeugdhulpvoorziening te treffen. Hierbij heeft de wetgever als uitgangspunt genomen dat de ingekochte jeugdhulp voorliggend is op het persoonsgebonden budget (Pgb). In dit hoofdstuk worden de kaders beschreven wanneer een ouder en/of jeugdige wel of niet in aanmerking komt voor een Pgb voor jeugdhulp. Het Pgb is integraal onderdeel van het afwegingskader dat wordt gehanteerd bij het toekennen van hulp en moet daarom ook altijd in deze context worden gezien. De vraag of er een Pgb ingezet kan worden, hetzij voor formele hulp, hetzij voor informele hulp, komt pas ter sprake als is vastgesteld dat er door het college een individuele voorziening moet worden getroffen.

Artikel 5.1 Persoonsgebonden budget. In de eerste plaats is een verwijzing opgenomen naar het centrale Pgb-artikel zoals opgenomen in de Jeugdwet. Dit artikel 8.1.1 geeft een compleet beeld van rechten en plichten van de ouders en jeugdige. Onder meer is van belang dat een Pgb slechts wordt verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, ze gemotiveerd kunnen aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend, en het inzetten van een pgb aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan bij de inzet van een professional, en voldaan is aan de aan het Pgb gestelde criteria. Deze criteria zijn in de verordening nader uitgewerkt. Het college kan op grond van dit artikel 8.1.1 van de wet een Pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken, omdat als ouders en jeugdige dit ‘wensen’ er een Pgb ingezet wordt. Voor het aanvragen van een Pgb wordt gebruik gemaakt van een specifiek aanvraagformulier dat regionaal is vastgesteld. In dit formulier staan de criteria genoemd zoals onder a en b opgenomen. Daarnaast is in dit formulier opgenomen en onderbouwd: •

welke soort of vorm van jeugdhulp men wil inkopen;

•

welk resultaat daarmee behaald gaat worden; en

•

welke aanbieder/hulpverlener men daarvoor gaat inzetten; en

•

hoe het inzetten van een pgb tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan bij de inzet van een professional

Deze gegevens zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen of er aan de eisen die aan een Pgb worden gesteld is voldaan.

18

Er moet aan een aantal kaders worden voldaan om in aanmerking te komen voor een Pgb. Deze staan in lid 3 uitgeschreven. Onder a is opgenomen dat ouders niet kunnen worden verplicht om jeugdhulp via een Pgb te ontvangen, het dient een vrije keuze van de aanvrager te zijn. Onder b is het uitgangspunt opgenomen dat Pgb tot betere ondersteuning dient te leiden dan de ingekochte jeugdhulp. Dit geldt voor alle vormen van het Pgb. In de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, p .221) is het uitgangspunt opgenomen dat slechts in uitzonderlijke gevallen een vergoeding kan worden verkregen door het sociale netwerk voor jeugdhulpverlening. De wetgever beperkt dit tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot een betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan jeugdhulp die wordt geleverd door een professionele aanbieder. Onder c is opgenomen dat moet worden aangetoond dat de ingekochte jeugdhulpaanbieders geen passende hulp kunnen bieden, zoals ook staat in artikel 8.1.1. van de wet. Onderdeel d verwijst ook naar de wettelijke verplichtingen waaronder ook de eis is opgenomen dat de aanvrager het Pgb kan beheren. Onderdeel e beschrijft de toets die wordt gedaan om te bepalen of de door de aanvrager genoemde doelen kunnen worden gehaald met de gevraagde hulp door middel van een Pgb.

Het inzetten van een Pgb in het sociaal netwerk mag geen overbelasting opleveren van de ouder, daarmee zal de hulp van mindere kwaliteit zijn daarom is deze eis in onderdeel f opgenomen. Deze al of niet aanwezig overbelasting zal door de CJG-coach worden vastgesteld aan de hand van landelijk vastgestelde criteria. Het laatste onderdeel (g) verwijst naar de situaties waarbij een Pgb niet mogelijk is, deze worden beschreven in lid 4. Er is een aantal situaties beschreven in het vierde lid, waarin een Pgb voor jeugdhulp niet mogelijk is. Onder a is de reden dat er vrij toegankelijke voorzieningen beschikbaar zijn of dat er beroep kan worden gedaan op voorzieningen die onder wettelijke kaders vallen zoals bijvoorbeeld Wlz of (passend) onderwijs. Bij pleegzorg dient er te worden voldaan aan de kwaliteitseisen en daarvoor is de pleegzorginstelling verantwoordelijk, wat alleen via ingekocht aanbod mogelijk is. Bij vergelijkbare vormen van verblijf gaat het om langdurige zorg in een verblijfsvoorziening, gezien de kwaliteitseisen waar dit aan moet voldoen dient dit via het gecontracteerd aanbod te verlopen. Bij de weigeringsgronden van onderdeel c gaat het om de in de Jeugdwet opgenomen gronden: •

Er worden geen kosten vergoed die hoger zijn dan de kosten van ingekochte zorg, in bijlage 1 van de verordening zijn de tarieven Pgb opgenomen.

•

de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,

•

de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget,

•

de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

In onderdeel d. wordt beschreven dat het niet mogelijk is om een Pgb met terugwerkende kracht te krijgen.

19

Onderdeel e beschrijft de situatie dat er een Pgb zou worden ingezet bij een gecontracteerde aanbieder, deze constructie is niet mogelijk omdat er dan in strijd met het uitgangspunt wordt gehandeld dat de door het college ingekochte hulp niet passend zou zijn, dat uitgangspunt is opgenomen in artikel 8.1.1, lid 2, onder b van de Jeugdwet. Er is een aantal kaders van toepassing op bestedingen van een Pgb. Deze staan in het vijfde lid van artikel 5.1. Onder a gaat het over de kosten die gemaakt worden voor beheer van het budget (meestal bekend onder verantwoordingsvrij bedrag) deze worden niet vergoed vanuit het Pgb. In de jaren voor de invoering van de Jeugdwet waren er bureaus die professioneel Pgb’s beheerden en daarmee een aanzienlijk deel van de zorggelden afroomden. In de Jeugdwet (art. 8.1.1, ld 2, onder a) is opgenomen dat ouders of iemand uit hun netwerk het Pgb op verantwoorde wijze kan uitvoeren met zicht op de kwaliteit van de hulp. In onderdeel b is de situatie beschreven dat indien er meerdere Pgb’s zijn toegekend het niet is toegestaan om tussen deze budgetten te schuiven omdat ieder budget geacht wordt passend te zijn voor de daarmee in te zetten jeugdhulp. Een uitzondering hierop is wel mogelijk indien er vooraf schriftelijke afspraken over zijn gemaakt die het toestaan om tussen budgetten te schuiven.

Waar in het vorige lid uitgesloten bestedingen van het Pgb zijn beschreven, zijn in het zesde lid toegestane bestedingen beschreven. Onder a wordt beschreven dat vervoerskosten kunnen worden betaald uit het Pgb indien daarvoor een beschikking wordt afgegeven. De hoogte van de vervoerskosten zullen worden uitgewerkt in nadere regels. Jeugdhulp van een aanbieder mag binnen of buiten de jeugdhulpregio worden ingekocht. Bij jeugdhulp in Nederland houdt de inspectie gezondheidszorg en jeugd toezicht op de kwaliteit. Buiten Nederland heeft de inspectie geen controle bevoegdheid, landelijk zijn er voor aanbieders buiten Nederland afspraken gemaakt die zijn opgenomen in het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod, te vinden bij de VNG (https://vng.nl/publicaties/afsprakenkader-buitenlands-zorgaanbod-jeugd) buiten de EU mag een Pgb niet worden besteed, zie ook het volgende artikellid. Een aantal uitgaven is uitgesloten van besteding uit het Pgb. Deze zijn in lid 7 van artikel 5.1 opgenomen en spreken voor zichzelf.

Artikel 5.2 Onderscheid formele hulp en informele hulp Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele - en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz)en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Informele hulp is derhalve alle hulp die wordt geboden door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociaal netwerk. Deze bepaling moet worden gezien in relatie tot artikel 5.1, lid 3, onder f, waarin de draagkracht van de ouders is genoemd. Het informeel Pgb is geen vervanging van de draagkracht of

20

een inkomensvoorziening. Informele hulp door middel van een pgb kan alleen bij uitzondering worden ingezet, zie ook de toelichting op artikel 5.1. Op grond van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1:247, zijn ouders verplicht hun kind te verzorgen en op te voeden, deze verplichting is altijd voorliggend op het inzetten van jeugdhulp. De in de wet gestelde kwaliteitscriteria zijn ook van toepassing op het informeel Pgb, waaronder de norm verantwoorde werktoedeling. Volgens de beroepsnormen die gelden voor geregistreerde professionals, is het verlenen van hulp aan directe familie in strijd met de beroepsnorm van de professionele distantie. Om deze reden zijn 1e en 2e graads bloed- en aanverwanten nadrukkelijk uitgesloten van het professionele tarief. Op 15 december 2023 heeft de rechtbank Limburg een uitspraak gepubliceerd (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) waarin is geconcludeerd dat het Pgb tarief voor hulp uit het sociale netwerk moet worden vastgesteld op een professioneel tarief ter hoogte van “salarisschaal FWG30 van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarden van verlofuren”. Hiermee volgt deze rechtbank de uitspraak van de CRvB van 16 augustus jl. (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) waarin hetzelfde voor de Wmo is bepaald.

Het is nu afwachten of de CRvB dit voor de Jeugdwet gaat overnemen, ook is onduidelijk wanneer de CRvB hierover een uitspraak gaat doen. In de vakliteratuur is er op verschillende onderdelen van de uitspraak van de Rechtbank fundamentele kritiek uitgeoefend, in welke mate de CRvB dit zal overnemen of dat er vanuit de Regelring hierop nog actie zal worden ondernomen is nog onduidelijk. Volgens de Jeugdwet dient de wijze waarop het tarief wordt bepaald in de verordening te staan, hierover niets opnemen is derhalve onmogelijk. Er is voor gekozen om de huidige regeling te blijven te gebruiken en niet vooruit te lopen op een eventuele uitspraak van de CRvB.

Artikel 5.3 Hoogte van een Pgb-tarief Het Pgb wordt toegekend op basis van een uur of dagdeeltarief. Dit is onderverdeeld in een formeel tarief en een informeel tarief. Er zijn in totaal vier soorten tarieven mogelijk: 1. 2. 3. 4.

Uurtarief formele jeugdhulp Uurtarief informele jeugdhulp Dagdeeltarief formele jeugdhulp Dagdeeltarief informele jeugdhulp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13941948/1