CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 - Ecologische Voortoets Duinrooslaan 3

Raadscommissie 14 juni 2022, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Bijlagen Bestemmingsplan Bentveld6.366 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Voortoets Duinrooslaan 3 te Bentveld Inzake realisatie van woningen

Colofon Status:

Definitief

Project:

BE/2021/116/V

Datum:

7 april 2021 (update 6 augustus 2021)

Samensteller(s):

ir. ing. A.E. Vos

Collegiale toets:

ir. T.W.D. Schrader

Opdrachtgever:

LODEWIJCK GROEP

Beechavenue 139 1119 RB Schiphol-Rijk Contactpersoon:

dhr. K. Ellenbroek

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © BLOM ECOLOGIE B.V. / LODEWIJCK GROEP Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding.......................................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding

1

1.2

Doel

2

1.3

Samenvatting quickscan flora en fauna

2

1.4

Wettelijk kader

2

2 Beoordeling ‘Kennemerland-Zuid’ ............................................................................................ 3 2.1

Locatie

3

2.2

Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’

3

2.3

Effectenindicator

5

2.4

Storingsfactoren

6

Storingsfactor 1 | Oppervlakteverlies ........................................................................................... 6 Storingsfactor 2 | Versnippering ................................................................................................... 7 Storingsfactor 4 | Vermesting door N-depositie uit de lucht ........................................................ 9 Storingsfactor 7 | Verontreiniging .............................................................................................. 10 Storingsfactor 8 | Verdroging...................................................................................................... 10 Storingsfactor 13 | Verstoring door geluid ................................................................................. 12 Storingsfactor 14 | Verstoring door licht .................................................................................... 13 Storingsfactor 15 | Verstoring door trilling ................................................................................. 13 Storingsfactor 16 | Optische verstoring ...................................................................................... 14 Storingsfactor 17 | Verstoring door mechanische effecten ........................................................

15 Storingsfactor 18 | Verandering in populatiedynamiek .............................................................. 15

3 Conclusie ...................................................................................................................................... 17 4 Literatuur ...................................................................................................................................... 18

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Op de locatie aan de Duinrooslaan 3 te Bentveld (hierna te noemen plangebied) is een woning met een bosrijke tuin gelegen. De initiatiefnemers hebben het voornemen om het zuidelijke deel van de bosrijke tuin te ontwikkelen ten bate van de bouw van een tweetal woningen (figuur 1). Hiertoe worden bestaande groenstructuren deels verwijderd en een aantal bomen gekapt.

Het

voornemen

tot

deze

ontwikkeling

is

vormgegeven

in

het

ontwerpbestemmingsplan “Bentveld” (kenmerk: NL.IMRO.0473.BPBentveld-ON01). In het voortraject is door Blom Ecologie B.V. een oriënterend ecologisch onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de beoogde ontwikkelingen leiden tot een mogelijk negatief effect op beschermde natuurwaarden (Vos, 2019). In dit vooronderzoek is geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen geen procedurele gevolgen hebben voor het onderdeel ‘Soortenbescherming’ van de Wet natuurbescherming. Inzake het onderdeel ‘Houtopstanden’ geldt een kapmelding en mogelijk een herplantingsplicht. Ten aanzien van het onderdeel ‘Gebiedsbescherming’ kunnen de geplande ontwikkelingen mogelijk leiden tot negatieve effecten, aangezien het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (figuur 1). De Lodewijck Groep begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht een Ecologische Voortoets op te stellen om mogelijke effecten van de beoogde ontwikkelingen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ in kaart te brengen. Voorliggend document voorziet in deze Ecologische Voortoets. Kennemerland-Zuid

Figuur 1

Het plangebied (rood omkaderd) is gelegen aan Duinrooslaan 3 te Bentveld en grenst direct aan het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ (geel gearceerd, bron kaart: atlasnatuurlijkkapitaal.nl).

1

1.2

Doel Deze rapportage is opgesteld om in kaart te brengen of er negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. De ontwikkelingen betreffend de realisatie van twee woningen op het perceel van Duinrooslaan 3 te Bentveld (zie figuur 2). Perceelgrenzen van de bouwvlakken bevinden zich op 10 tot 100 m van het naastgelegen Natura 2000 gebied.

Figuur 2 Uitsnede uit het ontwerp bestemmingsplan ’Bentveld’ met daarin het plangebied rood omkaderd (2020-10-06, bron kaart: ruimtelijkeplannen.nl).

1.3

Samenvatting quickscan flora en fauna In juni 2019 is door Blom Ecologie B.V. een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, waarin de potentie voor het voorkomen van beschermde flora en fauna op het plangebied en in de directe omgeving is onderzocht (Vos, 2019). Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en een bureaustudie. Op basis van verspreidingsgegevens, habitatpreferentie van soorten en aanwezig habitat is geconcludeerd dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Wel zijn er aanvullende maatregelen geadviseerd in het kader van de algemene zorgplicht, werken buiten het broedseizoen, uitvoeren van een AERIUS-berekening en het beperken van de uitstraling van kunstlicht. Volledig overzicht van de maatregelen is opgenomen in het oriënterende onderzoek (Vos, 2019).

1.4

Wettelijk kader Het wettelijke kader is omschreven in artikel 2.7 t/m artikel 2.9 van Wet natuurbescherming, zie de Wet natuurbescherming. De bepalingen zijn van toepassing op plannen, projecten en handelingen die betrekking hebben op Natura 2000-gebieden. Van belang is dat er geen significante negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. 2

2 Beoordeling ‘Kennemerland-Zuid’ 2.1

Locatie Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van Bentveld. De huidige perceelsgrens van de planlocatie valt aan de westzijde gelijk met de begrenzing van het Natura 2000 Habitatrichtlijngebied ‘Kennemerland-Zuid’. Perceelsgrenzen van de nieuwe bouwblokken liggen op ca. 10 tot 100 m van de gebiedsgrenzen. De werkzaamheden vallen derhalve buiten het vastgestelde Natura 2000-gebied. Echter gezien de beperkte afstand tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied zijn externe effecten niet uit te sluiten. Op basis van objectieve gegevens is beoordeeld of de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘KennemerlandZuid’.

2.2

Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ Het Natura 2000 Habitatrichtlijngebied ‘Kennemerland-Zuid’ betreft een 8171 hectare groot duingebied ten zuiden van het Noordzeekanaal. Het gebied valt binnen de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Noordwijk, Velsen en Zandvoort en valt derhalve zowel in Noord-Holland als in Zuid-Holland. Het ‘Kennemerland-Zuid’ wordt gekenmerkt door kalkrijke jonge duinen. Een klein deel van het gebied betreft ontkalkte strandwallen en venige strandvlakten. Door de rijkdom van het gebied, resulterend van de breedheid van de duinen, het hoge kalkgehalte, afwezigheid van grootschalige afgravingen en de wisselende intensiteit van menselijke beïnvloeding heeft dit gebied een bijzondere positie in het Nederlandse duinlandschap. Macrogradiënten in het landschap worden bepaald door de invloed van wind en zee en zijn derhalve sturend in de hoeveelheid ingevangen zoutspray, de leeftijd van de duinen en de daarmee samenhangende bodemvorming inzake ontkalking en humusvorming. Micro gradiënten betreffen de variatie in

kalkgehalte,

reliëf,

bodemontwikkeling

en

menselijke

invloeden.

Recentelijke

veranderingen binnen het gebied zijn in de regel positief. Als gevolg van een verminderde drinkwaterwinning treedt er vernatting op en de kustaangroei rondom IJmuiden leidt tot unieke gradiënten. Het gebied is van belang voor diverse habitattypen en habitatrichtlijnsoorten. Zwaartepunt van het belang zijn de kalkrijke grijze duinen, de relatieve bijdrage van het gebied is 30-50% van de landelijke oppervlakte. Eveneens voor de duindoornstruwelen, droge en binnenduinrand duinbossen en vochtiger duinvalleien heeft het gebied een grote waarde. Van deze structuren bevindt zich 15-30% van het landelijke oppervlakte binnen dit Natura 2000 gebied. Inzake Natura 2000 doelsoorten heeft het gebied een aanzienlijke functie voor de nauwe korfslak. Ook voor deze soort geldt dat 15-30% van de landelijke populatie voorkomt binnen ‘Kennemerland-Zuid’. Overzicht van alle doelen inzake habitattypen en habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in tabel 1 en 2.

3

Tabel 1

De habitattypen met instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Onder oppervlakte en kwaliteit staan de doelen voor behoud of vergroting aangegeven. (bron: www.natura2000.nl).

Habitattype H2110 - Embryonale duinen H2120 - Witte duinen H2130A - Grijze duinen H2130B - Grijze duinen H2130C - Grijze duinen H2140B - Duinheiden met kraaihei H2150 - Duinheiden met struikhei H2160 - Duindoornstruwelen H2170 - Kruipwilgstruwelen H2180A - Duinbossen H2180B - Duinbossen H2180C - Duinbossen H2190A - Vochtige duinvalleien H2190B - Vochtige duinvalleien H2190C - Vochtige duinvalleien H2190D - Vochtige duinvalleien H7210 - Galigaanmoerassen 1

Habitatsubtype

kalkrijk kalkarm heischraal droog

droog vochtig binnenduinrand open water kalkrijk ontkalkt hoge moerasplanten

Status doel definitief definitief definitief definitief definitief ontwerp definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief ontwerp

Oppervlakte1 = > > = > = = = (<) = (<) = = = > > = > =

Kwaliteit1 = > > > > = = = = = > = > > = > =

legende voor oppervlakte en kwaliteit; = behoud, > uitbreiding en =(<) behoud, maar mag achteruitgaan ten gunste van een andere in besluit

genoemde waarde.

Tabel 2

De aangewezen habitatrichtlijnsoorten voor het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Onder populatie, omvang leefgebied en kwaliteit leefgebied staan de doelen voor behoud of vergroting aangegeven. (bron: www.natura2000.nl).

Soort H1014 - Nauwe korfslak H1149 - Kleine modderkruiper H1318 - Meervleermuis H1903 - Groenknolorchis 1

Status doel definitief ontwerp definitief definitief

Populatie = = = >

Omvang leefgebied = = = >

Kwaliteit leefgebied = = = >

legende voor populatie, omvang leefgebied en kwaliteit leefgebied; = behoud, > uitbreiding.

4

2.3

Effectenindicator Potentiële effecten van activiteiten op Natura 2000-gebieden kunnen in kaart worden gebracht middels de Effectindicator (Synbiosys Alterra, 2021). De indicator is een interactieve tool waarmee op hoofdlijnen bepaald kan worden welke effecten mogelijk optreden bij een bepaalde ruimtelijke activiteit. De output bestaat uit een tabel (figuur 2.2) waarin per habitattype en doelsoort van het gebied wordt aangegeven wat de gevoeligheid is voor relevante storingsfactoren. Deze output dient als basis voor nadere analyse. In de effectenindicator is een beperkt aantal categorieën van ruimtelijke activiteiten opgenomen, waardoor niet voor alle ruimtelijke activiteiten exact gespecificeerd is wat de relevante storingsfactoren zijn. De meest gelijkende activiteit dient geselecteerd te worden. De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied vallen onder de categorie ‘woningbouw’ in de effectenindicator. Voor de volledigheid is ook de categorie ‘weg’ geëvalueerd aangezien woningbouw kan leiden tot extra verkeersbewegingen met name tijdens de realiseringsfase. Zowel de toename in verkeersbewegingen als de woningbouw zelf kunnen leiden tot verschillende tijdelijke en/of permanente effecten. De relevante storingsfactoren die in de output naar voren komen worden nader toegelicht in paragraaf 2.4. B

A

Figuur 2.2 Storingsfactoren voor de aangewezen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ gebaseerd op woningbouw (A) en categorie ‘weg’ (B) (bron: synbiosys.alterra.nl).

5

2.4

Storingsfactoren De effectenindicator geeft voor de beoogde ontwikkelingen nabij het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ de volgende storingsfactoren (zie figuur 2.2):

[1] [2] [3] [4] [7] [8] [13] [14] [15] [16] [17] [18]

Oppervlakteverlies Versnippering Verzuring door N-depositie uit de lucht Vermesting door N-depositie uit de lucht Verontreiniging Verdroging Verstoring door geluid Verstoring door licht Verstoring door trilling Optische verstoring Verstoring door mechanische effecten Verandering in populatiedynamiek

Woningbouw X X

X X X X X X X

Weg X X X X X X X X X X X

De effecten als gevolg van N-depositie komen enkel in de effectenindicator naar voren als een mogelijk gevolg van de categorie ‘weg’. Echter aangezien ook woningbouw zou kunnen leiden tot stikstofdepositie wordt deze post ook voor woningbouw beoordeeld. Per storingsfactor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is in de voorliggende casus. De storingsfactoren zijn genummerd volgens de door gangbare systematiek. Om de effecten juist te interpreteren zijn de omschrijvingen van de storingsfactoren overgenomen van de effectenindicator.

Storingsfactor 1 | Oppervlakteverlies Kenmerk Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te lijden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt oppervlakteverlies mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimumaantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimumaantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.

6

Beoordeling Het plangebied ligt in zijn geheel buiten het Natura 2000-gebied. De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot een afname van beschikbaar oppervlak van het leefgebied van soorten en/of habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Derhalve is er geen sprake

van

negatieve

effecten

ten

gevolge

van

oppervlakteverlies

op

de

instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’.

Storingsfactor 2 | Versnippering Kenmerk Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren Treedt op ten gevolge van verlies van leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn dat er een verandering plaatsvindt in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura 2000-gebied, waardoor ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen geen (delen van) leefgebieden binnen Natura 2000 gebied worden weggenomen of onderbroken.

Derhalve is er geen sprake van versnippering van habitattypen of leefgebied van doelsoorten binnen Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Versnippering kan echter ook veroorzaakt worden door verslechterde verbindingen met belangrijke leefgebieden buiten het Natura 2000-gebied die wel van belang zijn voor de soorten in het Natura 2000-gebied. Een potentiële verbindingsfunctie van een locatie heeft te maken met de mate waarin regelmatige verplaatsingen van soorten voorkomen en de ligging ten opzichte van belangrijke leefgebieden van soorten. Van belang is of de locatie onderdeel kan zijn van vaste (migratie)routes die belangrijke leefgebieden als voedsel- en rustgebieden met elkaar verbinden. De faunadoelsoorten voor het betreffende Natura 2000-gebied zijn kleine modderkruiper, meervleermuis en nauwe korfslak. Er is geen sprake van aantasting van oppervlaktewater binnen de beoogde ontwikkeling, effecten met betrekking tot versnippering van het leefgebied van de kleine modderkruiper zijn daarmee uitgesloten. Ten aanzien van de meervleermuis heeft het plangebied geen relevante functie (zie ook Vos, 2019 en Vos, 2021). Wat betreft de versnippering, de planlocatie vormt slechts een kleine schakel in een zeer bosrijke omgeving en maakt derhalve geen onderdeel uit van een essentiële vliegroute. Voor de definitie van essentiële vliegroutes zie uitspraak 201704543/1/R6, Raad van State.

Verdere 7

onderbouwing is te vinden in Vos, 2021. Aangezien de planlocatie slechts een beperkte oppervlakte heeft in een zeer bosrijke omgeving, de planlocatie geen verdere functie heeft wat betreft verblijfplaatsen en foerageergebieden én aangezien de planlocatie geen schakel vormt in een essentiële vliegroute is het uitgesloten dat de ontwikkelingen op de planlocatie leiden tot versnippering van de populatie van de meervleermuis. Daarnaast zal ook de toekomstige situatie niet leiden tot verminderde oriëntatiepunten of verslechtering van de verbinding tussen populaties van de meervleermuis. Binnen Kennemerland-Zuid en de omliggende duingebieden is sprake van grote, aaneengesloten clusters van populaties van de nauwe korfslak (Boesveld et al. 2011). Binnen het plangebied wordt de aanwezigheid van de nauwe korfslak niet verwacht (zie Vos, 2021). Alle waarnemingen van de nauwe korfslak bevinden zich in de duingebieden en overige gebieden ten westen van de planlocatie. Vanwege de waarschijnlijke afwezigheid van de nauwe korfslak op de planlocatie en het ontbreken van functioneel leefgebied voor deze soort in de bebouwde kom van Bentveld ten oosten van de planlocatie leiden de beoogde ontwikkelingen niet tot versnippering van de populatie. De planlocatie vormt namelijk geen verbinding tussen de populatie binnen het Natura 2000 gebied en de populatie buiten het Natura 2000 gebied.

Overigens zou een eventuele barrière in verspreiding buiten het Natura 2000 gebied het voortbestaan van de populatie binnen het Natura 2000 gebied niet in gevaar brengen aangezien er binnen het Natura 2000 gebied sprake is van grote, aaneengesloten clusters van populaties van de nauwe korfslak. Kortom, het plangebied heeft geen functie als verbindingsgebied en is er geen sprake van een toename in versnippering van habitattypen en leefgebieden van doelsoorten ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Derhalve is er geen sprake van negatieve effecten ten gevolge van versnippering

op

de

instandhoudingsdoelstellingen

van

het

Natura

2000-gebied

‘Kennemerland-Zuid’.

Storingsfactor 3 | Verzuring door N-depositie uit de lucht Kenmerk Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Let op: verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PASgegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van 8

typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. Beoordeling De ontwikkelingen aan Duinrooslaan 3 betreffen de bouw van een tweetal woningen. Bouw van woningen kan leiden door een verhoogde stikstofuitstoot als gevolg van de realisatiefase en de gebruikersfase. Aangezien de locatie grenst aan het Natura2000 gebied Kennemerland Zuid is een AERIUS berekening vereist om de effecten te kwantificeren. Een geringe uitstoot tijdens de realisatiefase is momenteel vrijgesteld onder Wet natuurbescherming. Verdere uitsluitsel over de haalbaarheid van de ontwikkeling kan pas geëvalueerd worden op basis van de AERIUS berekening.

Storingsfactor 4 | Vermesting door N-depositie uit de lucht Kenmerk Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat hierbij om aanvoer van stikstof door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten.

Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Beoordeling De ontwikkelingen aan Duinrooslaan 3 betreffen de bouw van een tweetal woningen. Bouw van woningen kan leiden door een verhoogde stikstofuitstoot als gevolg van de realisatiefase en de gebruikersfase. Aangezien de locatie grenst aan het Natura2000 gebied Kennemerland Zuid is een AERIUS berekening vereist om de effecten te kwantificeren. Een geringe uitstoot tijdens de realisatiefase is momenteel vrijgesteld onder Wet natuurbescherming. Verdere uitsluitsel over de haalbaarheid van de ontwikkeling kan pas geëvalueerd worden op basis van de AERIUS berekening.

9

Storingsfactor 7 | Verontreiniging Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, met name stoffen welke onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, het grondwater en de lucht. Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen.

Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, gevoeliger zijn voor verontreinigingen. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen leiden zowel in de aanlegfase als in de gebruikersfase niet tot een toename van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen. De toe te passen materialen bij de ontwikkeling zijn bij juist gebruik onschadelijk voor flora en fauna. Ten aanzien van schadelijke (chemische) stoffen geldt strenge wet- en regelgeving. Het is de verwachting dat er geen schadelijke stoffen bij de bouw van de beide woningen gebruikt zullen worden. Indien deze stoffen wel worden toegepast zullen maatregelen getroffen worden, waaronder het op verantwoorde wijze opslaan en afvoeren van de stoffen, om uitloging naar de omgeving, het grondwater en de lucht te voorkomen. Ecologische (en chemische) processen en interacties binnen het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ worden niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen. Derhalve is er geen sprake van negatieve effecten ten gevolge van verontreiniging op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’.

Storingsfactor 8 | Verdroging Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is dan lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt 10

verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg De verandering in grondwaterstand en soms ook in de kwaliteit van het grondwater, leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en, op lange termijn, van het habitattype. Beoordeling Er zijn habitattypen en soorten aanwezig binnen ‘Kennemerland-Zuid’ die zeer gevoelig zijn voor

verdroging,

waaronder

de

vochtige

duinvalleien,

galigaanmoerassen,

de

groenknolorchis, kleine modderkruiper en de nauwe korfslak. Het is niet waarschijnlijk dat de bouw van een tweetal woningen leidt tot verdroging binnen het Natura 2000 gebied. In de bodem onder het plangebied is sprake van een zeer diepe grondwaterstand, betreffende grondwatertrap VIII. Dit betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (in cm t.o.v. het maaiveld) dieper ligt dan 140 (via maps.bodemdata.nl). Er is dus geen sprake van verdroging door extra benodigde bronbemaling of door het zakken van de grondwaterstand als gevolg van de bouw. Woningbouw leidt overigens verder enkel tot verdroging door toename van verhard oppervlakte. Het verharde oppervlakte neemt echter niet sterk toe, toename van verharding zal mogelijk ten koste gaan van bebossing. Weghalen van bomen resulteert in hogere grondwaterstanden waardoor verdroging gecompenseerd wordt Verdroging die plaats kan vinden na woningbouw zal niet leiden tot negatieve effecten op de populaties van de kleine modderkruiper, de groenknolorchis en de nauwe korfslak. Oppervlaktewater waarin de kleine modderkruiper voorkomt zal niet aangetast worden door verdroging, gezien de afstand tussen dit oppervlaktewater en de planlocatie én gezien de diepte van de grondwaterlagen. Ten aanzien van de nauwe korfslak geldt dat de verdrogende effecten van de woningbouw zo minimaal zijn dat effecten uitgesloten zijn.

De (kern)populatie van de groenknolorchis bevindt zich op meer dan 2.5 km afstand van de planlocatie waardoor effecten uitgesloten zijn. Verdroging van de vochtige duinvalleien wordt

hoofdzakelijk

veroorzaakt

door grondwaterwinning

en

aanwezigheid van

naaldbossen. Woningbouw van twee woningen, buiten het Natura 2000 gebied op een locatie met een diepe grondwaterstand zal niet leiden tot verdroging van de vochtige duinvalleien, die zich overigens op zekere afstand van de planlocatie bevinden (o.a. in de westelijke en zuidelijke gelegen valleien in het ‘Kennemerland-Zuid’). Galigaanmoerassen komen enkel voor in het Langevelderduin, in het zuiden van ‘Kennemerland-Zuid’. Afstand tussen deze structuur en de planlocatie bedraagt > 7.5 km. Verdrogingseffecten zijn derhalve uitgesloten. Kortom, gezien de lage grondwatertrap en het ontbreken van bronbemaling zullen er geen meetbare veranderingen optreden in de totale waterbalans. Verdroging en bijkomende effecten op flora en fauna treden aannemelijk niet op of nemen niet toe ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.

11

Storingsfactor 13 | Verstoring door geluid Kenmerk Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor directe effecten van geluid. Geluid is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Beoordeling Binnen het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ is enkel de doelsoort kleine modderkruiper gekenmerkt als ‘zeer gevoelig’ voor verstoring door geluid.

Er is in de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie aannemelijk geen noemenswaardige toename van geluidshinder, gezien er enkel twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd. In de huidige situatie is reeds sprake van activiteit, recreatie en autobewegingen. Plaatselijke fauna is in de huidige situatie aannemelijk gewend aan de verwachte levels van geluidshinder óf reeds verplaatst buiten de verstoringszone. De aanleg van de woning wordt uitgevoerd met o.a. een graafmachine. Materiaal zal aangevoerd worden met behulp van vrachtwagens of tractoren. Op basis van onderzoek op vergelijkbare terreinen (Maarl, 2013) kan een inschatting gemaakt worden van de geluidsintensiteit van diverse geluidsbronnen in de huidige situatie: •

manoeuvreren van auto

90 dB(A)

•

stemgeluiden

65 dB(A)

•

hondengeblaf

110 dB(A)

•

gemotoriseerde grasmaaier

102 dB(A)

•

onderhouds- en reparatiewerkzaamheden 85 dB(A)

De werkzaamheden tijdens de bouwfase leiden tot de volgende geluidsbelastingen: •

vrachtwagen

90-102 dB(A)

•

tractor

98-105 dB(A)

•

graafmachine

85-95 dB(A)

•

shovel

107 dB(A)

•

mobiele kraan

108 (schaar)- 125 (sloophamer) dB(A)

•

betonpomp

110 dB(A)

•

heistelling

102 (boren) –

12

De geluidsbelasting die wordt geproduceerd tijdens de bouwfase betreft een tijdelijke piekbelasting van 90-110 dB(A). Dergelijke geluidsniveaus zijn ook aan de orde bij huidig gebruik van het perceel en omliggende percelen. Dichtstbijzijnde waarnemingen van de kleine modderkruiper bevinden zich op > 2 km afstand van het plangebied. Al deze waarnemingen zijn overigens buiten het Natura 2000 gebied. Ten aanzien van de meervleermuis geldt dat de verblijfplaatsen op enige afstand van de planlocatie zich bevinden (zie Kooij, 2013). De geluidslevels zal gedurende de dag niet leiden tot verstoring. Tijdens de schemerperiode en in de nacht zal niet gewerkt worden waardoor diverse vormen van verstoring van de meervleermuis uitgesloten zijn. Kortom, de werkzaamheden leiden aannemelijk niet tot een dermate (langdurige) hoge geluidsbelasting

waardoor

er

geen

sprake

is

van

negatieve

effecten

op

de

instandhoudingsdoelen van het Natura 2000 gebied ‘Kennemerland-Zuid’.

Storingsfactor 14 | Verstoring door licht Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren Geen Gevolg Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Beoordeling In de huidige situatie is er al sprake van verlichting, zowel bij de manage als bij het aangrenzende perceel. In de beoogde situatie worden de woningen ’s nachts waarschijnlijk beperkt verlicht. Deze verlichting komt ook niet op grote hoogte te hangen. De bosstrook aan de rand van de planlocatie en het Natura 2000 gebied zal effecten van verlichting dempen.

Ondanks dat de planlocatie niet gedefinieerd is als onderdeel van een essentieel foerageergebied en vliegroute is zowel in de quickscan als in de zienswijze is geadviseerd om, indien verlichting noodzakelijk is, faunavriendelijke verlichting (amberkleurig licht, nederwaarts gerichte, geconvergeerde lichtbundel) te gebruiken gedurende de uitvoering van het project alsmede in de definitieve situatie.

Storingsfactor 15 | Verstoring door trilling Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: 13

Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Diverse activiteiten, zoals boren, heien of damwanden slaan, veroorzaken trillingen die kunnen leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of

permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trillingen is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Beoordeling Binnen het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ is enkel de doelsoort kleine modderkruiper geclassificeerd als ‘zeer gevoelig’ voor verstoring door trillingen. Het risico bij deze soorten bestaat uit (explosieve) trillingen in het water ten gevolge van bijvoorbeeld boren en/of heiwerkzaamheden, welke natuurlijk gedrag kunnen verstoren en tot fysieke schade en mortaliteit kunnen lijden. De afstand tot de dichtstbijzijnde waarnemingen van de kleine modderkruiper is circa > 2 km. Deze waarnemingen zijn van individuen buiten het Natura 2000 gebied. Het is uitgesloten dat de activiteiten binnen het plangebied leiden tot verstoring van soorten die zich op deze afstand van het plangebied bevinden. Het Noordoosterkanaal, het dichtstbijzijnde oppervlaktewater nabij de planlocatie, ligt op 115 meter ten westen van het plangebied. In dit oppervlaktewater zijn geen waarnemingen van de kleine modderkruiper bekend. Veel bouwwerkzaamheden zullen niet leiden tot trillingen die over een afstand van 115 meter dermate voelbaar zijn dat deze tot schade aan de eventueel aanwezige kleine modderkruiper zou leiden.

Op de lange termijn is er ten opzichte van de huidige situatie geen noemenswaardige toename van hinder door trillingen. Evenals bij de storingsfactor geluid is er in de huidige situatie reeds sprake activiteit, recreatie en autobewegingen in de omgeving van het plangebied. Fauna in de omgeving zal in de huidige situatie gewend zijn aan de reguliere hinder door trilling of reeds verplaatst zijn buiten de verstoringszone. Cumulatief wordt niet verwacht dat trillingen veroorzaakt tijdens de bouwwerkzaamheden lijden tot permanent negatieve effecten.

Storingsfactor 16 | Optische verstoring Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. Een soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van

14

de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Beoordeling In de huidige situatie is reeds sprake van de aanwezigheid van mensen en voertuigen op het terrein. Tevens is er sprake van paardensport, leidend tot een hogere mate van verstoring dan een siertuin rondom een woning. De beoogde ontwikkelingen leiden enkel in de realisatiefase mogelijk tot een lichte toename van activiteiten die optisch waarneembaar zijn voor fauna. Binnen het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ staan geen doelsoorten geclassificeerd als zeer gevoelig voor optische verstoring. De kleine modderkruiper en meervleermuis zijn geclassificeerd als gevoelig. Activiteiten rondom oppervlaktewater zullen niet toenemen waardoor er geen sprake is van optische verstoring van de kleine modderkruiper. Ten aanzien van de meervleermuis zijn maatregelen geadviseerd om lichtverstoring tegen te gaan (zie Vos, 2019 en Vos, 2021).

Storingsfactor 17 | Verstoring door mechanische effecten Kenmerk Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren Verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot een toename van mechanische effecten. Het plangebied ligt zelf buiten het Natura 2000-gebied. Het is de reële verwachting dat er geen toename zal zijn van betreding of overige menselijke activiteiten binnen het Natura 2000gebied ten gevolge van de woningbouw. Ten opzichte van de huidige situatie is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een significant toename inzake betreding van het Natura 2000-gebied.

Storingsfactor 18 | Verandering in populatiedynamiek Kenmerk De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. 15

Interactie andere factoren Veel storende factoren leiden op hun beurt – dus indirect - tot een verandering in populatiedynamiek. Deze storende factor zit namelijk aan het einde van de effectketen Gevolg Bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de verhouding sterfte-reproductie) leidt in de toekomst tot effecten. Zowel minder organismen (een kleinere populatie) en zeker een verandering in samenstelling van de populatie (bijv. meer oude dieren) kunnen leiden tot een verandering in de geboorte/sterfte ratio. En daarmee kan er iets veranderen in de populatiedynamiek (het gedrag in de tijd). Dit kan uiteindelijk leiden tot het (tijdelijk) verdwijnen van soorten, waardoor het evenwicht van het ecosysteem verschuift. De gevoeligheid is sterk afhankelijk van diverse populatiekenmerken zoals de generatietijd van een soort en de huidige grootte van populaties. Vooralsnog zijn alle soorten als ‘gevoelig’ gescoord. Beoordeling De extra verkeersbewegingen richting de planlocatie tijdens de realisatiefase van de woningen zullen niet leiden tot een toename van sterfte van individuen door wegverkeer.

Zeker ten aanzien van de fauna doelsoorten van het Natura 2000 gebied, de kleine modderkruiper, meervleermuis en nauwe korfslak, is het uitgesloten dat de extra verkeersbewegingen leiden tot verandering in de populatiedynamiek.

16

3 Conclusie Uit het oriënterende onderzoek en de Ecologische Voortoets blijkt dat, behoudens stikstof, er geen negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. Ten aanzien van de stikstofdepositie dient een AERIUS berekening uitsluitsel te geven over de haalbaarheid van de ontwikkelingen. Ten aanzien van aanwezige flora en fauna en in het kader van de algemene zorgplicht wordt geadviseerd enkele mitigerende maatregelen te treffen. [1]

Oppervlakteverlies

geen significant effect

[2]

Versnippering

geen significant effect

[3]

Verzuring door N-depositie uit de lucht mogelijk effect, AERIUS berekening vereist

[4]

Vermesting door N-depositie uit de lucht mogelijk effect, AERIUS berekening vereist

[7]

Verontreiniging

geen significant effect

[8]

Verdroging

geen significant effect

[13] Verstoring door geluid

geen significant effect

[14] Verstoring door licht

geen significant effect, wel mitigatie

[15] Verstoring door trillingen

geen significant effect

[16] Optische verstoring

geen significant effect

[17] Verstoring door mechanische effecten

geen significant effect

[18] Verandering in populatiedynamiek

geen significant effect

De realisatie van twee vrijstaande woningen aan de Duinrooslaan 3 te Bentveld leidt, met uitzondering van de effecten van stikstofdepositie, aannemelijk niet tot de aantasting van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Effecten van stikstofdepositie dienen met AERIUS te worden gekwantificeerd voordat geconcludeerd kan worden of de ontwikkeling uitvoerbaar is. Mitigerende maatregelen: -

Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient

hierbij een

faunavriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op lichtgevoelige soorten als vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

17

4 Literatuur Vos, A.E. (2019). Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Zuidlaan 51 en Duinrooslaan 3 te Bentveld. BE/2019/391R. Blom Ecologie B.V. Kooij, T. (2014). Verkennend onderzoek vleermuizen, Nationaal Park Zuid-Kennemerland. EKPZA ecologisch advies. Vos, A.E. (2021). Notitie ecologie Zuidlaan 51, Inhoudelijke reactie betreffende de zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan “Bentveld”. BE/2021/116/n. Blom Ecologie B.V. Van der Maarl, W., 2013. Bouwlawaai; hoe ermee om te gaan in de praktijk. Peutz. Geraadpleegde websites www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.synbiosys.alterra.nl www.waterpeilen.nl www.wetten.overheid.nl maps.bodemdata.nl

18

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11101442/1