Bijlage 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zandvoort 2024 inclusief toelichting
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zandvoort 2024 Besluit van de raad van de gemeente Zandvoort tot vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zandvoort 2024 De raad van de gemeente Zandvoort; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 2.1.1, 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, eerste lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving; gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door de raad vastgestelde beleidskaders: • •
Transformatienota sociaal domein BAZ NR: 2015/060879 ; Beleidskader Opvang, Wonen en Herstel 2022 tot en met 2027
overwegende dat: -
-
inwoners ieder op hun wijze hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; inwoners elkaar daarin naar vermogen bijstaan; inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie, of niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving in verband met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen, een beroep moeten kunnen doen op gemeentelijke ondersteuning, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; het noodzakelijk is om regels vast te stellen voor het verlenen van maatschappelijke ondersteuning; dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
besluit vast te stellen de: “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zandvoort 2024”.
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen In deze verordening staan de regels van de gemeente Zandvoort die door de gemeenteraad zijn vastgesteld voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
Artikel 1.1 Definities 1. In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder: - aanvullende ondersteuning: een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding en groepsbegeleiding, waarbij gezien de complexe situatie van de cliënt, ten opzichte van de algemene voorziening intensievere ondersteuning of aanvullende expertise nodig is; - adequate voorziening: de meest passende, tijdig beschikbare voorziening; - algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en vanuit een minimuminkomen kunnen worden bekostigd; - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - beschermd thuis: maatwerkvoorziening gericht op begeleiden van cliënten die zelfstandig wonen en die vanwege psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen, niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en onplanbare (zeer) intensieve gespecialiseerde begeleiding en 24-uurs beschikbaarheid van ondersteuning nodig hebben; - budgethouder: de cliënt waaraan een persoonsgebonden budget is verstrekt, wordt houder
van dat persoonsgebonden budget; - eigen bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; - gemeenschappelijke ruimte: een ruimte die niet tot de woonruimte van een cliënt behoort, maar die door een cliënt, vaak samen met andere bewoners, kan worden gebruikt; - hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres; - huisgenoot: de persoon die met de cliënt duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, zonder dat er sprake is van een commerciële huurders- of kostgangersrelatie; - inwoner: ingezetene van de gemeente Zandvoort; - melding: de mededeling aan het college, zoals beschreven in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - naturatarief: het tarief (inclusief btw) waarvoor de gemeente vergelijkbare diensten inkoopt; - onderzoeksverslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet.
Het onderzoeksverslag kan ook het ondersteuningsplan omvatten; - opvang slachtoffers huiselijk geweld: maatwerkvoorziening in Haarlem bestaande uit begeleid wonen (tijdelijke huisvesting en begeleiding), crisis- en noodopvang, bedoeld voor vrouwen met hun eventuele kinderen die vanwege huiselijk geweld, waaronder kindermishandeling, de thuissituatie hebben verlaten; - pgb-gesprek: in het geval de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor diensten wenst te ontvangen, vindt in de onderzoeksfase (en ook bij heronderzoek) een pgbgesprek plaats tussen de cliënt, diens eventuele pgb-vertegenwoordiger en een casemanager. In dit gesprek wordt het pgb-plan besproken en de pgb-vaardigheid getoetst; - pgb-plan: een plan waarmee de cliënt een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf ondersteuning in te kopen. In dit plan maakt de cliënt aan het college inzichtelijk welke ondersteuning hij wil inkopen voor het beschikbare budget, het te besteden bedrag per
-
-
-
-
hulpverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening, in welke mate hij pgb-vaardig is en indien van toepassing wie de cliënt vertegenwoordigt voor welke taken; pgb-vaardigheid: het vermogen van de cliënt die een pgb aanvraagt of ontvangt om zelf in te schatten welke ondersteuning nodig is, goede afspraken met hulpverleners te maken, de hulpverlener aan te sturen en een overzichtelijke pgb administratie bij te houden; pgb-vertegenwoordiger: een door de cliënt gemachtigde natuurlijke persoon die – in samenspraak met de cliënt - de aan het pgb verbonden taken (zowel ondersteuningshoudelijk als financieel-administratief) op zich neemt. sociaal netwerk: personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; trajectplan: de schriftelijke weergave van de in samenspraak met cliënt vastgelegde doelen en stappen richting zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de wet; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; zelfstandige woning: een woning met eigen toegang, eigen keuken, toilet en sanitair.
2. Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet verder zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de daarop gebaseerde regelgeving of de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1.2 Op wie is de verordening van toepassing? 1. Deze verordening richt zich op personen: a. die hun woonplaats hebben in de gemeente Zandvoort; en b. die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en daarbij ondersteuning nodig hebben; of c. die als mantelzorger ondersteuning bieden aan een inwoner van de gemeente Zandvoort. 2. In afwijking van het eerste lid richt de verordening zich wat betreft maatschappelijke opvang en beschermd wonen op ingezetenen van Nederland die bij de gemeente ondersteuning zoeken.
Artikel 1.3 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning 1. De door het college aangeboden maatschappelijke ondersteuning levert een bijdrage aan het realiseren van een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie. 2. Maatwerkvoorzieningen zijn altijd gericht op de unieke situatie van de cliënt en zijn leefomgeving en de inzet wordt integraal (dus ook vanuit andere domeinen als jeugd, werk en inkomen en wonen) afgewogen.
HOOFDSTUK 2 Toegang tot maatschappelijk ondersteuning Artikel 2.1 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Inwoners die hulp nodig hebben kunnen een melding doen bij het college. De inwoner of de vertegenwoordiger kan deze melding op de volgende manieren doen: telefonisch, mondeling, schriftelijk of digitaal. 2. Het college zorgt dat inwoners eenvoudig een melding kunnen doen. 3. Na ontvangst van de melding stelt het college vast of het een melding betreft die past binnen de wet. Als dit niet het geval is wordt de inwoner doorverwezen.
4. Het college informeert de cliënt of de vertegenwoordiger, in duidelijke en begrijpelijke taal, over de rechten, plichten en de vervolgprocedure van de melding.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college biedt gratis onafhankelijke cliëntondersteuning aan de cliënt of de mantelzorger. 2. De cliëntondersteuner is aangesloten bij het Registratieplein voor beroepsregisters en/of aangesloten bij de Beroepsvereniging van cliëntondersteuners voor mensen met een beperking (BCMB). 3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.
Artikel 2.3 Onderzoek 1. Naar aanleiding van een melding voert het college binnen zes weken, overeenkomstig artikel 2.3.2 van de wet, een onderzoek uit naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 2. Een gesprek met de cliënt en zijn eventuele vertegenwoordiger maakt deel uit van het onderzoek. Aan het gesprek kunnen ook de partner, kinderen, mantelzorger en andere personen uit het sociaal netwerk en de cliëntondersteuner deelnemen.
Artikel 2.4 Onderzoeksverslag 1. Het college stuurt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de cliënt of de vertegenwoordiger. 2. De cliënt kan opmerkingen of aanvullingen op het onderzoeksverslag aangeven. Deze worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd. 3. In het onderzoeksverslag neemt het college ook op of er behoefte is aan maatregelen om de mantelzorger te ondersteunen. 4. Het college kan nadere regels stellen over de methodiek en de procedure waarmee het onderzoeksverslag tot stand komt.
Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening 1. Na een melding en het onderzoek, of zes weken na de melding, kan een cliënt een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. De aanvraag moet schriftelijk of digitaal worden ingediend. 2. De cliënt dient een aanvraag in met een door het college vastgesteld aanvraagformulier of door middel van het door de cliënt ondertekende onderzoeksverslag. 3. Het college kan in dringende gevallen besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. 4. Het college kan nadere regels stellen over de wijze van indiening van een aanvraag.
Artikel 2.6 Advisering Het college kan ervoor kiezen om, voor afhandeling van een melding en/of een aanvraag, door een externe deskundige advies te laten uitbrengen. Het deskundigenadvies wordt door het college betrokken bij de beoordeling van de melding en/of de aanvraag.
Artikel 2.7 Inhoud van de beschikking 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken gemotiveerd vast in een beschikking. 2. Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is; b. wat het te behalen resultaat is; c. de ingangsdatum en de duur van de ondersteuning die wordt verstrekt, voor zover dit door het college wordt bepaald; d. door welke partij(en) de ondersteuning wordt geboden; e. of een eigen bijdrage verschuldigd is; en f. welke voorwaarden en verplichtingen gelden voor de cliënt bij het ontvangen van de ondersteuning. 3. Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. voor welke maatwerkvoorziening het persoonsgebonden budget kan worden aangewend; b. wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is; c. hoe de hoogte van het persoonsgebonden budget is bepaald; d. voor welke duur het persoonsgebonden budget wordt verstrekt; e. welke voorwaarden en verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden budget; f. of een eigen bijdrage verschuldigd is; g. welke kwaliteitseisen gelden voor de met het persoonsgebonden budget in te kopen ondersteuning; en h.
welke regels gelden ten aanzien van facturering en verantwoording van het persoonsgebonden budget. 4. Bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in elk geval vastgelegd: a. voor welk doel de tegemoetkoming wordt gegeven; b. wanneer de tegemoetkoming wordt betaald; c. hoe vaak de tegemoetkoming wordt betaald; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het ontvangen van de tegemoetkoming.
HOOFDSTUK 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Bepalingen rondom de algemene voorzieningen 1. Het college zorgt ervoor dat er voldoende algemene voorzieningen beschikbaar zijn die bijdragen aan de zelf- en samenredzaamheid en de participatie van inwoners. 2. Een algemene voorziening kan ingericht zijn voor alle inwoners van Zandvoort of voor een specifieke doelgroep. 3. De algemene voorziening geldt als preventief en als voorliggend op de maatwerkvoorziening. 4. Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden. Onder andere om vast te stellen of: a. de cliënt tot de Wmo doelgroep behoort; en b. de algemene voorziening voldoende compensatie biedt en passend is voor een hulpvraag. 5. Het college kan nadere regels stellen omtrent onder andere de doelgroep en de procedure voor het gebruik van een algemene voorziening.
Artikel 3.2 Welke ondersteuning is beschikbaar als algemene voorziening? 1. Algemene voorzieningen zijn er in de vorm van dienstverlening voor: a) Welzijnswerk en buurtgerichte (inwoners)initiatieven; b) Duurzaam sociaal contact en ontmoeting; c) Recreatieve activiteiten gericht op contact en ontmoeting; d) Arbeidsmatige activiteiten voor behoud en ontwikkeling van werknemersvaardigheden; e) Onafhankelijke cliëntondersteuning; f) Informatie en advies; g) Begeleiding; h) Ondersteuning bij de financiële huishouding; i) Ondersteuning bij opgroeien en opvoeden; j) Versterking van de vrijwillige inzet, mantelzorgondersteuning en informele netwerken; k) Informatie en ondersteuning ter bevordering van een gezonde leefstijl; l) Ondersteuning bij het zelfstandig leven en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; m) Ondersteuning bij het kunnen aangaan en onderhouden van sociale relaties en/of maatschappelijk participeren; n) Ondersteuning bij het stabiel functioneren en participeren in de samenleving (meedoen); o) Woondiensten gericht op het zelfredzaam zijn in en om het huis; p) Mogelijkheden om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen in een andere, beter geschikte woning gelet op het ouder worden; q) Huishoudelijke ondersteuning gericht op het ‘schoon en leefbaar houden van de woning’ en het ‘beschikken over schone en draagbare kleding’; r) Het kortdurend
opvangen van dak- en thuislozen; s) Het ontlasten van mantelzorgers door kortdurend verblijf te bieden aan cliënten. 2. Ten behoeve van de toegankelijkheid van de gemeentelijke dienstverlening, wordt de ondersteuning vanuit Gewoon in Zandvoort in beginsel aangeboden als algemene voorziening.
Artikel 3.3 Dienstverlening door het wijkteam 1. In het dorp is een wijkteam actief waar inwoners naar toe kunnen komen voor dienstverlening. 2. Het wijkteam biedt binnen de maatschappelijke ondersteuning individuele en collectieve vormen van ondersteuning. Het wijkteam biedt aan alle inwoners en hun netwerk informatie, advies en ondersteuning, op verschillende leefgebieden. 3. De dienstverlening is gericht op het bevorderen of stabiliseren van de zelfredzaamheid en het meedoen in de maatschappij of het begeleiden van achteruitgang.
Artikel 3.4 Huishoudelijke ondersteuning 1. Huishoudelijke ondersteuning is beschikbaar voor inwoners die als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen of chronisch psychische of psychosociale problemen, niet in staat zijn (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren, maar nog wel in staat zijn om regie over het huishouden te voeren. 2. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. 3. Huishoudelijke ondersteuning kan gericht zijn op de volgende resultaten: a. schoon en leefbaar houden;
b. beschikken over schone- en draagbare kleding. 4. Een cliënt komt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning voor zover één of meer huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen verlenen.
Artikel 3.5 Kortdurend verblijf Het college biedt aan cliënten kortdurend verblijf als er zonder de inzet hiervan overbelasting van de mantelzorger dreigt.
Artikel 3.6 Kortdurende dak- en thuislozen opvang, noodopvang en winternoodopvang 1. Het college draagt binnen het kader van de opvang voor dak- en thuislozen zonder verblijfsalternatief zorg voor de mogelijkheid van kortdurend voltijd verblijf, in elk geval met een slaapplaats, douche en eventueel andere diensten of faciliteiten. 2. Kortdurende dak- en thuislozen opvang is beschikbaar voor personen die feitelijk dakloos zijn en die beperkt zelfredzaam zijn op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden. 3. In de kortdurende dak- en thuislozenopvang wordt praktische ondersteuning geboden. 4. Het college draagt zorgt voor noodopvang voor personen die feitelijke dakloos zijn maar wel verantwoordelijk kunnen worden gehouden zorg te dragen voor eigen huisvesting en die voorafgaand aan de dakloosheid minimaal twee jaar in Zandvoort woonden en stonden ingeschreven. (buitenwettelijk begunstigend beleid) 5. Het college draagt zorg voor winternoodopvang in de wintermaanden (1december tot 1 april) en wanneer de gevoelstemperatuur daalt onder de -10 °C (-10 graden Celsius).
HOOFDSTUK 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Welke ondersteuning is beschikbaar als maatwerkvoorziening Maatwerkvoorzieningen zijn er onder andere in de vorm van: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
Maatschappelijke opvang; Beschermd wonen; Beschermd thuis; Opvang slachtoffers huiselijk geweld; Huishoudelijke ondersteuning; Aanvullende ondersteuning; Collectief- en individueel vervoer; Sporthulpmiddel; Woningaanpassing; Woonvoorzieningen; Dagbesteding.
Artikel 4.2 Algemene voorwaarden voor een maatwerkvoorziening
1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: a) de (versterking van de) eigen kracht; en/of b) gebruikelijke hulp; en/of c) mantelzorg; en/of d) de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers; en/of e) een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd; en/of f) voorliggende voorzieningen; en/of g) algemene voorzieningen; en/of h) andere voorzieningen. 2. Als een maatwerkvoorziening nodig is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 3. Het college kan nadere regels stellen met aanvullende criteria voor maatwerkvoorzieningen.
Artikel 4.3 Maatschappelijke opvang 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang als: a. de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie in de samenleving; en b. de cliënt de thuissituatie heeft verlaten; en c. de cliënt deze problemen niet kan wegnemen door gebruik te maken van oplossingen zoals beschreven in artikel 4.2 lid 1, onder a t/m h; en d. de cliënt te maken heeft met ernstige somatiek, recidiverende dakloosheid of een complexe combinatie van ernstige verslaving en psychiatrie of van psychiatrie en een lichtverstandelijke beperking of van ernstige verslaving en een lichtverstandelijke bepekring; en e. wordt voldaan aan de regels voor landelijke toegankelijkheid volgens het Convenant Landelijke Toegankelijkheid van de VNG. 2. De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang, bestaande uit onderdak en begeleiding, wordt in beginsel verstrekt voor zes maanden. 3. De verstrekking van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang kan worden verlengd met in beginsel drie maanden. 4. Het college weigert een aanvraag voor verlenging van de maatwerkvoorziening indien de cliënt niet meer voldoet aan de omschrijving van het eerste lid of wanneer een cliënt aantoonbaar niet meewerkt aan begeleiding en het vinden van ander onderdak.
Artikel 4.4 Beschermd wonen In aanvulling op artikel 4.2 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en hij als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c. de cliënt geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en d. niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24 uurs ondersteuning.
Artikel 4.5 Aanvullende voorwaarden maatschappelijke opvang en beschermd wonen
1. Het college stelt voorwaarden aan cliënten aan wie opvang of beschermd wonen wordt geboden, verband houdende met het bereiken van een als noodzakelijk vastgesteld ondersteuningsdoel. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: a. de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsplan; c. het door de cliënt naleven van de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen; d. het betalen van de eigen bijdrage; e. volledige medewerking van de cliënt bij het toewerken naar uitstroommogelijkheden. 2. Het college kan nadere regels stellen inzake toelating tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen.
Artikel 4.6 Beschermd thuis In aanvulling op artikel 4.2 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd thuis als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en de cliënt als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c. de cliënt een hulpvraag kan stellen en deze hulpvraag met een dagdeel kan uitstellen; en d. zelfstandig kan wonen met begeleiding die 24 uur bereikbaar is; en e. de cliënt deze begeleiding accepteert.
Artikel 4.7 Opvang slachtoffers huiselijk geweld 1. In aanvulling op artikel 4.2 kan een cliënt in aanmerking komen voor begeleid wonen, crisis- of noodopvang in het kader van huiselijk geweld indien: a. er als gevolg van huiselijk geweld en/of mensenhandel, sprake is van risico’s voor de veiligheid van een persoon en diens eventuele kinderen, als gevolg waarvan de thuissituatie verlaten moet worden; en b. de persoon minimaal 18 jaar is en geen mogelijkheden heeft om met hulp uit het sociaal netwerk een veilige situatie te creëren of niet zelfstandig in staat is om in alternatieve huisvesting te voorzien; of c. als er sprake is van kindermishandeling, als gevolg waarvan de opvang van kind(eren) met hun beschermende ouder/verzorger en eventuele broers en zussen noodzakelijk is. 2. Wanneer de situatie dat toelaat kan het college begeleiding aan huis inzetten.
Artikel 4.8 Huishoudelijke ondersteuning 1. Het college kan een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekken indien de cliënt als gevolg van aantoonbare lichamelijke beperkingen of chronisch psychische of psychosociale problemen, niet in staat is (een deel van) de huishoudelijke taken uit te voeren en niet in staat is om regie over het huishouden te voeren en dit niet kan oplossen met de algemene voorziening. 2. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen ingezet in woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. 3. Huishoudelijke ondersteuning kan gericht zijn op de volgende resultaten: a. schoon en leefbaar houden; b. beschikken over schone- en draagbare kleding; c. beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden;
d. thuis kunnen zorgen voor minderjarige kinderen; e. organiseren van het huishouden. 4. Een cliënt komt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning voor zover één of meer huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen verlenen.
Artikel 4.9 Aanvullende ondersteuning Het college kan een maatwerkvoorziening aanvullende ondersteuning verstrekken als uit het onderzoek blijkt dat de cliënt niet in staat is om zelf of met zijn netwerk of met een algemene voorziening de oplossing te organiseren.
Artikel 4.10 Collectief en individueel vervoer 1. Het college kan een maatwerkvoorziening collectief vervoer verstrekken als de cliënt niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer en van voorliggende verplaatsingsvoorzieningen (waaronder een eigen auto en fiets). 2. Het college kan een maatwerkvoorziening individuele vervoersvoorziening verstrekken als deze langdurig noodzakelijk is en het collectief vervoer de vervoersbehoefte niet volledig dekt. 3. Bij de verstrekking van collectief- of individueel vervoer houdt het college rekening met verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 4. Collectief en individueel vervoer maken maatschappelijke participatie mogelijke met een omvang tot 2.000 kilometer per jaar.
Artikel 4.11 Sporthulpmiddel Het college kan een sporthulpmiddel verstrekken wanneer dit nodig is voor structureel sporten en bewegen (wekelijkse sport- en/of beweegdeelname).
Artikel 4.12 Woningaanpassing 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening woningaanpassing alleen als: a. de woningaanpassing ziet op woonruimte die daadwerkelijk in gebruik is; en b. de woningaanpassing ziet op woonruimte waarvan de aanpassing langdurig noodzakelijk is voor het normale gebruik van de woning; en c. er aantoonbare beperkingen zijn bij het normaal gebruik van de woning; en d. de woonruimte geschikt is voor permanente bewoning; en e. er sprake is van een zelfstandige woning die als hoofdverblijf dient of zal dienen na een noodzakelijke verhuizing; en f. de aan te passen woning in de gemeente Zandvoort staat; en g. de kosten van noodzakelijke woningaanpassingen onder € 10.000,- blijven. 2. Als er zwaarwegende redenen zijn waarom een verhuizing niet kan plaatsvinden kan de woning worden aangepast indien de kosten van noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000,-. 3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het verstrekken van woningaanpassingen aan woongebouwen en/of instellingen ten behoeve van haar bewoners, die specifiek gericht zijn op ouderen en/of mensen met beperkingen, voor zover het betreft: a. voorzieningen die tot de basisoutillage gerekend kunnen worden; b. voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
4. De aanvraag voor een woningaanpassing wordt geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen – op dat moment beschikbare – meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning het gevolg zijn van de aard van de in de woning gebruikte materialen; e. de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud of bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld in deze tijd; f. het gaat om woningaanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van: i. het verbreden van toegangsdeuren; ii. het aanbrengen van elektrische deuropeners; iii. het aanbrengen van drempelhulpen en vlonders; iv. het aanbrengen van een tweede trapleuning in een portiekwoning of; v. het realiseren van een stallingsplaats voor hulpmiddelen.
Tenzij deze woningaanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte om veiligheids- en/of uitvoeringstechnische redenen niet geplaatst kunnen worden.
Artikel 4.13 Woningaanpassing bij verblijf in een instelling 1. Het college kan aan een cliënt die in een Wet langdurige zorg (Wlz)- instelling verblijft een hulpmiddel en een woningaanpassing verstrekken voor het bezoekbaar maken van één woonruimte in de gemeente Zandvoort, onder de voorwaarde dat deze woonruimte regelmatig wordt bezocht. 2. Onder het bezoekbaar maken van de woonruimte wordt uitsluitend verstaan dat de cliënt deze woning kan betreden en de woonkamer en het toilet kan bereiken en gebruiken.
Artikel 4.14 Dagopvang 1. Het college verstrekt dagopvang aan inwoners van de gemeente Zandvoort die te maken hebben met beperkingen als gevolg van het ouder worden, psychosociale of psychiatrische problematiek, een verstandelijke beperking, een lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronische ziekte of verslavingsproblematiek, als zij niet voldoende kunnen worden ondersteund met de inzet van gebruikelijke zorg, mantelzorg of een algemene voorziening. 2. Dagopvang draagt bij aan: a. structuur en veiligheid; b. duurzaam sociaal contact/ontmoeting; c. het ontwikkelen en het behouden van (nieuwe) vaardigheden en interesses; d. de toeleiding naar vrijwillige en arbeidsmatige werkzaamheden; e. ontlasting van mantelzorger(s).
Artikel 4.15 Financiële tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten
1. Ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie kan het college op aanvraag een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting verstrekken indien: a. de aanvrager vanwege onverwachte medische reden genoodzaakt is te verhuizen naar een zelfstandige woning; en b. de aanvrager de verhuizing niet op eigen kracht kan realiseren; en c. de verhuizing plaatsvindt naar een woning, die het gehele jaar mag worden bewoond; en d. de woning binnen Nederland staat; en e. de nieuwe woning voldoet aan het pakket van eisen dat met een termijn van 12 maanden wordt afgegeven door het college. 2. Het college kan jaarlijks de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing en inrichting vaststellen. 3. De financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt uitbetaald nadat het door het college vastgestelde verhuisformulier is ingediend en aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan.
Artikel 4.16 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren Het college weigert een maatwerkvoorziening als: a. de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met een algemene voorziening, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie; of b. de cliënt onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn ondersteuningsbehoefte; of c. de maatwerkvoorziening, gezien de beperkingen van de cliënt, voor zichzelf of anderen onveilig is, niet passend is en/of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; of d. het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met een redelijkerwijs genomen beslissing had kunnen voorkomen; of e. er sprake is van een verzoek tot vervanging van een eerder geboden voorziening terwijl de eerde geboden voorziening nog voldoende ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven, tenzij: i. de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; ii. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of f.
de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte passende maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken, maar deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; of g. de kosten van de maatschappelijke ondersteuning waarvoor een aanvraag is gedaan al zijn gemaakt en/of deze ondersteuning al tot stand is gekomen voor de datum van de melding; of h. de noodzaak voor de voorziening achteraf niet meer is vast te stellen; of i. de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kunnen worden, en hierdoor onnodig een beroep of een te zwaar beroep op maatschappelijke ondersteuning doet; of j. er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een essentiële bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat.
HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 5.1. Algemene voorwaarden voor een pgb 1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget wanneer er recht is op een maatwerkvoorziening en voldaan is aan de voorwaarden die de wet stelt. 2. Als de cliënt een maatwerkvoorziening voor diensten in de vorm van een pgb wil ontvangen, stelt de cliënt een pgb-plan op en verstrekt hij dat plan tijdens het onderzoek aan het college. Hiervoor maakt de cliënt gebruik van een door het college vastgesteld formulier voor een pgbplan. Dit pgb-plan wordt besproken tijdens een apart pgb-gesprek. 3. Een pgb wordt alleen verstrekt als tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding is vastgesteld dat cliënt en/of zijn pgb-vertegenwoordiger voldoende pgb-vaardig is. 4. Een pgb voor diensten wordt voor maximaal twee jaar afgegeven.
Artikel 5.2. Rechten en plichten budgethouder 1. Het pgb is bedoeld voor het inkopen van ondersteuning zoals in de beschikking is opgenomen. 2. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. eenmalige uitkeringen of feestdagenuitkeringen; e. parkeerkosten; f. reiskosten los van de ondersteuning. 3. Betaling van de ondersteuning met een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. Een budgethouder mag zijn hulpverlener alleen de daadwerkelijk geleverde ondersteuning bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) laten declareren (facturering achteraf, per uur), tenzij het een pgb voor beschermd wonen in een 24-uursvoorziening betreft. 4. Declareren door- of namens de budgethouder kan tot drie maanden nadat de dienst is geleverd aan de budgethouder. 5. De pgb-vertegenwoordiger mag niet tevens de ondersteuning leveren die met het pgb wordt ingekocht en mag ook niet werkzaam zijn voor de organisatie, of anderszins een relatie hebben met de organisatie, waar deze ondersteuning wordt ingekocht. 6. Inzet van het pgb buiten de gemeente Zandvoort kan alleen voor zover het college daartoe toestemming heeft verleend. 7. Een pgb voor huishoudelijke ondersteuning mag niet buiten de gemeente Zandvoort worden besteed. 8.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van het pgb-plan.
Artikel 5.3 Redenen om een pgb te weigeren In de volgende situaties verstrekt het college geen pgb: a. als niet is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt; b. als de cliënt, of de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de cliënt jonger dan 18 jaar is, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; c. als ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van de ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;
d. indien er sprake is van een spoedeisend geval, zoals benoemd in de wet; e. indien er sprake is van ondersteuning die door het college ambtshalve is verleend; f. als uit het door de cliënt ingediende pgb-plan en het pgb-gesprek blijkt dat de kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende gewaarborgd is; g. voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang en opvang slachtoffers huiselijk geweld; h. indien het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij is voldaan aan door het college gestelde voorwaarden.
Artikel 5.4 De hoogte van het pgb 1. De hoogte van het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld en door het college goedgekeurd plan inzake de besteding van het pgb; en b. wordt berekend op basis van een tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede maatwerkvoorziening van derden te betrekken. Zo nodig wordt dit aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering; en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. 2. De hoogte van het pgb voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen is niet hoger dan de totale huur- of koopprijs van de goedkoopst adequate voorziening die aan de aanbieder voor de standaard productcategorieën verschuldigd zou zijn over een periode van 6 jaar of, in het geval van een traplift, een periode van 10 jaar. In de kosten is ook rekening gehouden met kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering. 3. Indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening een (roerende) voorziening buiten de standaard productcategorieën van de aanbieder is, bestaat het pgb uit twee componenten: a. een bedrag, bestemd voor de aanschafkosten van de goedkoopst adequate voorziening; en b.
een bedrag, bestemd voor de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van de voorziening, dat maximaal 25% van de kosten van aanschaf van de goedkoopst adequate voorziening kan bedragen. 4. Het college stelt aan de hand van de criteria ‘noodzakelijk’ en ‘goedkoopst adequaat’ de omvang van voornoemde bedragen vast aan de hand van de uitkomst van twee offertes, uitgebracht door een leverancier naar keuze. Van deze offertes wordt er één opgevraagd door de gemeente en één door de cliënt. Bij twijfel over het goedkoopst adequate karakter van de offerte van de (gemeentelijke) leverancier, kan het college nog een offerte opvragen bij een andere leverancier. 5. Het is mogelijk om in plaats van het collectief vervoer in aanmerking te komen voor een pgb voor lokaal vervoer. De hoogte van dit pgb stelt de cliënt in staat om 2.000 kilometer op jaarbasis te reizen op basis van een kilometervergoeding ter hoogte van de door de Belastingdienst bepaalde onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer. Gehuwden krijgen naar rato een lager tarief (150 % van het tarief voor één persoon), omdat er sprake is van een samenvallende vervoersbehoefte. 6. De hoogte van het pgb voor huishoudelijke ondersteuning die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 85% van het toepasselijke naturatarief. 7.
De hoogte van het pgb voor aanvullende ondersteuning die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 100% van de hoogte van de reële tarieven zoals die in de omliggende gemeenten worden gehanteerd voor vergelijkbare ondersteuning in natura. 8. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 95% van het toepasselijke naturatarief. 9. De hoogte van het pgb voor ondersteuning die wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, zoals bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, wordt jaarlijks door het college vastgesteld.
10. De tarieven genoemd onder lid 6 t/m 8 zijn all-in tarieven. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens ziekte en vakantie, verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in de tarieven. 11. De specifieke bedragen van de tarieven voor het pgb worden door het college op basis van dit artikel vastgesteld.
Artikel 5.5 Pgb formele- en informele hulp 1. Een cliënt kan aanvullende ondersteuning, huishoudelijke ondersteuning, beschermd wonen en beschermd thuis vanuit een pgb voor diensten inkopen bij een professionele aanbieder. 2. Een cliënt kan individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning vanuit een pgb inkopen bij een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. 3. Met een pgb ondersteuning inkopen bij een persoon uit het sociaal netwerk is alleen toegestaan als: a. deze persoon in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan 2 jaar; en b. deze persoon beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; en c. deze persoon niet zelf een pgb heeft; en d. aan deze persoon geen maatwerkvoorziening is verstrekt; en e. deze persoon heeft aangegeven dat de ondersteuning aan de cliënt hem niet te zwaar valt; en f. de relatie tussen deze persoon en de cliënt het adequaat werken aan de doelen van de ondersteuning niet in de weg staat; en g. deze persoon niet het pgb beheert behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden. 4. Er is sprake van professionele ondersteuning/formele hulp als de ondersteuning geboden wordt door personen die: a. hun werkzaamheden beroepsmatig uitvoeren; en b.
werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); en c. beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn vooruitoefening van de desbetreffende taken; en d. in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouders is dan 2 jaar; of e. aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel; en f. ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); en g. in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouders is dan 2 jaar; en h. beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 5.6 Specifieke voorwaarden bij de inzet van een pgb voor beschermd wonen en beschermd thuis 1. Een pgb voor beschermd wonen in een instelling wordt alleen verstrekt indien een instelling 24uurs verblijf biedt. 2. Een pgb voor beschermd thuis wordt alleen verstrekt indien de 24-uurs beschikbare begeleiding wordt geboden door een professional.
3. De budgethouder kan het pgb voor beschermd wonen en beschermd thuis inzetten voor ondersteuning tijdens verblijf in de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer.
HOOFDSTUK 6 Bijdrage voor het gebruik van voorzieningen Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s en aangewezen algemene voorzieningen 1. Het college vraagt een eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb of aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4, derde lid van de wet): a. zolang de cliënt de maatwerkvoorziening gebruikt of in het bezit is van de voorziening; b. bij een periodieke verstrekking van een pgb: over iedere periode waarover een pgb is verstrekt; c. zolang de cliënt gebruik maakt van de bij verordening aangewezen algemene voorziening. 2. De looptijd van de eigen bijdrage eindigt zodra de kostprijs van een voorziening is voldaan of zodra aangegeven wordt dat geen gebruik meer wordt gemaakt van een voorziening of zodra een maatwerkvoorziening is ingetrokken. 3. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende algemene voorzieningen: a. huishoudelijke ondersteuning; b. kortdurende dak- en thuislozen opvang; c. noodopvang; d. winternoodopvang fase 1 e. kortdurend verblijf. 4. Tenzij anders bepaald, is de hoogte van de eigen bijdrage het landelijk vastgestelde bedrag op grond van art. 2.1.4, derde lid van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 6.2 Hoogte bijdrage in de kosten voor het gebruik van algemene voorzieningen 1. De bijdrage voor kortdurend verblijf bedraagt €15,- per etmaal per cliënt. 2. De bijdrage in de kosten voor kortdurende dak- en thuislozen opvang voor personen ouder dan 22 jaar bedraagt: a. €5,75- per etmaal per volwassene of €166,- per maand per volwassene; b. €0,- voor personen zonder inkomen. 3. De bijdrage voor noodopvang voor zelfredzame personen uit de gemeente Zandvoort bedraagt €16,50 per etmaal per volwassene. 4. Het innen van de eigen bijdrage voor kortdurend verblijf gebeurt door de instelling die het kortdurend verblijf verzorgt, tenzij het college in de afspraken met de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt. 5. Het innen van de eigen bijdrage voor de kortdurende dak- en thuisloze opvang en de noodopvang gebeurt door de instelling die deze voorzieningen verzorgt, tenzij het college in de afspraken met de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt.
Artikel 6.3 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor alle maatwerkvoorzieningen met uitzondering van:
a. b. c. d. e. f. g.
aanvullende ondersteuning; opvang voor dakloze jongeren van 18 tot 23 jaar; begeleiding als onderdeel van een opvangvoorziening; aanpassing in een gemeenschappelijke ruimte; een eerste grote schoonmaak bij zwaar vervuilde huishoudens; een financiële tegemoetkoming; een pgb voor collectief vervoer zoals omschreven in artikel 4.10 eerste lid van de verordening. 2. In overeenstemming met artikel 3.8, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bestaat de hoogte van de ritbijdrage voor het gebruik van het collectief vervoer uit een starttarief en een tarief per gereden kilometer, gelijk aan het kilometertarief dat in het openbaar busvervoer verschuldigd is. Het college stelt jaarlijks de hoogte van het starttarief vast. 3. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen. 4. Het innen van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang gebeurt door de instelling die de maatschappelijke opvang verzorgt of door de Brede Centrale Toegang (BCT). Tenzij het college in de afspraken met de instelling of anderszins hiervan nadrukkelijk afwijkt.
Artikel 6.4 Berekening bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen of pgb 1. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald op de maxima die de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stellen. De eigen bijdrage is niet hoger dan de kostprijs van de voorziening. 2. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is maximaal gelijk aan de prijs waarvoor het college de voorziening in natura afneemt van een leverancier/ aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten. 3. De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, opvang of beschermd wonen, wordt als volgt berekend: a. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is die gelijk aan de huur die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is; b. als er sprake is van een maatwerkvoorziening in natura die door de gemeente wordt ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is aan aanbieder. 4. De kostprijs van de maatwerkvoorziening die wordt gebruikt voor de berekening van de eigen bijdrage is gelijk aan de goedkoopste ingekochte adequate voorziening. 5. De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb dat is verstrekt. 6.
De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat over deze periode is verstrekt. 7. De kostprijs van een traplift wordt vastgesteld op de gemiddelde prijs per verstrekking. 8. De kostprijs van dienstverlening of beschermd wonen in natura wordt maandelijks vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening, of beschermd wonen over die periode verschuldigd is. 9. De hoogte van de eigen bijdrage voor de opvang slachtoffers huiselijk geweld wordt jaarlijks vastgesteld op grond van de geldende bijstandsnormen, waarbij de cliënt minimaal zak- en kleedgeld en geld voor voeding (Nibud norm) plus de nominale premie ziektekosten minus de zorgtoeslag (indien van toepassing) overhoudt. 10. De verschuldigde eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang is een vastgesteld bedrag afhankelijk van de soort voorziening.
11. Het college kan nadere regels stellen over de berekening en inning van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang.
Artikel 6.5 Compensatie gebruikskosten 1. De aanbieder van een algemene- of een maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een compensatie vragen voor de kosten die de aanbieder maakt voor diensten of producten die aanvullend op de voorziening worden aangeboden en waarvan de cliënt gebruik maakt. Het gaat hierbij in elk geval om kosten voor het gebruik van consumpties en maaltijden. 2. De compensatie, bedoeld in het vorige lid, geldt niet als bijdrage als bedoeld in de Wmo en is maximaal de hoogte van de kosten als bedoeld in het eerste lid. De bijdrage in de kosten is gelijk aan de kosten die het NIBUD gebruikelijk acht voor de betreffende kostensoort in een normaal huishouden en nooit hoger dan de kostprijs. 3. De aanbieder maakt de hoogte van de verschuldigde kosten zoals hiervoor bedoeld zichtbaar voor de cliënten die de voorziening van hem betrekken.
HOOFDSTUK 7 KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen dat voorzieningen die het college in het kader van deze verordening aanbiedt veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn en dat ondersteuning geboden wordt door deskundig personeel. 2. Het college neemt in de contracten en in subsidieafspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche gelden. 3. Het college stelt nadere eisen met betrekking tot de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. Hierbij neemt het college minimaal de volgende eisen mee: a. de voorzieningen worden afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. de voorzieningen worden afgestemd met andere vormen van zorg en welzijn; c. beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. de voorzieningen zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de cliënt; e. aanbieders respecteren de rechten van de cliënt. 4. De eisen die het college stelt met betrekking tot de kwaliteit van voorzieningen zijn van overeenkomstige toepassingen op de ondersteuning die met de inzet van pgb wordt ingekocht. 5.
Onverminderd de bestuursrechtelijke en civielrechtelijke handhavingsbevoegdheden handhaaft het college deze nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieder(s) en de cliëntenra(a)den, het ter plaatse (laten) controleren van de geleverde voorzieningen en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. 6. Aanbieders zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 7. Het college maakt afspraken met aanbieders op welke wijze zij kunnen signaleren dat de cliënt een veranderde behoefte aan maatschappelijke ondersteuning heeft.
Artikel 7.2 Inkoop en aanbesteding
1. Het college zorgt dat de kwaliteit van de voorzieningen in het kader van deze verordening een doorslaggevende rol speelt bij het inkopen en contracteren van aanbieders en houdt zich aan de bepalingen in de wet en de geldende Aanbestedingswetgeving. 2. Het college houdt, in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. reële kosten voor beroepskrachten gebaseerd op de geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst en andere wettelijke bepalingen; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve-uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; en e. indexatie van lonen binnen de overeenkomsten. 3. Het college houdt, in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren producten, in ieder geval rekening met: a. een marktconforme prijs; en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii. instructie over gebruik van de voorziening; iii. onderhoud, en keuring van de voorziening.
Artikel 7.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening aan de toezichthoudend ambtenaar en aan het college. 3. De toezichthoudend ambtenaar kan onderzoek doen naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan in een nadere regeling bepalen welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 7.4 Klachtenregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle aangeboden voorzieningen in het kader van deze verordening. 3. Het college controleert op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.
Artikel 7.5 Onderzoek naar kwaliteit en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en doelmatigheid daarvan. 2. Het college stelt bij nadere regels vast volgens welke procedure deze controle plaats vindt.
HOOFDSTUK 8 TOEZICHT EN HANDHAVING Artikel 8.1 Toezichthouder 1. De toezichthouder die het college op grond van artikel 6.1, eerste lid van de wet aanwijst is belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; d. vorderen van identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen en het betreden van woningen (dat laatste met toestemming van de bewoner en met in achtneming van de Algemene wet op binnetreden); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. 2. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Artikel 8.2 Intrekken, schorsen, herzien of niet verstrekken van een maatwerkvoorziening, ten behoeve van bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen kan het college een maatwerkvoorziening herzien, intrekken, schorsen of niet verstrekken als: a. het college niet kan vaststellen of een maatwerkvoorziening bijdraagt aan de hulpbehoefte van de cliënt, omdat de cliënt onvoldoende meewerkt aan een (medisch)onderzoek naar het doel, de inhoud en de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de noodzaak van de ondersteuning; b. de cliënt niet binnen drie maanden nadat het recht op een maatwerkvoorziening is vastgesteld, gebruik heeft gemaakt van de maatwerkvoorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is; c. de cliënt de voorziening waar gebruik van wordt gemaakt voor een ander doel gebruikt dan is beoogd; d. de cliënt tijdens het gebruik van de maatwerkvoorziening de veiligheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn eigen voorziening of die van anderen in gevaar brengt; e. de cliënt zich agressief gedraagt tegenover medegebruikers van de voorzieningen en tegenover personeel van de aanbieders; f. een aanbieder beargumenteerd de bruikleenovereenkomst van een voorziening met een cliënt beëindigt. 2.
Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs of de verstrekte voorzieningen of het pgb worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 3. Het college informeert de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle.
Artikel 8.3 Maatregelen bij wangedrag
1. Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, treft het college – al dan niet tijdelijk – maatregelen jegens de cliënt ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of andere cliënten of ter voorkoming van (verdere) schade aan de (in bruikleen) verstrekte voorziening. 2. Bij een herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot schorsing of beëindiging van de verstrekte maatwerkvoorziening of beëindiging van de toegang tot de algemene voorziening. 3. Het college kan nadere regels stellen
Artikel 8.4 Terugvordering bij aanbieder 1. Het college kan tot terugvordering van een maatwerkvoorziening, al dan niet verstrekt in de vorm van een pgb, bij de aanbieder overgaan indien: a. De aanbieder geld heeft ontvangen voor ondersteuning die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend; of b. De ondersteuning door de aanbieder voor een ander doel is ingezet, dan waarvoor het is toegekend. 2. In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de aanbieder, die binnen 4 weken moet worden voldaan.
Artikel 8.5 Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college stelt de cliënt schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid.
HOOFDSTUK 9 MANTELZORGONDERSTEUNING EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 9.1 Mantelzorgondersteuning Het college zorgt dat personen die mantelzorg verlenen aan inwoners van de gemeente Zandvoort op een laagdrempelige manier hulp, informatie en advies kunnen krijgen zodat zij in staat zijn om de mantelzorg op een goede manier te combineren met hun dagelijks leven.
Artikel 9.2 Mantelzorgwaardering Het college zorgt jaarlijks voor een blijk van waardering voor mantelzorgers en kan daarnaast een jaarlijkse activiteit voor mantelzorgers organiseren.
Artikel 9.3 Respijtzorg Het college zorgt ervoor dat ter ondersteuning van de mantelzorger respijtzorg kan worden ingezet. Respijtzorg sluit aan bij de situatie van de mantelzorger en kan onder andere bestaan uit kortdurend verblijf.
Artikel 9.4 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan op aanvraag aan inwoners met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een financiële tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Deze tegemoetkoming kan ook worden verstrekt via de collectieve gemeentelijke zorgpolis. 2. De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid is inkomensafhankelijk. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en welke tegemoetkoming kan worden verstrekt.