CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Reglement van orde gemeenteraad Zandvoort 2025

Gemeenteraad 8 juli 2025, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Herstelbesluit Reglement van orde gemeenteraad Zandvoort 202514.873 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

Artikel 11 Raadscommissies De raad heeft in 2014 gekozen voor het instellen van drie inhoudelijke raadscommissies. Naast een indicatie van het vakgebied per commissie werd ingegaan op de taken en de mogelijkheid om gezamenlijk te vergaderen. Overeenkomstig het besluit van de raad staat omschreven dat er twee (commissie)leden per fractie in een raadscommissie zitten. Zoveel mogelijk is er één woordvoerder per agendapunt. Uit de evaluatie in december 2015 bleek dat de onderverdeling naar vakgebied wenselijk blijft, maar bij voorkeur op twee avonden commissievergaderingen plaatsvinden. Om aan beide wensen tegemoet te komen en het ook praktisch toepasbaar te houden is de regeling in artikel 11 gewijzigd en wordt in plaats van drie raadscommissies één raadscommissie ingesteld, waarbij de onderverdeling naar vakgebied "Bestuur en Middelen", «Ruimte en Economie" en "Samenleving" blijft bestaan. De Gemeentewet regelt dat alleen een raadslid voorzitter kan zijn van een raadscommissie (artikel 82 lid 4). Lid 9 bepaalt dat hij technisch voorzitter is. Lid 11 geeft aan dat de raadscommissies geen inhoudelijke besluiten kunnen nemen, maar uitsluitend kunnen beslissen over de orde van de vergadering, het opleggen van geheimhouding en opheffen daarvan en het geven van advies.

Artikel 12 Vergaderfrequentie Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Artikel 13 Oproep In artikel 19 eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Door de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer valt onder "schriftelijk" ook "elektronisch". De oproep mag dus ook per e-mail (of op andere elektronische wijze) worden verstuurd. Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Op de stukken waar geheimhouding op rust wordt melding hiervan gemaakt op de stukken. Deze stukken worden uitsluitend voor raadsleden en commissieleden digitaal geplaatst. Voor spoedeisende gevallen is de mogelijkheid in lid 3 opgenomen voor een extra vergadering, waarbij kan worden afgeweken van de termijn van 7 of 11 dagen. Wel is bepaald dat de oproep voor deze extra vergadering ten minste 48 uur voorafgaand aan de extra vergadering wordt verstuurd.

Mocht deze termijn geen recht doen aan de praktijk, omdat een situatie zou noodzaken tot het terstond houden van een extra vergadering, dan kan worden teruggevallen op artikel 17 van de Gemeentewet. Het bepaalde in de verordening is om te bewaken dat burgers in de gelegenheid worden gesteld kennis te nemen van een extra vergadering en dat sprake is van enige voorbereidingstijd. 27

Artikel 14 Agenda De agendacommissie stelt de voorlopige agenda vast (artikel 6). Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 13. Bij belangrijke zaken die geen uitstel dulden, kan de voorzitter na het verzenden van de oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de agenda. Individuele raadsleden kunnen bij aanvang van de vergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Het moet dan wel gaan om onderwerpen die zonder voorbereiding kunnen worden besproken, anders heeft het toevoegen van een onderwerp geen zin. Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid de bespreking van het onderwerp uit te stellen en/of aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester.

Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Artikel 15 Ter beschikking stellen van stukken In dit artikel gaat het niet alleen om geheime stukken, maar ook om de zogenaamde 'achterliggende' stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende stukken. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter beschikking gesteld. Voorheen was bepaald dat stukken 'ter inzage worden gelegd', maar door de mogelijkheden om stukken digitaal aan te bieden, wordt nu gesproken over 'ter beschikking gesteld'. Afhankelijk van de beschikbaarheid kan het ter beschikking stellen van de stukken in de praktijk fysiek en/of digitaal zijn.

Een verplichting om stukken fysiek ter inzage te leggen wordt overbodig geacht, nu de raad kan beschikken over een eigen digitaal te raadplegen systeem en de vergaderstukken al gedurende lange tijd op de gemeentelijke website worden geplaatst. Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet open overheid (Woo). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. 28

Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda's, notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de zin van de Woo. Een raadslid of commissielid mag een origineel (ondertekend) fysiek stuk niet mee naar huis nemen, omdat anderen dan niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te zien. Hiervan mag wel een kopie worden gemaakt. Van digitaal ter beschikking gestelde stukken mag eveneens een uitdraai worden gemaakt. De griffie(r) vervult de secretariaatsfunctie voor de raad. Stukken die geheim moeten blijven worden afzonderlijk voor raadsleden en commissieleden ter beschikking gesteld. Artikel 16 Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19 tweede lid van de Gemeentewet. Voor de publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Ook worden de stukken op het internet geplaatst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In het reglement van orde wordt expliciet vastgelegd dat in een huis-aan-huisblad de aankondiging van een vergadering van de raad wordt geplaatst. Het is niet verstandig om de naam van een blad op te nemen, aangezien het reglement van orde dan bij wijziging van de naam van het blad steeds opnieuw moet worden aangepast.

Artikel 17 Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst voor de raadsvergadering vloeit voort uit artikel 20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij presentielijst vast en ondertekent deze. De ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Voor de raadscommissievergadering geldt het vereiste van een quorum van raadsleden of commissieleden niet. Het tekenen van de presentielijst dient wel door commissieleden te geschieden, omdat dit samenhangt met de presentievergoeding die commissieleden ontvangen. Dit is vastgelegd in lid 2. Artikel 18 Zitplaatsen De griffier is overeenkomstig artikel 3 in de raadsvergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats. Het presidium kan de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om in de vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats te zorgen. Artikel 19 Opening vergadering; quorum 29

De raadsvergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen. Voor de raadscommissies is geen quorumbepaling opgenomen. Het wordt aan de aanwezigen overgelaten om te bezien of zij bij een beperkte opkomst een bijeenkomst door laten gaan. Bij de advisering over raadsvoorstellen door een raadscommissie wordt aangegeven namens welke fracties dat advies wordt gegeven. Artikel 20 Besluitenlijst, transcript, verslag en raadscommissieadvies Dit artikel regelt de verslag leggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting om een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23 vijfde lid Gemeentewet). Tijdens een raadscommissievergadering kunnen vragen worden gesteld en informatie en meningen worden uitgewisseld. Een transcript wordt, in combinatie met een raadscommissieadvies over raadsvoorstellen, voldoende geacht, vanuit praktisch en financieel oogpunt. Voor de raadsvergadering wordt wel gekozen voor een transcript en besluitenlijst, omdat tijdens die vergadering de politieke meningen en tegenstellingen naar voren komen.

Artikel 21 Ingekomen stukken Over de aan de raad gerichte ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard: bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een andere vergadering, doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. Uit praktische overwegingen stelt de raad op voorstel van de voorzitter en de griffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Aan de raad gerichte stukken van het college (antwoorden op vragen, mededelingen aan de raad) worden al enige jaren digitaal op overzichten geplaatst en zijn op deze wijze in te zien door de raadsleden. Zij worden in de praktijk niet voorzien van een voorstel van afdoening door de voorzitter en de griffier, zoals in het reglement 2012 werd gesteld. Raadsleden kunnen om bespreking vragen via de griffie; de agendacommissie behandelt dit verzoek. Artikel 22 Spreekrecht burgers en spreektijd Inspreken door burgers is alleen mogelijk tijdens raadscommissievergaderingen. Vooraf is geen tijdslimiet bepaald om de discussie onderling niet vooraf al te belemmeren.

De voorzitter kan vanuit zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering wel voorstellen spreektijd of spreektermijnen in te stellen. Ook is in het artikel is opgenomen wanneer en onder welke 30

voorwaarden kan worden ingesproken over niet geagendeerde onderwerpen. Toegevoegd is de uitsluiting van mededelingen en rondvraagpunten. In de praktijk is gebleken dat het nuttig is dit vooraf voor iedereen helder te maken. Artikel 23 Handhaving orde; schorsing stukken Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. De bevoegdheid die in het eerste lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26 derde lid van de Gemeentewet biedt om aan een raadslid of commissielid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 23 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht. (JB 9 (2002) 138).

In 2025 zijn nieuwe leden 2, 4, 5 en 6 toegevoegd aan het artikel om de voorzitter meer handvatten te geven om de orde te handhaven. Voor de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt ook verwezen naar artikel 47 lid 2 van dit reglement. Artikel 24 Beraadslaging stukken De term beraadslaging wordt hier gehanteerd voor de bespreking van een onderwerp in zowel de raad als in een raadscommissie. Om de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Door de toevoeging 'of een raadslid of een commissielid' wordt ook hen het recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel lid toegekend. In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is. Dit lid geldt uitsluitend de raadsvergadering, dus kort voor het moment dat er een besluit over een voorstel moet worden genomen. In een bijeenkomst van een raadscommissie is nader beraad door het college minder functioneel en niet efficiënt.

31

In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om spreektijd of spreektermijnen te regelen om de beschikbare tijd zo optimaal mogelijk te benutten. Artikel 25 Deelname aan de beraadslaging door anderen stukken Deze bepaling is nodig door het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. De raad kan op grond van de artikelen 3 vierde lid, 4 en 26 bepalen dat de griffier of de secretaris deelnemen aan de beraadslagingen. De burgemeester heeft het recht deel te nemen aan de beraadslagingen en een wethouder kan aan de beraadslaging deelnemen op grond van artikel 21 eerste en tweede lid van de Gemeentewet. In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dezelfde bepaling geldt ook voor de raadscommissies, waarbij ook 'andere belanghebbenden' aan de beraadslagingen kunnen meedoen. Artikel 26 Amendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Raadsleden kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen.

Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. Voor de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 31. Een aangenomen voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard. Artikel 27 Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Over een motie wordt een apart besluit genomen.

Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze plaatsvindt gelijk met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. 32

Artikel 28 Ordevoorstel en persoonlijk feit De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32 lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 36). Bij een persoonlijk feit valt te denken aan een belediging van een raadslid of commissielid of aantijgingen die als onterecht worden ervaren. Als er sprake is van een persoonlijk feit, kan het desbetreffende raadslid of commissielid het woord vragen aan de voorzitter. De voorzitter verleent het woord nadat het persoonlijk feit is geduid. Artikel 29 Beslissing De voorzitter van een raadscommissie formuleert na het sluiten van de beraadslaging een conclusie over de voortgang of afwikkeling daarvan. Als het gaat om een voorstel aan de raad kan hij een voorzet geven voor het advies van de raadscommissie: bijv. hamerstuk, bespreekstuk of niet rijp voor raadsbehandeling. Bij de artikelen 30 tot en met 35 staat vermeld dat het om stemmingen in de raad gaat.

Artikel 30 Stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven na de stemming. Artikel 31 Hoofdelijke stemming Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de hele vergadering, ook na een eventuele schorsing. Artikel 32 Hoofdelijke stemming stukken Hoofdelijke stemming over personen vindt altijd via een stembriefje plaats en kan niet meer bij acclamatie plaatsvinden. Verder zijn de regels uit de Gemeentewet over stemming van toepassing en daarvan kan de raad niet afwijken (artikel 27 en volgende). Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel 19. In de Winsum uitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat het genomen besluit in 33

strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Door deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden. In de uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 Algemene wet bestuursrecht voorrang boven artikel 28 Gemeentewet. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn beschouwing van 19 mei 2003: "de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijv.

opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk." Bij het staken van de stemmen zijn artikel 31 tweede en derde lid voor stemmingen over personen en artikel 32 vierde en vijfde lid voor overige stemmingen van de Gemeentewet van toepassing. Artikel 33 Stemming over amendementen en moties stukken Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Artikel 34 Stemming over personen De verplichting om te stemmen met stembriefjes is vervallen. Gemeenten kunnen ook met een elektronisch stemsysteem stemmen over personen, als de geheimhouding gewaarborgd is. Het reglement van orde gaat nog uit van een stemming met behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). Bij een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes.

Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier niet over de benoeming tot raadslid, dat een heel ander soort benoeming is dat in artikel 8 van dit reglement wordt toegelicht. 34

Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend. Op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming. Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. Veelal wordt een wethouderskandidaat genomineerd door een fractie. De benoeming van een wethouder geschiedt echter op grond van een aanbeveling, niet op grond van een voordracht. Dit brengt met zich, dat indien een raadslid beoogd wethouder is, hij mee mag stemmen over zijn eigen benoeming. Ook heeft dit tot gevolg, dat de stemming over de wethouder een vrije stemming is. Met deze bepaling wordt de toepassing van de Gemeentewet ten aanzien van de benoeming van wethouders verduidelijkt. Als de raad geen stemming wenst, dan wordt het besluit bij acclamatie geacht te zijn genomen. Dit geldt niet voor stemmingen over personen. Dit is bepaald in artikel 34.

Artikel 35 Beslissing door het lot Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 31 derde lid van de Gemeentewet. Artikel 36 Initiatiefvoorstellen Op grond van artikel 147b van de Gemeentewet kunnen raadsleden zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. De Gemeentewet bepaalt dat de raad moet regelen op welke wijze een initiatiefvoorstel wordt ingediend en behandeld. Artikel 36 voorziet hierin. De agendacommissie bepaalt in welke vergadering het voorstel zal worden geagendeerd. Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel samen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel zal, op grond van een wijziging van de Gemeentewet in 2014, altijd door het college van commentaar moeten worden voorzien. Daarom is de bepaling in dit artikel opgenomen in de zin dat het college gedurende vier weken in de gelegenheid is om zijn wensen en bedenkingen aan de raad kenbaar te maken. Het is aan de raad om aan het begin van de vergadering met meerderheid van stemmen de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan 35

zou het effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda plaatst waarover de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren. Artikel 37 Raadsvoorstel De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid en de raad heeft het voorstel geagendeerd, kan het college het door hen voorbereide voorstel niet meer intrekken omdat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier dan toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.

Artikel 38 Interpellatie Dit artikel geeft uitvoering aan het stellen van nadere regels zoals voorgeschreven in artikel 155 tweede lid van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Het interpellatieverzoek moet niet 48, maar 32 uur voor de vergadering bij de griffie zijn ingediend. Dit is meer in overeenstemming met de praktijk, aangezien '48 uur tevoren' op zondagavond 20.00 uur valt. In de praktijk wordt een dergelijk voorstel pas maandagmorgen in behandeling genomen. De verruiming van de indieningstermijn naar 32 uur geeft de raadsleden de mogelijkheid tot maandag 12.00 uur een verzoek in te dienen. Artikel 39 Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de raadsleden en commissieleden het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Door deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college. Het college dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden.

Dit kan in de praktijk ook geschieden door de verantwoordelijke portefeuillehouder.

36

Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij - als hij een raadslid is- het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raadsvergadering te krijgen. Artikel 40 Vragen en inlichtingen In dit artikel wordt op het vlak van vragen een inlichtingen de relatie tussen de Gemeentewet en het Reglement van Orde gelegd. Artikel 41 Procedure begroting en jaarrekening In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt. Artikel 42 Facultatief behandelprocedure vaststellen Niet alleen voor de jaarrekening en de begroting, maar ook voor andere onderwerpen kan het handig zijn als vooraf een behandelprocedure wordt vastgesteld. Denk bijvoorbeeld aan grote projecten. Het initiatief ligt hierbij de agendacommissie, aangezien de agendacommissie de concept-agenda's vaststelt.

Artikel 43 Verslag en verantwoording De burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris verrichten, als zij lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, hun taak als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging in een vergadering. In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven overeenkomstig de regels in artikel 39. Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen in artikel 40. In dit artikel wordt niet meer gesproken van raadsleden, omdat sinds de dualisering van het gemeentebestuur zij niet meer in de besturen gemeenschappelijke regelingen zitten. Artikel 44 Algemeen

37

Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering, het presidium en het seniorenconvent achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen voor het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing als het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Voor stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt. Artikel 45 Verslag In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23 vierde lid van de Gemeentewet. De (commissie)griffier is verantwoordelijk het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag wordt alleen aan raadsleden, commissieleden en aanwezige collegeleden ter beschikking gesteld. Artikel 46 Geheimhouding Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering valt niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht.

Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 87, 88 en 89 van de Gemeentewet nodig. Het doorgeven van vertrouwelijke en geheime informatie is strafbaar en valt onder schending van het ambtsgeheim, zoals opgenomen is in artikel 272 van het Wetboek van strafrecht. Dit geldt dus ook voor hetgeen in vertrouwelijkheid of onder geheimhouding is besproken in het presidium of seniorenconvent. Artikel 272 Strafrecht: 1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht. Naast het opleggen van geheimhouding komt het afspreken van vertrouwelijkheid over stukken en/of besprokene ook voor.

38

Als informatie vertrouwelijk wordt verstrekt aan raadsleden, zowel schriftelijk (ook digitaal) als mondeling, dan wordt zonder dit per geval concreet af te spreken aangenomen dat de raadsleden die de vertrouwelijke informatie ontvangen er ook vertrouwelijk mee omgaan. Vertrouwelijkheid is een afspraak, meestal stilzwijgend, soms uitdrukkelijk gemaakt waarbij dus de geheimhoudingsprocedure zoals bepaald in de Gemeentewet niet wordt gevolgd. Het openbaar maken van vertrouwelijke informatie werd lange tijd geacht iets anders te zijn dan het schenden van de formele geheimhoudingsplicht die is opgelegd met inachtneming van de bepalingen in de Gemeentewet. In die optiek had het stempel "vertrouwelijk" op zichzelf geen directe juridische betekenis. Het zich houden aan vertrouwelijkheid werd geacht een politieke en bestuurlijke fatsoensnorm te zijn. Uit jurisprudentie blijkt dat ook het openbaar maken van vertrouwelijke informatie een strafbaar feit (schending van het ambtsgeheim) kan opleveren. Het onderscheid tussen de begrippen "vertrouwelijk" en "geheim" is daarmee dus vervaagd. In het tweede lid wordt in de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen. Deze stukken hoeven niet per se alleen aan de raadsleden in de raadsvergadering te zijn overgelegd.

Het kan ook gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd op stukken die hij aan een raadscommissie heeft overgelegd. Deze kunnen dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen. In het artikel is een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor tussen de raad en degene die de geheimhouding heeft opgelegd. De opgelegde geheimhouding voor aan de raad overgelegde stukken vervalt, als de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren over de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen. Artikel 47 Toehoorders en pers De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26 eerste en tweede lid van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren te laten vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging tot de vergadering te ontzeggen. Artikel 48 Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken.

Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. 39

Artikel 49 Adviescommissie omgevingsplan Voor de adviescommissie omgevingsplan (vroeger hoorcommissie) is een afzonderlijke Verordening vastgesteld, waarin zaken als samenstelling, werkwijze, vergoeding e.d. worden geregeld. De adviescommissie is een commissie als bedoeld in artikel 84 lid 1 Gemeentewet. Artikel 50 Accountantscommissie Voor overleg met de accountant over de praktische invulling van de jaarlijkse accountantscontrole heeft de raad een werkgroep accountant ingesteld. Om alle aangelegenheden, die te maken hebben met de accountant, beter te verankeren, heeft de raad nu gekozen voor het instellen van een accountantscommissie, bestaande uit raadsleden en/of commissieleden. In dit reglement worden de taken en bevoegdheden beschreven. De accountantscommissie heeft geen besluitvormende bevoegdheid. Wel kan de accountantscommissie voorstellen voorbereiden voor bespreking en besluitvorming in een raadscommissie en raadsvergadering. Zij is ook het eerste contactorgaan met de accountant, wat niet betekent dat de accountant niet ook in een raadscommissie zou kunnen verschijnen voor uitleg en toelichting. Artikel 51 Uitleg reglement De toevoeging "tijdens een vergadering" geeft aan dit artikel bedoeld is om te hanteren in een praktijksituatie. Als er meer ruimte is voor discussie over de uitleg van dit reglement pakt presidium die rol als eerste op.

Artikel 52 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15727963/2