CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Regels en toelichting

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan gemeente Zandvoort33.863 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2.

Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 4.41

Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.35 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 4.42 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 4.38 tot en met 4.40

1.

Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4.38 tot en met 4.40 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

2. Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering. 3. Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen. 4.

Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 4.43 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument De artikelen 4.35 tot en met 4.42 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Hoofdstuk 5 Regels voor gebruik en bouwen in de openbare ruimte

Afdeling 5.1 Inleidende regels

Artikel 5.1 Normadressaat

1. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Zandvoort, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert.

Afdeling 5.2 Verkeer

Paragraaf 5.2.1 Algemene regels

Artikel 5.2 Toepassingsbereik Afdeling 5.2 is van toepassing op locaties met de aanduiding verkeer.

Artikel 5.3 Verkeer Locaties met de aanduiding verkeer zijn bedoeld voor: a. wegen; b. voet- en fietspaden; c. onoverdekte parkeervoorzieningen; d. verblijfsgebieden; e. evenemententerreinen, marktplaatsen, standplaatsen en terrassen; f. groenvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen.

Paragraaf 5.2.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 5.4 Garagebox Bij de aanduiding garagebox is een garagebox toegestaan.

Artikel 5.5 Geveltuin Bij de aanduiding geveltuin is een geveltuin toegestaan.

Artikel 5.6 Muziekkoepel Bij de aanduiding muziekkoepel is een muziekkoepel toegestaan.

Paragraaf 5.2.3 Bouw- en gebruiksregels

Artikel 5.7 Bouwregels Verkeer

1. Tenzij anders bepaald, gelden de bouwregels van artikel 5.7. 2.

gebouwen a. de bouwhoogte mag maximaal 3 meter zijn; b. de oppervlakte mag maximaal 15 m2 zijn. c. de bepalingen onder a en b zijn niet van toepassing op (half)verdiepte parkeervoorzieningen; d. de bouwhoogte van een halfverdiepte parkeergarage bedraagt niet meer dan 1,5 m ten opzichte van het aangrenzende straatpeil.

3. gevelreclame gevelreclame aan hoofdgebouwen gelegen op andere locaties dan bedoeld voor 'verkeer' zijn toegestaan waarbij de volgende voorwaarden gelden: a. tussen 2,2 meter ten opzichte van maaiveld en de onderzijde van het raamkozijn op de eerste verdieping; b. maximaal één gevelreclame per 6 meter gevel; c. maximaal 0,8 meter uit de gevel van het hoofdgebouw.

4.

bouwwerken geen gebouw zijnde a. de bouwhoogte van kunstwerken mag maximaal 5 meter zijn; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten of lichtmasten mag niet meer dan 8 meter zijn; c. de bouwhoogten van de terrasschermen mag niet hoger zijn dan de (aansluitende) eerste bouwlaag met een maximum van 2 meter; d. de bouwhoogte van een voetbalkooi mag niet meer dan 4,50 meter bedragen;

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 2,5 meter zijn.

5.

terrassen a. een terras mag uitsluitend worden geplaatst direct aansluitend tegen de voor- en/of zijgevel van het pand ten behoeve waarvan het terras wordt geëxploiteerd; b. de breedte van een terras mag niet meer bedragen dan de breedte van de voor- of zijgevel van het pand; c. op het trottoir een vrije ruimte van 1,20 meter vrij blijft; d. ter plaatse van de Kerkstraat geldt in afwijking van het bepaalde onder c dat een vrije ruimte van ten minste 4.00 meter behouden blijft.

6. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan bebouwing in de openbare ruimte om hinder in de vorm van bereikbaarheid en onevenredige visuele hinder te voorkomen. 7. Voor bouwwerken die niet voldoen aan de in voorgaande leden opgenomen bouwregels, maar die wel legaal tot stand zijn gekomen, geldt het bepaalde in artikel 3.2.

Artikel 5.8 Bouwregels garagebox

1. De bouwhoogte van een garagebox mag maximaal 4 meter zijn, tenzij de verbeelding een andere bouwhoogte aangeeft; 2. De oppervlakte van een garagebox mag maximaal 15 m2 zijn.

Artikel 5.9 Bouwregels muziekkoepel

1. De bouwhoogte van een muziekkoepel mag maximaal 6,5 meter zijn; 2. De oppervlakte van een muziekkoepel mag maximaal 15 m2 zijn.

Artikel 5.10 Specifieke gebruiksregels

1.

Locaties mogen mede gebruikt worden voor: a. maximaal 8 standplaatsen bij de aanduiding gebied voor standplaatsen; b. evenementen, voor zover het tijdelijke al dan niet periodieke evenementen betreft, zoals muziekfestivals; c. terrassen bij horecabedrijven, mits: 1. grenzend aan een horecabedrijf; 2. grenzend aan de tuin bij de aanduiding terras bij horeca.

2.

Bouwwerken mogen mede gebruikt worden voor:

a. aangrenzende activiteiten, voor zover deze bouwwerken deel uitmaken van bouwwerken binnen de aangrenzende activiteiten en reeds op 1 januari 2024 reeds legaal aanwezig waren.

Afdeling 5.3 Waterkering

Paragraaf 5.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.11 Toepassingsbereik Afdeling 5.3 is van toepassing op locaties met de aanduiding waterkering.

Artikel 5.12 Toegestane activiteiten algemeen Locaties met de aanduiding waterkering zijn, behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten(en), mede bestemd voor de bescherming en het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering.

Paragraaf 5.3.2 Bouwregels

Artikel 5.13 Bouwregels De volgende bouwregels gelden: a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de waterkering mogen worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende activiteit(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken activiteit(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

Artikel 5.14 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 5.13 onder b, indien de bij de betrokken activiteit behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.

Hoofdstuk 6 Regels voor milieubelastende activiteiten

Afdeling 6.1 Standaard milieuwaarden

Paragraaf 6.1.1 Algemene regels

Artikel 6.1 Toepassingsbereik Afdeling 6.1 is van toepassing op activiteiten die volgens het omgevingsplan zijn toegestaan in het centrumgebied. In aanvulling en met voorrang op het bepaalde in Afdeling 6.2 gelden de regels van afdeling 6.1 voor het centrumgebied.

Paragraaf 6.1.2 Veiligheid rond opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen

Artikel 6.2 Standaardwaarde plaatsgebonden riscio

1. Een toegestane milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet voldoen aan de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze waarde is 1:1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. 2. De standaardwaarde genoemd in het eerste lid is ook van toepassing op het toelaten van een risicoverhogend bouwwerk in de directe omgeving van een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a. tot en met d., van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 6.1.3 Luchtkwaliteit

Artikel 6.3 Stikstofdioxiden en stikstofoxiden

1.

Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor stikstofdioxide: a. 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Artikel 6.4 Fijnstof

1.

Een activiteit als bedoeld in artikel 5.51 Besluit kwaliteit leefomgeving mag niet leiden tot een overschrijding van de volgende ten hoogste toelaatbare concentraties voor PM10: a. 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden en; b. 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Artikel 6.5 Uitzondering

Artikelen 6.3 en 6.4 zijn niet van toepassing op locaties zoals omschreven in artikel 5.52 Besluit kwaliteit leefomgeving en op activiteiten zoals omschreven in artikelen 5.53 en 5.54 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 6.1.4 Geluid door activiteiten

Artikel 6.6 Uitsluiting Paragraaf 6.1.4 is niet van toepassing op doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.

Artikel 6.7 Geluidswaarden voor geluidsgevoelige gebouwen

1. Het toelaatbare geluid door een activiteit, anders dan wonen, op een geluidsgevoelig gebouw bedraagt maximaal:

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt als gevolg van een activiteit Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

07.00 -

19.00 -

23.00 -

19.00 uur

23.00 uur

07.00 uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

--

70 dB(A)

70 dB(A)

--

65 dB(A)

65 dB(A)

2. Het toelaatbare geluid in geluidsgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidsgevoelige ruimten bedraagt maximaal:

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,lt Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

07.00 -

19.00 -

23.00 -

19.00 uur

23.00 uur

07.00 uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

--

55 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidsniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

3.

--

45 dB(A)

45 dB(A)

De waarden in dit artikel zijn niet van toepassing op het geluid door een: a. activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit; b. horeca-activiteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit; c. bedrijfsactiviteit op een geluidsgevoelig gebouw dat functioneel verbonden was met die activiteit.

Artikel 6.8 Waar waarden gelden De waarden voor geluid door een activiteit, als bedoeld in artikel 6.7 gelden: a. op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw, anders dan een woonwagen; b. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidsgevoelig gebouw; c. op de locatie voor het plaatsen van een woonwagen; d. in een geluidsgevoelige ruimte.

Artikel 6.9 Uitzondering geluidsbronnen De waarden in artikel 6.7 zijn niet van toepassing op: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, gladheidsbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd; c. activiteiten die in hoofdzaak in de openbare ruimte worden verricht; d. geluid dat niet representatief is voor een activiteit; e. evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen; f. festiviteiten die plaatsvinden op een locatie waar de activiteit wordt verricht, gedurende ten hoogste twaalf etmalen per jaar.

Afdeling 6.2 Milieubelastende activiteiten

Paragraaf 6.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.10 Algemeen toepassingsbereik

1. Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. 2.

Deze afdeling is niet van toepassing op:

a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

3. Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. 4. Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 6.2.6.

Artikel 6.11 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2. het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 3. een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 6.12 Normadressaat Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.13 Specifieke zorgplicht

1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 6.11, is verplicht: a. alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; f. afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; g. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; h. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; i. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en j. afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

3.

De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat: a. de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en b. de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

4. Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 6.14 Maatwerkvoorschriften

1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 6.13, 6.18 en 6.19 en de paragrafen 6.2.2 tot en met 6.2.25. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 6.18 en 6.19 en de paragrafen 6.2.2 tot en met 6.2.25. 3. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 6.11. 4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.15 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; en d. de dagtekening.

Artikel 6.16 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

1. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 6.15, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.17

Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

1. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. 2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 6.18 Informeren over een ongewoon voorval

1. Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. 2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 6.19 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

1.

Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

2.

Het eerste lid geldt niet voor: a. milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 6.2.2 Zwerfafval

Artikel 6.20 Afval: zwerfvuil Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 6.2.3 Geluid

Subparagraaf 6.2.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.21 Toepassingsbereik

1. Paragraaf 6.2.3 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit 2.

In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit: a. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; b. op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. op een niet-geluidgevoelige gevel.

3.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van: a. het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

4.

Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als: a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of b. een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 6.22 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 6.21, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 6.21 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als: a. de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en b. het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van: 1. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 2. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.23 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit Onverminderd artikel 6.10 worden voor de toepassing van paragraaf 6.2.3 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 6.24 Geluid: waar waarden gelden De waarden voor het geluid door een activiteit gelden: a. als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen; c. in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en d. als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 6.25 Geluid: functionele binding De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 6.26 Geluid: voormalige functionele binding Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 6.27 Geluid: onderzoek

1.

In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht: a. als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horecaactiviteiten de kern vormen; b. bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt; d. bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; e. bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; f. bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

g. bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; h. bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 6.47; en i. als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 1. in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: i. 70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of ii. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of 2. in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

2. Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. 3. Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur. 4.

Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan: a. de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.3.2, 6.2.3.3 en 6.2.3.4; of b. de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 6.28 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 6.27, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 3. Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein. 4.

Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn; b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

5. Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.28 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit. 6.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

7. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.29 Gegevens en bescheiden

1.

Dit artikel is van toepassing op: a. een activiteit op een gezoneerd industrieterrein; b. activiteiten die worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar: a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 1. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; 2. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°; c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht; d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is; e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel; f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt; g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s; h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

3. Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.28 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit. 4.

Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 1. de grenzen van het terrein; en 2. de ligging van de gebouwen; c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

5. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en Subparagraaf 6.2.3.2 civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 6.30 Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 6.2.3.3 en 6.2.3.4. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit. 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 6.31 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

07.00 – 19.00

19.00 – 23.00

23.00 – 07.00

uur

uur

uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

07.00 – 19.00

19.00 – 23.00

23.00 – 07.00

uur

uur

uur

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A

75 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw

07.00 – 19.00

19.00 – 23.00

23.00 – 07.00

uur

uur

uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

4. De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 6.32 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.31, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

07.00 – 21.00

21.00 – 07.00

uur

uur

activiteiten

50 dB(A)

40 dB(A

Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

60 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van

2. De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 6.33

Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.31, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

06.00 – 19.00

19.00 – 22.00

22.00 – 06.00

uur

uur

uur

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.31, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.

06.00 – 19.00

19.00 – 22.00

22.00 – 06.00

uur

uur

uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 6.34

Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 6.31, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

06.00 – 19.00

19.00 – 22.00

22.00 – 06.00

uur

uur

uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

2. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 6.31, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

06.00 – 19.00

19.00 – 22.00

22.00 – 06.00

uur

uur

uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

3.

Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur; b. het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en c. het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 6.35

Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

1. Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 6.31, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening. 2. Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 6.33, eerste lid, en 6.34, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 6.36 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012 Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 6.31, eerste lid, 6.32, eerste lid, 6.33, eerste lid en 6.34, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: a. voor een woonschip was bestemd; of b. in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en: 1. voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of 2. de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 6.37 Geluid: eerbiedigende werking

1. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden. 2. Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 6.38 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

1.

Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.31 tot en met 6.37 en 6.39, blijft buiten beschouwing: a. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; b. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein; c. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten; d. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; e. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

f. het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; g. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; h. het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; i. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en j. het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 6.2.20, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

2.

Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.31 tot en met 6.35 en 6.37, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van: a. het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

3.

De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 6.31 tot en met 6.37, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 6.39 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 6.31, eerste lid, en 6.32, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.40 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

1. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 6.31 tot en met 6.37, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing. 2.

Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op: a. de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt; b. de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

c. het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 6.41 Geluid: festiviteiten

1.

De waarden, bedoeld in de in artikelen 6.31 tot en met 6.39, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: a. festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en b. andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

2. Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 6.42 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 6.2.3.3 Geluid door windturbines

Artikel 6.43 Toepassingsbereik

1. Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw. 2. Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 6.44 Geluid: waarden windturbines Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 6.45 Registratie gegevens windturbines

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd:

a. de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en b. de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi bij de Omgevingsregeling.

2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 6.46 Geluid: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 6.44, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 6.2.3.4

Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 6.47 Toepassingsbereik

1.

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen: a. civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of b. militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 6.48 Geluid: waarden buitenschietbanen Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 6.47 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 6.49 Registratie gegevens buitenschietbanen

1.

De volgende gegevens worden geregistreerd: a. dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en b. voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XVIIIc bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

2. De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 6.50 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 6.48, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 6.2.4 Trillingen

Artikel 6.51 Toepassingsbereik

1. Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. 2.

Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit: a. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en b. in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 6.52 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking In afwijking van artikel 6.51, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.53 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit Onverminderd artikel 6.10 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of b. elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 6.54 Trillingen: functionele binding De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 6.55 Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 6.56 Trillingen: waarden voor continue trillingen

1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9. 2. Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

Soort

waarden 07.00 –

23.00 –

23.00

07.00

uur

uur

A1 trillingssterkte Vmax

0,1

0,1

A2 trillingssterkte Vmax

0,4

0,2

A3 trillingssterkte Vper

0,05

0,05

Artikel 6.57 Trillingen: meet- en rekenbepalingen Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 6.2.5 Geur

Subparagraaf 6.2.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.58 Toepassingsbereik

1. Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object. 2. In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 6.59 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

1.

In afwijking van artikel 6.58, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten: a. in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

2.

In afwijking van artikel 6.58, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: a. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.60 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden De waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden: a. als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel; b. als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en c. in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 6.61 Geur: functionele binding De waarden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.4, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 6.62 Geur: voormalige functionele binding Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 6.2.5.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 6.2.5.2 en 6.2.5.3 en artikel 6.201, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat: a. op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of b. eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481791/1