CConstaterende datZandvoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Regels en toelichting

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente ZandvoortBij agendapunt: Wijziging omgevingsplan gemeente Zandvoort33.863 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Omgevingsplan gemeente Zandvoort Regeling

Hoofdstuk 1 Algemene regels

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

1. Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op het omgevingsplan gemeente Zandvoort. 2. Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op dit omgevingsplan. 3. Bijlage III bevat in aanvulling op het tweede lid de begripsbepalingen die van toepassing zijn op dit omgevingsplan. 4. Indien een begripsbepaling in het eerste of het tweede lid in strijd is met een begripsbepaling in het derde lid, is de begripsbepaling van het derde lid van toepassing.

Hoofdstuk 2 Regels voor gebruik gronden en bouwwerken

Afdeling 2.1 Inleidende regels

Artikel 2.1 Normadressaat

1. Aan hoofdstuk 2 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in gemeente Zandvoort, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het voorgaande lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel door degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert.

Artikel 2.2 Toegestaan planologisch gebruik

󰇙

1. Het is verboden locaties en bouwwerken in gemeente Zandvoort te gebruiken voor de uitoefening van andere vormen van planologisch gebruik dan is toegestaan op grond van hoofdstuk 2 of 5 van het omgevingsplan. 2. Op een locatie is alleen het planologisch gebruik toegestaan conform de aanduiding die verbonden is aan deze locatie. 3. Voor zover bij de uitoefening van planologisch gebruik mede sprake is van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 6, dan worden de in dat hoofdstuk opgenomen regels mede in acht genomen.

Afdeling 2.2 Gebruiksregels voor gronden en bouwwerken

Paragraaf 2.2.1 aan-huis-verbonden-beroep

Artikel 2.3 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.1 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken met de aanduiding aan-huisverbonden-beroep.

Artikel 2.4 aan-huis-verbonden-beroep

1.

Locaties mogen worden gebruikt voor een aan-huis-verbonden-beroep onder de voorwaarden dat: a. de activiteiten uitsluitend in het hoofdgebouw en/of de daarbij behorende bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen plaatsvinden; b. de woonfunctie van het betreffende pand in overwegende mate behouden blijft; c. in totaal maximaal 40% van het grondgebonden oppervlak van het hoofdgebouw mag worden gebruikt; d. de activiteiten naar aard en/of visueel geen afbreuk mogen doen aan het karakter van de woning; e. het beroep door één van de bewoners van het hoofdgebouw wordt uitgeoefend; f. geen detailhandel vanuit de woning mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop van beroep gerelateerde producten; g. geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen; h. buitenopslag ten behoeve van het aan-huis-verbonden-beroep niet is toegestaan; i. de activiteiten geen nadelige invloed mogen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen veroorzaken in de directe omgeving.

Artikel 2.5 aan-huis-verbonden-beroep verdieping

1.

Bij de aanduiding aan-huis-verbonden-beroep verdieping mag een aan-huis-verbonden-beroep op de verdieping worden uitgeoefend. 2. Voor het overige is artikel 2.4 van toepassing.

Paragraaf 2.2.2 Bedrijf geschikt voor functiemenging

Subparagraaf 2.2.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.6 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.2 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor bedrijfsmatige activiteiten en geldt ter plaatse van de aanduiding bedrijf geschikt voor functiemenging.

Artikel 2.7 Toegestane activiteiten algemeen

1. Locaties mogen worden gebruikt voor een bedrijf geschikt voor functiemenging. 2. Bij de activiteit behorende bouwwerken, groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, voorzieningen voor de waterhuishouding, warmte-koudeopslag, warmte-koudetransport.

Subparagraaf 2.2.2.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.8 Atelier met glas en metaal Een atelier dat onder andere met glas en metaal werkt is toegestaan bij de aanduiding atelier met glas en metaal.

Subparagraaf 2.2.2.3 Gebruiksregels

Artikel 2.9 Gebruiksregels

1.

In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 wordt tot een strijdig gebruik van locaties en bouwwerken gerekend het gebruik of laten gebruiken voor: a. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zoals bedoeld in artikel 2.11a Omgevingswet; b. activiteiten genoemd in de kolommen 2 en 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit; c. milieubelastende activiteiten genoemd hoofdstuk 3 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving;

d. activiteiten, waarvan de in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving met betrekking tot die activiteiten voorgeschreven afstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, reiken tot gronden waar kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen of op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan.

2. Het gebruik van een bedrijf geschikt voor functiemenging mag niet leiden tot overschrijding van de normen zoals opgenomen in hoofdstuk 6. 3.

De volgende activiteiten zijn in ieder geval niet toegestaan: a. vuurwerkbedrijven; b. inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken; c. risicovolle inrichtingen.

Paragraaf 2.2.3 Bioscoop

Artikel 2.10 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.3 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een bioscoop en geldt ter plaatse van de aanduiding bioscoop.

Artikel 2.11 Toegestane activiteiten

1. Locaties mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een bioscoop. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Paragraaf 2.2.4 Casino

Artikel 2.12 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.4 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een casino en geldt ter plaatse van de aanduiding casino.

Artikel 2.13 Toegestane activiteiten

1. Locaties mogen worden gebruikt voor het exploiteren van een casino. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Paragraaf 2.2.5 Consumentgerichte dienstverlening

Subparagraaf 2.2.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.14 Toepassingsbereik

1. Paragraaf 2.2.5 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor consumentgerichte dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding consumentgerichte dienstverlening. 2. Op vormen van planologisch gebruik op het gebied van zakelijke dienstverlening, is niet deze paragraaf, maar paragraaf 2.2.12 van toepassing.

Artikel 2.15 Toegestane activiteiten algemeen

1. Locaties die bedoeld zijn voor consumentgerichte dienstverlening mogen op de begane grond worden gebruikt voor consumentgerichte dienstverlening. 2. Aan consument gerichte dienstverlening ondergeschikte en daarmee verbonden horeca. 3. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Subparagraaf 2.2.5.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.16 Consumentgerichte dienstverlening verdieping Bij de aanduiding consumentgerichte dienstverlening verdieping is consumentgerichte dienstverlening op de verdieping toegestaan.

Subparagraaf 2.2.5.3 Gebruiksregels

Artikel 2.17 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 is ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 2.15 tweede lid toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van het horecadeel bedraagt niet meer dan 30% van de totale (verkoop)vloeroppervlakte; b. het horecadeel dient onlosmakelijk te zijn verbonden met de winkel/het dienstverlenend bedrijf; c. het horecadeel mag niet meer beslaan dan 50% van de breedte van de voorgevel;

d. het horecadeel mag niet geëxploiteerd worden door een ander dan degene die de winkel/het dienstverlenend bedrijf exploiteert; e. de openingstijden van het horecadeel zijn gelijk aan de openingstijden van de winkel/het dienstverlenend bedrijf; f. het horecadeel mag geen eigen zelfstandige ingang hebben; g. reclame-uitingen voor het horecadeel zijn niet toegestaan; h. het schenken van alcohol is niet toegestaan; i. ten behoeve van het horecadeel is een terras niet toegestaan.

Paragraaf 2.2.6 Detailhandel

Subparagraaf 2.2.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.18 Toepassingsbereik

1. Paragraaf 2.2.6 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel en geldt ter plaatse van de aanduiding detailhandel. 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op markten, ambulante handel en kiosken.

Artikel 2.19 Toegestane activiteiten algemeen

1. Locaties bedoeld voor detailhandel mogen op de begane grond worden gebruikt voor detailhandel. 2. Aan detailhandel ondergeschikte en daarmee verbonden horeca. 3. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Subparagraaf 2.2.6.2 Gebruiksregels

Artikel 2.20 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 is ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 2.19 tweede lid toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van het horecadeel bedraagt niet meer dan 30% van de totale (verkoop)vloeroppervlakte; b. het horecadeel dient onlosmakelijk te zijn verbonden met de winkel/het dienstverlenend bedrijf; c. het horecadeel mag niet meer beslaan dan 50% van de breedte van de voorgevel;

d. het horecadeel mag niet geëxploiteerd worden door een ander dan degene die de winkel/het dienstverlenend bedrijf exploiteert; e. de openingstijden van het horecadeel zijn gelijk aan de openingstijden van de winkel/het dienstverlenend bedrijf; f. het horecadeel mag geen eigen zelfstandige ingang hebben; g. reclame-uitingen voor het horecadeel zijn niet toegestaan; h. het schenken van alcohol is niet toegestaan; i. ten behoeve van het horecadeel is een terras niet toegestaan.

Paragraaf 2.2.7 Horeca

Artikel 2.21 Horeca categorie 1

1. Bij de aanduiding horeca categorie 1 is horeca categorie 1 op de begane grond toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Artikel 2.22 Horeca t/m categorie 2

1. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 2 zijn horeca categorie 1 en horeca categorie 2 op de begane grond toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Artikel 2.23 Horeca t/m categorie 3

1. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 3 zijn horeca categorie 1, horeca categorie 2 en horeca categorie 3 op de begane grond toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Artikel 2.24 Horeca t/m categorie 4

1. Bij de aanduiding horeca t/m categorie 4 zijn horeca categorie 1, horeca categorie 2, horeca categorie 3 en horeca categorie 4 op de begane grond toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Artikel 2.25 Horeca categorie 5

1. Bij de aanduiding horeca categorie 5 is horeca categorie 5 toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals terrassen, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Paragraaf 2.2.8 Logiesverstrekking

Artikel 2.26 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.8 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken met de aanduiding logiesverstrekking.

Artikel 2.27 Logiesverstrekking Locaties mogen worden gebruikt voor logiesverstrekking bij een woning onder de voorwaarden dat: a. de activiteiten voor logiesverstrekking plaatsvinden in het hoofdgebouw; b. per woning per nacht aan maximaal vier personen nachtverblijf mag worden verstrekt; c. de logiesverstrekking naar de aard en/of visueel geen afbreuk mag doen aan het karakter van het hoofdgebouw; d. de logiesverstrekking geen nadelige invloed mag uitoefenen op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen mag veroorzaken in de directe omgeving; e. de logiesverstrekking geen afbreuk mag doen aan de woonfunctie en daaraan ondergeschikt dient te zijn, in die zin, dat de woonfunctie de belangrijkste functie dient te blijven; f. de logiesverstrekking geen onevenredige afbreuk mag doen aan de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, waarbij de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het pand, perceel of complex behouden dienen te blijven.

Artikel 2.28 Logiesverstrekking verdieping

1. Bij de aanduiding logiesverstrekking verdieping is logiesverstrekking op de verdieping van een woning toegestaan. 2. Voor het overige is artikel 2.27 van toepassing.

Paragraaf 2.2.9 Maatschappelijke dienstverlening

Subparagraaf 2.2.9.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.29 Toepassingsbereik Paragraaf 2.2.9 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding maatschappelijke dienstverlening.

Artikel 2.30 Toegestane activiteiten

1. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor maatschappelijke voorzieningen. 2. Aan de hoofdactiviteit ondergeschikte en daarmee verbonden detailhandel en horeca, ten dienste van deze functie met niet meer dan 30 % van het bruto vloeroppervlak. 3. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Subparagraaf 2.2.9.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.31 Begraafplaats

1. Bij de aanduiding begraafplaats is een begraafplaats toegestaan. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Artikel 2.32 Kantoor Bij de aanduiding kantoor is een kantoor toegestaan.

Artikel 2.33 Maatschappelijke dienstverlening verdieping Bij de aanduiding maatschappelijke dienstverlening verdieping is maatschappelijke dienstverlening op de verdieping toegestaan.

Artikel 2.34 Sportzaal begane grond Bij de aanduiding sportzaal begane grond is een sportzaal op de begane grond toegestaan.

Paragraaf 2.2.10 Tuin

Subparagraaf 2.2.10.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.35 Toepassingsbereik

Paragraaf 2.2.10 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken en geldt ter plaatse van de aanduiding tuin.

Artikel 2.36 Toegestane activiteiten Locaties zijn bedoeld voor: a. tuinen en open erven; b. voetpaden; c. parkeren.

Subparagraaf 2.2.10.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.37 Terras Bij de aanduiding terras bij horeca is een terras behorende bij een horecabedrijf of pension toegestaan.

Subparagraaf 2.2.10.3 Gebruiksregels

Artikel 2.38 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende regels: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het onoverdekt parkeren op eigen erf voor de voorgevel of het denkbeeldige verlengde daarvan is niet toegestaan, tenzij het parkeren betreft op een voor de voorgevel gelegen oprit naar de op hetzelfde perceel achter de voorgevelrooilijn aanwezige parkeergelegenheid; b. het oppervlak van een siervijver bedraagt ten hoogste 20% van het erf.

Paragraaf 2.2.11 Wonen

Subparagraaf 2.2.11.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.39 Toepassingsbereik

1. Paragraaf 2.2.11 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen en geldt ter plaatse van de aanduiding wonen. 2. Onder wonen wordt verstaan het gebruiken van een woning en de daarbij behorende gronden en opstallen.

Artikel 2.40 Toegestane activiteiten algemeen

1. Locaties zijn bedoeld voor wonen in een woning met, indien van toepassing, in achtneming van het woningtype zoals aangegeven in artikel 2.43, eerste lid. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Subparagraaf 2.2.11.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.41 Pension Bij de aanduiding pension is een pension toegestaan.

Artikel 2.42 Sportvoorzieningen Bij de aanduiding sportvoorzieningen zijn sportvoorzieningen toegestaan.

Artikel 2.43 Woningtype

1. Het woningtype is toegestaan zoals aangegeven met de norm woningtype. 2. Indien een woning gesitueerd is op de verdieping, zijn opgangen en bergingen in de eerste bouwlaag toegestaan.

Subparagraaf 2.2.11.3 Gebruiksregels

Artikel 2.44 Gebruiksregels In aanvulling op het bepaalde in afdeling 2.5 gelden de volgende gebruiksregels: a. het bestaand aantal woningen mag niet worden vergroot; b. het oppervlak van een siervijver bedraagt ten hoogste 20% van het erf.

Artikel 2.45 Aan-huis-verbonden-bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen bij locaties met de aanduiding aan-huis-verbonden-bedrijf met omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.40 voor het toestaan van een aan-huis-verbondenbedrijf, onder de voorwaarden dat: a. uitsluitend de activiteiten genoemd in bijlage IV lijst 2 zijn toegestaan; b. de activiteiten uitsluitend in het hoofdgebouw en/of de daarbij behorende bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen plaatsvinden; c. de woonfunctie van het betreffende pand in overwegende mate behouden blijft;

d. in totaal maximaal 40% van het grondgebonden oppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 20 m2 mag worden gebruikt; e. de activiteiten naar aard en of visueel geen afbreuk mogen doen aan het karakter van de woning; f. het bedrijf door één van de bewoners van het hoofdgebouw wordt uitgeoefend; g. geen detailhandel vanuit de woning mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop van bedrijfsgerealateerde producten; h. geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen; i. buitenopslag ten behoeve van het aan-huis-verbonden-bedrijf niet is toegestaan; j. de activiteiten geen nadelige invloed mogen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen veroorzaken in de directe omgeving.

Paragraaf 2.2.12 Zakelijke dienstverlening

Subparagraaf 2.2.12.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.46 Toepassingsbereik

1. Paragraaf 2.2.12 is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor zakelijke dienstverlening en geldt ter plaatse van de aanduiding zakelijke dienstverlening. 2. Op vormen van planologisch gebruik op het gebied van consumentgerichte dienstverlening is niet deze paragraaf, maar paragraaf 2.2.5 van toepassing.

Artikel 2.47 Toegestane activiteiten algemeen

1. Locaties mogen op de begane grond worden gebruikt voor zakelijke dienstverlening. 2. Bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen, erven en terreinen.

Subparagraaf 2.2.12.2 Toegestane activiteiten specifieke locaties

Artikel 2.48 Zakelijke dienstverlening verdieping Bij de aanduiding zakelijke dienstverlening verdieping is zakelijke dienstverlening op de verdieping toegestaan.

Subparagraaf 2.2.12.3 Gebruiksregels

Afdeling 2.3 Gebruiksregels voor specifieke locaties

Artikel 2.49 Antennemast Bij de aanduiding antennemast is een antennemast toegestaan.

Artikel 2.50 Bergbezinkbassin Bij de aanduiding bergbezinkbassin mag een bergbezinkbassin worden gerealiseerd.

Artikel 2.51 Doorgang Bij de aanduiding doorgang is een doorgang toegestaan.

Artikel 2.52 Nutsvoorzieningen Bij de aanduiding nutsvoorzieningen zijn nutsvoorzieningen toegestaan.

Artikel 2.53 Onderdoorgang Bij de aanduiding onderdoorgang is een onderdoorgang toegestaan.

Artikel 2.54 Ondergrondse parkeergarage Bij de aanduiding ondergrondse parkeergarage is een ondergrondse parkeergarage toegestaan.

Artikel 2.55 Parkeergarage Bij de aanduiding parkeergarage is een parkeergarage toegestaan.

Afdeling 2.4 Regels voor veilig gebruik van bouwwerken

Paragraaf 2.4.1 Gebruik van bouwwerken

Artikel 2.56 Overbewoning woonruimte

1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 2.57 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 2.58 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

1. Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 2.4.2 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 2.59 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

1. Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig. 2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4. Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend. 5. In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een  oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslage en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

ADR-klasse1

Omschrijving

Verpakkingsgroep

Toegestane maximum hoeveelheid

2

Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen

n.v.t.

50 kg

II

25 liter

III

50 liter

II en III

50 kg

II en III

50 liter

(spuitbussen) UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas 3

Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

3 excl. dieselolie, gasolie

Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde

of lichte stookolie met

inkten

een vlampunt tussen 61°C en 100°C 4.1, 4.2, 4.3

4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in nietexplosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide 5.1

Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

ADR-klasse1

Omschrijving

Verpakkingsgroep

Toegestane maximum

hoeveelheid 1

Classificatie volgens de Europese overeenkomst 30 september 5.2 Organische peroxiden zoals dicumyl van peroxide en din.v.t. 1957 betreffende 1 literhet

internationaal vervoer van gevaarlijke propionyl peroxide stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 2.60 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

1. De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 2.61 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Afdeling 2.5 Gebruiksverbod

Artikel 2.62 Verbod 

1.

Tot een gebruik, strijdig met de toegestane activiteit, wordt in het omgevingsplan gemeente Zandvoort ieder geval gerekend: a. het gebruik van onbebouwde gronden als staan- of ligplaats voor onderkomens; b. het gebruik van onbebouwde gronden als opslagplaats voor klare of onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;

c. het gebruik van onbebouwde gronden als opslagplaats voor gerede of ongerede goederen, waaronder niet verstaan wordt het opslaan van bouwmaterialen en andere hulpmaterialen voor het bouwen ten behoeve van de uitvoering van werken ter plaatse, voor de duur van de uitvoering; d. het gebruik van onbebouwde gronden als stort of opslagplaats voor puin of afvalstoffen; e. het gebruik van gronden voor bedrijfsopslag, tenzij dit plaatsvindt achter de voorgevel van hoofdgebouwen; f. het gebruik van gronden, water en bouwwerken en/of opstallen voor de uitoefening van uitoefening van een seksinrichting; g. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige c.q. recreatieve woning; h. het gebruik van kampeermiddelen voor permanente bewoning.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid onder f en toestaan dat de gronden, water en bouwwerken en/of opstallen worden gebruikt voor de uitoefening van een seksinrichting, mits: a. de vestiging van een seksinrichting tot gevolg heeft dat twee seksinrichtingen op een afstand van meer dan 250 m van elkaar zijn gevestigd; b. voor de bezoekers van de seksinrichting voldoende parkeergelegenheid op het terrein/erf behorende tot de seksinrichting aanwezig is, met als gevolg dat door het bezoek aan de seksinrichting in de directe omgeving van de seksinrichting geen onaanvaardbare parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen ontstaat; c. de wegen die naar de seksinrichting leiden geschikt zijn voor het verwerken van het verkeer van en naar de seksinrichting; d. de seksinrichting aan de buitenzijde niet is/wordt uitgerust door middel van opvallende (verlichte) reclameborden en aanduidingen die uit een oogpunt van landschapsschoon of dorpsschoon niet aanvaardbaar zijn; e. de seksinrichting niet wordt uitgeoefend in de vorm van een raambedrijf; f. in dezelfde straat zich niet meer dan 1 seksinrichting vestigt.

Hoofdstuk 3 Regels voor bouwen

Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen

Artikel 3.1 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 3.2 Bestaande maten

1.

Voor een bouwwerk, dat op 1 januari 2024 legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het omgevingsplan gemeente Zandvoort is toegelaten, maar waarvan

de bestaande maten (zoals afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, hellingshoeken, etc.) afwijken van de bouwregels van hoofdstuk 2, geldt dat: a. bestaande maten, die meer bedragen dan in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b. bestaande maten, die minder bedragen dan in dit hoofdstuk zijn voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden.

2. Ingeval van herbouw is de regeling over bestaande maten in het eerste lid uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 3. Op een bouwwerk waar de regeling over bestaande maten van toepassing is, is het overgangsrecht bouwen in hoofdstuk 10 niet van toepassing.

Artikel 3.3 Maatwerkvoorschriften

1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over hoofdstuk 3, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken.

Artikel 3.4 Meet- en rekenbepalingen Meet- en rekenbepalingen: a. afstand tot de bouwperceelsgrens: tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. b. bebouwd oppervlakte van een bouwperceel: de som van het oppervlak van alle bouwwerken binnen een bouwperceel, een bouwvlak of een ander terrein. c. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte onderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen. Siergevels zoals trapgevels, halsgevels, klokgevels en lijstgevels worden niet meegerekend bij het bepalen van de bouwhoogte. d. breedte dakvlak bij dakdoorbreking: de meetlijn wordt gelegd op de helft van de hoogte van de dakdoorbreking. e. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. f. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. g. hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. h. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. i.

oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. j. verticale diepte van een ondergronds bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de laagstgelegen vloer.

Artikel 3.5 Normadressaat

1. Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht in de gemeente Zandvoort, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. 2. Het eerste lid is ook van toepassing op degene die tot het verrichten van de activiteit gelegenheid biedt, dan wel op degene die het beheer over een bepaald gebied of bouwwerk voert.

Artikel 3.6 Overschrijden bouwgrenzen Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bouwgrenzen te overschrijden ten behoeve van: a. stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 m; b. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en dergelijke onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 10% van de breedte van de aangrenzende straat en met een maximum van 1 m. Deze werken mogen niet lager gelegen zijn dan 4,2 m boven de rijweg met inbegrip van een strook van 0,6 m breedte ter weerzijde van de rijweg, dan wel 2,2 m boven een fiets- en/of voetpad; c. hijsinrichtingen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m en deze werken niet lager zijn gelegen dan 5 m boven peil.

Artikel 3.7 Parkeernormen

1. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. 2. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregel Nota Parkeernormen Zandvoort 2025 bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien de beleidsregels worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging. 3. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het tweede lid en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden die zijn vastgelegd in de in het tweede lid bedoelde beleidsregel.

Artikel 3.8 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Afdeling 3.2

Bouwregels en vergunningsplichten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen

Paragraaf 3.2.1

Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

Subparagraaf 3.2.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.9 Algemene afbakeningseisen

1. De artikelen 3.13 en 3.21 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. 2. Bij de toepassing van de artikelen 3.13 en 3.21 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.13, onder a, of 3.21, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3.21, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 3.10 Meetbepalingen

1.

Voor de toepassing van de paragrafen 3.2.1.2 en 3.2.1.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 3.11 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 3.2.1.2 en 3.2.1.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

Subparagraaf 3.2.1.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 3.12 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 3.13

Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 3.12 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in artikel 3.12, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2; c. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; d. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; e. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3.

op minimaal 1 m achter de voorgevelrooilijn; en 4. op minimaal 1 m afstand van openbaar toegankelijk gebied; f. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; g. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of h. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 3.14

1.

Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 2.4.1; b. het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit; c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

2.

Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als: a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

3. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. 4. Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, beoordeeld volgens de de criteria van de Welstandsnota Gemeente Zandvoort (2017), met inbegrip van eventuele wijzigingen van de beleidsregels op het moment van indiening van de aanvraag.

Artikel 3.15

Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

1. De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde

bodemkwaliteit. 3. Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 3.16

Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 3.14.

Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning Artikel 3.17 omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

1. In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. 2.

Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning Artikel 3.18 omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

1.

In afwijking van artikel 3.14 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

2. In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde

omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 3.19

Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

1. Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden. 2. Artikel 4.30, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.20

Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h.

voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; i. de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; j. als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 3.15, redelijkerwijs is uit te sluiten; en k. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Subparagraaf 3.2.1.3

Artikel 3.21

Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 6.2 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan: a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 3.13, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: I. 5 m; II. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en III. het hoofdgebouw; 2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw: I. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en II. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; 3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan: I.

bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; II. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en III. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en 4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan: I. een woonwagen; II. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

III. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden; b. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 3.22 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

1. Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.21, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 3.21, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing. 2.

Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 3.21, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 3.21, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen: a. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; b. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en c. buiten de bebouwde kom.

Artikel 3.23 Inperkingen artikel 3.21 vanwege externe veiligheid Artikel 3.21, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: a. op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen; b. op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of c. op een locatie binnen een afstand als bedoeld in: 1. artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is; 2. artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 3.

artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 4. artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 5. artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 6. artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 7. artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is; 8. artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

9. artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; 10. artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 11. artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is; 12. artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of 13. artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 3.2.2 Algemene bouwregels

Artikel 3.24 Algemene bouwregels

1.

hoofdgebouw a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd; b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste de met de aanduiding maximum bouwhoogte (m) aangegeven hoogte; c. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste de met de aanduiding maximum goothoogte (m) aangegeven hoogte; d. indien het hoofdgebouw geheel plat is afgedekt geldt de aangegeven goothoogte als maximale bouwhoogte; e. indien een hoofdgebouw wordt voorzien van een kap, bedraagt de dakhelling maximaal 55° ten opzichte van het horizontale vlak; f. bij de aanduiding dakhelling is ten hoogste de aangegeven dakhelling toegestaan; g. bij de aanduiding gevellijn dienen hoofdgebouwen met de voorgevel te worden gebouwd in de naar de gevellijn gekeerde bouwgrens van het bouwperceel; h. de eerste bouwlaag van gebouwen mag niet worden gebouwd, ter plaatse van de aanduiding onderdoorgang; i. de verticale diepte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4,00 meter beneden peil.

2.

dakkapel a. indien een hoofdgebouw van een kap wordt voorzien mag in de kap een dakkapel worden gerealiseerd: 1. waarbij de breedte van de dakkapel aan de voor- of naar de openbare weg gekeerde zijde van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 50% van de dakvlakbreedte, gemeten aan de onderzijde van het dakvlak; 2. in geval van een vrijstaande dakkapel op een niet naar de weg gekeerde zijde van het hoofdgebouw dient aan beide zijden tenminste 0,50 m van de rand van het dakvlak gesitueerd te

zijn.

Artikel 3.25 Bijgebouwen en aan- en uitbouwen

1.

Voor het bouwen van bijgebouwen en aan- en uitbouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bij de aanduiding locatie bijgebouwen mogen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel mag buiten het bouwvlak niet meer dan 35% van het erf bedragen, met een maximum van 50 m²; c. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mogen uit ten hoogste één bouwlaag bestaan, waarbij ten behoeve van de vormgeving een kap is toegestaan; d. dakkapellen zijn niet toegestaan; e. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen niet meer dan 3 m respectievelijk 5 m bedragen, met dien verstande dat de dakhelling niet meer mag bedragen dan 55° ten opzichte van het horizontale vlak; f. in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van een bijgebouw niet meer bedragen dan 3,00 m, indien sprake is van een geheel platte afdekking; g. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van overkappingen voor zwembaden ten hoogste 2 m bedraagt; h. een balkon c.q. een dakterras op het dak van een bijgebouw, aan- en uitbouw is aan de achterzijde van het hoofdgebouw toegestaan op ten hoogste 1,5 m afstand van de bouwvlakgrens, met een oppervlak van ten hoogste 10 m²; i.

de bouw en/of goothoogte zoals bedoeld onder e mag door balustrades ten behoeve van balkons en dakterrassen worden overschreden met ten hoogste 1,2 m.

2. Bij bouwaanduiding - 2 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 75% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 35 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 3. Bij bouwaanduiding - 3 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 70% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 36 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 4. Bij bouwaanduiding - 4 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 60% van het erf, waarbij de maximaal bouwhoogte voor ten hoogste 16 m² ten hoogste 5,5 m bedraagt. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 5. Bij bouwaanduiding - 5 bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen per bouwperceel buiten het bouwvlak niet meer dan: 60% van het erf. Voor het overige blijven de bepalingen in het eerste lid van toepassing. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481791/1