29. Bijlage 600805 Quikscan Wet natuurbescherming aanleg nieuwe greenkeepersloods
Tekst van het document
Quickscan
Z ÓVoUs s S2Û 5z e. DS D®)] TE
£
_ £
E bp
Z 2 = z Ô © S z © © e n N u © s ö S ö _
08.25.21 Quickscan Wet natuurbescherming Nieuwbouw loods Kennemer Golf& Country club
(geanonimiseerd)
Colofon Opdrachtgever:
_
_Kennemer Golf& Country Club
Contactpersoon:
(geanonimiseerd)
Datum:
25-06-2021
Rapportnummer: Auteur:
Controle:
08.25.21
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Copyright: Alle rechten voorbehouden. Voor vermenigvuldiging van, of zinsneden en afbeeldingen uit deze rapportage gelieve contact op te nemen met NLadviseurs.
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Inleiding 11 12 13 14 15 16
_ Aanleiding en doel _ Opdrachtgever _ Liggingeen kenmerken plangebied _ Geplande werkzaamheden _ Kwaliteitsborging Leeswijzer
Hoofdstuk 2: Methodiek 21 22 23
Literatuuronderzoek _ Gebiedsbescherming (N2000/NNN) _ Soortbescherming
Hoofdstuk 3: Resultaten 31 32
pag. 5 pag. 5 pag. 5 Dag. 5 Pag.5 Pag.5 Pag.6
pag.7 Pag.7 Pag.7 Pag.7
pag.9
_ Gebiedsbescherming _ Soortbescherming
Pag.9 Pag.10
Vogels
Pag.11
Planten
Pag.11
Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfbieën Dagylinders en libellen Overige soortengroepen
Hoofdstuk 4: Effectbeoordeling en conclusie
Pag. 10 Pag. 10 Pag. 11 Pag. 11 Pag. 11
Pag. 12
pag. 13
41
_ Effectbeoordeling
Pag.13
42
_ Conclusies en vervolgstappen
Pag.13
Bijlage 1: Wet natuurbescherming
Pag. 15
(geanonimiseerd) Figuur 1: Bovenaanzicht (luchtfoto) van het plangebied.
i jjjô
Hoofdstuk 1: Inleiding Op de Kennemer Golf en Country Club is men voornemens de bestaande loodsen en stort te verwijderen en een nieuwe loods aan te leggen met daarin ook ruimte voor inpassing in de omgeving en natuur. In dit hoofdstuk is de aanleiding tot het uitvoeren van de quickscan beschreven. Verder zijn del ng en kenmerken van het gebied weergegeven en de geplande werkzaamheden. Als laatste is de kwaliteitsborging en leeswijzer beschreven.
11
Aanleiding en doel
De opdrachtgever heeft het plan bestaande loodsen en de afvalopslag te verwijderen en op deze plaats een nieuwe greenkeepersloods te bouwen. De herinrichting van het perceel zal bestaan uit het verwijderen van bestaande loodsen en aanwezig vuilnis en het plaatsen van een nieuwe loods. Aangezien de werkzaamheden aangemerkt worden als ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk deze te toetsen aan de Wet natuurbescherming hetgeen deze rapportage een uitwerking van is. Het doel van deze quickscan is het volgende: — _ Het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van planten- en diersoorten die vallen onder de verschillende beschermings-
regimes van de Wet natuurbescherming. -
Het
vaststellen
voorgenomen
— _
van
de
ingrepen
effecten
op
de
van
de
(mogelijk)
aanwezige beschermde soorten en hun leefgebieden. Het - indien noodzakelijk - beschrijven van voorzorgsmaatregelen die er voor zorgen dat schade
aan
beschermde
soorten
en
hun
— _
leefgebieden voorkomen of zoveel mogelijk beperkt wordt. Het in kaart brengen van omliggende natuurgebieden en de effecten op deze natuurgebieden en bijbehorende doelsoorten.
1.2
Opdrachtgever
Kennemer Golf en Country Club is de opdrachtgever voor het project. Zij verzorgen in opdracht de uitvoering van de werkzaamheden. Voor de aanleg van de loods en specialistisch werk zullen derden worden ingeschakeld.
13
Zandvoort/Bentveld (1898), en het Boogkanaal (Amsterdamsche Waterleiding, 1888). De feitelijke begrenzing aan de noordkant wordt gevormd door het Visscherspad, de historische route -
Ligging en kenmerken plangebied
vanuit Zandvoort naar de vismarkt van Haarlem. Het
Visscherspad maakt deel uit van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland, evenals de Blinkertweg, die het Boogkanaal en de korte N.O.-zijde van het terrein omzoomt.
De tegenoverliggende (eveneens korte) zuidwestgrens met het dorp Zandvoort wordt bepaald door de verbinding tramtracé en Visscherspad, het park Kostverloren.
Het is dus een vijfhoek met drie lange en twee korte zijden, die met het Boogkanaal een twee-eenheid vormt. De Kennemer en het Boogkanaal steken als een soort taartpunt in de schil van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland.
Het daadwerkelijke plangebied ligt in het zuidwesten op het terrein en betreft een gebied dat tussen zandduinen in ligt.
14
Geplande werkzaamheden
De geplande ruimtelijke ontwikkelingen bestaan uit: - _ slopen bestaande loodsen; — _ verwijderen groenafval; — _ egaliseren bouwperceel; plaatsingloods; creëren natuur (nader te bepalen). Het plan is om de werkzaamheden binnen aanzienlijke tijd uit te voeren, mede afhankelijk van de uitkomsten uit deze quickscan en eventuele vervolgtrajecten. De uitkomsten van deze quickscan zijn 3 jaar aan te dragen als onderbouwing voor vergunningen.
Sinds 1928 wordt gebruik gemaakt van het huidige terrein. Het is gesitueerd in de denkbeeldige driehoek die, geredeneerd vanuit het dorp Zandvoort, gevormd wordt door: — de spoorlijn Zandvoort/Overveen/Haarlem (1889), - _ het tracé van de voormalige elektrische tram
15
Kwaliteitsborging
De quickscan is uitgevoerd en gerapporteerd door de heer W. van Zadelhoff, ecoloog bij NLadviseurs. Door studie en ervaring opgeleid deskundige op het gebied van Nederlandse ecologie en wetgeving.
G G N j G 666
N
N jjj N
G á 4 e
j66 Z
j
Àj N
Ecoloog J. van de Kamp heeft de rapportage gecontroleerd. De geldigheid van de rapportage is drie jaar tenzij het gebied sterk wijzigt waardoor andere soorten dan beschreven voor kunnen komen.
16
Leeswijzer
In deze rapportage is achtereenvolgens beschreven welke methodiek is toegepast tijdens het onderzoek, de resultaten opgedaan uit het literatuur- en veldonderzoek en als laatste is de effectbeoordeling ‚en conclusie beschreven.
Figuur 3: Grasvegetatie met duindoornstruweelontwikkeling.
Figuur 2: Overzicht planlocatie, aanwezige grasvegetatie met struweel
Figuur 4: Onderdeel van een duinpan. Open vegetatiestructuur met blootliggend zand.
Figuur S: Welriekende salomonszegel, niet beschermd, maar wel een zeldzame
soort in Nederland.
Figuur 6 Enkelwandige loods zonder mogelijkheid voor vleermuis om zich in te vestigen.
jj
Hoofdstuk 2: Methodiek De aanwezige beschermde natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een analyse van literatuur (0.a. verspreidingsgegevens) en een veldbezoek (quickscan) aan het plangebied en de omgeving.
23 21
Literatuurstudie
Voor het bronnenonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsgegevens van soorten uit beschermde soortengroepen. Verder is gebruik gemaakt van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna, geraadpleegd op 17-5-2021 (NDFF - quickscanhulp). De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens. De toetsing is een effectbepaling en -beoordeling op basis van de huidige en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren, de functie en habitatkwaliteit van ‘het plangebied en de directe omgeving voor deze soorten in relatie tot de voorgenomen ingreep.
2.2
en/of
Natura
2000-gebied. Daarnaast is onderzocht op de aanwezigheid van Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving van het plangebied. Hiermee kan de mogelijke externe invloed van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld.
voorkomende beschermde soorten.
Tijdens de quickscan wordt het gehele plangebied, en de directe omgeving, verkend. Op basis daarvan wordt het mogelijk voorkomen van beschermde basis
Om een conclusie te trekken op de invloed van gebiedsbescherming is met bureauonderzoek onderzocht of het gebied onderdeel is van Nederland
De quickscan is de eerste stap in het proces om de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op het gebied van beschermde dier- en plantsoorten te onderzoeken. De aanwezigheid van beschermde soorten in en rond het plangebied en de geschiktheid van het plangebied voor deze soorten is door middel van een eenmalig veldbezoek onderzocht. Op 25 mei 2021 is door ecoloog W. van Zadelhoffde quickscan in het veld uitgevoerd. Doel van dit veldbezoek is om een indruk te krijgen van het aanwezige habitat en de geschiktheid ervan te beoordelen voor de mogelijk
dier- en plantsoorten beoordeeld op geschiktheid op
Gebiedsbescherming
Natuurnetwerk
Soortbescherming
van
habitateisen
voor
de
soorten,
of directe
waarnemingen van beschermde soorten. Bij deze toetsing van het terrein worden de geplande werkzaamheden als leidraad genomen. Getoetst is of de geplande werkzaamheden de Wet ‘natuurbescherming (mogelijk) overtreden.
Afhankelijk van de resultaten is het noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van beschermde soorten door middel van aanvullend onderzoek aan te tonen of uit te sluiten.
y}
jj
Figuur 7 i/m 10: Enkele detailfoto's van het plangebied. Op foto 7 is een dauwbraam te zien, deze is naast het plangebied waargenomen.
k Country
Clab
de
Hoofdstuk 3: Resultaten Dit hoofdstuk beschrijft het (mogelijke) voorkomen van beschermde flora en fauna. Als eerste zijn de resultaten van het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming beschreven. Daarin onder andere de mogelijke impact op Natura 2000gebieden en Natuurnetwerk Nederland
(NNN). In de tweede paragraaf is per soortengroep het effect beschreven en getoetst aan de Wet natuurbescherming. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is in de bijlage 1 te vinden.
31
Gebiedsbescherming
In de omgeving van het plangebied bevinden zich gebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en NNN. Natura 2000-gebieden zijn opgedeeld in habitatrichtlijn (HR) en vogelrichtlijngebieden (VR). Twee gebieden liggen mogelijk binnen de invloedsfeer van het plangebied: — _ KennemerlandZuid (VR+HR) ligt op ca. 6o meter afstand;
Van deze bovenstaande gebieden i niet uit te sluiten dat
de
werkzaamheden
door
middel
van
externe
werking invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het genoemde _ gebied. Verstoring in de vorm van licht, geluid en trillingen zijn niet te verwachten. Werkzaamheden vinden overdag plaats, waardoor de voering van kunstlicht niet wordt gebruikt. Verstoring door trillingen zijn
op basis van de voorgenomen ingrepen niet te verwachten. De bodem van het plangebied bestaat uit zandgrond een bodemtype dat slecht trillingen doorgeeft. Geluidsverstoring is niet te verwachten doordat ‘het gebied al gebruikt wordt als recreatiegebied. Door de aanwezigheid van de milieustraat op het plangebied is contante aan en afvoer van materieel al aan de orde.
Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de voorgenomen activiteiten en het nieuwe gebruik leiden tot significante effecten op doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en - soorten. Met behulp van de online rekentool AERIUS-Calculator (versie 2020) kan berekend worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Voor ontwikkelingen waarbij _ is aangetoond dat er géén sprake is van een toename in stikstofdepositie (ofwel < 0,00 mol/hectare/jaar) is geen vergunning nodig. Bovenstaande verwachting is
Quickscan Nieuwe Joods Kennemer
Golf&
Country Club Kaart beschermde
gebieden
Legenda DD Plangebied 1D Kadastral grens golfbaan EE Natuumetwerk Nederland Natura-2000 gebieden
ZD Habitatrichtijn
|opdrgeer. fcmen
Kennemer Glf & Coanty Cub OB24r
am
Tanzon
o
PDÓ (Opensteetap,N2o00. SM
200
Sor,
aisEf Figuur 11: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden.
400
_
Goom
7
jjj gebaseerd op de afstand van het plangebied naar de Natura 2000-gebieden en de te verwachtte uitstoot geleverd tijdens de werkzaamheden en de gebruiksfase. Beide dienen te worden doorgerekend ter onderbouwing. Aangezien het plangebied geen onderdeel is van NNN, en externe werking bij de NNN niet meeweegt, zijn er geen aanvullende maatregelen nodig.
In deze paragraaf is de invloed van de werkzaamheden op beschermde soorten beschreven. De invloed is per (relevante) soortengroep
Essentieel foerageergebied Opgaande beplanting en waterrijke delen zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebieden zijn beschermd als door het (tijdelijke) verlies ervan verblijfplaatsen in de directe omgeving worden aangetast (Artikel 3.5 lid 2). In het plangebied is geschikt foerageergebied aanwezig
beschreven.
voor vleermuizen.
3.2
3.2.1
Soortbescherming
Vleermuizen
Uit de omgeving van het plangebied (0 tot 5 km) zijn waarnemingen bekend van: _ Baardvleermuis, fransjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige vleermuis en watervleermuis.
10
De voorgenomen ingrepen hebben geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Op het perceel en direct aan het perceel zijn geen lijnvormige elementen aanwezig. Struweel, bomen en diepere sloten zijn volledig afwezig in het plangebied. Negatieve effecten op vliegroutes zijn hiermee uitgesloten.
Verblijfplaatsen Vleermuizen gebruiken holtes en verblijfplaats in gebouwen en bomen.
spleten
als
Binnen het plangebied zijn geen bomen dan wel gebouwen aanwezig waarin vaste rust en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig kunnen zijn. De aanwezige bunker die mogelijk verdwijnt is gecontroleerd op mogelijke verblijfplaatsen. Deze zijn niet waargenomen. De bunker is volledig dicht en daglicht schijnt naar binnen. Ook de loodsen zijn ongeschikt voor vleermuis, volledig uit staal bestaande loodsen vormen geen _ geschikte verblijfplaatsen. Essentiële vliegroutes Mogelijke vliegroutes van vleermuizen zijn opgaande lijnvormige elementen zoals bomenrijen en bosranden of brede watergangen. Deze landschappelijke structuren worden _ door vleermuizen gebruikt om zich binnen het landschap te oriënteren tussen een verblijfplaats en een foerageergebied. Ook worden deze elementen gebruikt als migratieroute van zomerverblijven naar winterverblijven. Vliegroutes ziijn _ beschermd wanneer bij verstoring van een dergelijke route dit een (indirect gevolg heeft voor vleermuizen en hierbij verstoring optreedt (Artikel 3.5 lid 2 Wnb). De mate van belang van een vliegroute houdt verband met de aanwezigheid van alternatieve routes, afstand tot (belangrijk) foerageergebied, het seizoen, ‘weersomstandigheden en lokaal voedselaanbod.
Het is echter niet te verwachten dat de planvoornemens effect hebben op essentieel foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende alternatief aanwezig. Ook is na realisatie van de planvoornemens het gebied wederom geschikt als foerageergebied doordat onderdelen van het plangebied ingericht worden als natuur. Effecten op essentiële foerageergebieden voor vleermuizen zijn uitgesloten en dienen niet nader onderzocht te worden. Natuurlijke vegetatie blijft aanwezig binnen het plangebied.
3.2.2 Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren van de Habitatrichtlijn kan op voorhand worden uitgesloten. In de directe omgeving (0-1 km) van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bever en
otter. Voor
deze soorten
ontbreekt
binnen
‘het plangebied aan geschikt habitat. Daarnaast is gekeken naar nationaal beschermde soorten. Deze soorten worden hieronder per groep beschreven:
Marterachtigen Uit de (directe) omgeving van het plangebied (o tot 5 km) zijn waarnemingen bekend van Boommarter, bunzing, steenmarter en wezel. Het plangebied kenmerkt biotoop van zowel bunzing, steenmarter als wezel.
Het is aannemelijk dat deze soorten zich in de omgeving van het plangebied bevinden of mogelijk foerageergebied vinden binnen de grenzen van het plangebied. Houtstapels en stronken waar vaste rust — en verblijfplaatsen in kunnen zitten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Verwacht wordt dat met de plaatsing van de loods geen essentieel foerageergebied van de soorten komt te verdwijnen. Oppervlakte aan foerageergebied blijft gelijk na uitvoering van de werkzaamheden.
G
Voor boommarter ontbreekt gunstig leefgebied. Houtopstanden zijn volledig afwezig binnen het plangebied. Eekhoorn
Eekhoorn komt volgens verspreidingsgegevens in de directe omgeving (o-1km) van het plangebied niet voor. In het plangebied zijn echter geen houtopstanden aanwezig. Negatieve effecten van de werkzaamheden op de soort is hiermee niet te verwachten.
Overige zoogdieren In de direct omgeving (05 kilometer) van het plangebied zijn waamemingen bekend van haas, konijn, rosse woelmuis en waterspitsmuis. Op waterspitsmuis na is voor deze soorten geschikt habitat aanwezig op de golfbaan. Echter zijn deze soorten vrijgesteld door de provincie Noord-Holland voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Individuen dienen te kunnen weglopen tijdens werkzaamheden of buiten gevaar te worden gebracht. Waterspitsmuis is uitgesloten in het gebied. Deze soort is sterk van water afhankelijk, hetgeen volledig afwezig is in het plangebied.
3.2.3 Vogels Uit de directe omgeving van het plangebied (0 tot 5 km) zijn waarnemingen bekend vogels met een jaarrond beschermd nest, te weten: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, ransuil, huismus, kerkuil, ooievaar, roek, sperwer, steenuil, slechtvalk, wespendief en zwarte wouw. Het plangebied is ongeschikt als broedhabitat voor bovengenoemde soorten gezien de terreinkenmerken. Het plangebied en de omgeving is onderzocht op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Nesten die mogelijk kunnen doorontwikkelen tot een _ jaarrondbeschermde nestplaats zoals die van zwarte kraai, zijn in het terrein niet waargenomen. Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is om deze reden uitgesloten en toekomstige nesten zijn niet te verwachten.
Naast de jaarrond beschermde nesten zijn de nesten van algemeen voorkomende broedvogels beschermd. Deze bescherming beperkt zich tot het broedseizoen en zolang vogels aan het broeden zijn. In het plangebied zijn geen nesten waargenomen tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek i een bezette nestpaal van een torenvalk _ waargenomen. Voorkomen dient te worden dat de dieren tijdens het broedseizoen werkzaamheden.
verstoord
raken
door
de
Het is mogelijk dat soorten als graspieper, gele kwikstaart in het plangebied voorkomen als broedvogels. Permanente verstoring van deze soorten is verboden, ontheffing voor degelijke activiteiten is niet mogelijk. Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels, zoals houtduif, graspieper, zanglijster, merel, winterkoning, heggemus en roodborst mogelijk in en rondom het plangebied. Bouw- en graafwerkzaamheden kunnen derhalve leiden tot het verstoring of vernieling van nesten van algemene broedvogels wanneer deze in het broedseizoen plaatsvinden. De ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen derhalve leiden tot het overtreden van een verbodsbepaling zoals genoemd in artikel 3.1 lid 2 (beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen) en lid 4 (opzettelijk verstoren} van de Wet natuurbescherming. Broedgevallen kunnen zich in opgaande begroeïing (bomen, struiken) voordoen. Het is van belang om mogelijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen
uit te voeren of tijdig preventieve maatregelen te nemen om vestiging van broedgevallen te voorkomen. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn wel mogelijk, vooral van de houtduif. Bezette nesten zijn altijd beschermd, onafhankelijk van de soort en het moment van nestelen. Worden toch bezette nesten aangetroffen dan dienen werkzaamheden met een mogelijk negatief effect te worden uitgesteld totdat de ouders klaar zijn met broeden en de jongen zelfstandig het nest definitief hebben verlaten
3.2.4 Reptielen Uit de (directe) omgeving van het plangebied (0-5 km) zijn waarnemingen bekend van zandhagedis en hazelworm.
Gezien
de
terreinkenmerken
van
het
plangebied worden beide soorten _ verwacht. Zandhagedis is op het terrein vaker waargenomen. Met name de open zanderige gedeeltes zijn geschikt voor deze soort. Nader onderzoek naar deze soorten
moet uitwijzen of zij zich ook binnen de invloedsfeer van het plangebied bevinden en zo ja, hoe groot de populatie is. Voorkomen van de soorten binnen het plangebied zou betekenen dat een ontheffìng ten aanzien van de soorten moet worden aangevraagd vanwege verstoring en mogelijk tiijdelijk vangen en verplaatsen. Verstoring of doden van individuen en/of vernietiging van (voortplantings)habitat is verboden volgens artikel 3.5 lid , 2 en 4 en artikel 3.10 lid 1 a en 1b Wnb.
u
E 3.2.5 Amfibieën Vanuit de verspreidingsgegevens blijkt dat op een afstand van o — 5 kilometer van het plangebied bastaardkikker, boomkikker, rugstreeppad, alpenwatersalamander en vinpootsalamander zijn aangetroffen. Tijdens het veldbezoek is geen geschikt water voor amfibieën aangetroffen. Oppervlaktewater ontbreek volledig binnen het plangebied en de invloedsfeer. Zelfs voor algemeen voorkomende amfibieën
als
kleine
watersalamander
en
bruine
kikker biedt het plangebied op het moment geen voortplantingsplek. Incidenteel voorkomen van algemeen voorkomende amfibieën is mogelijk in de vorm van landhabitat.
Negatieve invloed op beschermde amfibieën hiermee niet te verwachten in het plangebied.
is
3.2.6 Planten
12
Uit de NDFF zijn drie beschermde plantensoorten bekend in het plangebied of de directe omgeving (o-1 km). Te weten: glad biggenkruid, kleine ereprijs en rood peperboompje. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Van kleine ereprijs is een populatie bekend ten noorden van Bentveld. Dit is overigens de enige groeiplaats in Nederland.
De soort is nooit waargenomen
op de
Kennemer
en
Rode
wordt
hier
ook
niet
verwacht.
peperboompjes zijn niet binnen het plangebied aangetroffen. Ook van glad biggenkruid zijn geen individuen waargenomen binnen het plangebied. Verwacht wordt wel dat van glad biggenkruid individuen aanwezig zijn op het terrein van de Kennemer.
De
realisatie
van
de
loods
heeft
hier
echter geen negatief effect op omdat de soort zich niet bevindt op de bouwlocatie of de directe invloedsfeer is waargenomen. Aanwezigheid van de soort is tijdens het veldbezoek gecontroleerd. Verwacht wordt
dat glad biggenkruid zich in de ‘natuur'rough van de golfbaan bevindt. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten is hierdoor niet te verwachten.
3.2.7 Dagvlinders en libellen In de directe omgeving (0-1 kilometer) van het plangebied zijn waarnemingen bekend van aardbeivlinder, duinparelmoervlinder, grote vos, gevlekte witsnuitlibel, en sierlijke witsnuitlibel. In het plangebied ontbreekt habitat voor de libellen doordat oppervlaktewater volledig ontbreekt. Negatieve effecten op deze soorten is uitgesloten. Het voorkomen van grote vos is eveneens uitgesloten door de afwezigheid van biotoop in de vorm van iepenbossen. Tijdens
het
veldbezoek
ziijn
geen
duinviooltjes
waargenomen
in
moment
bezoek
van
het
plangebied. stond
Tijdens
duinviool
in
het bloei
waardoor de waamemingskans groot was. Door de afwezigheid van duinviool, waardplant van de duinparelmoervlinderrups, is ook voortplantingshabitat voor deze soort uitgesloten. Aardbeivlinder heeft als waardplant dauwbraam. Dauwbraam is in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Binnen het plangebied ontbreekt de soort echter. Het is aannemelijk dat aardbeivlinder in het gebied voorkomt. Echter schaden de geplande werkzaamheden de populatie niet doordat geen voortplantingsbiotoop wordt vernietigd.
3.2.8 Overige soortengroepen Uit verspreidingsgegevens is bekend dat er geen soorten van de overige soortengroepen (geleedpotigen, nachtvlinders en weekdieren) in de omgeving (0-1 kilometer) van het plangebied zijn waargenomen. Negatieve invloed op deze soort is om deze reden uit te sluiten.
jj
Hoofdstuk 4: Effectbeoordeling en conclusies Ten behoeve van het voornemen
om een ruimtelijke ontwikkeling te laten plaatsvinden is een
quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Om te beoordelen of de ruimtelijke ontwikkeling negatieve gevolgen heeft op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden, is als eerste stap deze quickscan uitgevoerd. In dit hoofdstuk zjn de conclusies van het onderzoek samengevat.
41 Effectbeoordeling Op basis van de resultaten kan niet worden uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde soorten en natuurgebieden plaatsvindt bij uitvoering van
de
werkzaamheden.
Nader
onderzoek
Het plangebied is geschikt bevonden als broedgebied voor verschillende (algemene) broedvogels. Permanente verstoring van vogelnesten is een verbod vanuit de Wet natuurbescherming en dient te worden voorkomen. Ontheffing voor permanente verstoring van broedvogels is niet mogelijk.
is Om
daardoor nodig, zie verder in paragraaf 4.2.
4-2 Conclusies en vervolgstappen Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van NNN-gebied. Verstoring op beschermde Natura 2000-gebieden is in de vorm van licht, geluid en trillingen niet te verwachten. Verstoring in de vorm van stikstofuitstoot is op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Nader onderzoek moet uitwijzen of de 0,00 mol/ha/jr
deze
reden
dient
er
buiten
het
broedseizoen
gestart te worden met werkzaamheden of voorafgaand aan de start een controle te worden uitgevoerd op de aanwezigheid van nesten door een ecologisch deskundige.
omliggende Natura 2000-gebieden.
Reptielen en amfibieën Het is aannemelijk dat zowel hazelworm als zandhagedis binnen het plangebied aanwezig zijn. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soorten aanwezig zijn en zo ja hoe groot de populatie van de dieren betreft. Verstoring of doden van individuen en/of vernietiging van (voortplantings)habitat is
Vleermuizen
3.10 lid 1 3 en 1b Wnb.
Geen effecten aan de orde, geen nader onderzoek noodzakelijk.
Planten
uitstoot
wordt
overschreden
ten
aanzien
van
Indien tjdens de bouw/sloopwerkzaamheden kunstlicht wordt gevoerd is het noodzakelijk deze volgens een ecologisch protocol te plaatsen zodat verstoring
verboden volgens artikel 3.5 lid 1, 2 en 4 en artikel
Geen effecten aan de orde, geen nader onderzoek noodzakelijk.
van vleermuizen wordt voorkomen.
Dagvlinders Geen effecten aan de orde, geen nader onderzoek noodzakelijk.
Grondgebonden zoogdieren Geen effecten aan de orde, geen nader onderzoek noodzakelijk.
Overige soortgroepen
Geen effecten aan de orde, geen nader onderzoek noodzakelijk.
Vogels In het gebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen of te verwachten. Effecten zijn om die reden ook uit te sluiten. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.
buiten broedseizoen
onderzoek zandhagedis ‘hazelworm
Tabel 1: Samenvatting conclusies quickscan
B
Bronvermelding NDFF—quickscanhulp 17 mei 2021 Overige geraadpleegde informatie —
—
Kennisdocumenten BIJ:2
_ NDFF verspreidingsatlas, www.verspreidingsatlas.nl
Kaartmateriaal
14
- _
PDOK: beschermde gebieden provincies (NNN) , Natura-2000, Luchtfoto
—
OpenstreetMap
G
Bijlage 1: Wet natuurbescherming De quickscan die is uitgevoerd is volledig gericht op de toetsing van de voorgenomen plannen aan de Wet natuurbescherming. Hieronder is weergegeven welke inhoud deze wetgeving vertegenwoordigd.
11
provincie een lijst opgesteld met soorten desbetreffende provincie zijn vrijgesteld.
Soortenbescherming
die in
De juridische bescherming van de Nederlandse natuur is in hoofdlijn geregeld via twee sporen. Hierbij zijn het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de soort- en gebiedsbescherming, die per 1 januari 2017 zijn geregeld onder de Wet natuurbescherming (Wnb), de belangrijke kaders.
Opzettelijkheid
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Deze nieuwe wet beoogt de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving waarbij onderscheidt wordt gemaakt in soort en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen is een globale toelichting gegeven op de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijke plannen en ingrepen worden getoetst.
In de Flora- en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (art 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de _ Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daarbij is het echter van belang te realiseren dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen:
111
Zorgplicht
De Wet matuurbescherming gaat uit van de “zorgplicht’ (art 1.11 Wnb). De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Indien specifieke maatregelen dienen te worden uitgevoerd, zal dit in onderhavig rapport worden toegelicht.
11.2
Verbodsbepalingen
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te beschadigen of te plukken. Beschermde inheemse dieren mogen niet worden gedood, verstoord, verwond, gevangen en ‘bemachtigd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden (zie tabel 2, bijlage 1). Voor
de
nationaal
beschermde
soorten
heeft
elke
In de Wet matuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora- en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.
“Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant.…”.
1.1.3 Vogels Alle broedvogels in Nederland zijn gedurende het broedseizoen beschermd (art 3.1 en 3.5 Wnb) en in sommige gevallen ook buiten die periode. Hierbij wordt door het bevoegd gezag onderscheid gemaakt tussen soorten uit de beschermingscategorie 1 t/m 4: jaarrond beschermde nesten (verblijfplaatsen van vogels die hun voortplantingsplaats het hele jaar of meerdere jaren achtereen gebruiken), categorie $: nietjaarrond beschermde vogelnesten (verblijfplaatsen van vogels die regelmatig naar hun verblijf terugkeren en over voldoende flexibiliteit beschikken en ‘overige soorten’ (vogels di jaarlijks een nieuw nest maken
dat alleen in het broedseizoen
beschermd is). Naar gelang de beschermingsstatus van het nest dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de nestlocatie te behouden.
12
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor dier- en plantensoorten kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/ of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De
5
jjj
jjj Tabel 1. Artikel 1.11 Zorgplicht 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied ofvoor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of «. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet ofde Visserijwet 1963 bepaalde. Tabel 2. Artikel 31 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1 2.
3®
Hetis verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel r van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. _ Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, ofnesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het verbod, bedoeld in het vierde lid,is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
16
Tabel 3. Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1 2. 3.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel , bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijkte doden of te vangen. _ Hetis verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. _ Hetis verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4 5.
_ Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. _ Hetis verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn o bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel 4. Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermd) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid,is het verboden: a in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen: b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen ofte vernielen, of c vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk e plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
i jjjô verplichtingen uit de Vogel en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten kunnen
verslechteren,
of
een
verstorend
houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant worden aangetast, in principe niet zijn toegestaan, tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van de NNN. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht.
effect
kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is
13
Houtopstanden
aangewezen.
Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (Provincies). Voor NNN-gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen. Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN geldt het “’nee, tenzij” principe. Dit
Het hoofdstuk over houtopstanden in de Wet natuurbescherming is van toepassing op alle bossen ‚en houtopstanden groter dan 10 are (1.000 m:) of, in geval van rijbeplantingen, meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Er wordt gesproken van een bos als de bomen elkaar duidelijk beïnvloeden. Als richtlijn voor de definitie van bos wordt een bedekkingspercentage van 60% gehanteerd. Het te kappen bos moet gecompenseerd worden, waardoor een meerwaarde voor natuur en landschap ontstaat. Het deel houtopstanden van de Wet
Tabel 5. Beschermingscategorieën broedvogels
Categorie
Jaarrond beschermd
T
a
17
Omschrijving Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust n verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats
broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van ‘bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus) Nesten
van
vogels,
zijnde
geen
koloniebroeders,
die
elk
broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk) Vogels die jaar In jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die
zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: ‘boomalk, buizerd en ransuil. 5
ja, indien zwaarwegende
Teiten of
ecologische omstandigheden echtvaardigen
dat
Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de Plaats waar
zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, ‘maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om,
als de broed-
plaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (voorbeeld: spreeuw, oeverzwaluw, boerenzwaluw, jsvogel) “overige soorten | nee,
alleen
seizoen
gedurende
het broed-
‘Soorten die jaarlijks gebruik maken van een nieuw nest (voorbeeld:
merel, ingmus, houtduif)
jj jjj
natuurbescherming is niet van toepassing op: - _ houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;
-
_ houtopstanden op erven of in tuinen:
-
fruitbomen
en
windschermen
om
-
‘boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
— -
— _
18
kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: r. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3".eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; ‘het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2093
1.4
Natuurnetwerk Nederland
Om de natuur in Nederland weer tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, wordt het Natuurnetwerk Nederland, NNN (de voormalige EHS; Ecologische hoofdstructuur) begrensd en aangelegd, als netwerk van bestaande en nieuwe natuur. Het beleidskader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen
van
het
NNN
is
de
Structuurvisie
Infrastructuur en Ruimte. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken van het NNN, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. Het NNN beschermingsregime is opgebouwd uit verschillende elementen die zijn opgenomen in de Spelregels NNN. Dit zijn maast het ‘nee, tenzij'-regime, met als sluitstuk natuurcompensatie, de maatwerkinstrumenten NNN saldobenadering en ‘herbegrenzen NNN.
“Nee, tenzij-regime en compensatiebeginsel Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee, tenzijregime. Dat wil zeggen dat ontwikkelingen in het NNN die significante gevolgen ‘hebben voor de kenmerken en waarden van het NNN
alleen kunnen worden toegestaan als er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieve oplossingen zijn. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het ‘nee, tenzij’- regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.