08. Bijlage 557628 Bijlage 6 RA Kennemerweg 78 Zandvoort 20-03-2023
Tekst van het document
(geanonimiseerd) Planologische risicoanalyse Kennemerweg 78 te Zandvoort. Kenmerk
:T-9107
Datum
: 20 maart 2023
(geanonimiseerd)
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart 2023
Inhoudsopgave
1.
_
Aanleiding tot het advies..
2.
_
Procedure; van toepassing zijnde recht..
3.
_
Toelichting opdrachtgever en onderzoek ter plaatse….
3
Overwegingen van de adviseu Ontvankelijkheid…. 4 Ten aanzien
van de hoofdzaak….
4
Vergelijking van de planologische regimes.…. Schade/schade ten laste van verzoeker/hoogte schadevergoeding.
5. 6.
_
Planschademanagement..…. Conclusie….
12
12
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
T-9107
(geanonimiseerd)
20 maart 2023
1. Aanleiding tot het advies. Door Equipe Adviseurs, gevestigd te Dordrecht is verzocht een globale planologische risicoanalyse te verrichten in verband met de bouw van een nieuw onderkomen voor greenkeepers voor de Kennemer golfclub op het perceel plaatselijk bekend als Kennemerweg 78 te Zandvoort.
(geanonimiseerd) ingeschreven De adviseur, die het advies uitbrengt, \s…
onder nummer RT971052508, planschade: en onteigeningsdeskundige, planschade- en onteigeningstaxateur, ingeschreven in het Register Deskundigen Onteigening en Bestuursrechtelijke Schadevergoeding (DOBS), rentmeesteren Gerechtelijk Deskundige (LRGD) op het gebied van Bestuursrechtelijke schadevergoedingen. Ingeschreven onder nummer DO444 en partner bij Langhout & Wiarda bestuursschade- en omgevingsrecht- deskundigen te Oranjewoud. Het betreft een wettelijke taxatie op basis van artikel 6.1 e.v. Wro. De taxatie is verricht op basis van planmaximalisatie en wijkt om die reden af van een reguliere taxatie van een onroerende zaak voor bijvoorbeeld koop, huur of een andere marktwaardebepaling. Ik heb de taxatie derhalve verticht in mijn kwaliteit als taxateur planschade. Zij wijkt ook voor wat betreft de omvang van de onderzoeksplicht en de rapportagevereisten af van de bepalingen uit de NRVT Reglementen of de internationale standaarden. De fundamentele beginselen, zoals verwoord in het Reglement Gedrags- en Beroepsregels, zijn wel van toepassing. Door ondergetekende is geen (nader) titelonderzoek gedaan naar eventuele zakelijke rechten.
(geanonimiseerd) De planologische risicoanalyse geeft aan opdrachtgever een indicatie omtrent de vermogensschade, in casu de indirecte planschade. De adviseur aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid jegens opdrachtgever of derden met betrekking tot deze analyse. Door Langhout & Wiarda worden algemene voorwaarden gehanteerd waaronder de dienstverlening plaatsvindt. Deze algemene voorwaarden treft u aan op onze website. U kunt de algemene voorwaarden daar raadplegen. Op uw verzoek worden de algemene voorwaarden graag kosteloos toegezonden. 2. Procedure; van toepassing zijnde recht. In verband met het feit dat het n casu gaat om een planologische risicoanalyse komen procedurele aspecten in deze advisering niet aan de orde. Het van toepassing zijnde recht is de Wet ruimtelijke ordening van 20 oktober 2006, Stb. 566. In dit recht is onder meer een forfaitair maatschappelijk risico opgenomen (artikel 6.2 van de Wro) van 2%.
3. Toelichting opdrachtgever en onderzoek ter plaatse.
(geanonimiseerd) De opdracht is schriftelijk toegelicht door _
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
4. Overwegingen van de adviseur. 4.. Ontvankelijkheid. Gelet op de status van het advies, het gaat om een planologische risicoanalyse vooruitlopend op een potentiële planologische maatregel, behoeft op de ontvankelijkheid niet te worden ingegaan. 4.2. Ten aanzien
van
de hoofdzaak.
Allereerst zal ik nagaan of sprake is van een planologische verslechtering als bedoeld in de artikelen 6.1 tot en met 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) als gevolg van het rechtskracht verkrijgen van de planologische maatregel, die de wijziging mogelijk maakt. 4.2.1. Vergelijking van de planologische regimes. Algemeen. Teneinde te beoordelen of als gevolg van de planologische wijzigingen planologisch nadeel zal optreden, dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime ten gevolge waarvan een belanghebbende schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de mogelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dus hoezeerde feitelijke situatie ook afwijkt van de planologisch meest ongunstige situatie, van die laatste situatie moet worden uitgegaan. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.
De Afdeling noemt in dît kader in haar uitspraken milieuhygiënische beperkingen dan wel andere omstandigheden (AbRS 7 november 2007, nr. 200702220/1), en feitelijke of juridische belemmeringen (AbRS 30 mei 2007, nr. 200609211/1 en AbRS 27 december 2006, nr. 200603619/1). De Afdeling legt de lat evenwel hoog en wijkt niet snel af van de hoofdregel van maximale invulling. In het kader van de maximale invulling van het oude planologische regime dienen bij indirecte planschade overgangsbepalingen in beginsel buiten beschouwing te blijven, omdat overgangsbepalingen van een andere orde zijn dan de overige voorschriften betreffende de bestemmingen van de in dat plan begrepen gronden. Immers de bestaande situatie past niet binnen de bestemmingsregeling en beoogd wordt om aan deze strijdige situatie een einde te maken binnen de planperiode. Indien bebouwing en/of gebruik onder de werking van het overgangsrecht wordt gebracht is leidt die maatregel in het algemeen wel tot een planologische verslechtering.
Flexibi
iteitsbepalingen.
Bij het bepalen van de maximale invulling van de planologische mogelijkheden van het nieuwe en oude planologische regime worden binnenplanse afwijkingen buiten beschouwing gelaten. Deze flexibiliteitsbepalingen zijn sedert de invoering van de Wro op 1 juli 2008 zelfstandige titels voor schade. Bij directe planschade geldt dat eerst bij weigering of verlening van de binnenplanse afwijking onder beperkende voorwaarden, zij ten opzichte van het voorafgaande planologische regime tot schade zouden kunnen leiden.
Planologische risicoanalyse
Kenmerk:
Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
Uit te werken bestemmingen. Uit te werken bestemmingen zijn sedert 25 april 2013, voor nadien binnengekomen aanvragen om tegemoetkoming in schade, geen titel voor schade meer, dat is eerst het uitwerkingsplan dan wel een ander opvolgend planologische regime en deze uit te werken bestemmingen worden bij de planvergelijking buiten beschouwing gelaten. Een in de planregels bij een uit te werken bestemming opgenomen bouwverbod dient bij directe planschade onder voorwaarden echter wel in de vergelijking te worden betrokken Dit bouwverbod is geen bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, van de Wro en derhalve geen bepaling van een bestemmingsplan die in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro is uitgezonderd. Indien n het nieuwe bestemmingsplan is geregeld dat van het bouwverbod bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken (binnenplanse afwijkingsbevoegdheid) kan eerst sprake van schade zijn als de uitoefening van deze bevoegdheid wordt geweigerd (artikel 6.1, zesde lid, Wro). Zie ADRS 11 juli 2018, ECLENL:RVS:2018:2298. Uit voormelde jurisprudentie van de Afdeling volgt eveneens, dat het wegbestemmen van bestaande bebouwings- en gebruiksmogelijkheden in de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime dient te worden betrokken. Vigerende planologische regime.
Het vigerende planologische regime betreft n het kader van dît advies het bestemmingsplan ‘Strand en Duin’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad in zijn vergadering van 27 november
2008.
Aan het beoogde plangebied is de bestemming 'Natuur’ toegekend. Op de verbeelding is nog de lettertekenaanduiding ‘golfterrein (g) vermeld. De op de plankaart voor Natuur aangewezen gronden zijn, voor zover bestemd
a b. c
in casu van belang,
voor:
_ het behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; _ zeewering: _ extensieve dagrecreatie;
alsmede:
d. e.
ter plaatse van de aanduiding "golfterrein" tevens een golfterrein van ten hoogste 27 holes en bijbehorende oefenfaciliteiten met bijbehorende voorzieningen; bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.
2. Op de n lid 1 bedoelde gronden gebouwd: a.
b.
mogen
uitsluitend ten dienste van de bestemming worden
gebouwen;
_ bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen: a. _ gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. _ de maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 2,5 m met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "golfterrein” een maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt van 3 m; Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a _ hetontginnen, bodem verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. _ het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
T-9107
(geanonimiseerd)
20 maart 2023
aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. Voor de volledige regels wordt verwezen naar genoemd bestemmingsplan. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Strand en Duin.
9 n entsbesemming
Ì
teenekenaandidng e
Het nieuwe planologische regime. De gemeente Zandvoort is voornemens planologische medewerking te verlenen aan de beoogde bebouwing. Het gebouw heeft een grondvloer oppervlak van circa 1200 m?. De bouwhoogte bedraagt circa 6.30 meter. Het gebouw dient ter vervanging van de drie bestaande gebouwen die zullen worden afgebroken. De ontsluiting van het gebouw vindt plaats op de Kennemerweg.
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
situering gebouw.
Vergelijking. Voor de beoordeling van een aanvraag om schadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie zal komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hieronder zal ik de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het huidige planologische regime vergelijken met die van het nieuwe beoogde planologische regime.
Opeenvolgende bebouwingsmogelijkheden. Het gebouw is gepland om gronden met een natuurbestemming. Dit gedeelte mag ook als golfterrein worden gebruikt. Op de beoogde locatie mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar alleen andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een hoogte van maximaal 3 meter. Bij de invulling van het huidige planologische regime en dit geldt uiteraard ook voor het nieuwe planologische regime dient er vanuit te worden gegaan, dat de toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op voor potentiële aanvragers de meest ongunstige wijze binnen de bestemming kunnen worden gerealiseerd. Dat een dergelijke invulling feitelijk niet voor de hand liggend is, doet niet ter zake. Slechts wanneer deze invulling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient ervan te worden afgeweken. Het nieuwe regime maakt de bouw mogelijk van een gebouw met een grondvloeroppervlak van circa 1200 m? met een bouwhoogte van circa 6.30 meter. In vergelijking met de vigerende bestemming neemt het bouwvolume toe. De dichtstbij gesitueerde woningen in het Kostverlorenpark en de woningen te Zandvoort liggen
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
op respectievelijk circa 400 en 500 meter uit het greenkeepers gebouw. Ten aanzien van het uitzicht vindt per saldo geen verslechtering plaats voor de omliggende onroerende zaken, gelet op de afstand, de bouwhoogte van het beoogde gebouw en de tussenliggende bestemmingen. De bezonningssituatie zal niet verslechteren gelet op de afstand en de bouwhoogte van circa 6.30 meter van het beoogde gebouw. Conclusie: Qua bebouwingsmogelijkheden is er per saldo geen sprake van een planologische verslechtering voor de in de naaste omgeving gesitueerde woningen. Opeenvolgende gebruiksmogelijkheden. Indien de gebruiksmogelijkheden worden vergeleken dan geldt het volgende. Op grond van het gebruik van de gronden als golfterrein en de toegestane extensieve dagrecreatie dient rekening te worden gehouden met activíteiten die gepaard gaan met geluidhinder en een aantasting van de privacy. In de nieuwe situatie is sprake van een nieuw onderkomen voor de greenkeepers ter vervanging Van een intensivering van het gebruik is per saldo in geringe mate sprake. Privacy. Algemeen. Onder privacy wordt verstaan het ongehinderd alleen in eigen kring kunnen vertoeven in de onroerende zaak zonder dat de buitenwereld daar inbreuk op maakt of weet van heeft.
Beoordeeld wordt of als gevolg van de planologische wijziging ten opzichte van een maximaal ingevuld planologisch regime de mate waarin de privacy kan worden aangetast ten nadele i gewijzigd. De mate waarin de aantasting van de privacy optreedt of toeneemt wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin waaremeren waargenomene elkaar kunnen herkennen. Met name bij dat (wederzijds) herkennen kan het gevoel ontstaan dat men wordt aangetast in de persoonlijke levenssfeer. In de regel zullen bij een afstand korter dan circa 30 meter waarnemer een waargenomene elkaar kunnen herkennen. Ligt de afstand tussen de 30 en 50 meter dan is weliswaar niet direct sprake van inbreuk op de privacy doch kan toch een gevoel van onvrijheid ontstaan (zie AbRS, 27 april 2011, zaak 201007502/1/H2, Breda).
Inhoudelijk. Gelet op de afstand tot de omliggende bebouwing en de hoogte van het beoogde gebouw zal er geen sprake zijn van vermindering van de privacy.
Geluid, geur, stof en overige vormen van overlast. Algemeen. Door geluid, geur, stof en andere overlast kan als gevolg van de planologische wijziging het woongenot dat aan een onroerende zaak wordt ontleend worden aangetast. Planologisch nadeel en schade treedt op in het geval deze aantasting van het woongenot leidt tot waardevermindering van de onroerende zaak. In welke mate aantasting is opgetreden dient beoordeeld te worden ten opzichte van een maximaal ingevuld voorafgaand planologisch regime. Voor wat betreft het vermeende schadeveroorzakende planologische regime dient te worden uitgegaan van een reële prognose van de te verwachten geluid, geur, stof en andere overlast op de peildatum.
Planologische risicoanalyse
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
Inhoudelijk. Thans kunnen eigenaren van de omliggende woningen al worden geconfronteerd met enige geluidhinder vanwege het onderhoud van de golfbaan door de greenkeepers. De beoogde bouw zal naar mijn mening niet leiden tot een toename van de hinder voor de omliggende woningen. Verder liggen de woningen te Zandvoort binnen de invloedssfeer van de spoorlijn. Verkeersaantrekkende werking/parkeeroverlast. Bij de vergelijking van de opeenvolgende planologische regimes dient ook beoordeeld te worden of als gevolg van de planologische wijziging de verkeerssituatie wijzigt ten opzicht van een maximaal opgevuld voorafgaand planologisch regime. Als gevolg van de toename van verkeer kan het woongenot worden aangetast. Gewezen wordt op onder meer geluidsoverlast, trillingen, verslechtering van de luchtkwaiteit, parkeeroverlast en inschijnende koplampen van motorvoertuigen. Inhoudelijk. De bouw van het gebouw zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen en geluidhinder op de de Kennemerweg. Conclusie: qua gebruik is er geen sprake van een planologische verslechtering voor de omliggende woningen. Eindconclusie:
Als gevolg van de beoogde planologische wijziging zal qua gebruiksmogelijkheden geen planologisch nadeel optreden voor de omliggende woningen. Voordeelsverrekening. Uit artikel 6.1.3.4, tweede lid, van het Bro volgt dat de voor- en nadelen die een planologische wijziging met zich brengt voor het vaststellen van de te vergoeden planschade met elkaar mogen worden verrekend. Het betreft codificatie van jurisprudentie van de Afdeling. Wel geldt dat vooren nadelen alleen met elkaar mogen worden verrekend indien zij voortvloeien uit één en dezelfde planologische maatregel. Indien evenwel de voor- en nadelen voortvioeien uit verschillende planologische maatregelen, maar die maatregelen nauw met elkaar zijn verweven, is verrekening ook mogelijk. Zie AbRS 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:A00820. Voor de volledigheid wijs ik er nog op dat voor wat betreft overlast van de opeenvolgende planologische regimes geldt dat in het kader van de planologische vergelijking alleen die vormen van overlast mogen worden meegenomen die ontstaan bij een normaal gebruik overeenkomstig de opeenvolgende functies. Excessieve vormen van overlast kunnen om die reden niet meegenomen worden. Een en ander geldt ook voor een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming. Beoordeeld dient worden of de opeenvolgende functies objectief bezien in ruimtelijk opzicht een nadelige invloed hebben op de omgeving.
4.2.2. Schadelschade ten laste van verzoeker/hoogte schadevergoeding. Gelet op het feit dat er qua bebouwings- en gebruiksmogelijkheden geen planologische verslechtering zal optreden behoeven de vragen hoeveel de schade bedraagt en of de schade voor vergoeding in aanmerking komt niet te worden beantwoord In het kader van de vergoedbaarheid van de schade wijs ik op het normale maatschappelijke risioo.
Planologische risicoanalyse
Kenmerk:
Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
Normaal maatschappelijk risico. In artikel 6.2, eerste lid Wro is bepaald dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening blijft van de aanvrager. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat aan dit id zelfstandige betekenis toekomt. Bij de invulling van het begrip normaal maatschappelijk risioo is het volgende van belang. Uit de toelichting van de Wro blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk terug heeft willen grijpen op de toelichting bij het oorspronkelijke wetsontwerp inzake artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de in de jaren '80 op basis daarvan geformuleerde jurisprudentie van de Kroon. Veelal is daarbij sprake van inbreuken welke niet verder gaan dan met de algemene sociale situatie in overeenstemming is, dan wel voortvloeien uit het gegeven dat een burger met anderen op een beperkt grondgebied leeft en nadelen daarvan voor lief heeft te nemen. Voor de invulling die de Afdeling bestuursrechtspraak geeft aan het normaal maatschappelijk risico verwijs ik naar bijvoorbeeld AbRS 9 oktober 2013, zaaknr. 201209175/1/A2, waarin de Afdeling als volgt overweegt: ‘Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr.
201113115/1/T1/A2) moet de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.” Uit de tot nu toe ontstane jurisprudentie blijkt, dat de volgende omstandigheden van belang zijn voor de vraag of de schade tot het normaal maatschappelijk risico kan worden gerekend. In de eerste plaats komt naar mijn mening zelfstandige betekenis toe aan het begrip normale maatschappelijke ontwikkeling.
Het gaat om algemene maatschappelijke ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn ook relevant, indien zij nog niet hun weerslag hebben gevonden in het planologisch beleid. Het criterium ‘iggen in de lijn der verwachtingen’ ziet op een zekere vorm van voorzienbaarheid. Anders dan bij de normale voorzienbaarheid hoeft er geen sprake te zijn van een concreet en ter openbare kennis gebracht beleidsvoornemen. Er is sprake van abstracte voorzienbaarheid. Bepalend is voorts niet, zoals bij de normale voorzienbaarheid het moment van aankoop van de onroerende zaak, doch is bepalend het moment onmiddellijk voorafgaand aan de planologische wijziging. Voorts is de ruimtelijke structuur van de omgeving van belang. Beoordeeld dient te worden of de ontwikkeling naar haar aard en naar de omvang n de structuur van de omgeving past. Ook dient te worden onderzocht of de ontwikkeling past binnen het door de gemeente gevoerde planologisch beleid. Ook de omvang van het nadeel is een relevante omstandigheid. Met betrekking tot de omvang van de schade kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat naarmate de omvang van de schade per schade object toeneemt het moeilijker wordt om de (gehele) schade onder het normaal maatschappelijke risico te scharen. Zie AbRS 30 mei 2012, zaaknr. 201104496/1/T1/A2. Ook de aard van het nadeel i een relevante omstandigheid. Inhoudelijk.
Het betreft de bouw van een onderhoudsgebouw ten behoeve van een golfterrein ter vervanging van de bestaande drie gebouwen. Dit is een normale maatschappelijke ontwikkeling. NB: Of sprake s van een normale maatschappelijke ontwikkeling dient los van de omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Zie AbRS 15 december 2021, ECLINL:RVS:2021:2829, waarin de Afdeling overweegt: ‘Of sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, wordt namelijk los
van
Planologische risicoanalyse 10
de
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart
2023
omstandigheden van het geval beoordeeld. Of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag wordt beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling in de ljn der verwachtingen lag, komt in ieder geval betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402, ov. 7.6:7.7enov.
7.11-7.13
Bijzondere omstandigheden kunnen met zich meebrengen dat op deze plek een dergelijke ontwikkeling niet behoefde te worden verwacht. Ik denk bijvoorbeeld aan andersluidend gemeentelijk beleid en een planologische structuur van de omgeving op basis waarvan de ontwikkeling niet had behoeven te worden verwacht. Ook de omvang van de schade kan met zich meebrengen dat de schade niet in zijn geheel tot het normale maatschappelijke risico kan worden gerekend. Planologisch beleid. Mij is niet gebleken dat er sprake is van langdurig gemeentelijk beleid. Bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. De bebouwing voegt zich qua functie, situering n de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. Omvang schade. De omvang van de schade kan ertoe leiden dat niet de gehele schade tot het normale maatschappelijke risico mag worden gerekend. Met betrekking tot de omvang van de schade wijs ik op AbRS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2071 en op de uitspraken van 19 februari 2014 in zaak nr._201306607/1/A2 en 9 april 2014 in zaak nr._201211639/1/A2 en 2 juli 2014 in zaak nr. 201307733/1/A2, waarin een drempel van 5 % is geaccepteerd. De drempel van 5% is relatief hoog in vergelijking tot de drempel van 2 % die in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro is neergelegd, maar in de in de hierboven genoemde jurisprudentie werd een dergelijke drempel aanvaardbaar geacht. Vaststelling drempel.
Voorts wijs ik op AbRS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:530. Uit deze en andere jurisprudentie volgt dat de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan s en daarbij komt het bestuursorgaan beoordelingsruimte toe. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk i. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de hoogte van de drempel primair wordt bepaald door het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre de desbetreffende planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, met dien verstande dat, gelet op artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, de drempel bij indirecte planschade - planschade door een planologische verandering op de gronden van derden - minstens 2 % van de waarde van de onroerende zaak is. Voor het antwoord op voormelde vraag is in ieder geval van belang of en zo ja, in hoeverre de planologische ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid paste.
Indien geheel aan beide indicatoren wordt voldaan, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 % van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 % in beginsel
Planologische risicoanalyse 1
Kenmerk: Datum:
(geanonimiseerd)
T-9107
20 maart 2023
aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 % in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, aangewezen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402 (gemeente Zundert) en 14 september 2022, ECLI:NL:2022:2678 (gemeente De Bilt. In casu wordt op basis van de aan mij bekende gegevens deels aan de gestelde criteria voldaan. Op basis van de Wro kan dientengevolge een drempel van 3 % worden toegepast. Op basis van de Omgevingswet dient een drempel van 4 % te worden toegepast omdat deze wet, die op 1 januari 2024 in werking zal treden, de drempel bijindirecte planschade fixeert op 4 %.
NB: Ten aanzien van het overgangsrecht geldt volgens de Invoeringswet Omgevingswet het volgende: - Op schade die is veroorzaakt door een bestemmingsplan dat van kracht wordt of een afwijkingsvergunning, die onherroepelijk wordt voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de Wro van toepassing (artikel 4.18, lid 1, onder c, en 4.19, lid 1; - Op schade die is veroorzaakt door een bestemmingsplan dat als ontwerp ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blift de Wro van toepassing tot 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet (artikel 4.19, lid 2); - Op schade die is veroorzaakt door een afwijkingsvergunning die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en die onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de wet en die onherroepelijk wordt, blijft de Wro van toepassing tot 5 jaar na vaststelling van het besluit (artikel 4.18, lid 2).
5. Planschademanagement. Het planschademanagement is dat deel van het planschadevergoedingsrecht, dat betrekking heeft op het beperken en eventueel voorkomen van planschade. In casu geeft dit aspect geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
6. Conclusie.
Als gevolg van de planologische wijziging zal geen voor vergoeding in aanmerking komende planschade optreden.
Oranjewoud, 20 maart 2023
(geanonimiseerd)
onafhankelijk planschade- en
onteigeningsdeskundige, planschade- en onteigeningstaxateur, ingeschreven in het Register
Deskundigen Onteigening en Bestuursrechtelijke Schadevergoeding (DOBS), Rentmeester en Gerechtelijk Deskundige (LRGD) op het gebied van Bestuursrechtelijke schadevergoedingen. Ingeschreven onder nummer D0444.
Planologische risicoanalyse 12