Bruchem, Kolkweg 1 Bijlagen toelichting Bijlage 4 Quick scan Wet natuurbecherming
Tekst van het document
VAN DEN BERG RUIMTELIJKE ORDENING T.a.v. dhr. J. van den Berg ’t Rond 9 4285 DE Woudrichem
Datum
5 februari 2021
Kenmerk
BE/2021/032/r
Uw kenmerk
Email d.d. 11 januari 2021
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ing. C. J. Blom
Quickscan Wet natuurbescherming Kolkweg 1 te Bruchem Aan de Kolkweg 1 (en omliggende percelen) te Bruchem is mesthandel G&J van Leeuwen gevestigd. De directie is voornemens de bedrijfslocatie uit te breiden. Dit betreft het uitbreiden van de verharding, de realisatie van een ontsluitingsweg, het verwijderen van groenoppervlak en het mogelijk saneren van een overkapping. Tevens is de directie voornemens om in de toekomst één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren. Voor deze realisatie zijn nog geen concrete plannen opgesteld. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en het oppervlak met een bedrijfsbestemming dient uitgebreid te worden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Berg Ruimtelijke Ordening begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kolkweg 1 (en omliggende percelen) te Bruchem (figuur 1). Hoewel een groot deel van de planlocatie behoort tot mesthandel G&J van Leeuwen, heeft de planlocatie meerdere functies. Deze functies betreffen: • Bedrijfsterrein van mesthandel G&J van Leeuwen: Het deel dat ingericht is als mesthandel wordt gekenmerkt door een mestdepot en paardenmestcontainers. Tevens zijn enkele bijgebouwen aanwezig. • Woning met tuin: De tuin van de woning heeft een hoog onderhoudsbeeld. Tevens is er een vijver aanwezig. Aan de oost- en noordzijde van de woning zijn bomenlanen aanwezig. Het gedeelte dat een functie heeft als woning met tuin zal onaangetast blijven binnen de beoogde ontwikkeling. • Weiland: Ten noorden en oosten van de planlocatie is een weiland gelegen. Tevens is er een gedeelte ingericht als paardenweide. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal mogelijk een overkapping gesaneerd worden. De overkapping is opgebouwd uit metalen damwandplaten en bevat een dak van ijzeren dakplaten. Aangezien de overige bebouwing in de huidige staat behouden blijft, zijn deze niet meegenomen in de voorliggende beoordeling. In de toekomst is de directie voornemens om één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren.
Aangezien de realisatie plaats zal vinden op de verharding (en derhalve geen bebouwing of groenoppervlak verwijderd dient te worden) is bij voorbaat uitgesloten dat deze realisatie een negatieve invloed heeft op beschermde soorten. De realisatie van de bedrijfsgebouwen wordt derhalve niet in het kader van soortenbescherming behandeld. De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Bruchem en de directe omgeving wordt gekenmerkt door weilanden, agrarische percelen en boerderijen/bedrijfsterreinen. Ten oosten van de planlocatie is de A2 gelegen. Op een afstand van circa 3,6 km ten noorden is de dichtstbijzijnde grote rivier aanwezig, namelijk de Waal. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kolkweg 1 (en omliggende percelen) te Bruchem (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. (A/B) het bedrijfsterrein met mestdepot. (C) het weiland en (D) de woning welke behouden blijft in de huidige staat.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van het bedrijfsterrein. De uitbreiding zal ten koste gaan van een gedeelte van de planlocatie met als functie weiland. De ontwikkeling betreft het uitbreiden van de verharding, aanleggen van een ontsluitingsweg, verwijderen van groenoppervlak en het mogelijk saneren van een overkapping. Ten behoeve van de beoogde ontsluitingsweg zal een duiker in de sloot gerealiseerd worden. Tevens is de directie voornemens om in de toekomst één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren. Voor deze realisatie zijn nog geen concrete plannen opgesteld. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en het oppervlak met een bedrijfsbestemming dient uitgebreid te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: Huidige ontwikkeling: • mogelijk saneren van de overkapping: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • uitbreiden verharding: allerhande straatwerkzaamheden; • realiseren ontsluitingsweg: allerhande straatwerkzaamheden en realisatie duiker in de sloot.
Toekomst: • realisatie één of meerdere bouwwerkzaamheden.
3
bedrijfsgebouwen
op
de
verharding:
algemene
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 6 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden.
4
Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, conifeer, Engels raaigras en grote brandnetel. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen worden uitgesloten.
5
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing en wezel. De bunzing en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen hebben veelal een voorkeur voor kleinschalige (cultuur-)landschappen met voldoende dekking. De bunzing prefereert daarnaast een omgeving met water in de nabijheid. Lijnvormige verbindingen zoals houtwallen, hagen, takkenrillen, bosranden, struweel, rommelhoekjes en boomgaarden worden gebruikt als verbindingen maar ook als jachtgebied. Als rust- en voortplantingsplaatsen maken kleine marters gebruik van elementen zoals holen, houtstapels, mollennesten, takkenrillen, stapels stenen en puin, gaten en holten en oude schuurtjes en hooizolders. De kleine marters begeven zich voornamelijk in dichte vegetatie. Buiten de dekking van de vegetatie zijn kleine marters kwetsbaar voor predatoren zoals roofvogels, vossen of huiskatten. (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017).
Het te verwijderen groen te midden van de planlocatie is gelegen op een zanddepot (figuur 3). Het zanddepot heeft een verwilderde uitstraling met onder andere dood hout, takkenbulten en stenenstapels. Tevens zijn er zeer veel konijnenholen in het zanddepot aanwezig (konijn is waargenomen tijdens het veldbezoek). Derhalve voldoet het zanddepot met de begroeiing aan de habitateisen van kleine marters. Bij de ingang van één van de konijnenholen is een marteruitwerpsel waargenomen (figuur 4). Dit uitwerpsel heeft een lengte van circa 7 à 8 cm en een dikte van 8 à 9 mm. Derhalve is het uitwerpsel mogelijk afkomstig van een bunzing of wezel (Bang & Dahlström, 2005).
Figuur 3
6
Het te verwijderen groenoppervlak (zanddepot en begroeiing) te midden van de planlocatie. De coniferen achter het zanddepot (de jaarrondgroene bomen) blijven behouden.
Figuur 4
Het te verwijderen groenoppervlak (zanddepot en begroeiing) te midden van de planlocatie. (A/B) visuele indruk van het zanddepot met begroeiing, takkenstapels, stenenstapels etc. (C) het konijnenhol waarin het marteruitwerpsel aangetroffen is. (D) het marteruitwerpsel.
Gezien de geschiktheid van het zanddepot als leefgebied voor kleine marterachtigen en de aanwezigheid van een marteruitwerpsel, kan niet uitgesloten worden dat de planlocatie een functie vervult als vaste rust- of verblijfplaats van kleine marterachtigen. Derhalve dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden alvorens het zanddepot verwijderd kan worden. Volledigheidshalve zal voor alle kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) bepaald worden of de planlocatie een functie vervult voor deze soorten (zie Vervolgstappen). Het te verwijderen groenoppervlak aan de westzijde van de planlocatie biedt eveneens beschutting, maar niet in de mate waarin het zanddepot dat doet. Tevens zijn er geen konijnenholen, stenenstapels of marteruitwerpselen aanwezig. Derhalve wordt het te verwijderen groenoppervlak aan de westzijde van de planlocatie op voorhand niet als essentieel beschouwd. De planlocatie vervult mogelijk ook een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name de egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn de te kappen bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. In de te kappen bomen zijn geen boomholten aanwezig welke geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het is derhalve uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed heeft op rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
7
De (mogelijk) te saneren overkapping is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. De overkapping is opebouwd uit enkelwandige houten muren en muren bestaande uit metalen damwandplaten. Het dak is opgebouwd uit ijzeren dakplaten waaronder voorgeïsoleerde sandwichpanelen zijn bevestigd. Een mogelijk invliegopening naar de ruimte tussen de dakplaten en de sandwichpanelen is geblokkeerd door een houten lat en dakgoot, waardoor de ruimte niet toegankelijk is. Tevens beschikt deze ruimte niet over een geschikt klimaat voor vleermuizen, waardoor het voorkomen van een rust- en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen in de overkapping bij voorbaat uitgesloten is. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed zal hebben op rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De te kappen bomen kunnen gebruikt worden als oriëntatiestructuren en om te foerageren. Echter vervullen deze bomen geen essentiële functie.
Er zijn namelijk voldoende bomen in de directe omgeving aanwezig die eenzelfde functie kunnen vervullen, namelijk de overige bomen op de planlocatie en de bomenlaan aan de Kolkweg. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot afbreuk van essentiële foerageergebieden en vliegroutes. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander en poelkikker.
Binnen de beoogde ontwikkeling zal een duiker over de sloot (aan de oostzijde van de planlocatie) gerealiseerd worden ten behoeve van de ontsluitingsweg. Deze sloot betreft een recent gemaaide, agrarische sloot (figuur 5).
Figuur 5
8
Fotografische indruk van de agrarische sloot waarover een ontsluitingsweg gerealiseerd zal worden. Ten behoeve van de ontsluitingsweg zal een duiker in deze sloot geplaatst worden.
De heikikker, kamsalamander en poelkikker stellen diverse eisen een de aquatisch habitat. Zo prefereert de poelkikker schone, stilstaande wateren in de landschapstypen bos, heide en hoogveen en heeft deze een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oeverzone (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Ook de kamsalamander komt voornamelijk voor in bosrijke gebieden en slechts zelden in akkerbouwgebieden (Ravon.nl). De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn habitat en het leefgebied bestaat voornamelijk uit heidevennen en water op hoog- en laagveen (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). Aan de bovengenoemde eisen voldoet de sloot waarover de ontsluitingsweg gerealiseerd zal worden niet. Tevens zijn er in de nabijheid van de te realiseren ontsluitingsweg geen typische overwinteringsstructuren aanwezig. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling en negatieve invloed heeft op beschermde amfibieën. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden en bosgebieden. Gezien de afwezigheid van deze biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Binnen de beoogde ontwikkeling zal een duiker over de sloot (aan de oostzijde van de planlocatie) gerealiseerd worden. Deze sloot betreft een recent gemaaide, agrarische sloot. Beschermde vissen stellen over het algemeen kritische eisen aan de watervegetatie en de waterkwaliteit. Deze agrarische sloot voldoet niet aan de kritische eisen die de meeste beschermde vissen stellen. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn derhalve uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: teunisbloempijlstaart (NDFF 2011-2021). De teunisbloempijlstaart komt voor in vochtige open bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten van de soort betreffen wilgenroosje, teunisbloem, basterdwerik en kattenstaart.
De soort overwinterd als pop in de strooisellaag. Op de planlocatie is geen sprake van bosgebied en een (onverstoorde) strooisellaag. Tevens zijn de waardplanten van de soort niet op de planlocatie waargenomen. Derhalve is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de teunisbloempijlstaart. Het is uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed heeft op deze soort. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, houtduif, kauw, koolmees en Turkse tortel. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).
9
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Binnen de beoogde ontwikkeling zal (mogelijk) een overkapping gesaneerd worden. Het dak van de overkapping is opgebouwd uit ijzeren dakplaten waaronder geïsoleerde sandwichpanelen zijn bevestigd. Een mogelijk invliegopening naar de ruimte tussen de dakplaten en de sandwichpanelen is geblokkeerd door een houten lat en dakgoot, waardoor de ruimte niet toegankelijk is. Tevens is het klimaat in deze ruimte aannemelijk niet geschikt voor nestlocaties doordat de combinatie van ijzeren dakplaten en geïsoleerde sandwichpanelen resulteert in een zeer hoge temperatuur in het broedseizoen. Wegens het ontbreken van invliegopeningen en een ongunstig klimaat is het uitgesloten dat het dak van de overkapping gebruikt wordt als nestlocatie door huismussen en/of gierzwaluwen. De overkapping beschikt niet over andere geschikte nestlocatie. Tevens vervult de overkapping ook geen functie als nestlocatie voor andere vogels met jaarrond beschermde nestlocaties. Het groenoppervlak dat binnen de beoogde ontwikkeling verwijderd zal worden betreft hoofdzakelijk bomen en takken. Deze vervullen geen functie voor huismussen welke mogelijk in omliggende bebouwing broeden.
Er is voldoen leefgebied op het terrein met de functie “woning met tuin” aanwezig. Derhalve leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van functioneel leefgebied van huismussen. Het weiland wat ten behoeve van de beoogde ontwikkeling verhard zal worden, kan incidenteel gebruikt worden door roofvogels en uilen als foerageergebied. Van essentieel foerageergebied is echter geen sprake gezien de grote hoeveelheid soortgelijk habitat (weilanden en agrarische percelen) in de directe omgeving. Tevens zijn er geen horsten aangetroffen in de te kappen bomen. Derhalve leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van functioneel leefgebied van uilen en roofvogels. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 3,1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 6). Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 3 m ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 7).
10
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 3 meter tot de Groene ontwikkelingszone. De planlocatie en Groene ontwikkelingszone worden gescheiden door middel van een sloot (bron: geoportaal.gelderland.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
11
Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. In het kader van stikstofemissie zijn de volgende ontwikkelingen beoordeeld: • Het uitbreiden van de verharding • Het realiseren van een ontsluitingsweg • Het verwijderen van groenoppervlak • Het (mogelijk) saneren van een overkapping Ten opzichte de huidige situatie leidt de bovengenoemde ontwikkelingen niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’).
Gezien er sprake is van een relatief grote afstand (3,1 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er binnen de bovengenoemde ontwikkeling enkel sprake is van een tijdelijke toename van stikstofemissie tijdens de werkzaamheden, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie vervult mogelijk een essentiële functie voor kleine marterachtigen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden De beoogde kapwerkzaamheden zijn niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Bunzing Wezel Hermelijn Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels
Tabel 3
Nee
-
Artikel 3.10 Artikel 3.10 Artikel 3.10 -
Ja Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Rustplaats/ voortplantingsplaats/ leefgebied -
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
3,1 km
Geen
N.v.t.
Gelders natuurnetwerk
1,4 km
Geen
N.v.t.
Groene ontwikkelingszone
3m
Geen
N.v.t.
Tabel 4
13
-
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor kleine marterachtigen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling betreft het uitbreiden van de verharding, aanleggen van een ontsluitingsweg, verwijderen van groenoppervlak en het mogelijk saneren van een overkapping.
Tevens is de initiatiefnemer voornemens om in de toekomst één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren. Deze ontwikkeling is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) uitgevoerd te worden. Dit betreft een onderzoek van minimaal 6 weken in de periode maart t/m augustus of een periode van 12 weken buiten deze periode. Aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden met behulp van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en/of nestkasten (Bouwens, handreiking kleine marters, 2017).
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
14
Literatuur Bang, Dahlström, 2005. Tierspuren. Publicatie: blv, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis. Versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bouwens, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming. Zoogdiervereniging i.o.v. provincie Noord-Brabant. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geoportaal.gelderland.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ing, C. J. Blom Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De overkapping welke (mogelijk) gesaneerd zal worden.
Figuur 2
Het gedeelte van de planlocatie met de functie “woning met tuin”. Dit gedeelte blijft onaangetast binnen de beoogde ontwikkeling.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
18
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
19
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
20