CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Zaltbommel, De Wildeman III 19-03-2025 Toelichting

Raadsvergadering 22 mei 2025, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Wildeman III15.025 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen.

Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. 4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Ecologisch onderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 6 (Beknopte natuurtoets) bij deze toelichting. Voor een toetsing aan de soortenbescherming van de Wnb is op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 17 december 2020) en het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Als gevolg van de plannen gaan geen jaarrond beschermde nesten van vogels, zoals buizerd en uilen, of verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Bij de uitvoering van het plan gaat mogelijk een klein deel van het foerageergebied van buizerd verloren. Negatieve effecten op het foerageergebied van deze en andere vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uit te sluiten, doordat het plangebied hooguit een klein onderdeel vormt van het foerageergebied en er bovendien in de omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied beschikbaar is. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van eventuele kapwerkzaamheden op het noordwestelijke perceel rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet.

Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het plangebied niet ongeschikt worden als foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast is in de omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Bij uitvoering van het plan gaan geen belangrijke vliegroutes van vleermuizen verloren. Als gevolg van het plan kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en of zoogdieren-soorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Gelderland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Negatieve effecten op beschermde soorten uit de overige soortgroepen treden niet op als gevolg van de ontwikkelingen. Uitvoering van het bestemmingsplan is uitvoerbaar te achten. Gezien de afstanden tot Natura

24

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

2000-gebieden is een AERIUS-berekening noodzakelijk. Stikstof De effecten met betrekking tot stikstof zijn berekend. De memo die naar aanleiding van deze berekening is opgesteld, is opgenomen als Bijlage 8 (Stikstofberekening) bij deze toelichting. De bedrijven op het terrein en het verkeer dat verbonden is aan het plangebied stoten stikstof uit. Uit een berekening met het rekenprogramma AERIUS Calculator 2024 blijkt dat hierdoor een depositietoename optreedt in zes Natura 2000-gebieden met maximaal 0,33 mol N/ha/jaar. Toenames van stikstofdepositie in daarvoor gevoelige natuurgebieden kunnen in beginsel leiden tot negatieve gevolgen voor de daar aanwezige habitattypen en leefgebieden. Om die reden is een passende beoordeling uitgevoerd, zie Bijlage 9 (Passende beoordeling). De passende beoordeling leidt tot de volgende conclusies: De toename van de stikstofemissie als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein Wildeman III in Zaltbommel leidt tot een verhoging van de depositie op kleine oppervlaktes van het habitattype H6510A Glanshaverhooiland en de leefgebiedtypen Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied in het westelijk deel van het Natura 2000-gebied Rijntakken met maximaal 0,33 mol N/ha/jaar. Deze toename treedt op in een zeer klein deel van het leefgebied Lg08.

Op H6510A en Lg11 is de depositietoename op hexagonen met een overschrijding van de KDW maximaal 0,08 mol N/ha/jaar. In de Natura 2000-gebieden ‘Loonse & Drunense Duinen’, ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’, ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’, ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ en ‘Kolland & Overlangbroek’ is de depositietoename als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein maximaal 0,01 mol N/ha/jaar. De berekende geringe toename van de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van het bedrijventerrein leidt niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot de habitattypen en leefgebiedtypen in bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de het project aan de habitattypen wordt toegevoegd, is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. Gezien het bovenstaande is uitgesloten dat het gebruik van het bedrijventerrein leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden, ook in cumulatie met andere projecten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer (over weg, water en spoor en door buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Binnen en nabij het plangebied liggen verschillende bestaande risicobronnen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van het bestemmingsplan. Het betreft: een tweetal hogedruk aardgasleidingen ten noorden van de N322 (waarvan 1 leiding voor een klein deel ligt binnen het plangebied); een hogedruk aardgasleiding ten noordoosten van het plangebied (waarvan een klein deel van het invloedsgebied over het plangebied ligt. De leiding zelf ligt niet binnen het plangebied); Brzo-bedrijf Sachem (Van Voordenpark 15 te Zaltbommel); Brzo-bedrijf Mainfreight (Wildemanweg 2-4 te Zaltbommel). Deze bronnen veroorzaken risico's die worden aangeduid als externe veiligheidsrisico's. Voor de complete beoordeling van deze risicobronnen op het plangebied en een invulling van de verantwoordingsplicht

25

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

groepsrisico wordt verwezen naar het rapport van de Omgevingsdienst Rivierenland in Bijlage 7. De belangrijkste bevindingen uit het rapport zijn hieronder samengevat. Plaatsgebonden risico en belemmeringenstrook Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contouren van bovenstaande risicobronnen. Hierdoor wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. Er liggen wel twee hogedruk aardgasleidingen binnen het plangebied. Tot 4 meter aan weerszijden van de hogedruk aardgasleidingen W-531-4 en W- 531-10 wordt een belemmeringenstrook opgenomen op de verbeelding voor zover deze ligt binnen het plangebied. Er ligt geen bedrijfsbestemming binnen de belemmeringenstrook. Nieuwvestiging van Bevi-bedrijven (en daarmee vergelijkbare bedrijven) Het plan voorziet in principe niet in de vestiging van nieuwe Bevi-bedrijven of daarmee vergelijkbare risicobedrijven. Voorwaarden op grond van de beleidsvisie EV Gelet op de ambities in de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid is in de planregels geborgd dat binnen het plangebied geen nieuwe Bevi-activiteiten of daarmee vergelijkbare risicovolle activiteiten mogen plaatsvinden, behoudens het hiervoor genoemde gasbedrijf. De aanbeveling om te borgen dat het verblijf van groepen verminderd zelfredzame personen niet wordt toegestaan binnen het plangebied is overgenomen.

Verantwoording groepsrisico De omvang van het groepsrisico (GR) is in relatie tot de oriëntatiewaarde in de huidige en nieuwe situatie vanwege Sachem, Mainfreight en Guliker en enkele hogedruk aardgasleidingen. Door het plan neemt het GR vanwege Sachem en de hogedruk aardgasleidingen nabij het plangebied niet toe. Ten gevolge van Mainfreight is geen groepsrisico (met 10 slachtoffers of meer) berekend. Daarnaast is het groepsrisico vanwege Sachem, Guliker en de hogedruk aardgasleidingen in de nieuwe situatie ruimschoots lager dan (0,1 maal) de oriëntatiewaarde. Ter bevordering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt aanbevolen om in ieder geval: door de veiligheidsregio te laten beoordelen of er voldoende en geschikte bluswatervoorzieningen worden gerealiseerd; te borgen dat een zodanige wegenstructuur binnen het plangebied wordt aangelegd dat (in ieder geval) de percelen, die liggen binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgasleidingen, tweezijdig door hulpdiensten benaderd kunnen worden en voor ontvluchting (in de juiste richting) kunnen worden gebruikt; een mogelijkheid voor het stellen van nadere eisen in de planregels op te nemen voor het treffen van voorzieningen waardoor een luchtbehandelingsinstallatie centraal kan worden afgesloten; een mogelijkheid voor het stellen van nadere eisen in de planregels op te nemen voor het realiseren van vluchtdeuren, die

zijn afgekeerd van de hogedruk aardgasleidingen; in het plan te borgen dat bestemmingen met een relatief hoge personendichtheid niet of slechts onder voorwaarden worden toegelaten binnen het plangebied; Daarnaast zal risicocommunicatie naar (nieuwe) bedrijven op de Wildeman III actief worden opgepakt door de gemeente in samenwerking met de veiligheidsregio. Dit onderdeel kan echter niet geborgd worden in het bestemmingsplan. De belangrijkste argumenten om het groepsrisico ten gevolge van de belangrijke risicobronnen en beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied verantwoord te achten zijn: Het groepsrisico neemt niet of niet noemenswaardig toe ten gevolge van het plan;

26

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Uit oogpunt van zelfredzaamheid worden geen groepen verminderd zelfredzame personen of bestemmingen met een relatief hoge personendichtheid toegelaten binnen het plangebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Verkeerseffecten

Er is onderzoek gedaan naar de effecten van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Wildeman III op de verkeersintensiteiten en de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen, zie Bijlage 4. Met het verkeersmodel zijn de gevolgen voor het wegverkeer op de omliggende wegen bepaald. Vervolgens is onderzoek uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling, het verkeerskundig functioneren. De ontsluiting van het plangebied is beoogd aan de noordzijde, op de Van Heemstraweg-Oost. De exacte locatie van de ontsluitingsweg van het plangebied is nog niet bekend. De verkeersveiligheid rond de beoogde locatie van de ontsluitingsweg van het plangebied is beoordeeld door eerst te kijken naar de functie, vormgeving en het toekomstige gebruik van de van Heemstraweg-Oost. Als functie, vormgeving en gebruik in balans zijn kan de weg de toekomstige verkeersstromen veilig verwerken. Is er een onbalans, dan kunnen er verkeersproblemen ontstaan. Vervolgens is ook de verkeersveiligheid van de aansluiting van het bedrijventerrein op de van Heemstraweg-Oost beoordeeld. Wegkenmerken De van Heemstraweg-Oost is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km per uur. De weg is verhard door middel van asfalt en uit de modelberekeningen blijkt dat er met de ontwikkeling van het bedrijventerrein circa 6.300 motorvoertuigen per etmaal over de weg rijden ter hoogte van de rotonde N322 Van Heemstraweg.

De rijbaan is 6,8 meter breed en de rijrichtingen worden gescheiden door middel van asstrepen. Tevens ligt de weg op de route die gebruikt wordt door fietsende scholieren. Balans tussen de functie en de vormgeving van de weg en de functie en het gebruik van de weg De functie als gebiedsontsluitingsweg past goed bij het toekomstige gebruik van 6.300 motorvoertuigen per etmaal en het karakter van de weg. Ook de vormgeving van de weg past grotendeels bij een gebiedsontsluitingsweg met een snelheidslimiet van 80 km per uur. Bij voorkeur heeft dit type weg echter een minimale rijbaanbreedte van 7,0 meter. Doordat de rijbaan 6,8 meter breed is, is dit een aandachtspunt. Balans tussen vormgeving en gebruik van de weg De vormgeving van de weg past goed bij het toekomstig gebruik van de weg. De rijbaan is breed genoeg om 6.300 motorvoertuigen per etmaal te verwerken. Daarnaast zorgen de vrijliggende fietspaden met een breedte van 2,3 meter aan beide kanten van de weg ervoor dat fietsers veilig gebruik kunnen maken van de weg. De oversteekbaarheid van de van Heemstraweg-Oost voor fietsers is echter matig. De oversteek van en naar de Jannestraat bevat geen middengeleider, waardoor fietsers in één keer de oversteek moeten maken.

Mede doordat de weg op dit punt al breder wordt voor de middengeleider bij de rotonde, hebben fietsers te veel oversteektijd nodig om veilig over te steken bij de toekomstige intensiteit. Dit probleem doet zich echter ook al voor bij het huidige gebruik van de weg. De intensiteitstoename zorgt niet voor een andere beoordeling van de oversteekbaarheid. Het probleem wordt door de toename van verkeer wel urgenter. Aansluiting bedrijventerrein op van Heemstraweg-Oost Voor deze aansluiting is uitgegaan van een vormgeving conform het nabijgelegen kruispunt tussen de van Heemstraweg-Oost en de Bommelskade. Dit betekent dat het kruispunt is vormgegeven als voorrangskruispunt met gemotoriseerd verkeer en fietsers op de van Heemstraweg-Oost in de voorrang. In

27

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Er is gebleken dat het toekomstig aantal motorvoertuigen en fietsers op de aansluiting van het bedrijventerrein op de van Heemstraweg-Oost goed kan worden afgewikkeld. De vormgeving van dit kruispunt past goed bij het type weg en het toekomstig gebruik en functioneert daarom goed. Wel geldt dat het zicht vanaf de nieuwe aansluiting op het kruisende fiets-/bromfietspad 75 meter moet bedragen en op 5 meter voor de fietsoversteekplaats aanwezig moet zijn (conform Handboek wegontwerp CROW). Het staat nog niet vast op welke plek het bedrijventerrein op de van Heemstraweg-Oost aan gaat sluiten. Aan deze locatie zitten vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid enkele restricties. In de analyse naar de verkeersafwikkeling is berekend dat de wachtrij voor de rotonde van Heemstraweg-Oost - N322 maximaal 45 meter is. Vanuit verkeerskundig perspectief is het zaak te zorgen dat verkeer dat van en naar het bedrijventerrein rijdt niet geblokkeerd wordt door deze wachtrij. Daarom moet de aansluiting op ruime afstand van de rotonde van Heemstraweg-Oost – N322 komen te liggen. Daarnaast zorgt de bocht in de van Heemstraweg-Oost van en naar de rotonde op het kruispunt met de N322 voor minder goed zicht op de verkeersbewegingen rond de aansluiting van het bedrijventerrein.

Het oprijzicht van een gebiedsontsluitingsweg met één rijbaan in beide richtingen en een snelheidslimiet van 80 km per uur moet 145 meter vanaf de aansluiting bedragen (conform Handboek wegontwerp). Deze 145 meter is daarom de minimale afstand van de nieuwe aansluiting tot de bocht in de van Heemstraweg-Oost richting de rotonde.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Toetsingskader

Algemeen Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan en is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke belangen. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Voor het totale Bedrijventerrein De Wildeman is door RPS op 25-10-2018 een integrale watertoets uitgevoerd. Het rapport en waterparagraaf zijn vervolgens voorgelegd aan het waterschap Rivierenland. Op 28 juni 2019 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland hier een besluit over genomen met bijhorend besluitnummer 2019045371/2019076593.

Het wateradvies ten behoeve dit bestemmingsplan is geactualiseerd, zie Bijlage 2 Watertoets Wildeman III en Bijlage 3 Aanvulling watertoets. De belangrijkste conclusies zijn: Riolering Voor De Wildeman III wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel. Er komen twee stelsels in dit bedrijvenpark: een vuilwater-riool en een regenwaterriool1 . Deze zijn volledig gescheiden van elkaar en er komen dus ook geen overstortvoorzieningen naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van bedrijven (veelal huishoudelijk afvalwater) wordt met een rioolstelsel ingezameld en via persleidingen afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van WSRL aan de Onderlangsweg in Zaltbommel. In Wildeman III zal daartoe een extra rioolgemaal worden gesticht, van waaruit het afvalwater

28

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

wordt verpompt naar een gereserveerde -reeds aanwezige- persleiding bij de rotonde Van Heemstraweg-oost/Wildemanweg. Via deze leiding wordt het eindrioolgemaal Zaltbommel Oost bereikt. Hier vandaan wordt het afvalwater verder getransporteerd naar de RWZI. Bij de stichting van het hoofdrioolgemaal is rekening gehouden met de volledige ontwikkeling van bedrijventerrein De Wildeman. Het regenwater van verhardingen (wegen, terreinen, daken) wordt naar bergings- en infiltratievoorzieningen geleid en zal na een bepaalde verblijftijd het openwater bereiken. Deze droogvallende systemen vormen de fysieke begrenzingen tussen de uitgeefbare kavels. Omdat ze niet tot het oppervlaktewatersysteem behoren, wordt deze berging niet meegerekend in het totaaloppervlak water. De bodemhoogte van deze zaksloten, wadi’s of laagtes met lijnafwatering ligt een aantal decimeters boven het oppervlaktewaterpeil. Gelet op de aard van de bedrijven kan hier gesproken worden van overwegend huishoudelijk afvalwater. Voor de bepaling van het volume afvalwater (DWA) alsmede het aantal vervuilingseenheden (VE’s) is het leidingwaterverbruik maatgevend. Het gebruik van oppervlaktewater en grondwater wordt uitgesloten. Het leidingwaterverbruik is weer afhankelijk van het aantal werknemers per bedrijf dat daadwerkelijk op locatie werkzaam is. Een aantal van 10 werknemers per bedrijf is reëel te noemen.

In de literatuur (o.a. RioNed) wordt veelal een waterverbruik van 10 tot 15 m3 per werknemer per jaar aangehouden. De DWA voor Wildeman III wordt dan berekend op maximaal 2.850 m3/jaar. Wanneer deze afvalwaterstroom betrekking heeft op een werkdag van 12 uur bedraagt de DWA bij benadering 1 m3/uur. Het aantal VE’s per locatie is bedrijfsafhankelijk. Uitgaande van (overwegend) huishoudelijk afvalwater bedraagt het aantal vervuilingseenheden voor De Wildeman III 60 tot 100 VE’s. Bedrijven met een veel groter leidingwaterverbruik (bijvoorbeeld een wasserij, slachterij) zullen leiden tot een aanzienlijk hoger aantal VE’s. De aanmeldingen voor een bedrijfskavel geven vooralsnog geen aanleiding om van dergelijke bedrijfsactiviteiten uit te gaan. Waterkwantiteit In het plangebied De Wildeman III wordt wateroppervlak aangelegd dat anticipeert op te dempen bestaand- oppervlaktewater en compensatie van de toename van verhard oppervlak. Hierbij worden de beleidsregels van WSRL gevolgd. Als gevolg van de nieuwe inrichting van het gebied neemt het areaal openwater toe met een factor 4 van circa 3.000 m2 bestaand tot circa 12.000 m2 (1,2 ha) in de nieuwe situatie. Deze toename van openwater heeft gevolgen voor de verandering van verdamping alsmede van de omvang van kwel en/of wegzijging. De Wildeman III maakt thans deel uit van het agrarische gebied aan de zuidoostzijde.

Voor dit gebied geldt een zomerpeil van NAP +1,90 meter en een winterpeil van +1,75 meter. Bij de planontwikkeling wordt het gebied De Wildeman III hydrologisch gekoppeld aan het bestaande bedrijventerrein De Wildeman. Het waterpeil wordt dan een vast peil jaarrond van NAP +1,85 meter. Op basis van alle informatie wordt voor De Wildeman III de navolgende verandering van kwel en wegzijging naar/vanuit het oppervlaktewatersysteem berekend. De waarden hebben uitsluitend betrekking op het openwater. Aangenomen wordt dat het ondiepe grondwater door zijn eigen natuurlijke dynamiek geen extra kwel of wegzijging genereert.

Uit de berekeningen volgt dat de (potentiële) wegzijging vanuit openwater naar het diepe grondwater toeneemt van 9 naar 29 m3/etmaal. De potentiële kwel neemt toe van 3 naar 7 m3/etmaal. Dat de

29

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

wintersituatie relatief een kleinere impact heeft komt door het lagere winterpeil in de huidige situatie. De verhoging van het streefpeil leidt automatisch tot minder kwel. Gelet op de (zeer) geringe toename van kwel in de wintermaanden, zijn mitigerende maatregelen niet aan de orde. Voor de zomermaanden dient rekening te worden gehouden met extra wateraanvoer in verband met een toename van wegzijging van oppervlaktewater naar het diepe grondwater. De veranderingen in wegzijging en kwel hebben geen significante effecten (lees: verandering van ondiepe grondwaterstanden) op de omgeving. Ook op de natuurgebieden in de Waal-uiterwaarden heeft ontwikkeling van De Wildeman III geen effect van betekenis. Opgemerkt wordt dat de verliezen door wegzijging veel kleiner zijn dan de verdampingsverliezen waar zondermeer rekening mee moet worden gehouden. Een wateraanvoer naar dit gebied is in de zomermaanden te allen tijde aan de orde. Waterkwaliteit Bedrijvenpark De Wildeman III krijgt een oppervlaktewatersysteem dat wordt geïntegreerd met De Wildeman I en II. Het vaste streefpeil bedraagt NAP +1,85 meter (peilgebied BOM 550). Het watersysteem bestaat uit een ringstructuur langs de Van Heemstraweg-oost en de Provincialeweg N322. Aan de westzijde vindt aansluiting plaats met een bestaande vijver die verder wordt uitgebreid.

Het nieuwe/te verruimen oppervlaktewater langs de Van Heemstraweg-oost en de N322 krijgt aan de zijde van het bedrijvenpark een natuurvriendelijke oever (NVO). Dit betreft een gradiëntrijke oever deels onder en deels boven de waterlijn. Ook de randen van de uitbreiding van de bergingsvijvers (zijde bedrijventerrein en N322) krijgen een zachte gradiëntrijke oever. Enerzijds omdat dit een verbetering geeft van de waterkwaliteit en de biodiversiteit. Anderzijds zijn zachte oevers gewenst om erosie door golfslag (overheersende windrichtingen noordwest/west/zuidwest) tegen te gaan. De uitbreiding van de huidige bergingsvijver vindt plaats in een strook onder het tracé van de hoogspanningsleidingen van TenneT. Voor een verdere optimalisering van de waterkwaliteit worden waterdieptes gegraven tot circa 1 meter beneden streefpeil. De watergangen zijn verbonden met bestaande structuren waardoor geen dode einden ontstaan en de af- en aanvoer van water is gegarandeerd. Op de nieuwe ontwikkeling bevinden zich geen riool-overstorten. Het stelsel resulteert in een strikte scheiding tussen afvalwater van bedrijven en regenwater van verhardingen. Die laatste component wordt afgevoerd via het eerder genoemde systeem van laagtes/zaksloten tussen de uitgeefbare kavels. Neerslagwater van verhardingen wordt geborgen en vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Met name de first flush van kleinere buien leidt tot een effectieve voorzuivering en bezinking van zwevend stof alvorens het oppervlaktewater wordt bereikt. Dit geeft een positieve bijdrage aan de waterkwaliteit. In het plangebied is dus geen sprake van de aanwezigheid van B-watergangen tussen de uitgeefbare kavels. Al het oppervlaktewater ligt aan de randen van het bedrijventerrein. 4.8.2

Klimaatadaptatie

De klimaatwetenschappen tonen aan dat de aarde opwarmt, dat klimaatpatronen verschuiven en extremen in weer toenemen. Voor Nederland betekent dit dat in de toekomst langere periodes met hoge temperaturen worden verwacht, onderbroken door intensievere regenbuien in vergelijking met hedendaags. In het stedelijk gebied leidt dit tot uitdagingen t.a.v. droogte, hittestress, wateroverlast en waterveiligheid. Gemeentelijke plannen moeten hier waar mogelijk rekening mee houden. Om de inzicht te geven in de situatie t.a.v. droogte, hittestress, wateroverlast en waterveiligheid is de klimaateffectatlas geraadpleegd en heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Droogte Uit de klimaateffectatlas kan worden afgeleid dat het risico op droogtestress in en rondom het plangebied zeer beperkt is en dat er naar verwachting tot 2050 geen sprake zal zijn van een significante stijging of daling van de grondwaterstand of problemen t.g.v. een tekort aan oppervlaktewater. Binnen het plangebied hoeven dan ook geen aanvullende maatregelen te worden getroffen om droogte tegen te gaan.

30

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas kan worden afgeleid dat ter hoogte van het plangebied niet bovenmatig veel neerslag kan worden verwacht. Om wateroverlast te voorkomen is verder in afstemming met het waterschap een grote waterretentie gerealiseerd binnen het plangebied. Deze waterretentie heeft voldoende capaciteit om wateroverlast bij extreme buien te voorkomen. Waterveiligheid Uit de klimaateffectatlas kan worden afgeleid dat de plaatsgebonden overstromingskans ter plaatse van het plangebied klein is. Er hoeven binnen het plangebied dan ook geen aanvullende maatregelen te worden getroffen t.a.v. waterveiligheid. Hitte Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het stedelijk hitte eiland effect in en rondom het plangebied relatief beperkt is. Om hittestress verder te voorkomen is in het stedenbouwkundig plan / landschappelijk inpassingsplan opgenomen dat: meer dan 10% van het plangebied, als openbaar groen wordt ingericht, parkeervoorzieningen bij voorkeur in halverharding worden uitgevoerd, de rand van de waterretentie wordt voorzien van natuurvriendelijke oevers en percelen worden gescheiden doormiddel van kavelsloten, bedrijfsbebouwing moet geschikt worden gemaakt voor groene daken, ondernemers worden aangemoedigd om groene gevels toe te passen en kavels dienen waar mogelijk groen te worden ingericht. 4.8.3

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is voldoende ruimte voor watercompensatie in het plangebied. Het realiseren van extra oppervlaktewater heeft geen invloed heeft op waterhuishoudkundige aspecten. De overige wateraspecten worden niet belemmerd door de ontwikkeling van dit plan. Om die reden kan dit bestemmingsplan op het milieuaspect water als uitvoerbaar worden beschouwd.

4.9

Leidingen

4.9.1

Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn hoofdtransportleidingen van aardgas en hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen. De betreffende leidingen zijn met de daarbij behorende beschermingszones opgenomen.

4.10 Vormvrije MER-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in

31

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 4. 5. 6.

De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarde. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Als bijlage bij deze toelichting is een aanmeldnotitie MER opgenomen (Bijlage 14). In artikel 7.16 Wm is beschreven waar een aanmeldnotitie aan moet voldoen. In de aanmeldnotitie worden de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven. Passende beoordeling - geen MER In beginsel is een gemeente verplicht om ook een planMER op te stellen als er een Passende beoordeling nodig is. In artikel 7.2a, lid 2 Wet milieubeheer is hiervoor echter een uitzondering opgenomen. Deze gevallen zijn bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. Daaraan is uitvoering gegeven middels de 20ste tranche BuChw. Artikel II BuChw 20ste tranche voegt aan het Besluit mer een nieuw artikel 3 toe. In dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 7.2a lid 2 Wm.

Deze regeling maakt het mogelijk om in bepaalde gevallen eerste een plan-mer-beoordeling uit te voeren om te bepalen of er aanzienlijke milieueffecten zijn. Als uit die plan-mer-beoordeling – welke wordt verricht door het bevoegd gezag – blijkt dat er geen aanzienlijke nadelige effecten kunnen zijn, kan een plan-mer achterwege blijven. Deze regeling geldt alleen voor: Plannen voor kleine gebieden op lokaal niveau; het betreft de vaststelling of wijziging van plannen van een gemeente, waarbij het plan betrekking heeft op een klein deel van het grondgebied van de gemeente; Kleine wijzigingen van een plan; daarbij is van belang dat dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging aanzienlijke effecten zal hebben worden betrokken; Geen van de activiteiten waarvoor het plan de kaders stelt, is direct mer-plichtig. In het geval van dit plan wordt aan deze voorwaarden voldaan. Het plangebied van het bestemmingsplan is slechts een heel klein gedeelte van het totale grondgebied van Zaltbommel. Het betreft een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein, die geen aanzienlijke effecten heeft in omliggende kwetsbare gebieden. En de 9 ha uitbreiding is zodanig klein dat van directe planm.e.r.-plicht zeker geen sprake is. Het opstellen van een planMER is derhalve niet nodig.

32

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Doelstelling en planopzet

Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding (plankaart) samen. De basis voor de verbeelding is een recente kadastrale ondergrond, aangevuld met topografische gegevens. In de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. De regels zijn opgebouwd als volgt: Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en een bepaling over de manier waarop de in het plan genoemde maten zijn bepaald; Hoofdstuk 2 bevat de regeling van de afzonderlijke bestemmingen; Hoofdstuk 3 bevat een aantal algemene en aanvullende bepalingen, deze bepalingen gelden voor het hele plan; Hoofdstuk 4 bevat de overgangsbepaling en de slotregel, waarin de naam van het plan vermeld is.

5.2

Toelichting afzonderlijke bestemmingen

In deze paragraaf worden de bestemmingen afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dient in elk geval de regels samen met de verbeelding te worden geraadpleegd. Enkelbestemmingen Bedrijventerrein In aansluiting op de bestaande bestemmingen Bedrijventerrein in bestemmingsplan ‘Zaltbommel, De Wildeman’ en ‘Zaltbommel, De Wildeman II’ is gekozen voor de bestemming Bedrijventerrein. Functioneel is er binnen deze bestemming zowel lokale bedrijvigheid (kavelgrootte kleiner dan 0,5 hectare), als regionale bedrijvigheid (kavelgrootte van 0,5- tot 2 hectare) mogelijk. Voor het gebied zijn bedrijven t/m categorie 3.2 gestaan en 1 bedrijfskavel voor een specifiek bedrijf (gas- en oliehandel). Deze categorie-indeling sluit aan bij de milieucategorieën die de gemeente en de provincie voor dit bedrijventerrein acceptabel achten en de milieucategorieën die toereikend zijn voor de gewenste ruimtegebruikers. Als onderdeel van de bedrijven zijn binnen deze bestemming onzelfstandige kantoren (kantoren die bij een bedrijf horen) toegestaan tot een maximum van 1.500 m2 per bedrijf. Daarnaast is een afwijking opgenomen om, onder voorwaarden, een groter oppervlak kantoren toe te staan. Wat er exact onder de begrippen, zoals die hierboven worden gebruikt, moet worden verstaan, is uitgewerkt in de definitiebepalingen van de regels (hoofdstuk 1).

Groen De structurele groenelementen die de gemeente groen wil behouden, zijn in dit bestemmingsplan bestemd als Groen. Water De grotere waterstructuren in het plangebied zijn bestemd als Water. Omdat (zichtbaar) water ook binnen de andere bestemmingen kan voorkomen, zijn water en waterhuishoudkundige voorzieningen in (nagenoeg) alle bestemmingen in de bestemmingsomschrijving opgenomen. Dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die naast een enkelbestemming (zie hierboven) kunnen gelden. Een dubbelbestemming beoogt de bescherming van een specifiek belang. De gebruiks- en

33

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

bouwmogelijkheden van een bestemming worden in een dergelijk geval beperkt. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan komen de volgende dubbelbestemmingen voor. Leiding – Gas Deze dubbelbestemming beschermt de gasleiding in het plangebied. Bouw- en andere werkzaamheden moeten door het bevoegd gezag (meestal burgemeester en wethouders) worden getoetst aan het belang van de bescherming van de leiding, waarbij het bevoegd gezag de beheerder van de leiding om advies vragen. Leiding - Hoogspanningsverbinding Deze dubbelbestemming beschermt de bovengrondse hoogspanningsverbinding in het plangebied. Bouw- en andere werkzaamheden moeten door het bevoegd gezag (meestal burgemeester en wethouders) worden getoetst aan het belang van de bescherming van de leiding, waarbij het bevoegd gezag de beheerder van de leiding om advies vragen. Leiding - Hoogspanning 2 Deze dubbelbestemming beschermt de ondergrondse leiding in het plangebied. Deze vallen samen met de bestemming Groen en Water. Bouw- en andere werkzaamheden moeten door het bevoegd gezag worden getoetst aan het belang van de bescherming van de leiding, waarbij het bevoegd gezag de beheerder van de leiding om advies vragen. Waarde – Archeologie De dubbelbestemmingen beschermen de archeologische waarden in een deel van het plangebied.

Bouwen andere werkzaamheden met gevolgen voor de bodem kunnen niet uitgevoerd worden zonder dat aan het bevoegd gezag een archeologisch onderzoek is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarden ter plaatse niet worden verstoord.

5.3

Handhaving

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Er zijn 4 factoren van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid. 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het bestemmingsplan kan slechts gehandhaafd worden, indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund worden door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. 3. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de regels goed controleerbaar zijn. De planregels moeten niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de planregels niet worden nageleefd. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. Voornoemde onderwerpen zijn als uitgangspunt opgenomen en als richtlijn gehanteerd bij het opstellen van dit bestemmingsplan.

34

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente heeft voor het plan een exploitatieopzet gemaakt. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorzien hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Inspraak en vooroverleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg zijn de partijen die hier een belang hebben betrokken. In het Verslag overleg instanties inzake bestemmingsplan “Zaltbommel, Wildeman III” staan de ontvangen reacties, de gemeentelijke reactie daarop en de (eventuele) wijzigingen in het bestemmingsplan, zie Bijlage 15. Donderdag 23 juni tot en met 3 augustus 2022 lag het voorontwerpbestemmingsplan voor inspraak ter inzage. In het Eindverslag inspraak inzake bestemmingsplan “Zaltbommel, Wildeman III” staan de ontvangen reacties, de gemeentelijke reactie daarop en de (eventuele) wijzigingen in het bestemmingsplan, zie Bijlage 16. 6.2.2

Zienswijzen en overleg

Het ontwerpbestemmingsplan Wildeman III heeft van donderdag 26 januari 2023 tot en met woensdag 8 maart 2023 ter visie gelegen. Gedurende deze periode zijn 8 zienswijzen ontvangen. Deze zijn binnen de gestelde termijn ontvangen en derhalve ontvankelijk. Voor de zienswijzen en de beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar de zienswijzennotitie die als bijlage aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. In deze notitie is aangegeven welke aanpassingen naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn gedaan en ook zijn hierin de ambtshalve wijzigingen benoemd. 6.2.3

Vaststelling

Na vaststelling van het definitieve bestemmingsplan zal het plan voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kan beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingediend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening.

35

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

36

bestemmingsplan Zaltbommel, De Wildeman III

Eindnoten

1. Mogelijk dat in De Wildeman III een regenwaterriool geheel achterwege kan blijven omdat bedrijven en wegontsluiting rechtstreeks kunnen afvoeren naar ontvangende voorzieningen

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15455808/1