CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij motivering Bijlage 11 Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO omgevingsplan Zaltbommel, Veilingweg 29.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek Herontwikkeling Veilingweg 2 te Zaltbommel

projectnummer 487886.100 revisie 01 19 maart 2024

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek Herontwikkeling Veilingweg 2 te Zaltbommel projectnummer 487886.100 revisie 01 19 maart 2024

Auteurs A. Hellemons G. Sophie

Opdrachtgever Zalstate Vastgoed b.v. Veilingweg 2 5301 KM Zaltbommel

datum vrijgave 31-08-2023

beschrijving revisie 00 Definitief

gecontroleerd/ KNA Vrijgave G. Sophie

vrijgave W.H.M. Roesink

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

2

1

Inleiding

4

2

Beschrijving onderzoekslocatie

5

2.1 2.2 2.3 2.4 2.4.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid Landschappelijke situatie Historische situatie en mogelijke verstoringen

5 6 6 7 13

3

Bekende waarden

17

3.1 3.2

Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden

17 22

4

Archeologische verwachting

23

4.1 4.2

Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting

23 24

5

Conclusies en advies

26

5.1 5.2

Conclusies (Selectie)advies

26 26

Literatuur en geraadpleegde bronnen

28

Lijst met afbeeldingen

30

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Plantekening

Kaartbijlagen 487886.100-ARCHIS Gegevens uit ARCHIS

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem

487886.100 5457654100 Gelderland Zaltbommel Zaltbommel Veilingweg 2

Kaartblad 45a Coördinaten 526675/5180636 526751/5180609 526643/5180601 526683/5180517 Opdrachtgever Zalstate Vastgoed b.v. Uitvoerder Antea Group Datum uitvoering Augustus 2023 Projectteam W.H.M. Roesink (projectleider) A. Hellemons (projectarcheoloog) Vrijgave conform KNA G. Sophie (senior KNA-archeoloog) Bevoegd gezag Omgevingsdienst Rivierenland Deskundige Bevoegd gezag M. Stronkhorst Beheer documentatie Antea Group

Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied (Bron: ESRI)

Blad 1 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Samenvatting In augustus 2023 is in opdracht van Zalstate Vastgoed B.V. door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Veilingweg 2 in Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande herontwikkeling van de locatie waar een wijziging van het bestemmingsplan mee gepaard gaat. Conclusies Het plangebied bevindt zich in een gebied waar meanderende rivieren de ondergrond hebben gevormd. De stroomruggen die hierdoor ontstonden waren aantrekkelijke locaties voor bewoning, zoals bewezen is door de aanwezigheid van de Romeinse vindplaats de Wildeman op enkele honderden meters van het plangebied. Deze bevindt zich op de Oensel stroomgordel, welke niet aanwezig is in het plangebied. In het plangebied is de stroomgordel van Brakel aanwezig. Hierop geldt een middelhoge archeologische verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Deze wordt verwacht op circa op 0,0 tot 2,1 m-NAP (3,0 tot 5,1 m-mv). In het plangebied heeft in de 20e eeuw meermaals bebouwing en sloop van bebouwing plaatsgevonden. Dit kan hebben geleid tot verstoring van de bodem. (Selectie)advies Er geldt een middelhoge verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Naar verwachting ligt de stroomgordel op 3,0 tot 5,1 m-mv. De verwachte werkzaamheden zullen rond 1,0 m-mv liggen.

Hierdoor wordt niet verwacht dat een potentieel archeologisch niveau wordt verstoord. Daarnaast wordt er verwacht dat de bovengrond verstoord is door de meerdere fasen van bebouwing in de 20e eeuw. Antea Group adviseert daarom op het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden, mits deze niet dieper reiken dan 2,5 m-mv (dit neemt een buffer van 0,5 m in acht). Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Zaltbommel. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Oosterhout, augustus 2023

Blad 2 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Reactie namens bevoegd gezag Op 26 februari 2024 heeft het bevoegd gezag de volgende reactie op onderhavig rapport gegeven: Namens gemeente Zaltbommel is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het besluit is genomen het selectieadvies uit het rapport (de aanbevelingen) in zijn geheel over te nemen. Ten aanzien van archeologie zijn er derhalve geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) en het doen van waarnemingen (art. 5.11 Erfgoedwet) blijven echter te allen tijde van kracht.

Blad 3 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

1

Inleiding In augustus 2023 is in opdracht van Zalstate Vastgoed B.V. door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Veilingweg 2 in Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande herontwikkeling van de locatie waar een wijziging van het bestemmingsplan mee gepaard gaat. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2). Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van de gemeente Zaltbommel. Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.

Dit onderzoek is uitgevoerd conform de BRL 4000, protocol 4002 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNA-protocollen 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie). Daarnaast is er tijdens het opstellen van het bureauonderzoek gebruik gemaakt van het Handboek Archeologie Regio Rivierenland.1

1 Stiller en van Oort, 2018

Blad 4 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

2

Beschrijving onderzoekslocatie

2.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen plangebied enerzijds en onderzoeksgebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde werkzaamheden betrekking hebben. Voor het plangebied wordt in de regel ook de ruimtelijke procedure gevoerd, waarvan dit archeologisch onderzoek een onderdeel is. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord worden. Het huidige plangebied bevindt zich aan de Veilingweg 2b-tijd en wordt in het noorden begrensd door de Van Heemstraweg-Oost, in het oosten door de Veilingweg, en in het zuiden en westen door aangrenzende gebouwen. Het plangebied is circa 5.500 m2 in oppervlakte, waarvan circa 1.800 m2 bebouwd is. De rest van het terrein is verhard. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie wordt ingewonnen voor het opstellen van het gespecificeerd verwachtingsmodel en is groter dan het plangebied zelf. Voor dit bureauonderzoek wordt een straal van 500m rondom het plangebied gehanteerd. Dit wordt wat betreft hoeveelheid archeologisch onderzoek en waarnemingen, voldoende geacht om relevante informatie te verzamelen om het gespecificeerd verwachtingsmodel op te kunnen stellen.

Dit omdat het onderzoeksgebied een vergelijkbare situatie kent als het plangebied voor onder andere de onderdelen zoals hoogteligging, geomorfologie, historische situatie, etc. Voornamelijk de geomorfologie van het gebied kent in grote lijnen een gelijke situatie.

Afbeelding 2: Actuele luchtfoto met daarop het onderzoeks- en plangebied (Bron: ESRI)

Blad 5 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

2.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied is momenteel onderdeel van een terrein met kantoorpanden. Sinds april 2023 is het in gebruik als noodopvang voor vluchtelingen.

Afbeelding 3: Luchtfoto van het plangebied met daarop het plangebied (Bron: ESRI)

Consequenties toekomstig gebruik In de toekomst zal de locatie geschikt worden gemaakt voor huisvesting van 150 internationale werknemers. Het voornemen bestaat om rond het pand een tuin aan te leggen. De ontgravingsdiepte van de werkzaamheden is nog niet bekend, maar er wordt ingeschat dat dit minimaal 1,0 m-mv zal bedragen. Er zijn meerdere opties voor de inrichting van het gebied. Deze kunnen worden geraadpleegd in bijlage 3. Er zullen onder andere nieuwe bomen worden geplant, grasbetonstenen worden gelegd, hekwerk worden geplaatst, en pergola worden gerealiseerd.

2.3

Archeologisch beleid Het plangebied bevindt zich in bestemmingsplan ‘Zaltbommel, de Wildeman’, onherroepelijk vastgesteld 2015-01-22. Hiervoor geldt een dubbelbestemming waarde – archeologie. Dit houdt in dat archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is bij bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m2, dieper dan 0,3 m-mv. Dit wordt waarschijnlijk overschreden door de geplande werkzaamheden.

Blad 6 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

2.4

Landschappelijke situatie De verspreiding van archeologische vindplaatsen heeft een duidelijk verband met de landschappelijke gesteldheid. In dit hoofdstuk zijn derhalve kaarten en bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de opbouw van het landschap en de landschappelijke gesteldheid in het plangebied, zoals bijvoorbeeld de geomorfologische kaart, de bodemkaart en het AHN. De archeologische verwachting volgt voor een groot gedeelte uit de opbouw van het landschap. Geologie2 Aan de basis van het huidige landschap van het plangebied liggen geologische ontwikkelingen die vanaf het Weichselien, de laatste ijstijd, hebben plaatsgevonden (116.000-10.500 jaar geleden). Wat nu de Rijndelta is, was tijdens het midden Weichselien (of Pleniglaciaal, 73.000 tot 12.500 jaar geleden) onderdeel van een grote riviervlakte met vlechtende rivieren. De brede riviervlakte werd in het noorden begrensd door de eerder opgestuwde afzettingen in het Heuvelrugmassief en Veluwemassief en in het zuiden door het Brabants massief en de gestuwde afzettingen van het Rijk van Nijmegen. De grofzandige en grindrijke rivierafzettingen worden gerekend tot de Afzettingen van Kreftenheye. Na het Pleniglaciaal was het relatief warmer. Dit gebeurde tijdens het Bølling- en Allerødinterstadiaal (respectievelijk de periode van circa 14.700-14.000 en 13.900-12.800 jaar geleden).

Door de tijdelijke opwarming liep de afvoer van (smelt)water af en veranderden de rivieren van vlechtend naar meanderend. De meanderende rivieren waren insnijdend van karakter en vormden groeven in terrasvlakten die daardoor alleen nog bij hoge waterstanden overstroomden. Het laagterras fungeerde vanaf dat moment alleen nog als oever- en komgebied, waarbij een afdekkende (stugge en lemige) klei-laag werd gevormd. Deze wordt tot de Afzettingen van Wijchen gerekend. Na het Allerød-interstadiaal trad er een tijdelijke en sterke afkoeling van het klimaat op gedurende het Late Dryas-stadiaal. Hierdoor namen de piekafvoeren weer toe, en veranderde de meanderende rivieren in meer vlechtende rivieren die brede dalen creëerden. De afzettingen hiervan worden óók gerekend tot de Afzettingen van Kreftenheye. In de winter lagen de brede riviervlakten droog en kon het zand door de wind worden opgestoven. Hierdoor ontstonden rivierduinen. Deze rivierduinen, maar ook oevers van kleine geultjes, waren aantrekkelijke plekken voor bewoning in het laat paleolithicum en mesolithicum, maar liggen in de regio tussen circa 7 tot 9 m-mv. Na het Weichselien vond er langzamerhand een opwarming van het klimaat plaats en begon het Holoceen (circa 10.700 jaar geleden). De zeespiegel, en daarmee ook het grondwater steeg.

De rivieren veranderden van vlechtend weer in meanderend, waarbij het rivierwater zich concentreerde in één insnijdende hoofdgeul. Ale overige (vlechtende) geulen werkten alleen nog maar als kom- en oevergebieden van deze hoofdgeul en verlandden geleidelijk. Ook raakte de vlakten geleidelijk begroeid. De meanderende rivieren begonnen vanaf 8000 jaar geleden sediment af te zetten in plaats van te eroderen. Vanaf dat moment kwamen de eerste stroomgordels tot ontwikkeling en begon het landschap geleidelijk te vernatten. Het pleistocene landschap werd hierbij langzaam afgedekt. Door de eeuwen heen verlegden deze stroomgordels zich, waarbij zich nieuwe stroomgordels ontwikkelden en oude stroomgordels inactief werden. Binnen de invloedssfeer van actieve rivierbeddingen verschilden de afzettingen zeer. Dichter bij werden de grovere afzettingen 2 Goossens et al., 2011

Blad 7 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

afgezet en ontstonden oeverwallen. Verderop, waar het water niet altijd stroomde, werden fijnere afzettingen afgezet zoals (zware) klei. Dit betreft de komgebieden. Bij een doorbraak/overstroming van een oeverwal konden crevasses ontstaan, met kleine, zandige oeverafzettingen. Pas vanaf circa 5.700 jaar geleden, aan het begin van het Subboreaal, ging de benedenloop van de Maas geleidelijk over van een insnijdend naar een afzettend karakter, waarbij de eerste meandergordelafzettingen ontstonden. Vanaf circa 3.000 jaar geleden was er sprake van één actieve Maasbedding die vrijwel gelijk liep aan de huidige Maasbedding. Vanaf de Laat Romeinse tijd (vanaf circa 250 tot 500 na Chr.) nam het debiet en de sedimentlast van de Maas sterk toe vanwege de vernatting van het klimaat en de ontbossing van het achterland. Het gevolg was dat de Maas grote meanderbochten ging ontwikkelen, waarbij een groot deel van de oudere meandergordelafzettingen van de Maas werden geërodeerd. Binnen het plangebied komen voornamelijk meanderende rivieren voor, wat betekent dat de geul van de rivier naar buiten en stroomafwaarts verplaatste door erosie van de oevers in de buitenbocht. De binnenbochten kwamen dan meer droog te liggen. Hierdoor is er een duidelijk verschil tussen oever- en komafzettingen. Kenmerkend voor meanderende rivieren zijn de vorming van brede kronkelwaarden en meanderhalsafsnijdingen.

Oeverwal afzettingen waren vaak aantrekkelijke locaties voor bewoning. De datering van deze afzettingen is afhankelijk van de datering van de stroomgordel. Paleogeografie Op de paleogeografische kaarten3 valt te zien dat het plangebied in 5500 voor Chr. onderdeel was van een stroomgordel. In 3850 voor Chr. ligt het gebied op een kwelder/riviervlakte, er stroomt geen water meer. Tussen 2750 en 1500 voor Chr. is veen aanwezig in het gebied. Rond 500 voor Chr. ligt het gebied deels op veen, deels op een kwelder/riviervlakte. Tussen 100 na Chr. en 800 na Chr. ligt het gebied ook op een kwelder/riviervlakte. Na 1250 na Chr. ligt het gebied op een bedijkte kwelder/riviervlakte.

3 De Vos et al. 2018

Blad 8 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 4: Overzicht van de paleogeografische kaarten met daarop het plan- en onderzoeksgebied.

Blad 9 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Geomorfologie en AHN Het plangebied ligt op een stroomrug of stroomgordel (B44). Ten westen liggen daarnaast ligt een stroomrugglooiing (H43) en een rivierkomvlakte (M46). De stroomgordel die in het plangebied aanwezig is betreft de stroomgordel van Brakel. Deze was actief tussen circa 4560 en 3650 voor Chr. Er zijn geen archeologische resten die geassocieerd worden met deze stroomgordel. Rondom het plangebied is de stroomgordel van ZaltbommelNederhemert aanwezig. Deze was actief tussen circa 2850 en 2200 voor Chr. Mogelijke archeologische resten hierop komen uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd.4 Het plangebied ligt in een vrij vlak gebied. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland ligt het noordelijk deel van het gebied op circa 3,0 m+NAP en het zuiden op circa 2,85 m+NAP.

Afbeelding 5: Uitsnede van de geomorfologische kaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: PDOK)

4 Cohen et al. 2012

Blad 10 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 6: Uitsnede van de stroomgordelkaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: Cohen et al., 2012)

Blad 11 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 7: Actueel Hoogtebestand Nederland met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: AHN)

Bodem en grondwater Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd. Ten oosten van het gebied zijn poldervaaggronden aanwezig. Poldervaaggronden zijn kleigronden met een grijze, roestige gevlekte ondergrond. De bovengrond wordt geclassificeerd als humusarm. Poldervaaggronden komen voor in allerlei kleiafzettingen. Poldervaaggronden betreffen bijna alle kleigronden afgezien van brinkgronden, eerdgronden, drecht- en nesvaaggronden, en ooivaaggronden. Vrijwel altijd bevinden poldervaaggronden zich in polders, vandaar de naam.5 Ook het grondwater is niet gekarteerd in het gebied. Ten oosten van het gebied is grondwatertrap IVu aanwezig. Dit komt neer op een gemiddelde hoogste grondwaterstand van > 0,8 m-mv, en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 0,8 en 1,2 m-mv.

5

De Bakker, 1989

Blad 12 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 8: Uitsnede van de bodemkaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: PDOK)

2.4.1

Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie Het plangebied ligt meer dan een kilometer van de vesting Zaltbommel. De historische ontwikkeling hiervan is dan ook niet direct relevant voor dit plangebied en wordt hier niet behandeld. Op de kadastrale minuut 1811-1832 valt te zien dat het plangebied onbebouwd is. Het ligt binnendijks in wei- en/of bouwland. Het plangebied blijft hierna lange tijd onbebouwd. Rond 1872 wordt ten westen van het plangebied de spoorlijn aangelegd. Rond 1970 wordt een gebouw binnen het plangebied aangelegd. Rond 1978 wordt dit gebouw gesloopt en/of aangepast. Daarna wordt tussen 1984 en 1988 weer een kleiner gebouw in het plangebied gebouwd. Het andere gebouw wordt uitgebreid. Tussen 1997 en 1999 worden de gebouwen uit 1988 gesloopt en wordt de huidige bebouwing gerealiseerd.

Blad 13 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 9: Uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832 met daarop het plan- en onderzoeksgebied (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl)

Blad 14 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Afbeelding 10: Uitsnede van de verschillende topografische kaarten door de tijd heen (topotijdreis.nl)

Mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen in het plangebied bestaan uit het meermaals bouwen op de locatie, gepaard met de sloop. De bouwvergunningen zijn niet online in te zien, waardoor er geen inschatting kan worden gemaakt van de verstoringen.6

6 Bouw- en milieuvergunningen (Regionaal Archief Rivierenland)

Blad 15 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Daarnaast zijn er enkele kabels en leidingen bekend in het gebied. Deze centreren zich voornamelijk langs de weg kant van het plangebied.

Afbeelding 11: Overzicht van de aanwezige kabels en leidingen in het plangebied (Bron: KLIC)

Blad 16 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

3

Bekende waarden

3.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (Archis) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 500 m rondom het plangebied opgevraagd. Het betreft archeologische monumenten (AMK-terreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 487886.100–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit Archis: AMK-terreinen Er zijn geen archeologische monumenten bekend binnen 500 m rondom het plangebied. Gegevens uit Archis: eerdere onderzoeken Op circa 250 m ten zuidoosten van het plangebied heeft BAAC rond ‘De Wildeman’ een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2040319100). Het onderzoek is uitgevoerd in twee fasen, waarbij in de eerste fase een onderzoeksgebied van 22,94 ha en in de tweede fase een onderzoeksgebied van 19,51 ha is onderzocht. Het onderzoek bestond uit de aanleg van een verspringend grid van 50 m lange sleuven, met een tussenafstand van 50 m in een rij en tussen rijen een afstand van 100 m. De breedte van de sleuven waren 2 m, of 4 m wanneer er sporen aangetroffen werden. Er zijn in totaal vijf vindplaatsen aangetroffen: vindplaatsen A tot en met E. De vindplaatsen liggen op de stroomgordel van de Oensel of de ZaltbommelNederhemert.

Deze komen beide niet voor in het plangebied.7 Opvolgend heeft ADC ArcheoProjecten een definitieve opgraving van vindplaatsen A tot en met D, een aanvullend proefsleuvenonderzoek naar vindplaats E, en een begeleiding/noodonderzoek binnen en net buiten het onderzoeksgebied uitgevoerd (Zaakid. 2146754100). Vindplaatsen A tot en met D dateren uit de (midden) Romeinse tijd. Vindplaats E dateert uit de late ijzertijd en vroege middeleeuwen. Er zijn binnen de sporen en structuren vier fasen te herkennen. Vindplaatsen A,B, C en E betreffen kleine nederzettingen met enkele boerderijen, vindplaats D betreft een grafveld. Alleen vindplaatsen C en D bevinden zich geheel binnen de contouren van het onderzochte gebied. Op vindplaats A zijn twee huisplattegronden, meerdere opslagstructuren, kuilen, en greppels aan een kronkelwaardgeul aangetroffen. Op vindplaats B zijn twee erven met huisplattegrond aangetroffen. Ook zijn er opslagstructuren en kuilen en greppels aan een geul aangetroffen. Vindplaats C bestaat voornamelijk uit spiekers en greppels, en vindplaats E bestaat uit één huisplattegrond. Vindplaats D betreft een centraal gelegen grafveld waar minstens 95 individuen zijn bijgezet. Er zijn 24 brandrestenkuilen, 86 crematiegraven, 33 kringgreppels, twee inhumatiegraven, één paardengraf en drie greppelclusters gedocumenteerd. Hiervan liggen 39 graven binnen een kringgreppel.

Het grafveld wordt begrenst door greppels en omliggende geulen. Het centrale grafveld lag aan een splitsing van twee geulen, terwijl de nederzettingen op de oevers van deze geulen lagen.8 In het noorden aangrenzend aan het eerder onderzochte plangebied van De Wildeman, op circa 114 m ten oosten van het huidige plangebied, heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Zaakid. 2171548100). Het gebied beslaat circa 4,2 ha. Er zijn in totaal 24 proefsleuven 7 Ter Wal, 2004 8 Veldman en Blom, 2010.

Blad 17 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

aangelegd. Binnen het onderzoeksgebied zijn in de proefsleuven zowel lichtbruingrijze homogene komklei (ks2) als lichtbruingrijze afzettingen (ks3) afzettingen aangetroffen. Ook zijn er laklagen aangetroffen. Beide moeten hier gerekend worden tot de komkleien en niet zozeer als oeverwalafzettingen. Slechts op twee plekken zijn duidelijke zandige oeverwalafzettingen aangetroffen, namelijk in werkput 72 en 82. Het is niet duidelijk of deze oeverwalafzettingen nu aan de Oenselse-stroomrug of aan de Zaltbommel-Nederhemert stroomrug te relateren zijn. Beide liggen niet in onderhavig onderzoeksgebied. Waarschijnlijk komen op een dieper niveau op meer plaatsen binnen het onderzoeksgebied oeverwalafzettingen voor, die gezien de beperkte diepte van het proefsleuvenonderzoek nu niet zijn aangesneden. Qua stratigrafie is het duidelijk dat de ondergrond bestaat uit een bouwvoor, waaronder zich een pakket ks2 komafzettingen bevindt. Onder de ks2 komafzettingen bevinden zich op enkele plaatsen binnen het onderzoeksterrein ks3 komafzettingen. Werkput 67 is de enige proefsleuf, waarbij (althans in een gedeelte) de ks3 afzettingen direct onder de bouwvoor zijn aangetroffen. Het proefsleuvenonderzoek heeft niet veel archeologische resten opgeleverd.

Behalve bodemkundig gezien interessante fenomenen zoals laklagen en twee depressies, zijn een groot aantal subrecente greppels en twee kuilen aangetroffen. De kuilen vormen hiervan de meest interessante archeologische fenomenen. Op basis van deze twee kuilen is het echter niet mogelijk te spreken van een vindplaats of vindplaatsen. Het is ook niet mogelijk ze te relateren aan één van de reeds bekende vindplaatsen A t/m E. Eén van de kuilen (spoor 1) kan op grond van het zich in dit spoor bevindende vondstmateriaal gedateerd worden in de ijzertijd. Dit spoor bevond zich in de ks2 komklei, net naast een depressie. Ook deze depressie kan op grond van het hierin aangetroffen aardewerk gedateerd worden in de ijzertijd. De andere kuil bevond zich in tegenstelling tot het eerdergenoemde spoor in ks3 komafzettingen. Over het algemeen kan gesteld worden dat de aangetroffen vondsten een goede conservering hebben. Ook organisch materiaal (bot) is goed geconserveerd. Metaal werd niet aangetroffen. 9 Op circa 400 m ten noordwesten van het plangebied heeft ADC ArcheoProjecten een booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 3997670100). Afgezien van een 20 tot 60 cm dikke bouwvoor zijn de oeverafzettingen vrijwel geheel intact. Wel moet rekening worden gehouden met gedempte kavelsloten. In de bouwvoor en direct eronder zijn verschillende archeologische indicatoren aangetroffen.

Deze bestonden uit houtskool, baksteen, steenkoolgruis en aardewerk. Het materiaal dateert uit de Nieuwe tijd en wordt niet in verband gebracht met een vindplaats. Wel bestaat de kans op het aantreffen van ‘toevalsvondsten’ gerelateerd aan gevechtshandelingen, dit vanwege de ligging in een voormalig schootsveld, onderdeel van de vesting van Zaltbommel.10 Op circa 250 m ten oosten van het plangebied heeft Greenhouse Advies een bureauonderzoek uitgevoerd (Zaakid. 4670017100). Op basis van de landschappelijk gegevens en vondstmeldingen en onderzoek in de omgeving kan worden gesteld dat voor een aanzienlijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. Het betreft eventuele resten van verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de late middeleeuwen. Daarbij zal het voor de vroegere perioden vermoedelijk gaan om losse vondsten. Vanaf de ijzertijd kan echter uitgegaan worden van sporen en structuren van de volgende complextypen: nederzetting, infrastructuur en in mindere mate graven of grafvelden. 11 Opvolgend heeft er een booronderzoek plaatsgevonden. Tijdens het veldonderzoek zijn op diverse locaties onverstoorde oever- en beddingafzettingen in de ondergrond aangetroffen. Deze komen veelal voor op het contactvlak van de voorgenomen bodemingrepen.

Aangezien veel boringen in of in de directe nabijheid van reeds bestaande leidingsleuven zijn uitgevoerd, 9 Tump, 2008 10 Wijnen, 2017 11 Hogervorst, 2019

Blad 18 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

vertoont de bodemopbouw veelal relatief diepe verstoringen. Ter plaatse van de onverstoorde oeverafzettingen kan de archeologische (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde worden behouden). Er zijn tijdens het veldonderzoek geen onverstoorde archeologische resten aangetroffen.12 Op circa 45 m ten zuiden van het plangebied heeft ADC ArcheoProjecten een booronderzoek uitgevoerd (Zaakid. 4670909100) In het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat zich op diepere oever- en beddingafzettingen van de stroomgordel van Brakel ongerijpte komafzettingen en de laaggelegen uitlopers van oeverafzettingen van recente stroomgordels bevinden. De bodemopbouw is behoudens de deels opgebrachte, recente bouwvoor en plaatselijk aangetroffen vergravingen intact. Er zijn geen aanwijzingen dat zich gedurende de landschappelijke ontwikkeling van het gebied een situatie heeft voorgedaan die geschikt is geweest voor bewoning. Er bevinden zich geen relevante geomorfologische lagen of archeologische lagen in het gebied. De verwachting voor bewoning vanaf de ijzertijd kan worden bijgesteld naar laag. Op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor gunstige omstandigheden op de oeverafzettingen van de Brakel kan ook de verwachting voor Mesolithicum tot Neolithicum naar laag worden bijgesteld.13 Op circa 210 m ten oosten van het plangebied heeft Antea Group een booronderzoek uitgevoerd (Zaakid.

4712559100). Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat de kans klein is dat zich binnen de onderzochte locaties archeologische resten bevinden. De aangetroffen oeverafzettingen op locatie 101 zijn erg dun, en waarschijnlijk niet geschikt geweest voor bewoning. Daarnaast zullen de graafwerkzaamheden niet tot in deze lagen reiken. De oeverafzettingen op locatie 107 zijn iets kansrijker, aangezien deze wel iets dikker zijn, maar de top hiervan is niet intact en/of vertoont geen vegetatielaag of andere archeologische indicator. Er resteert slechts een verwachting (in het geval dat er op deze plaats een nederzetting heeft gestaan) op ingegraven grondsporen. De oeverwal ligt echter voor dit project op veilige diepte en zal niet worden aangesneden. 14 Op circa 250 m ten zuiden van het plangebied heeft ADC ArcheoProjecten een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Zaakid. 4717370100). In het plangebied zijn vier lange noordzuid georiënteerde proefsleuven aangelegd met een gezamenlijk oppervlak van ca. 1922 m 2 . In het noordelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit oever- op beddingafzettingen van de Zaltbommel stroomgordel en in het zuidelijke deel zijn oever- op beddingafzettingen van de Oensel stroomgordel aanwezig.

Grote delen van het plangebied bleken verblauwd te zijn, veroorzaakt door de voormalige bebouwing en bestrating, wat eraan heeft bijgedragen dat grondsporen en verwachte restgeulen moeilijk waarneembaar waren. Geheel in het oosten in proefsleuf 4 was de ondergrond niet verblauwd en kon een restgeul duidelijk worden herkend met bovenin de opvulling enkele Romeinse aardewerkfragmenten. In proefsleuf 2 en 3 zijn enkele iets donkerdere verkleuringen met scherven Romeins aardewerk als mogelijk grondspoor geïnterpreteerd. Zowel handmatige als machinale coupes lieten echter geen duidelijke insteek of vulling van een grondspoor zien. Het Romeinse vondstmateriaal beperkt zich in sleuf 2 en 3 tot een specifieke zone van 13 tot 25 m breed en in proefsleuf 4 tot de restgeul. De in totaal 94 fragmenten Romeins aardewerk zijn op enkele stukken na die in de 1e eeuw te dateren zijn, voor het merendeel na het midden van de 2e eeuw te dateren. Het gaat dan om terra sigillata uit Oost-Gallië, Low Lands Ware voorraadpotten en geverfde bekers. Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat sporen van de zuidoostelijker gelegen nederzettingen en grafvelden niet

12 Osinga, 2019 13 Klerks, 2019 14 Teekens en Fens, 2019

Blad 19 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

tot in onderhavig plangebied doorlopen. De vondsten en mogelijke sporen duiden op off-site activiteiten in de periferie van deze vindplaatsen.15 Op circa 340 m ten zuidoosten van het plangebied heeft Greenhouse Advies een archeologische begeleiding uitgevoerd (Zaakid. 4845245100). Onderhavig plangebied valt nabij deelgebied 13 van het onderzoek van Greenhouse. In overleg met het bevoegd gezag is na het begeleiden van het eerste deel van de deeltracés besloten niet verder te gaan met de archeologische begeleiding. Slechts een deel van de vooraf aangewezen dertien tracés is daardoor daadwerkelijk archeologisch begeleid. Voor tracé delen 12 en 13 werd wel afgesproken om de begeleiding doorgang te laten vinden vanwege de zeer hoge archeologische verwachting op vindplaatsen uit de Romeinse tijd. Dit is uiteindelijk echter niet gebeurd door een miscommunicatie tussen de uitvoerder en het archeologisch adviesbureau.16 Tabel 1. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: Archis). Zaakid

OM-nr (oud)

2040319100

5032

2051270100

7191 archeologisch: boring

BAAC BV

2085704100

6119 archeologisch: opgraving

BAAC BV

2146754100

13833 archeologisch: opgraving

ADC ArcheoProjecten

2171548100

24760

2189855100

27410 archeologisch: boring

RAAP Archeologisch Adviesbureau

Rapport niet beschikbaar via DANS en ARCHIS

2301982100

43041 archeologisch: boring

RAAP Archeologisch Adviesbureau

2430318100

59899 archeologisch: begeleiding

Archeodienst Gelderland BV

Rapport niet beschikbaar via DANS en ARCHIS Geen rapportage of documentatie vanwege faillisement Archeodienst

3997670100

- archeologisch: boring

ADC ArcheoProjecten

4657690100

- archeologisch: bureauonderzoek VUhbs archeologie

4670017100

- archeologisch: bureauonderzoek Greenhouse Advies

4670909100

- archeologisch: boring

ADC ArcheoProjecten

4711602100

- archeologisch: boring

Greenhouse Advies

4712559100

- archeologisch: boring

Antea Group Archeologie

4717370100

-

4750920100

- archeologisch: bureauonderzoek

type onderzoek archeologisch: proefputten/proefsleuven

archeologisch: proefputten/proefsleuven

archeologisch: proefputten/proefsleuven

15 Bouma, 2019 16 Reinders en Fijma, 2021

Blad 20 van 30

uitvoerder

Opmerkingen

BAAC BV Boring ter plaatse van de Wildeman, opgevolgd door 2040319100 Zie 2040319100 en 2146754100

BAAC BV

ADC ArcheoProjecten RAAP Archeologisch Adviesbureau

Niet beschikbaar op ARCHIS en/of DANS EASY

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

4845245100

- archeologisch: begeleiding

Greenhouse Advies

Gegevens uit Archis: archeologische waarnemingen Binnen 500 m rondom het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend. Deze zijn voornamelijk te relateren aan de Romeinse vindplaats op de Wildeman. Tabel 2. Archeologische waarnemingen binnen onderzoeksgebied (bron: Archis) Zaakid 2040319100 2040319100

2040319100 2040319100

2040319100

2040319100

2040319100

2040319100

2171548100

2171548100

2171548100

complextype grafveld, gemengd complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen grafveld, crematies Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald complextype niet te bepalen Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen complextype niet te bepalen

begin

eind

verwerving

Romeinse Tijd

Romeinse Tijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Mesolithicum

Nieuwe Tijd Laat

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Late IJzertijd

Late IJzertijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Midden Romeinse Tijd

Midden Romeinse Tijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Midden Romeinse Tijd A

Laat Romeinse Tijd A

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Romeinse Tijd

Romeinse Tijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

IJzertijd

IJzertijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Late IJzertijd

Romeinse Tijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

IJzertijd

IJzertijd

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Romeinse Tijd

Late Middeleeuwen archeologisch: proefputten/proefsleuven A Late Middeleeuwen archeologisch: proefputten/proefsleuven A Romeinse Tijd

Middeleeuwen

Nieuwe Tijd

Nieuwe Tijd

Nieuwe Tijd

IJzertijd

Vroege Middeleeuwen D

4717370100

archeologisch: proefputten/proefsleuven

4717370100

archeologisch: proefputten/proefsleuven

4717370100

archeologisch: proefputten/proefsleuven

Conclusies Rondom het plangebied zijn zowel oever- als beddingafzettingen van verschillende stroomgordels aangetroffen. Nabij is ook een Romeinse vindplaats bekend, de Wildeman, waar meerdere huisplattegronden zijn aangetroffen. De archeologische waarnemingen hangen hier dan ook voornamelijk mee samen.

Blad 21 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

3.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn in het plangebied geen ondergrondse bouwhistorische waarden bekend. 17

17 Atlasleefomgeving.nl

Blad 22 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

4

Archeologische verwachting

4.1

Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart Op de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ ligt het plangebied in een archeologische parel, aangegeven als een locatie van provinciaal belang (A-9).18 Gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied bevindt zich op de gemeentelijke verwachtingskaart op de diepgelegen stroomgordel van Brakel (0,0 tot 2,1 m-NAP; 3,0 tot 5,1 m-mv). Hier geldt een middelmatige archeologische verwachting voor de periode vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. 19

Afbeelding 12: Uitsnede van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Zaltbommel met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: Gemeente Zaltbommel, 2011) 18 Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie (gelderland.nl) 19 Gemeente Zaltbommel, 2011

Blad 23 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

4.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de verzamelde gegevens in het bureauonderzoek kan de volgende gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld. Datering Er geldt een middelhoge archeologische verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Complextype Uit het paleolithicum tot en met het laat neolithicum kunnen resten verwacht worden die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk en/of periodiek bewoond werden. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen. Vanaf het laat neolithicum tot en met de bronstijd kunnen resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele duizenden vierkante meters. Diepteligging Sporen en resten worden verwacht op de meandergordel van Brakel. Deze ligt naar verwachting op 0,0 tot 2,1 m-NAP (3,0 tot 5,1 m-mv).

Locatie Archeologische sporen en resten kunnen binnen het gehele plangebied voorkomen, aangezien de bodemopbouw in het plangebied grotendeels onbekend is. Uiterlijke kenmerken Paleolithicum tot laat-neolithicum: vuursteenspreiding, indicaties van de bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, productiegereedschap. Indicaties voor kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen, verbrand vuursteen, berkenpek. Indicaties voor jacht/voedselverzameling en -bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, stekers, etc. Verkoolde resten van voedsel of brandstof. Laat-neolithicum tot en met de bronstijd: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten en afvalkuilen. Ook kunnen er begravingen worden verwacht. Verkoolde resten van voedsel(bereiding) en hout. Resten van inhumaties en crematiegraven. In gunstige omstandigheden: metaal, aardewerk, glas, textiel, leer, hout, vuursteen, been, steen, bouwmateriaal.

Blad 24 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen in het plangebied bestaan uit het meermaals bouwen op de locatie, gepaard met de sloop. De bouwvergunningen zijn niet online in te zien, waardoor er geen inschatting kan worden gemaakt van de verstoringen.20 Ook zijn er aan de weg kant van het plangebied kabels en leidingen aanwezig. Gezien de lage grondwaterstand en de zandgrond wordt verwacht dat organische artefacten niet goed bewaard zullen zijn gebleven, tenzij deze verkoold zijn. Doordat er langdurig bebouwing en dichte verharding op het plangebied aanwezig is kan er ook verblauwing zijn opgetreden, waardoor eventueel aanwezig archeologische sporen onherkenbaar zijn.

20 Bouw- en milieuvergunningen (Regionaal Archief Rivierenland)

Blad 25 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

5

Conclusies en advies

5.1

Conclusies Het plangebied bevindt zich in een gebied waar meanderende rivieren de ondergrond hebben gevormd. De stroomruggen die hierdoor ontstonden waren aantrekkelijke locaties voor bewoning, zoals bewezen is door de aanwezigheid van de Romeinse vindplaats de Wildeman op enkele honderden meters van het plangebied. Deze bevindt zich op de Oensel stroomgordel, welke niet aanwezig is in het plangebied. In het plangebied is de stroomgordel van Brakel aanwezig. Hierop geldt een middelhoge archeologische verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Deze wordt verwacht op circa op 0,0 tot 2,1 m-NAP (3,0 tot 5,1 m-mv). In het plangebied heeft in de 20e eeuw meermaals bebouwing en sloop van bebouwing plaatsgevonden. Dit kan hebben geleid tot verstoring van de bodem.

5.2

(Selectie)advies Er geldt een middelhoge verwachting op sporen en resten uit het vroeg neolithicum tot en met de bronstijd. Naar verwachting ligt de stroomgordel op 3,0 tot 5,1 m-mv. De verwachtte werkzaamheden zullen rond 1,0 m-mv liggen. Hierdoor wordt niet verwacht dat een potentieel archeologisch niveau wordt verstoord. Daarnaast wordt er verwacht dat de bovengrond verstoord is door de meerdere fasen van bebouwing in de 20e eeuw. Antea Group adviseert daarom op het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden, mits deze niet dieper reiken dan 2,5 m-mv (dit neemt een buffer van 0,5 m in acht). Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Zaltbommel. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Oosterhout, augustus 2023

Blad 26 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Reactie namens bevoegd gezag Op 26 februari 2024 heeft het bevoegd gezag de volgende reactie op onderhavig rapport gegeven: Namens gemeente Zaltbommel is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het besluit is genomen het selectieadvies uit het rapport (de aanbevelingen) in zijn geheel over te nemen. Ten aanzien van archeologie zijn er derhalve geen belemmeringen meer voor de uitvoering van de voorgenomen plannen. De meldingsplicht archeologische toevalsvondst (art. 5.10 Erfgoedwet) en het doen van waarnemingen (art. 5.11 Erfgoedwet) blijven echter te allen tijde van kracht.

Blad 27 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Literatuur en geraadpleegde bronnen Bakker, H. de, 1989. De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland, in Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus.. Pudoc, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bouma, N., 2019. In de periferie van De Wildeman aan de Veilingweg 19-23-25 te Zaltbommel Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (ADC Rapport 5060). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Cohen, K.M., , E. Stouthamer, H.J. Pierik, en A.H. Geurts, 2012. Rhine‐Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography. Utrecht University Goossens, E., F. van Hemmen, J. Breimer en C.M.A. Sanders, 2011. Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel: Deel 1 Toelichting op de archeologische inventarisatie (RAAP-rapport 2025). RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., Amsterdam. Hogervorst, M., 2019. Archeologisch onderzoek riool glastuinbouw te Zaltbommel Bureauonderzoek (BO) (GRA-rapport 2019.06). Greenhouse Advies B.V., Huissen. Klerks, K., 2019. Veilingweg 9 te Zaltbommel Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (ADC Rapport 4847). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Osinga, M., 2019.

Archeologisch onderzoek riolering glastuinbouw Zaltbommel Inventariserend veldonderzoek (IVO-O) (GRA-rapport 2019.26). Greenhouse Advies B.V., Huissen. Reinders, M., en P. Fijma, 2021. Archeologisch onderzoek riolering glastuinbouw gemeente Zaltbommel Opgraving variant Archeologische begeleiding (GRA-rapport 2020.13). Greenhouse Advies B.V., Huissen. Stiller, D.R., en H.J. van Oort, 2018. Handboek Archeologie Regio Rivierenland. Richtlijnen voor bedrijven. Omgevingsdienst rivierenland, Tiel. Teekens, P.C. en R.L. Fens, 2019. Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. karterende boringen: MStracé Deil-1-2-3; zones 101, 107 en 108 (Antea Group Archeologie 2019/108). Antea Group, Heerenveen. Tump, M., 2008. Zaltbommel Plangebied De Wildeman: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (BAAC rapport A-07.0375). BAAC b.v., ’s-Hertogenbosch. Veldman, H.A.P., en E. Blom (eds.), 2010. Onder de zoden van Zaltbommel. Een rurale nederzetting en een grafveld uit de Romeinse tijd in het plangebied De Wildeman (ADC monografie 8). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Wal, A. ter, 2004. Zaltbommel De Wildeman: Inventariserend Veldonderzoek (BAAC-rapport 03.131/182). BAAC b.v., ’s-Hertogenbosch.

Blad 28 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Wijnen, J.J.A., 2017. Spoorveste, Zaltbommel (gemeente Zaltbommel) Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek (ADC Rapport 4105). ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Kaarten • Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen • Grote Historische Atlas (1830-1855), Wolters Noordhoff, Groningen • Geomorfologische kaart 1:50.000, Alterra, Wageningen • Kadastrale kaarten 1811-1832 (http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl) • Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl) Internet • ahn.maps.arcgis.com • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.archis.cultureelerfgoed.nl • www.pdok.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.topotijdreis.nl • www.dinoloket.nl

Blad 29 van 30

Antea Group Archeologie 2023/225 Bureauonderzoek projectnummer 487886.100 19 maart 2024 revisie 01 Zalstate Vastgoed b.v.

Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart met de ligging van het plangebied (Bron: ESRI) ..........1 Afbeelding 2: Actuele luchtfoto met daarop het onderzoeks- en plangebied (Bron: ESRI) ..............5 Afbeelding 3: Luchtfoto van het plangebied met daarop het plangebied (Bron: ESRI) ....................6 Afbeelding 4: Uitsnede van de geomorfologische kaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: PDOK) .....................................................................................................10 Afbeelding 5: Uitsnede van de stroomgordelkaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: Cohen et al., 2012) ...............................................................................................................11 Afbeelding 6: Actueel Hoogtebestand Nederland met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: AHN) .....................................................................................................................................12 Afbeelding 7: Uitsnede van de bodemkaart met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: PDOK) ..............................................................................................................................................13 Afbeelding 8: Overzicht van de aanwezige kabels en leidingen in het plangebied (Bron: KLIC) .....16 Afbeelding 9: Uitsnede van de archeologische

verwachtingskaart van de gemeente Zaltbommel met daarop het plan- en onderzoeksgebied (Bron: Gemeente Zaltbommel, 2011) .......................23 Bijlagen Archeologische perioden Beschrijving van de archeologische perioden AMZ-cyclus Beschrijving en weergave van de Archeologische Monumentenzorg Plantekening Overzicht van de geplande werkzaamheden in het gebied Kaartbijlagen 487886.100-ARCHIS

Waarnemingen, onderzoeken en archeologische monumenten

Blad 30 van 30

Bijlage 1: Archeologische perioden

Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.

Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.

Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.

Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.

Na Chr.

Archeologische periode-indeling conform ABR Periode Recent

Subperiode

Begin 1945

eind heden

Afkorting

Nieuwe Tijd

Late Nieuwe tijd Midden Nieuwe tijd Vroege Nieuwe tijd

1850 1650 1500

1945 1850 1650

NTC NTB NTA

Middeleeuwen

Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen A Vroege Middeleeuwen D Vroege Middeleeuwen C Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen A

1250 1050 900 725 525 450

1500 1250 1050 900 725 525

LMB LMA VMD VMC VMB VMA

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 270 150 70 25 -12

450 350 270 150 70 25

LROMB LROMA MROMB MROMA VROMB VROMA

IJzertijd

Late IJzertijd Midden IJzertijd Vroege IJzertijd

250 500 800

12 250 500

LIJZ MIJZ VIJZ

Bronstijd

Late Bronstijd Midden Bronstijd B Midden Bronstijd A Vroege Bronstijd

1100 1500 1800 2000

800 1100 1500 1800

LBR MBRB MBRA VBR

Neolithicum

Laat Neolithicum B Laat Neolithicum A Midden Neolithicum B Midden Neolithicum A Vroeg Neolithicum B Vroeg Neolithicum A

2450 2850 3400 4200 4900 5300

2000 2450 2850 3400 4200 4900

LNEOB LNEOA MNEOB MNOEA VNEOB VNEOA

Mesolithicum

Laat Mesolithicum Midden Mesolithicum Vroeg Mesolithicum

6450 7100 8800

5300 6450 7100

LMESO MMESO VMESO

Paleolithicum

Laat Paleolithicum B Laat Paleolithicum A Midden Paleolithicum Vroeg Paleolithicum

18.000 35.000 300.000

8800 18.000 35.000 300.000

LPALEOB LPALEOA MPALEO VPALEO

Ottoonse tijd Karolingische tijd Merovingische tijd

Steentijd

Voor Chr.

Metaaltijd

volksverhuizingstijd

Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.

Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)

Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15890457/1