CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage IV. Diverse (water)bodemonderzoeken Hof van Poederoijen

Raadsvergadering 13 juni 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan 't Hof van Poederoijen30.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen

PROJECTNUMMER: B22.8570 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. De Tweede Geerden 21 5334 LH Velddriel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen

PROJECTNUMMER: B22.8570 Versie: 01

OPDRACHTGEVER: M.M. van Giessen P. & M. B.V.

DATUM: 19 september 2022

Auteur:

Autorisatie:

R.W.A. van der Sangen Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B22.8570/R8570-01/RS Alle informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2 SAMENVATTING M.M. van Giessen P. & M. B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse (water)bodemonderzoeken ter plaatse van het Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen. De diverse (water)bodemonderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5717:2017 [2], de NEN 5740/A1:2016 [3], de NEN 5707:2015/C2:2017 [4] en de NEN 5720:2017[5]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Op basis van de beschikbare gegevens is een deel van de locatie in het verleden onderzocht. Aangezien voorgaand onderzoek ruim 5 jaar oud is, slechts op een deel van de locatie is uitgevoerd en de verdachte (oorspronkelijke) teeltlaag niet geheel is onderzocht, dient de actuele milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit opnieuw te worden vastgelegd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de niet eerder onderzochte voormalige bovengrondse tank en slootdempingen.

Tevens is tijdens voorgaand onderzoek geen onderzoek naar asbest uitgevoerd te plaatse van de aangetroffen puinbijmengingen en (voormalige) bebouwing. Geadviseerd wordt een volledig verkennend (water)bodemonderzoek uit te voeren op de locatie conform de NEN 5740 (landbodem) en de NEN 5720 (waterbodem). Hierbij dient rekening gehouden te worden met de nog niet eerder onderzochte slootdempingen, de bovengrondse tank, voormalige bebouwing en het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de teeltlaag. Aangezien mogelijk grond/slib afgevoerd gaat worden, is geadviseerd direct een onderzoek naar PFAS uit te voeren. Tevens dient een verkennend onderzoek naar asbest plaats te vinden conform de NEN 5707, aangezien de locatie in het verleden (deels) bebouwd was en tijdens voorgaand onderzoek grond met puinbijmengingen is aangetroffen, welke analytisch niet is onderzocht op asbest. Conclusies en aanbevelingen Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten kan de gestelde onverdachte hypothese worden aangenomen, aangezien in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden.

Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Voormalige bovengrondse tank Ter plaatse van de onderzochte voormalige bovengrondse tank zijn zowel in de bovengrond als in het grondwater geen verhoogde gehalten voor de verdachte parameters aangetoond. De voormalige bovengrondse tank heeft derhalve niet geleid tot een bodemverontreiniging op de onderzoekslocatie.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

3

Teeltlaagonderzoek Voor het teeltlaagonderzoek is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag. Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien in de teeltlaag maximaal licht verhoogde gehalten voor de OCB-parameters zijn aangetoond. Hergebruik van grond (BBK en handelingskader PFAS) Bij eventuele afvoer van de grond en toepassing elders heeft de bovengrond plaatselijk maximaal indicatief de klasse industrie en/of wonen op basis van indicatieve toetsing aan het BBK, voor wat betreft de NEN-, en OCB-parameters. De ondergrond op de onderzoekslocatie heeft indicatief de klasse altijd toepasbaar op basis van indicatieve toetsing aan het BBK, voor wat betreft de NEN-parameters. Voor PFAS dient rekening te worden gehouden met bovenstaande indicatieve klassen, waarbij de grond tot 1,0 m-mv (zand en klei) voldoet aan de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) op basis van het handelingskader. De grond kan voor wat betreft de PFAS-parameters elders worden toegepast in de betreffende functieklasse, bij toepassing boven grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Gebiedsspecifiek kunnen echter zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Conclusies verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging ter plaatse van het voormalig kassencomplex en voormalige watergangen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de hypothese worden verworpen, aangezien zintuiglijk op maaiveld en in het vrijkomende materiaal uit de proefgaten geen asbest is aangetroffen en analytisch geen noemenswaardige gehalten voor asbest zijn aangetoond (< 2 mg/kg d.s.). Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, doch bestaat de mogelijkheid dat niet alle asbestverdachte plaatmaterialen zijn waargenomen. Het blijft derhalve mogelijk dat bij aantreffen van asbesthoudend plaatmateriaal de interventiewaarde in de praktijk toch wordt overschreden. Daarnaast kan over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (vegetatie en verhardingen) op het maaiveld. Conclusies verkennend waterbodemonderzoek De aanwezige watergangen waren waterhoudend ten tijde van het onderzoek. De waterbodem is aanwezig vanaf circa 2 à 30 cm beneden waterspiegel. Er is in beide watergangen een laag slib van circa 2-40 cm aangetroffen.

Voor de hoeveelheid slib dient rekening te worden gehouden met circa 60 m3 in de B- en C-watergangen (G01 t/m G10) en circa 50 m3 in de A-watergang (G11 t/m G20). Voor wat betreft de waterbodem is uitgegaan van elders toepasbare en verspreidbare baggerspecie (maximaal klasse Industrie/klasse B). Op basis van resultaten (inclusief PFAS) kan de hypothese voor de B- en C-watergangen (G01 t/m G10) maar deels worden aangenomen, aangezien het slib geclassificeerd is als ‘niet verspreidbaar’ op het aangrenzend perceel (T5). Het slib is wel toepasbaar op de landbodem (T1: maximaal klasse industrie) en in overig zoet oppervlaktewater (T3: maximaal klasse A).

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

4

Voor de A-watergang (G11 t/m G20) kan op basis van resultaten (inclusief PFAS) de hypothese geheel aangenomen worden, aangezien het slib geclassificeerd is als ‘verspreidbaar’ op het aangrenzend perceel (T5) en toepasbaar is op de landbodem (T1: maximaal klasse industrie) en in overig zoet oppervlaktewater (T3: maximaal klasse A). Met betrekkingen tot PFAS kan voor het slib worden geconcludeerd dat voor toepassing op de bodem (T1) het slib als klasse ‘landbouw/natuur’ (achtergrondwaarde) is geclassificeerd en daarnaast het verspreiden in zoet oppervlaktewater (T3) en op aangrenzend perceel (T5) is toegestaan. Zodoende bestaan voor het slib voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is, ons inziens, de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem inclusief asbest ter plaatse van het Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen in voldoende mate onderzocht. Zintuiglijk en analytisch zijn geen verontreinigingen (NEN, OCB, PFAS en asbest) aangetroffen als gevolg van de voormalige bovengrondse tank, voormalige boomgaard, voormalige kassencomplex en voormalige niet onderzochte watergangen.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen toekomstige herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbevelingen. Indien in de toekomst slib uit de watergangen gebaggerd gaat worden dient rekening gehouden te worden me de resultaten van voorliggend waterbodemonderzoek en wordt geadviseerd het slib af te voeren naar een erkend verwerker of toe te passen in daartoe geschikte land- of waterbodem, aangezien het als ‘niet verspreidbaar’ is geclassificeerd voor verspreiding op aangrenzend perceel. Bij eventuele civieltechnische graafwerkzaamheden in de grond/bagger is geen veiligheidsklasse van toepassing volgens de CROW400. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met de resultaten van voorliggende onderzoeken en dienen bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders altijd de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 6

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725 EN NEN 5717) ............................................................................... 7 3.3 CONCLUSIES HISTORISCH ONDERZOEK EN LOCATIEBEZOEK.................................................................... 9

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 9 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 9 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 10 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE (WATER)BODEMONDERZOEKEN .................................................. 10 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 11

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 14 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 15 7.3. WATERBODEM .......................................................................................................................................... 16

8.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 19 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 19 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 19 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 25

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 28 9.1. CONCLUSIES VERKENNENDE EN ACTUALISERENDE BODEMONDERZOEKEN ........................................... 28 9.2. CONCLUSIES VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST .......................................................................... 28 9.3. CONCLUSIES VERKENNEND WATERBODEMONDERZOEK ......................................................................... 29 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 29

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 30

BIJLAGEN 1. 2a. 2b. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Situering in de regio Situatieschetsen met (voormalige) boringen, peilbuizen, proefgaten en grepen Situatieschets dwarsdoorsnedes watergangen Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en waterbodem Achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Indicatieve toetsingstabellen Besluit bodemkwaliteit grond (incl. PFAS) Toetsingstabellen waterbodem (incl. PFAS) Veldwerk- en locatiebezoekformulieren asbest- en waterbodemonderzoek (incl. foto’s) Relevante historische informatie

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

6 1.

INLEIDING M.M. van Giessen P. & M. B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van diverse (water)bodemonderzoeken ter plaatse van het Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen. De diverse (water)bodemonderzoeken worden uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5717:2017 [2], de NEN 5740/A1:2016 [3], de NEN 5707:2015/C2:2017 [4] en de NEN 5720:2017[5]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren H.M.W. van der Donk en M. Schimmel.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief PFAS, OCB en asbest) op de onderzoekslocatie. vast te leggen, om vast te stellen of er bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocatie betreft een (voormalig) (glas)tuinbouwgebied, wat onderdeel uitmaakt van het plangebied Hof van Poederoijen te Poederoijen, waarbij een woonwijk wordt gerealiseerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Dorpsweg 12 en omgeving te Poederoijen. De locatie wordt ingesloten tussen de Dorpsweg 12-14 en de Maarten van Rossumweg 25-27. De locatie betreft grotendeels braakliggende agrarische percelen en heeft een totale oppervlakte van 3,7 hectare. De landbodem van de onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente Brakel, sectie M, nummers 416, 417, 419 (ged.), 493, 504 (ged.), 114, 1156, 1158, 1159, 1160 (ged.) en 1161. Daarnaast zijn er ter plaatse van de locatie 2 bestaande watergangen aanwezig met een maximale lengte van 630 meter. Deze waterbodems staan kadastraal bekend als gemeente Brakel, sectie M, nummers 416, 417, 421, 504, 1012, 1113 en 1114 (allen gedeeltelijk). Het voornemen bestaat om de huidige watergangen te verbreden Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

7 3.2.

Historisch onderzoek (NEN 5725 en NEN 5717)

Voorafgaand aan de diverse (water)bodemonderzoeken is door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (landbodem) en NEN 5717 (waterbodem). Voor de historische informatie is gemaakt van digitale informatie via de websites van het kadaster, de provincie Gelderland, ODR en www.topotijdreis.nl. Via de digitale website van de provincie Gelderland is voor het perceel een uitdraai van de bodeminformatie verkregen en. Door VMT zijn daarnaast de websites www.bodemloket.nl en www.topotijdreis.nl bestudeerd. Tevens is gebruik gemaakt van voorgaande bodemonderzoeken en aangeleverd informatie van het Waterschap Rivierenland (WSRL). De relevante historische gegevens zijn bijgevoegd als bijlage 9. Bodemkwaliteitsgegevens Voorgaand onderzoek onderzoekslocatie Op de locatie is in 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij de locatie was opgedeeld in 3 deelgebieden welke separaat als onverdachte deellocaties zijn onderzocht. Deelgebied 1 betrof de percelen M416, M417 (zuidelijk deel), M1113 en M1114. Deelgebied 2 betrof perceel M417 (noordelijk deel) en deelgebied 3 betrof de percelen M1158, M1159, M1160, M1161 (voorheen 418 en 420) en M419 (moestuin noordelijk deel).

Deelgebied 1 De kleiige bovengrond met sporen puin en de zandige bovengrond was licht verontreinigd met diverse zware metalen, PCB en Dieldrin (type OCB). De ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv) was niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater (peilbuis 101) was licht verontreinigd met barium, nikkel en xylenen. Deelgebied 2 De kleiige en zandige bovengrond op het zuidelijke en centrale deel van deelgebied 2 was licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en de bestrijdingsmiddelen (OCB) Dieldrin, DDD, DDE en DDT. De bovengrond ter plaatse van de paardenweide was niet verontreinigd met onderzochte parameters. De ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv) was licht verontreinigd met cadmium, kobalt en zink. Het grondwater (peilbuizen 208 en 219) was licht verontreinigd met barium en xylenen. Deelgebied 3 De kleiige en zandige bovengrond was licht verontreinigd met diverse zware metalen, PCB en Dieldrin. De ondergrond was niet tot licht verontreinigd met kobalt en nikkel. Het grondwater (peilbuizen 301, 316 en 328) was licht verontreinigd met barium en xylenen. Het grondwater uit peilbuis 301 was tevens licht verontreinigd met minerale olie. De licht verhoogde gehalten aan zware metalen in de grond en barium en nikkel in het grondwater werden beschouwd als (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden.

De licht verhoogde gehalten aan PCB en OCB (met name Dieldrin) werden toegeschreven aan het (historisch) gebruik van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van de kassen en kwekerij. Gezien de marginale overschrijdingen van de streefwaarden op de gehele onderzoekslocatie, werd aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd werd dat het terrein geschikt was voor de huidige en de toekomstige bestemming.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

8 Overige bodemkwaliteitsgegevens (locatie en directe omgeving) Van de onderzoekslocatie zelf zijn, zover als bekend, geen overige gegevens bekend van de (water)bodemkwaliteit. Wel is tijdens voorgaand onderzoek van Inventerra gemeld dat sprake was van een bovengrondse HBO-tank ter plaatse van de voormalige kas achter Dorpsweg 12, wat door de opdrachtgever was bevestigd. Tijdens het onderzoek in 2014 is de tanklocatie echter niet onderzocht. Tevens is de teeltlaag niet afzonderlijk onderzocht op OCB. Van de directe omgeving zijn onderzoekslocaties bekend bij de provincie Gelderland en/of ODR. Hiervan is één rapportage van VMT bekend en in te zien van een locatie ten zuiden van onderzoekslocatie (Diverse bodemonderzoeken Dorpsweg 3a te Poederoijen, VMT kenmerk B17.6663, d.d. 1 mei 2017). Hierbij is de milieuhygiënische bodemkwaliteit (inclusief asbest) onderzocht bij een voormalig kassencomplex met diverse bodembedreigende activiteiten. Hierbij werden geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond als gevolg van de activiteiten. Tevens werd zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond.

Voormalig en huidig gebruik Zowel in het verleden als in de huidige situatie heeft de locatie een agrarisch functie. Toekomstig gebruik Het voornemen bestaat de locatie te herontwikkelen tot woonwijk. Hierbij worden diverse civieltechnische werkzaamheden uitgevoerd, waaronder het dempen en/of verbreden van bestaande watergangen en het graven van rioolsleuven tot circa 2,5 m-mv. Bodemkwaliteitskaart Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de ODR valt de locatie binnen de zone ‘buitengebied (functie overig)’. De boven- en ondergrond voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde”. Diverse delen van de locatie zijn gemarkeerd als kassen (1940-1990) en direct ten oosten is het gebied gemarkeerd als boomgaard (1940-1970). Waterbodemkwaliteit De aanwezige watergangen op de onderzoekslocatie betreffen afwateringsloten voor hemelwaterberging en betreft zoet water. De sloten op de locatie is een gegraven lintvormige sloot en vermoedelijk in eigen beheer. De watergangen hebben deels een waterbergende functie, maar deels ook een aan- en afvoerende functie aangezien de watergangen deels in verbinding staan met overige watergangen in het gebied. De watergang aan de westzijde betreft een Awatergang en is (deels) in het beheer van het Waterschap Rivierenland (WSRL). De overige, aaneengesloten watergangen, betreffen B- C-watergangen en zijn in eigen beheer.

Door het WSRL is aangegeven dat in de watergangen van 2012-2013 baggerwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Voorafgaand is een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd waarbij alle wargangen binnen de onderzoekslocatie zijn meegenomen (verkennend waterbodemonderzoek gebied 37.1, Aquon, kenmerk RW2011-005-D02, d.d. 18 mei 2012). Hierbij werden een sterk verhoogde gehalte voor cadmium en zink aangetoond in het slib uit alle onderzochte watergangen binnen de locatie. Er zijn volgens het WSRL verder geen lozingspunten en/of overstorten gelegen in de directe omgeving. Historisch kaartmateriaal Uit de historische kaarten van www.topotijdreis.nl blijkt dat een deel van de locatie in gebruik is geweest als boomgaard en dat op delen diverse kassencomplexen aanwezig zijn geweest (19692014). Daarnaast zijn circa 6 voormalige sloten aanwezig, waarvan er geen enkele is meegenomen in het onderzoek uit 2014. Ter plaatse van en in de directe omgeving diverse boomgaarden aanwezig geweest, waarbij mogelijk gebruik is gemaakt van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

9 Asbest Op de locatie zijn diverse kassencomplexen aanwezig geweest, welke zijn gebouwd in de periode 1969-1981. Gezien het bouwjaar (asbestverdachte periode), het ontbreken van asbestinventarisatierapporten en aangezien tijdens voorgaand onderzoek niet op asbest is onderzocht, dient de locatie als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest. Daarnaast zijn tijdens voorgaand onderzoek bijmengingen met puin aangetroffen in de grond, welke conform de huidige wet en regelgeving als asbestverdacht dienen te worden beschouwd. PFAS Ter plaatse van de onderzoekslocatie is sprake van een (vermoedelijke) diffuse bodembelasting met PFAS. Voor zover als bekend is voor PFAS ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen sprake van mogelijke puntbronnen. Locatiebezoek Voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden is een locatiebezoek uitgevoerd. Tijdens het locatiebezoek zijn geen asbestverdachte materialen (beschoeiing), lozingspunten of overige bijzonderheden waargenomen die van invloed kunnen zijn op de (water)bodemkwaliteit. 3.3

Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek

Op basis van de beschikbare gegevens is een deel van de locatie in het verleden onderzocht. Aangezien voorgaand onderzoek ruim 5 jaar oud is, slechts op een deel van de locatie is uitgevoerd en de verdachte (oorspronkelijke) teeltlaag niet geheel is onderzocht, dient de actuele milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit opnieuw te worden vastgelegd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de niet eerder onderzochte voormalige bovengrondse tank en slootdempingen. Tevens is tijdens voorgaand onderzoek geen onderzoek naar asbest uitgevoerd te plaatse van de aangetroffen puinbijmengingen en (voormalige) bebouwing. Geadviseerd wordt een volledig verkennend (water)bodemonderzoek uit te voeren op de locatie conform de NEN 5740 (landbodem) en de NEN 5720 (waterbodem). Hierbij dient rekening gehouden te worden met de nog niet eerder onderzochte slootdempingen, de bovengrondse tank, voormalige bebouwing en het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de teeltlaag. Aangezien mogelijk grond/slib afgevoerd gaat worden, is geadviseerd direct een onderzoek naar PFAS uit te voeren. Tevens dient een verkennend onderzoek naar asbest plaats te vinden conform de NEN 5707, aangezien de locatie in het verleden (deels) bebouwd was en tijdens voorgaand onderzoek grond met puinbijmengingen is aangetroffen, welke analytisch niet is onderzocht op asbest. 4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 8 meter dikke deklaag aanwezig die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende eerste watervoerende pakket is circa 18 meter dik en bestaat uit midden en grof zand, met weinig zandige klei van de Formaties van Kreftenheye en Sterksel. Hieronder bevindt zich een 3 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei, klei en midden zand behorend tot de Formatie van Sterksel. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerende pakket tot circa 83 mmv. Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

10 4.2.

Geohydrologie

De regionale grondwaterstroming is globaal zuidelijk gericht. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater wordt grotendeels beïnvloed door de Afgedamde Maas, ten zuiden van de locatie, maar kan verder ook worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen) en overig oppervlaktewater. De locatie is niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Aanvullend dient aandacht te worden besteed aan de voormalige bovengrondse tank, voormalige boomgaard (OCB), voormalig kassencomplex en de niet eerder onderzochte voormalige sloten. Voor wat betreft de waterbodem op de locatie wordt uitgegaan van elders toepasbare en verspreidbare baggerspecie.

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse (water)bodemonderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie (ONV-NL) met een totale oppervlakte van maximaal 3,7 hectare. Aanvullend worden ter plaatse van de gedempte sloten 6 dwarsraaien van 3 boringen tot circa 2,0 m-mv, per raai haaks op de gedempte sloot geplaatst. Hiervoor zijn 2 extra grondanalyses op een standaard NEN-pakket opgenomen. Voormalige bovengrondse tank achter Dorpsweg 12 Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank, ter plaatse van de schuur, worden extra werkzaamheden uitgevoerd afgeleid/conform de NEN 5740/A1 volgens de strategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP, < 10 m2). Hierbij worden werkzaamheden gecombineerd met de algemene kwaliteit. Analyse op vluchtige aromaten uit een mengmonster van de bovengrond, is niet zinvol en wordt ons inziens ook niet noodzakelijk geacht.

Teeltlaagonderzoek Aanvullend wordt teeltlaagonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740:2009/A1:2016, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) voor een oppervlakte van maximaal 3,7 hectare. Hierbij wordt de (oorspronkelijke) teeltlaag (0,00,3 m-mv) afzonderlijk bemonsterd en geanalyseerd op OCB. De werkzaamheden worden gecombineerd met de algemene kwaliteit.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

11 Onderzoek naar PFAS De onderzoeksopzet voor het aanvullend bodemonderzoek naar PFAS is afgeleid van de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL), waarbij de oppervlakte naar boven is afgerond (maximaal 4 ha). Hierbij wordt de bovengrond (tot maximaal 1,0 m-mv) onderzocht op PFAS. Verkennend onderzoek naar asbest In verband met de voormalige kassencomplexen en het aantreffen van puinbijmengingen in de grond tijdens voorgaand onderzoek, dient een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd te worden, waarbij wordt uitgegaan van de NEN 5707/C2 voor een verdacht diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. De meest verdachte grondlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm). Verkennend waterbodemonderzoek Het verkennend waterbodemonderzoek ter plaatse van de watergang wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie beschreven in de NEN 5720/A1:2017, onderzoeksstrategie voor een lintvormig water, normale onderzoeksinspanning (LN).

Hierbij wordt uitgegaan van 2 watergangen met een maximale lengte van 500 meter per watergang (2 losse trajecten). De baggerspecie wordt geanalyseerd op het C2 waterbodempakket (standaardpakket baggerspecie uit zoet oppervlaktewater voor toepassing buiten Rijksoppervlaktewater) aangevuld met diverse parameters zoals aangegeven in het document waterbodempakket WSRL (o.a. calciet, SCG, pH, fosfor, sulfaat, ijzer en stikstof volgens kjeldahl). Aanvullend wordt de baggerspecie geanalyseerd op PFAS, conform het Handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals op in december 2021 is geactualiseerd. Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling. De veldwerkzaamheden van de diverse onderzoeken zijn zoveel als mogelijk met elkaar gecombineerd. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en grepen is rekening gehouden met de diverse bekende aandachtspunten. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2025, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPRnormen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6) protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6), protocol 2003: veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek (versie 6) en, afgezien van een efficiënte maaiveldinspectie en protocol 2018 locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). Daarnaast is gebruik gemaakt van een oliedetectiepan om de grond bij PB03 te beoordelen op het voorkomen van olie-waterreacties.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

12 In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 19 augustus 2022 22 t/m 26 augustus 2022

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V. Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal De heer J.B. Koppelman

2 september 2022

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer J.B. Koppelman

Protocol BRL SIKB 2003 (v. 6) 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van de diverse bodemonderzoek. Verkennende bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit zijn in totaal 73 boringen (B01 t/m B61) geplaatst, waarbij de raaiboringen B07A-C, B22A-C, B28A-C, B35A-C, B46A-C, B59B-C zijn geplaatst ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige sloten. Boring PB03 is geplaatst ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank. De boringen PB03, PB14, PB34, PB49 en PB59B zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde werkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Boringen / peilbuis Circa 0,5 m-mv Circa 2,5 m-mv Algemene kwaliteit B01, B02, B04 t/m B06, B08, B09, B11 t/m B07A-C, B10, B17, B22A-C, B26, B28A-C, B13, B15, B16, B18 t/m B21, B23 t/m B25, B35A-C, B46A-C, B47, B52, B53 t/m B58, B27, B29 t/m B33, B36 t/m B45, B48, B50, B59A, B59C B51, B53 t/m B58, B60, B61 Voormalige bovengrondse tank Toelichting bij de tabel: * In combinatie met de algemene kwaliteit; Niet van toepassing.

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB14 (2,30-3,30) PB34 (2,20-3,20) PB49 (2,30-3,30) PB59B (2,30-3,30) PB03 (2,20-3,20)*

Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB03, PB14, PB34, PB49 en PB59B is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 2 september 2022 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest ter plaatse van de onderzoekslocatie is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie te worden uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de locatie grotendeels is bedekt met verhardingen en vegetatie (99 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de NEN 5707 geen efficiënte maaiveldinspectie (> 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en op basis van de waarnemingen in het veld zijn in totaal 61 proefgaten (B01 t/m B61) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm).

Hierbij is zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

13

In het veld zijn 18 monsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde monsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.6 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van de verkennende onderzoeken naar asbest zijn opgenomen in bijlage 8. Verkennend waterbodemonderzoek Ten behoeve van het verkennend waterbodemonderzoek zijn 20 grepen genomen, evenredig verdeeld over de watergangen. Per watergang is één mengmonster samengesteld. De aanwezige watergangen waren tijdens de veldwerkzaamheden waterhoudend. De grepen zijn doorgezet tot in de vaste waterbodem voor het bepalen van de slibdikte en een zintuiglijke beoordeling van de vaste waterbodem. In de watergangen is slib aangetroffen met een variërende dikte van 2 cm tot 40 cm. Ter hoogte van de grepen G02, G05, G15 en G18 zijn raaien geplaatst ten behoeve van de dwarsprofielen. Van elke greep is het slib separaat en dubbel bemonsterd voor analyse op een C2 waterbodempakket (standaardpakket baggerspecie uit zoet oppervlaktewater voor toepassing buiten Rijksoppervlaktewater) aangevuld met diverse parameters zoals aangegeven in het document waterbodempakket WSRL (o.a. calciet, SCG, pH, fosfor, sulfaat, ijzer en stikstof volgens kjeldahl), en op PFAS. Van de vaste waterbodem zijn geen monsters genomen.

De situatieschets met de boringen, peilbuizen, proefgaten en grepen is opgenomen als bijlage 2a.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

14 7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [6]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [7] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: ▪ Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. ▪ Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 13 december 2021), worden gehanteerd.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

15 In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020, met aanpassing d.d. 9 mei 2022) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de toplaag (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

16 7.3.

Waterbodem

De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage zullen de volgende toepassingsmogelijkheden worden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.1); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.3); - Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5). De tussen haakjes weergegeven T.1, T.3 en T.5 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie zal gebruik worden gemaakt van BoToVa.

Tevens wordt per toepasmogelijkheid aanvullend getoetst aan het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.1) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de waarde voor wonen en de waarde voor industrie zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de tabel 7.1 is weergegeven.

Tabel 7.1: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.1: 1 De normen (AW, WO en IND) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

17 In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.3) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de maximale waarde kwaliteitsklasse A en de maximale waarde kwaliteitsklasse B zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie.

Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in tabel 7.2 is weergegeven. Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau 1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A Klasse A Groter dan de maximale kwaliteitsklasse A en kleiner dan de maximale Klasse B kwaliteitsklasse B Groter dan de maximale kwaliteitsklasse B en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.2: 1 De normen (AW, kwaliteitsklasse A en B) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde) geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

In het handelingskader hergebruik is vastgesteld dat bij toepassen van baggerspecie in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd in bepaalde diepe plassen (voor exacte omschrijving zie het handelingskader), voor PFOS een toepassingsnorm van 1,1 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 0,8 μg/kg d.s. Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

18 Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5) Voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen, worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast mogen de individuele stoffen waarmee de msPAF toets wordt uitgevoerd de interventiewaarde zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 niet overschrijden.

Voor parameters die niet in de msPAF toets worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit. In het handelingskader hergebruik is de toepassingsnorm voor verspreiding op aangrenzend perceel vastgesteld op 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

19 8.

RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld tot maximaal geboorde diepte van 3,3 m-mv hoofdzakelijk uit matig tot sterk siltige, klei. Plaatselijk bevindt er zich een zand- of veenlaag. De aanwezige watergangen waren tijdens de uitvoering van het veldwerk waterhoudend. De waterbodem was tijdens uitvoering aanwezig vanaf circa 1 tot 30 cm beneden waterspiegel. In de betreffende watergang is een laag slib met een gemiddelde dikte van circa 2 tot 40 cm aangetroffen. De vaste waterbodem onder het slib betreft matig siltige klei. Zintuiglijk zijn op de onderzoekslocatie diverse bodemvreemde aangetroffen, zoals weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring

Proefgat

Diepte boring (m -mv) 0,50 0,50 2,50 2,50 2,50 0,50 0,50 0,50 0,50 3,30 0,50 0,50 2,50 0,50 0,50 0,50 2,50 3,00 2,50 0,50 0,50

Traject (m -mv) 0,00 - 0,25 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

B05 Ja B27 Ja B35A Nee B35B Ja B35C Nee B37 Ja B38 Ja B39 Ja B40 Ja PB49 Ja B50 Ja B51 Ja B52 Ja B53 Ja B56 Ja B57 Ja B59A Nee PB59B Ja B59C Nee B60 Ja B61 Ja Toelichting tabel 8.1: Sporen < 1 % bodemvreemde bijmengingen; Sterk ≥ 10 < 20 % bodemvreemd materiaal.

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Zand Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei

sporen plastic sporen baksteen sterk glashoudend sterk glashoudend sterk glashoudend sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen, sporen plastic sporen baksteen, sporen plastic, sporen glas sporen baksteen, sporen plastic sporen baksteen, sporen glas, sporen plastic sporen baksteen, sporen glas, sporen plastic

Verder zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen overige waarnemingen (zoals olie-water reacties ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank of slib ter plaatse van de vermoedelijke slootdempingen) gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en waterbodem). De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten.

Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen Rapportnr.: B22.8570 versie: 01 datum: 19 september 2022

20 Het analytisch onderzoek naar PFAS (waterbodem) is uitgevoerd door het laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde waterbodemonderzoek. De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5 en de indicatieve toetsing van de grondresultaten aan het Besluit bodemkwaliteit (inclusief PFAS) als bijlage 6. De waterbodem wordt getoetst aan de T.1, T.3 en T.5 volgens de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de waterbodem is opgenomen als bijlage 7. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaatnummer Grond 13725643 13726199

Mengmonster

Parameter

Opmerking

Toelichting

M06 MM11

Individuele PCB

Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.

Aangezien de som parameter voor PCB de index van 0,5 niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed. Aangezien voor de getoetste individuele OCB’s de index van 0,5 niet wordt overschreden, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

13726220

MMOCB01 Diverse MMOCB02 individuele MMOCB03 OCB MMOCB04 MMOCB05 Toelichting tabel 8.2: PCB Polychloorbifenylen; OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen.

Grond Verkennend bodemonderzoek (Wbb) Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn diverse (meng)monsters samengesteld. Aangezien ter plaatse van de voormalige watergangen geen afwijkende bodemlagen zijn geconstateerd die duiden op een (verontreinigde) slootbodem, zijn de betreffende monsters opgemengd met de algemene kwaliteit. De mengmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng) monster

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14188200/1