CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 7 november 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Kerkwijk, Walderhof28.571 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Zaltbommel Plangebied Walderhof te Kerkwijk

Auteur: W.A. Bergman E.A.M. de Boer

Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC-rapport V-23.0353

1

november 2023

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Versie: 2.1

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

2

Colofon ISSN: Auteur(s): Vondstdeterminatie: Cartografie: Inhoudelijke controle: Redactie:

1873-9350 W.A. Bergman E.A.M. de Boer, MSc, MA. O. van Remoorter E.A.M. de Boer, MSc, MA. M. Houwman B. Jansen B. Jansen

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2023) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

3

Postbus 2015 7420 AA Deventer

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Inhoud Samenvatting

5

1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding 1.1.2 Beleidskader 1.1.3 Kwaliteitsborging 1.2 Doel- en vraagstelling 1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied 1.4 Administratieve gegevens

7 7 7 7 8 8 9 12

2 Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling 2.2.2 Gebiedsspecifiek 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart 2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek 2.5 Archeologische verwachting

13 13 13 13 15 19 19 19 22 22 24 27

3 Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie

31 31 33 33 33 35 35

4 Conclusie en aanbevelingen

37

5 Geraadpleegde bronnen

40

Bijlagen

44

Bijlage 1a Bijlage 1b Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4

Geplande ontwikkelingen ondergronds Geplande ontwikkelingen bovengronds Geologische en archeologische tijdvakken Boorstaten Vondstenlijst

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

4

Samenvatting BAAC heeft voorafgaand aan een bestemmingsplanwijziging een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in circa 7,7 ha grote plangebied Walderhof te Kerkwijk (gemeente Zaltbommel). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van het rivierengebied, waar tussen circa 4400 tot 3600 voor Chr. (vroeg- tot midden-neolithicum) de stroomgordel van Broek actief was en vanaf circa 790 voor Chr. tot het einde van de 3e eeuw na Chr. (ijzertijd-late Romeinse tijd) de stroomgordel van Bruchem. Deze rivieren zullen oudere afzettingen, en eventueel daarin gelegen archeologische waarden, hebben geërodeerd. Het grootste deel van het plangebied ligt op de meandergordel van Bruchem, waarbij in het zuidelijke deel een restgeul aanwezig is. In het uiterste noorden van het plangebied is naar verwachting een 80 tot 190 cm dik pakket oeverafzettingen aanwezig van de stroomgordel van Bruchem met daaronder oever- of geulafzettingen op beddingafzettingen van de stroomgordel van Broek. Van de stroomgordel van Bruchem zijn archeologische resten bekend uit de vroege ijzertijd – Romeinse tijd. De stroomgordel van Broek zal bewoonbaar geweest in het neolithicum en mogelijk de bronstijd. Tot op heden zijn van deze stroomgordel nog geen archeologische resten bekend.

In de omgeving van het plangebied zijn archeologische waarden bekend uit de Romeinse tijd-nieuwe tijd. Het plangebied was in ieder geval in de nieuwe tijd B/C niet bebouwd. Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van waarden uit de ijzertijd tot en met de volle middeleeuwen. Archeologische waarden kunnen bestaan uit nederzettingsresten, graven, ontginningsporen en dergelijke. Uit het veldonderzoek blijkt de ligging van de verwachte stroomgordels vrijwel overeenkomt met het beeld van het bureauonderzoek. In het hele plangebied komen oever- op beddingafzettingen voor die in het noorden en zuiden worden geflankeerd door geulen. De oever- op beddingafzettingen kunnen vermoedelijk tot de Bruchem stroomgordel worden gerekend. In het noordelijke deel van het plangebied zijn zandig-kleiige afzettingen aangeboord die gezien de resultaten van het bureauonderzoek behoren tot de Broek stroomgordel. In het zuidelijke deel van het plangebied is een restgeul aangetroffen, die vermoedelijk behoord tot de Velddriel-Beemden-Achterdijk stroomgordel. Verspreid over het plangebied zijn in de boringen enkele fragmenten laat-middeleeuws aardewerk, natuursteen, houtskool en een mogelijk grondspoor aangetroffen.

Gezien de intacte bodem, de vondst van onder meer aardewerk en ook het aantreffen van mogelijk een grondspoor is de kans zeer groot dat archeologisch waarden uit met name de volle middeleeuwen bewaard zijn gebleven. Gezien de ouderdom van de afzettingen kunnen ook oudere en jongere archeologische waarden aanwezig zijn. In de diepere oeverafzettingen en ook in de geulafzettingen zijn nog geen laklagen of andere indicaties aangetroffen dat archeologische waarden aanwezig zijn. In het zuidelijke deel van het planbied zijn aan de top van de bedding en in de kom wel laklagen aangetroffen war er op duidt dat periodieke lange droge periodes zijn geweest. De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek kan op basis van de resultaten van het veldonderzoek gehandhaafd blijven. Om deze hoge archeologische verwachting te toetsen adviseert BAAC een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven.

5

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

6

1

Inleiding

1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding In opdracht van ’t Hoogveld Vastgoed B.V. heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied Walderhof te Kerkwijk (gemeente Zaltbommel). Aanleiding voor het onderzoek is de geplande aanleg van een nieuwbouwwijk op landbouwgrond (bestemmingsplanwijziging). In de bijlagen 1a en 1b zijn de ontwerptekeningen weergegeven. De maximale verstoringsdiepte is ongeveer 2,5 m- mv. De oppervlakte bedraagt circa 7,8 hectare. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. 1.1.2 Beleidskader Het archeologisch beleid van de gemeente Zaltbommel voor toepassing van de wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) staat weergegeven op de archeologische beleidskaart en is vastgelegd in het bestemmingsplan. Voor het plangebied is een dubbelbestemming Archeologie-waarde 2 van toepassing.1 Dit betekent dat in dit geval archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 100 m². Deze waarde is overgenomen van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Zaltbommel (zie afb. 1.1, oranje).2

1 2

7

Ruimtelijkeplannen.nl 2023. Inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (28 september 2016). Goossens et al. 2011.

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb. 1.1 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de beleidskaart van de gemeente Zaltbommel (Goossens et al. 2011).

1.1.3 Kwaliteitsborging Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 (bureauonderzoek) en protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.13, het Handboek Archeologie Regio Rivierenland en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.4 BAAC is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems).

1.2 Doel- en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is om de geologische, bodemkundige en landschappelijke kenmerken, alsmede de bekende en verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied te inventariseren teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de

3 4

CCvD 2018. Bergman 2023.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

8

verstoringsgraad van het bodemprofiel te bepalen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting getoetst en indien nodig gespecificeerd. Het bureauonderzoek dient, conform het Handboek Archeologie, de volgende vragen te beantwoorden: • Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? • Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? • Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor- en vondstniveaus, ophogings- of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? • Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? • Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? Het veldonderzoek dient de volgende vragen, vastgelegd in het Plan van Aanpak, te

beantwoorden: • Hoe is de bodemopbouw en zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? En zo ja, op welke diepte? • Moet de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Zo ja, waarom? • Zijn zones aan te duiden met verschillende mate van archeologische verwachting? • In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja, in welke vorm? Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen wordt vervolgens een advies gegeven over de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden en mogelijk vervolgonderzoek. De bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel) neemt op basis van het door BAAC opgestelde advies een selectiebesluit.

1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied Er wordt onderscheid gemaakt tussen de termen plangebied en onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de geplande bodemingrepen zullen gaan plaatsvinden. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied inclusief het omringende gebied binnen een straal van circa 500 m. Het onderzoeksgebied wordt in het bureauonderzoek als zoekgebied gehanteerd om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie van het plangebied. Het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Kerkwijk in de gemeente Zaltbommel (provincie Gelderland, afb. 1.2). Het plangebied wordt begrensd door de Walderweg (N832) in het westen en de paradijsweg in het oosten. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Kerkwijksekade. De noordgrens wordt gevormd door de percelen aan de Achterstraat. Het plangebied is momenteel onbebouwd en kent een agrarisch gebruik (akker, afb 1.3).

9

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb. 1.2 Ligging van het plangebied.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

10

Afb. 1.3 Ligging van het plangebied op een recente luchtfoto (PDOK 2023).

11

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

1.4 Administratieve gegevens Locatiegegevens provincie gemeente plaats toponiem RD-coördinaten

Gelderland Zaltbommel Kerkwijk Walderweg 143.058/420.359 143.312/420.412 143.480/420.147 143.073/420.107 45A Kadastrale gemeente Kerkwijk, sectie O, perceel 6, 519, 520 en 620 (deels) 7,8 ha

kaartblad kadastrale gegevens oppervlakte plangebied Projectgegevens projectnummer type onderzoek Archis-zaakidentificatienr. opdrachtgever projectleider BAAC bevoegde overheid adviseur namens bevoegde overheid datum opdracht datum veldwerk versie nummer voorgelegd aan bevoegd gezag beheer en plaats documentatie beheer en plaats van vondsten

V-23.0353 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) 5455678100 ’t Hoogveld Vastgoed B.V. contactpersoon: H. van Zandvliet W.A. Bergman Gemeente Zaltbommel Omgevingsdienst Rivierenland M. Stronkhorst 15 mei 2023 5, 6 en 7 september 2023 2.1 ja Archis 3, E-depot (Dans Easy) en archief BAAC Provinciaal depot bodemvondsten Gelderland

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

12

2

Bureauonderzoek

2.1 Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek is literatuur over de geologie, geomorfologie, het hoogteverloop (AHN) en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van oude kadastrale en topografische kaarten. Tevens is informatie ingewonnen bij de Historische Kring Bommelerwaard5 Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit Archis 3 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. In navolgende paragrafen staan de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk is afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 2.

2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling Het plangebied maakt deel uit van het rivierenlandschap.6 In het Pleistoceen stroomden de voorlopers van de Rijn en de Maas door het gebied, waarbij grof zand en grind werden afgezet (Formatie van Kreftenheye). Aan het einde van het Midden-Weichselien verlieten de rivieren het plangebied. Onder invloed van de klimaatsverbetering op de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen smolt het landijs af en steeg de zeespiegel. Het vlechtende rivierpatroon kreeg door veranderingen in het afvoerregime een meanderend karakter met enkele hoofdgeulen die zich in de oudere riviervlakte insneed. Alleen bij zeer hoge rivierstanden traden de rivieren buiten hun geulen en werd op de oudere grindige rivierafzettingen een kleilaag (Laag van Wijchen) afgezet. Als gevolg van de doorgaande zeespiegelstijging steeg de grondwaterstand en ontstond ter hoogte van het plangebied na verloop van tijd een groot drassig gebied waar veen werd gevormd (Formatie van Nieuwkoop; Basisveenlaag). Onder invloed van de stijgende zeespiegel veranderde de zich insnijdende meanderende rivieren tussen 7800 en 7400 BP (d.w.z. in het laat-mesolithicum) in aggraderende rivieren. In de bedding van de rivieren werd het grofste materiaal, voornamelijk zand en grind, afgezet.

Bij overstroming werden zand en klei uit de bedding gelicht en op de oevers afgezet, waardoor oeverwallen ontstonden (zeer fijnzandig en zavelig materiaal; Formatie van Echteld). Verder van de rivier af kwam het overstromingswater tot rust en werd klei (Formatie van Echteld) afgezet. In de kommen ontstond onder invloed van een hoge grondwaterspiegel veen (Formatie van Nieuwkoop; Hollandveen Laagpakket). Mede als gevolg van de invloed van de getijdewerking op de rivierstand vonden regelmatig doorbraken van de oeverwallen plaats, waardoor crevassegeulen ontstonden. In en langs de crevassegeulen vond sedimentatie plaats. De crevasseafzettingen zijn meestal minder dik dan stroomgordelafzettingen, waarbij bovendien de lithologische samenstelling over korte afstand zeer groot kan zijn. Na verloop van tijd verzandde de bedding en verlegde de rivier zijn loop. Het zandige geullichaam en de oeverwallen bleven hierbij achter (afb. 2.1). Door het zandige karakter van het geullichaam en de 5 6

E-mail verstuurd naar Historische Kring Bommelerwaard, 4 juli 2023. Berendsen et al. 2021.

13

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

oeverwallen kwamen deze delen door ontwatering en differentiële klink8 hoger te liggen en vormden ze door de eeuwen heen gunstige plaatsen voor bewoning.

Afb. 2.1 Doorsnede (a) en bovenaanzicht (b) van een meanderende rivier (Stouthamer, Cohen & Hoek 2023).

8

Klei en veen klinken sterker in dan zand, waardoor de oorspronkelijk laag gelegen stroomgordels na verloop van tijd hoog in het landschap kwamen te liggen.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

14

2.2.2 Gebiedsspecifiek Geologie en Dino-boringen Volgens de geologische overzichtskaart maakt het plangebied deel uit van een zone met komafzettingen en ingeschakeld veen op stroomgordelafzettingen van de Formatie van Echteld.9 Met behulp van de boringen uit het DINOloket kan de geologische opbouw van het plangebied nader worden gespecificeerd. Op circa 200 m ten noordwesten van het plangebied is een 7,9 m dik pakket afzettingen van de Formatie van Echteld (matig humeuze, sterk zandige leem) aangetroffen met daaronder vanaf 7,9 m -mv (5,2 m NAP) grofzandige en grindige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye.10 Op 250 m ten oosten van het plangebied is een 4 m dik pakket zwak siltige tot zwak zandige klei aanwezig dat vanaf 1,9 m -NAP overgaat in kleiig, zeer fijn zand.11 Deze laatste afzettingen zijn gekarteerd als Formatie van Kreftenheye maar gezien de ligging op een stroomgordel is dit niet zeker. Op 140 m ten zuiden van het plangebied is een 4,15 m dikke laag zwak siltige klei aanwezig met daaronder vanaf 2,15 m -NAP matig tot zeer grof, grindig zand.12 Vanaf circa 4400 tot 3600 voor Chr. stroomde door het plangebied de stroomgordel van Broek (afb. 2.2 nr. 30. Na deze periode werd de afwatering overgenomen door andere geulen en raakte de stroomgordel bedekt met kom- en/of oeverwalafzettingen. Vanaf circa 790 voor Chr.

heeft zich door het plangebied de stroomgordel van Bruchem ontwikkeld (afb 2.2, nr. 32). Alleen het uiterste noordelijke deel van het plangebied viel buiten de stroomrug van deze rivier. Vanaf circa 1350 voor Chr. ontstond op ruim twee kilometer ten zuiden van het plangebied de stroomgordel van Velddriel-Beemden-Achterdijk (afb. 2.2 nr. 169) .13 Deze stroomgordel heeft op een geven moment een nevengeul ontwikkeld die het plangebied vanaf het zuiden tot circa 150 m naderde. De rivierloop heeft crevasses ontwikkeld, die mogelijk tot in het plangebied actief zijn geweest. Zowel de stroomgordel van Bruchem als die van Velddriel-Beemden-Achterdijk zijn tegen het einde van de 3e eeuw na Chr. verlaten. Met het ontstaan van de Lek aan het begin van onze jaartelling nam de activiteit van de rivieren echter al sterk af.

9

Geologische kaart 2023. DINOloket 2023, boring B45A0079. 11 DINOloket 2023, boring B45A11979. 12 DINOloket 2023, boring B45A0042. 13 De stroomgordel van Velddriel-Beemden-Achterdijk wordt afgesneden door de stroomgordel van Broek volgens de stroomgordelkaart. Dit kan gezien de latere datering van de eerdere stroomgordel niet. Mogelijk is de rivierloop gereactiveerd door de stroomgordel van Bruchem. 10

15

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb. 2.2 Ligging van het plangebied op de stroomgordelkaart (Cohen et al. 2012).

Volgens de Zanddieptekaart komt de top van het zand (delta rivier) in het grootste deel van het plangebied (d.w.z. de meandergordel van Bruchem) binnen 1,0 m -m voor. Plaatselijk bevindt het zand zich dieper (2à 3 m -mv). Dit geldt ook voor de restgeul langs de zuidrand van het plangebied (top zand op 3 à 6 m -mv). In het noordelijke deel van het plangebied (meandergordel van Broek) bevindt het zand zich op 2 à 3 m -mv.14 Geomorfologie en bodemopbouw Volgens de geomorfologische kaart (afb. 2.3, links) maakt het plangebied deel uit van een stroomrug of stroomgordel (kaarteenheid 10B44) die langs de zuidzijde van het plangebied wordt doorsneden door een restgeul (kaarteenheid 22R43) van de stroomgordel van Bruchem.15 Volgens de bodemkaart (afb. 2.3, rechts) komen in het plangebied kalkhoudende poldervaaggronden (Rn95A) voor, die zijn ontstaan in zware zavel en lichte klei met profielverloop 516 en grondwatertrap IV17 of VI.18 Bijna direct ten noorden van het plangebied bevindt zich de terp van het dorp Kerkwijk.19 14

Cohen et al. 2009. Geomorfologische kaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. 16 Homogene, aflopende en oplopende profielen. 17 Gemiddeld hoogste grondwaterstand >40 cm -mv, gemiddeld laagste grondwaterstand 80-120 cm -mv. 18 Gemiddeld hoogste grondwaterstand 40-80 cm -mv, gemiddeld laagste grondwaterstand >120 cm -mv. 19 Bodemkaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. 15

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

16

Poldervaaggronden worden gekenmerkt door een vrij dunne, zwak ontwikkelde, humeuze bovengrond met daaronder de C-horizont, die meestal direct onder de A-horizont sterk roestig en grijs gekleurd is. Het type poldervaaggronden, dat in het plangebied voorkomt, komt meestal voor op de stroomruggen in de Bommelerwaard.20

Afb. 2.3 Ligging van het plangebied op uitsneden van de geomorfologische kaart en bodemkaart (Archis 3 2023).

AHN Het plangebied maakt op de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, afb. 2.4) deel uit van een hoge gelegen strook, de stroomgordel van Bruchem (2,25 à 2,75 m +NAP). Het zuidelijke deel van het plangebied wordt doorsneden door een lagergelegen zone (1,85 à 2,15 m +NAP), de restgeul van deze rivier, die ten westen van het plangebied 100 m breed is en ten zuiden van het plangebied 50 m. In het zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt ten noorden van de restgeul een tweede iets lager gelegen

20

De Bakker & Schelling 1989; Stiboka 1969.

17

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

zone aanwezig te zijn. Het is niet duidelijk of de restgeul deels is opgehoogd of dat er sprake is van een nevengeul. Vrijwel direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een hoger gelegen gebied (tot circa 3,2 m +NAP), de terp van Kerkwijk. Binnen deze hoger gelegen zone zijn individuele terpen herkenbaar (4,0 tot 5,25 m +NAP). Ook jongere erven buiten deze terp hebben een iets hogere ligging. De hoogte varieert binnen het plangebied zelf van 2,05 tot 2,6 m +NAP.21

Afb. 2.4 Ligging van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand (AHN4 2023) met een ingezoomde hoogtekaart als inzet. 21

AHN4 2023.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

18

Verstoringen Er hebben, voor zover bekend, geen saneringen22 of ontgrondingen23 plaatsgevonden in het plangebied. Als gevolg van het eeuwenlange gebruik van het plangebied als akker en boomgaard zal de bodem in het plangebied verploegd en mogelijk geëgaliseerd zijn. Dit zal alleen gevolgen hebben voor de ondiepe archeologische waarden.

2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding Het plangebied ligt op de stroomgordels van Broek en Bruchem (zie voorgaande paragrafen). In de periode vóór de bedijkingen werden alleen de hoger gelegen stroomruggen24 bewoond en gebruikt voor akkerbouw. De lagere delen van de stroomruggen waren daarvoor te nat en werden gebruikt als gemeenschappelijke hooi- en weilanden. De laaggelegen en dus natte komgebieden werden gebruikt voor beweiding in de zomer. Ondanks de bedijkingen, die in de Bommelerwaard vanaf de twaalfde eeuw plaatsvonden, en de aanleg van weteringen, zoals de Drielse wetering omstreeks 1320, die ontwatering van de komgebieden sterk verbeterde, bleven dit natte gebieden die door dijkdoorbraken vaak overstroomden. Boerderijen werden dan ook zelden in de kommen gebouwd en als dat wel gebeurde, was dit op een hoge terp. Ook op de stroomruggen werden vanwege het overstromingsgevaar vaak terpen gebouwd. Pas na de Tweede Wereldoorlog verschenen in de kommen op grote schaal boerderijen.25 2.3.2 Historie Het plangebied maakte in het begin van de 19e eeuw deel uit van een min of meer noordoost-zuidwest georiënteerde zone met bouwlanden (afb. 2.5 linksboven), gelegen op de stroomgordel van Bruchem. Op de noordelijke rand van de stroomgordel bevond zich, vrijwel direct ten noorden van het plangebied het dorp Kerkwijk.

De eerste vermelding van dit dorp dateert uit de 13e eeuw toen de heerlijkheid Kerkweijk werd verenigd met die van Bruchem.26 De erven van dit dorp lagen langs een voetpad op circa 20 m ten noorden van de Achtersteeg (de huidige Achterstraat) en lagen op individuele terpjes27. Langs de zuidzijde van de Achtersteeg bevonden zich, op circa 80 m ten noorden van het plangebied enkele woningen. Het plangebied was onbebouwd en grotendeels in gebruik als bouwland, dat bekend stond als het Paradijsveld. Het zuidoostelijke deel was in gebruik als weiland. Het gebied was overwegend in brede, korte en onregelmatige stroken verkaveld, evenwijdig aan de restgeul. Evenwijdig aan de perceelsrichting waren binnen de kavels ondiepe greppels gegraven, waardoor de percelen in smalle stroken waren opgedeeld. 28 Mogelijk weerspiegelt de verkaveling het reliëf van een kronkelwaard in de ondergrond. Langs de westgrens van het plangebied bevond zich de Walderweg. Ten westen van deze weg bevond zich, in de oude restgeul, De Boven Bandsloot. Op circa 40 m ten zuiden van het plangebied bevond zich De Drielsche Wetering, die aan weerszijden werd geflankeerd door een kade.29 In de loop van de 19e eeuw veranderde er weinig aan het plangebied en de directe omgeving. In 1861 is het gebied overstroomd (hoogste waterstand 2,45 m +NAP).

In reactie hierop is naast de kerk aan de oostzijde van het dorp een vluchtheuvel aangelegd.30 Pas aan het einde van de 19e eeuw is in de bouwlanden ten zuiden de Achtersteeg, op circa 50 m ten oosten van het plangebied, een pand gebouwd (afb. 2.5 rechtsboven).31

22

Bodeminformatieviewer Rivierenland 2023. Ontgrondingen 2023; AHN4 2023. 24 Twee oeverwallen met een bedding ertussen vormen een stroomrug. 25 Barends et al. 1997. 26 Bommelerwaardgids 2023. 27 Zie Topotijdreis 2023, kaart 1868. 28 RAF 1944-45. 29 Kadasterkaart (minuutplan en OAT) 1811-1832. 30 Bommelerwaardgids 2023. 31 Topotijdreis 2023, kaart 1868, 1874 en 1900. 23

19

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Na de Tweede Wereldoorlog is de wetering ten zuiden van het plangebied versmald of gedempt, waarna langs de weg die zo ontstond bebouwing is gerealiseerd (afb. 2.5 linksonder). Een deel van het plangebied is in gebruik genomen als boomgaard.32 In de jaren vijftig, zestig zijn vervolgens achter de bestaande bebouwingslinten kassen gebouwd. Ook in het noordelijke deel van het plangebied is een kas gebouwd (afb. 2.5 rechtsonder).33 De kas is in het begin van deze eeuw gesloopt. In de loop van de 20e eeuw is de verkaveling in het plangebied steeds vergroot door de demping van kavelsloten. Het plangebied maakt daardoor tegenwoordig deel uit van twee grote percelen, die in gebruik zijn als akker.34

32

Topotijdreis 2023, kaart 1909, 1928, 1937 en 1956. Topotijdreis 2023, kaart 1967. 34 Topotijdreis 2023, kaart 1978, 1988, 1992, 1998-2022. 33

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

20

Afb. 2.5 Ligging van het plangebied op topografische kaarten uit de 19e en 20e eeuw (Topotijdreis 2023).

21

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Tweede Wereldoorlog Het plangebied heeft voor zover bekend niet in frontlinie gelegen.35 Op luchtfoto’s is te zien dat een aantal boerderijen ten noorden van het plangebied als gevolg van een luchtaanval zijn verwoest. Ook in het oostelijke deel van het plangebied en er rond omheen zijn enkele inslagen herkenbaar.36 Volgens de explosievenkansenkaart Bommelerwaard uit 2016 maakt het plangebied deel uit van een gebied dat verdacht is op geschutmunitie (verschoten). Rondom het plangebied zijn ook puntlocaties aangewezen die verdacht zijn op afwerpmunitie, infanteriemunitie en mogelijke explosieve componenten afkomstig van V1.37

2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied valt volgens de gemeentelijke vindplaatsen- en verwachtingskaart grotendeels in de meandergordel van Bruchem (afb. 2.7 geel), waarvoor een zeer hoge verwachting geldt voor de ijzertijdnieuwe tijd. Langs de zuidgrens van het plangebied bevindt zich een restgeul (blauwe stippellijn). Het noordelijke grenst aan de oeverzone van de meandergordel van Bruchem (groene stippels), waarvoor een middelmatige archeologische verwachting voor de ijzertijd-nieuwe tijd geldt. Het noordelijke deel van binnen de meandergordel van Broek (lichtbruin) met een hoge verwachting voor het laat-neolithicumbronstijd. De vindplaatsen in de omgeving van het plangebied dateren uit de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen en in mindere mate de ijzertijd.38

35

IKME 2023; Militaire landschapskaart 2023; Project ’44. RAF 1944-1945 37 BODAC 2016. 38 Goossens et al. 2011. 36

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

22

Afb. 2.7 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de gemeentelijke verwachtingskaart (Goossens et al. 2011).

23

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek In het plangebied zijn geen archeologische vondsten gedaan en heeft niet eerder onderzoek plaatsgevonden (afb. 2.8). In een straal van 250 m rondom het plangebied zijn diverse archeologische resten aangetroffen en onderzoeken uitgevoerd. Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde aangewezen als archeologisch (rijks)monument. Binnen een straal van 250 m zijn wel archeologische (rijks)monumenten aangewezen.

Afb. 2.8 Het plangebied met de archeologische (rijks)monumenten, vondstmeldingen en onderzoeken (Archis 3 2023).

Op 120 m ten noorden van het plangebied bevindt is de oude kern van Kerkwijk aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nr. 3996). Bij de bodemkartering van 1945 is aangetoond dat het

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

24

een oude woongrond betreft, die in drie fasen is opgebracht en waarin scherven uit de 2 e helft van de 14e eeuw zijn aangetroffen. De terp is grotendeels afgegraven. Het oostelijke deel van de historische kern van Kerkwijk, op ruim 400 m ten noordoosten van het plangebied, is eveneens aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde, dit vanwege de aanwezigheid van een oude woongrond en een vluchtheuvel uit 1861. In en grenzend aan deze archeologische terrein zijn in het verleden diverse vondsten gedaan en zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het vondstmateriaal bestaat overwegend uit aardewerkscherven uit de Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen, alsmede baksteen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd (Archis-zaakidentificatienr. 2935095100, 2924298100, 2819087100, 2935087100, 3133690100, 5299356100, 2935079100, 2935062100, 2924151100). In het gebied bevindt zich tevens de kerk van Kerkwijk, die dateert uit de late middeleeuwen (Archis-zaakidentificatienr. 2935443100). In het AMK-terrein zijn, binnen een straal van 250 m, diverse onderzoeken uitgevoerd. Zo heeft Transect op 170 m ten noorden van het plangebied in 2020 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archiszaakidentificatienr. 4875750100).

Bij dit onderzoek zijn intacte oeverafzettingen van de Broek stroomrug waargenomen met daarop in het zuiden antropogene ophooglagen (woonterp) met indicatoren (aardewerk en bot). In het noorden ontbraken deze. Op basis hiervan is in het zuidelijke deel een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven met doorstart naar opgraving geadviseerd en in het noordelijke deel geel vervolgonderzoek.39 Dit onderzoek is vervolgens in hetzelfde jaar uitgevoerd (Archiszaakidentificatienr. 4909551100). Bij het onderzoek zijn paalkuilen en greppels aangetroffen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd. Er zijn geen gebouwstructuren herkend. Er zijn drie antropogene ophooglagen aanwezig met dierlijk bot, aardewerk en baksteen brokjes uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd. Er zijn geen resten van vóór de late middeleeuwen aangetroffen.40 Ten westen hiervan, op 200 m ten noorden van het plangebied, heeft Bureau voor Archeologie in 2018 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4591318100 en 4593862100).41 Bij dit onderzoek is een pakket zwak humeuze, matig siltige klei (komafzettingen, top op 170 à 210 cm -mv/0,53 à -0,01 m +NAP) aangetroffen afgedekt met sterk tot uiterst siltige of zandige kalkrijke klei met roets- en fosfaatvlekken (oeverafzettingen, top op 60 à 150 cm -mv/ 0,59 à 1,75 m +NAP).

Hierop bevindt zich een pakket kalkrijke, zandige en uiterst siltige, vaak humeuze klei met kleibrokjes, zwarte vlekjes en baksteenfragmenten (omgewerkt pakket in late middeleeuwen-nieuwe tijd) met daarop kalkrijke, zandige humeuze klei met baksteenfragmentjes (recent omgewerkt) afgedekt met zwak siltig grof zand en grind (opgebracht). Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek uit te voeren op voorwaarde dat de bodem niet dieper dan 40 cm -mv wordt verstoord. Op 150 m ten noorden van het plangebied heeft RAAP in 2006 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 2117383100). Bij dit onderzoek zijn onder de bouwvoor oeverafzettingen (sterk siltige klei) aangetroffen die in een deel van het plangebied overgaan in sterk tot uiterst siltige klei, afgewisseld met zandlaagjes, die plaatselijk humeus is en hout- of plantenresten bevatten.42 In de rest van het plangebied wordt de ondergrond siltiger (uiterst siltige klei). In twee boringen in het uiterste zuidelijke deel van het plangebied is onder de sterk tot uiterst siltige klei matig tot sterk siltig (bedding)zand aangetroffen. In twee boringen zijn archeologische indicatoren (fosfaat, houtskool en verbrande leem) aangetroffen.

Alleen in dit deel van het plangebied is vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van proefsleuven.43 Op 220 m ten noordoosten van het plangebied heeft RAAP in 2006 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 2118647100). Bij het onderzoek zijn oeverafzettingen (sterk tot uiterst siltige klei) met vanaf 1,8 à 2,0 m -mv komafzettingen (matig siltige, humeuze klei met plantenresten) aangetroffen. In alle boringen zijn in de top van de oeverafzettingen archeologische indicatoren (houtskool, verbrande leem, fosfaat, aardewerk en verbrand bot) uit de

39

Melman 2020. Magdelijns & Sonneveld 2020. 41 Hanemaaijer 2018. 42 De diepere resten zijn als oeverafzettingen geïnterpreteerd, maar het lijkt te gaan om restgeulafzettingen. 43 Van Oosterhout 2006a. 40

25

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

middeleeuwen aangetroffen. Slechts in één boring is een cultuurlaag herkend. Er is geadviseerd om alleen in dat deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. 44 In het uiterste noordelijke deel van het plangebied bevindt zich een onderzoeksmelding die betrekking heeft op een archeologisch bureau- en booronderzoek dat RAAP in 2006 heeft uitgevoerd (Archiszaakidentificatienr. 2104625100). De onderzoeksmelding is echter te ruim ingetekend: het daadwerkelijke onderzoek is direct ten noorden van het plangebied uitgevoerd. Bij het onderzoek is een 250 tot 275 cm dik pakket oeverafzettingen45 van de Bruchemse meandergordel (siltige tot sterk siltige klei) aangetroffen, waarin op circa 125 cm -mv zandlagen aanwezig zijn. Vanaf 190 cm -mv is de klei gereduceerd en humeus. Op 260 cm -mv bevindt zich zwak siltig, matig fijn zand met enkele kleilagen dat is geïnterpreteerd als beddingafzettingen van de Broekse meandergordel. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis hiervan is geen vervolgonderzoek aanbevolen.46 Op 50 m ten noordwesten van het plangebied heeft Transect in 2016 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4012564100). Op basis van de ligging op de stroomgordel van Broek was aan dit gebied een hoge verwachting voor resten uit het neolithicumbronstijd toegekend.

Uit het veldonderzoek blijkt dat in het plangebied matig grof, slecht gesorteerd (bedding)zand aanwezig is, dat is afgedekt met een pakket matig zandige klei met zandlaagjes, verslagen stukken plantmateriaal en schepresten. Hierop bevindt zich een pakket stugge, sterk siltige klei met in de top een 70 cm dikke matig humeuze omgewerkte laag met bijmenging van baksteen. Gezien het ontbreken van archeologische indicatoren is geen vervolgonderzoek aanbevolen. In het gebied ten westen van het plangebied, in vergelijkbare landschappelijke ligging, zijn in het verleden twee vondsten gedaan. Met een metaaldetector zijn diverse metalen objecten, zoals fibulae en munten, uit de midden Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen C gevonden (Archis-zaakidentificatienr. 2824424100). In het gebied is tevens een munt uit de vroege Romeinse tijd B gevonden (Archiszaakidentificatienr. 2945455100). Direct ten westen van het plangebied heeft BAAC in 2018 een bureauonderzoek (Archiszaakidentificatienr. 4584911100) gevolgd door een booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4670463100). Ter hoogte van het plangebied was op basis van het bureauonderzoek een zeer hoge verwachting voor resten vanaf de ijzertijd van toepassing.47 In het zuidelijke deel is een 40 cm geroerde laag met daaronder tot minstens 1,5 m -mv (-0,33 à 0,81 m +NAP) zwak siltige, kalkloze (kom)klei aangetroffen.

Ten noorden hiervan is onder de bouwvoor een 35 tot 40 cm dikke laag sterk siltige klei zand aangetroffen, die is geïnterpreteerd als oeverafzettingen, met daaronder vanaf 65 à 70 cm -mv (1,36 à 1,41 m +NAP) matig siltige, matig fijne klei (beddingafzettingen). Ten noorden daarvan ontbreken de oeverafzettingen en bevindt zich direct onder de bouwvoor sterk siltig, matig fijn tot uiterst grof zand. In de uiterste noordelijke boring is onder de bouwvoor een 70 cm dikke laag sterk siltige klei aanwezig met daaronder vanaf 100 cm -mv oftewel 1,36 m +NAP zwak zandige klei. Deze afzettingen kunnen geïnterpreteerd worden als oeverafzettingen. In een boring is direct onder de bouwvoor een laag met grind en een fragmentje mogelijk neolithisch aardewerk aangetroffen. Op basis van deze resultaten blijft de zeer hoge verwachting van toepassing en is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd. Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid.48 Op 50 m ten zuidwesten van het plangebied heeft BAAC in 2017 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4564701100). Op basis van het bureauonderzoek was aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor resten vanaf de ijzertijd.

Bij het veldonderzoek is direct onder de bouwvoor een pakket matig siltige klei met plantenresten baksteenresten en houtskool aangetroffen, dat is geïnterpreteerd als komafzettingen. Vanaf 1,2 m -mv gaat de klei geleidelijk over in 44

Van Oosterhout 2006b. Gezien het voorkomen van zandlaagjes en humeuze klei lijken een deel van deze afzettingen te bestaan uit restgeulafzettingen. 46 Schuurman 2006. 47 Bergman & Tump 2018. 48 Bergman 2019. 45

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

26

siltiger klei (oeverafzettingen). In de meest noordelijke boring is onder een 20 cm dikke laag oeverafzettingen een 10 cm dikke laag sterk siltige klei met fosfaatvlekken aangetroffen. Deze laag is geïnterpreteerd als een afgetopt maaiveld uit de vroege middeleeuwen of eerder. Vanaf 1,5 m -mv bevindt zich in de meest noordelijke boring humeuze, sterk siltige kalkloze klei (restgeulafzettingen) met vanaf 2,2 m -mv sterk siltige klei met dunne zandlagen en schelpengruis. In het zuidelijke deel is onder de komklei vanaf 0,7 m -mv kalkloos, sterk siltig zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als crevasse-afzettingen. Op basis hiervan is geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uit te voeren. Het bevoegd gezag heeft het advies niet overgenomen en heeft geen vervolgonderzoek geadviseerd.49 Op 100 m ten zuiden van het plangebied heeft BAAC in 2016 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 4011316100). Op basis van het bureauonderzoek was aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor resten vanaf de ijzertijd. In het plangebied is een 30 cm dikke bouwvoor aangetroffen met daaronder 85 cm dikke laag oeverafzettingen (sterk siltige klei). Hieronder bevindt zich tot minstens 3 m -mv dik pakket matig siltige (kom)klei, waarin op 205 en 220 cm mv een zwak ontwikkelde laklaag is aangetroffen.

In het noordelijke deel van het plangebied is onder de oever- en komafzettingen een pakket matig siltige klei met dunne zandlaagjes en verslagen plantenresten aangetroffen, dat is geïnterpreteerd als crevasse-afzettingen. In een verstoorde context is een fragment mogelijk prehistorisch aardewerk aangetroffen. Op basis van het onderzoek is de verwachting bijgesteld naar laag (met uitzondering van de Middeleeuwse Drielse wetering langs de noordgrens) en is geen vervolgonderzoek aanbevolen. Dit advies is overgenomen door het bevoegd gezag.50 Op 270 m ten zuidoosten van het plangebied heeft ArcheoPro in 2012 voor een terrein langs een wetering een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Archis-zaakidentificatienr. 2391666100). In het gebied is onder de 20 cm dikke bouwvoor een pakket zwak zandige klei aangetroffen, die als komklei is geïnterpreteerd. Hieronder is zwak venige klei aangetroffen met daaronder sterk zandige klei met dunne zandlaagjes. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er is derhalve geen vervolgonderzoek geadviseerd.51 De Historische Kring Bommelerwaard heeft niet gereageerd op een informatieverzoek.

2.5 Archeologische verwachting Het plangebied maakt deel uit van het rivierengebied, waar tussen circa 4400 tot 3600 voor Chr. (vroeg- tot midden-neolithicum) de stroomgordel van Broek actief was en vanaf circa 790 voor Chr. tot het einde van de 3e eeuw na Chr. (ijzertijd-late Romeinse tijd A) de stroomgordel van Bruchem. Deze rivieren zullen oudere afzettingen, en eventueel daarin gelegen archeologische waarden, hebben geërodeerd. Het grootste deel van het plangebied ligt op de meandergordel van Bruchem, waarbij in het zuidelijke deel een restgeul aanwezig is. Ten noorden hiervan bevinden zich oever- of mogelijke kronkelwaardafzettingen. De kronkelwaardafzettingen worden verwacht op basis van het AHN en de historische topografie en zullen naar verwachting vanaf 1,35 à 2,0 m +NAP voorkomen (d.w.z. direct onder de bouwvoor of dieper). In het uiterste noorden van het plangebied is naar verwachting een 80 tot 190 cm dik pakket oeverafzettingen aanwezig van de stroomgordel van Bruchem met daaronder oever- of geulafzettingen op beddingafzettingen van de stroomgordel van Broek. Van de stroomgordel van Bruchem zijn archeologische resten bekend uit de vroege ijzertijd – Romeinse tijd.52 De stroomgordel van Broek zal bewoonbaar geweest in het neolithicum en mogelijk de bronstijd. Tot op heden zijn van deze stroomgordel nog geen archeologische resten bekend.

In de omgeving van het plangebied zijn archeologische waarden bekend uit de Romeinse tijd-nieuwe tijd. Het plangebied was in ieder geval in de nieuwe tijd B/C niet bebouwd.

49

Bergman 2017. Van Putten 2018. 51 Exaltus & Orbons 2012. 52 Cohen et al. 2012. 50

27

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Archeologische verwachting (incl. datering, complextype en omvang) Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jager-verzamelaars, die gebruikmaakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Vindplaatsen van jager-verzamelaars worden overwegend gekenmerkt door een spreiding van vuurstenen werktuigen en afval en zijn meestal (zeer) klein (<200 m2). Vanaf 4900 voor Chr. (neolithicum) verruilde men geleidelijk het jagen en verzamelen voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. In het rivierengebied waren de oevers van de actieve rivieren en de fossiele stroomruggen de geschikte bewoningslocaties. Doordat de rivieren de oudere resten (pleistocene ondergrond) hebben geërodeerd geldt voor het paleolithicum-mesolithicum geen archeologische verwachting. Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt vanwege de ligging op de stroomgordel van Broek een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum-bronstijd (nederzettingsresten, graven e.d.). In het zuidelijke deel zijn deze afzettingen geërodeerd door de stroomgordel van Bruchem, waarvoor voor deze zone geen verwachting geldt voor deze periode.

Voor het hele plangebied geldt vanwege de ligging op de stroomgordel van Bruchem een hoge verwachting voor de ijzertijd tot en met de volle middeleeuwen. Archeologische waarden kunnen bestaan uit nederzettingsresten, graven, ontginningsporen e.d., maar in het zuidelijke deel van het plangebied (restgeul) uit aan natte context gerelateerde archeologische waarden (beschoeiing, steigers, resten visserij e.d.). De bewoning uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd bevindt zich ten noorden van het plangebied in de kern van Kerkwijk. Het plangebied was voor zover bekend in gebruik als akker en was onbebouwd. Hoewel uit deze periode wel sporen van ontginning aanwezig kunnen zijn, geldt voor nederzettingsresten e.d. een lage verwachting. Diepteligging en stratigrafische ligging Archeologische vindplaatsen kunnen al direct onder de bouwvoor aanwezig zijn in de top van de afzettingen van de stroomgordel van Bruchem. De resten van de stroomgordel van Broek bevinden zich in het noordelijke deel onder de oeverafzettingen van Bruchem op een diepte van naar verwachting maximaal 2 m -mv. In onderstaande tabel 2.1 en in afb.2.9 is een beknopt overzicht van de archeologische verwachting weergeven. Tabel 2.1 Overzicht van de specifieke archeologische verwachting van het plangebied.

periode verwachting complex omvang kenmerken paleolithicumgeen jachtkamp <200 - >1000 spreiding mesolithicum m2 vuursteen neolithicumbronstijd

ijzertijd-volle middeleeuwen

late middeleeuwennieuwe tijd

geen (zuidelijke deel) middelhoog (noordelijke deel) hoog

laag

diepte

2,25 à 2,75 m NAP/ 4,3 à 5,35 m –mv

gaafheid slecht (erosie)

nederzetting, 500 - 2000 akker/tuin, m2 begraving e.d.

spreiding aardewerk, sporen e.d.

binnen ca. 200 cm -mv (top Broek)

slecht (erosie) tot goed (afdekking)

nederzetting, akker/tuin, begraving, natte context e.d. Nederzetting, akker/tuin

500 - 2000 m2

spreiding aardewerk, sporen e.d.

circa 30 cm -mv (top Bruchem, onder bouwvoor)

matig (verploeging, egalisatie) tot goed

500 - 2000 m2

spreiding aardewerk, sporen e.d.

circa 30 cm -mv (top Bruchem, onder bouwvoor)

matig (verploeging, egalisatie) tot goed

Gaafheid, conservering en mogelijke verstoringen Als gevolg van het agrarisch gebruik, egalisatie e.d. zal de natuurlijke bodem naar verwachting deels zijn verstoord en/of opgenomen in de bouwvoor. Ook de bouw en sloop van de kas in het noordelijke deel van het plangebied zal tot ondiepe verstoringen hebben geleid. Aangezien de verwachte vindplaatsen

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

28

voornamelijk worden gekenmerkt door sporen, die tot in de C-horizont van de natuurlijke bodem zijn ingegraven, hoeft dit niet tot significante verstoring van eventuele archeologische vindplaatsen hebben geleid. De stroomgordel van Broek is deels geërodeerd door de latere rivieractiviteit, maar ook deels beschermd (afdekking). Hoewel het rivierengebied meestal relatief nat is, worden vanwege de huidige relatief diepe grondwaterstanden, met uitzondering van in water- en beerputten, geen (onverkoolde) organische resten verwacht in resten in de stroomgordel van Bruchem. Gezien de afdekking en de diepere ligging kunnen deze nog wel aanwezig zijn in de stroomgordel van Broek.

29

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb. 2.9 Archeologische verwachting op basis van de resultaten van het bureauonderzoek.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

30

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1 Werkwijze Tijdens het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over het intact zijn van de bodem en daarmee informatie over de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In het plangebied zijn in totaal 45 boringen gezet, wat bij een oppervlakte van 7,8 ha neerkomt op een boordichtheid van 5 à 6 boringen/ha. De boringen zijn tot maximaal 3 m -mv gezet met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Onder de grondwaterspiegel is geboord met een steekguts van 3 cm. De bodemlagen zijn lithologisch53 en bodemkundig54 beschreven. Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren, is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals bijvoorbeeld aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool of al dan niet verbrand bot. Deze kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. Het veldonderzoek is uitgevoerd op 5 t/m 7 september 2023. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven.

De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (afbeelding 3.1). De boorstaten met maaiveldhoogte (in meters t.o.v. NAP) zijn weergegeven in bijlage 3.

53 54

naar Bosch 2008. naar De Bakker & Schelling 1989.

31

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb. 3.1 Boorpuntenkaart op recente luchtfoto (PDOK 2023).

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

32

3.2 Veldwaarnemingen Het plangebied is geheel in gebruik als akker waar bieten op geteeld worden. Door de aanwezige begroeiing waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (afb. 3.2).

Afb. 3.2 Zicht op het plangebied gezien vanaf het zuidoosten in noordelijke richting.

3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is redelijk uniform, waarbij met uitzondering van het uiterst noordelijke en het uiterst zuidelijke deel beddingafzettingen conform de verwachting uit het bureauonderzoek van de Bruchem stroomgordel voorkomen (afb. 3.4). De beddingafzettingen zijn in het westelijke deel van het plangebied direct of vrijwel direct onder de bouwvoor aangetroffen en verder steeds binnen 1 m-mv. De beddingafzettingen bestaan uit, licht bruingrijs tot grijs, zwak tot sterk siltig, matig fijn tot uiterst grof, matig tot slecht gesorteerd, weinig afgerond tot hoekig, kalkrijk zand, waarin verspreid lemige laagjes zijn gezien. Deze gelaagdheid duidt het voorkomen van een holocene kronkelwaard. Indien afdekkende lagen voorkomen betreffen dit oeverafzettingen. Vanaf de lijn met de boringen 8-39 (behalve 17) en ten noord(west)en hiervan bestaan de oeverafzettingen uit uiterst silige klei tot zwak siltig zand. Dit zand onderscheidt zich van de beddingafzettingen door het ontbreken lemige laagjes en vaak fijnere textuur van het zand. De oeverafzettingen zijn hier kalkrijk en gaan vaak abrupt over in de beddingafzettingen. Ook de bouwvoor is kalkrijk en bestaat uit zwak humeuze, bruingrijze, sterk zandige klei.

33

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Afb 3.3 Interpretatiekaart hoogte top beddingzand en geulafzettingen t.o.v. NAP. In het zuidwestelijke, zuidoostelijke en het noordoostelijke deel komt een dikker pakker oeverafzettingen op het beddingzand voor. Deze afzettingen (zwarte bolletjes) kunnen worden gerekend door de Bruchem stroomgordel. Ter plaatse van de witte bolletjes zijn vermoedelijk restgeulen aangeboord.

In het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied (boringen 21 en 22) komt tot respectievelijk 1 en 1,4 m -mv (0,8 en 1,3 m +NAP) sterk siltige klei voor dat geleidelijk overgaat in uiterst siltig, matig fijn zand tot zwak zandige klei. Dit hele kalkrijke pakket is geïnterpreteerd als oeverafzetting, vermoedelijk van de van de Broek stroomgordel. Vanaf 2,2 à 1,9 m -mv (0,1 à 0,4 m -mv) gaan de oeverafzettingen over in zwak siltig, matig tot zeer grof beddingzand.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

34

Ook in boring 13 is tot 2,5 m -mv (0 NAP) sterk siltige klei en zwak zandige klei (vermoedelijk oeverafzettingen van Broek) aangetroffen. Deze worden tot 0,75 m diepte (1,6 m +NAP) afgedekt door sterk siltig zand (vermoedelijk oeverafzettingen van Bruchem). Van 2,5 m -mv komt sterk siltige klei met dikke zandlagen voor. Dit betreft een geul. Ook in de boringen 1 en 12 zijn geulafzettingen onder oeverafzettingen aangetroffen. De top van de geulafzettingen ligt op 2 en 1,5 m -mv (0,3 en 0,9 m +NAP). Beddingzand is ter plaatse van de boringen 1 en 13 niet binnen 3 m -mv bereikt. In boring 12 is beddingzand vanaf 2,8 m -mv (0,4 m -NAP) waargenomen. Vanaf de lijn met de boringen 27-40 en ten zuiden hiervan en ter plaatse van boring 7 bestaan de oeverafzettingen uit licht bruingrijze, sterk siltige klei met roestvlekken. Dit kleipakket loopt door tot 0,65 à 1 m -mv (1,6 à 1,2 m +NAP). De top van de kleiige oeverafzettingen in voor minstens 10 tot maximaal 60 cm ontkalkt. Ook de circa 25 cm dikke bouwvoor (zwak humeuze, sterk siltige klei) is kalkloos. De oeverafzettingen gaan doorgaans zeer geleidelijk of via een circa 10 cm dikke laag sterk zandige klei over in beddingafzettingen (Bruchem stroomgordel). Ook in het uiterste zuidoostelijke deel van het plangebied komen tot circa 1,3 m -mv (0,7 m +NAP) oeverafzettingen voor, waarvan de basis is gereduceerd.

Onder de oeverafzettingen komt tot aan de einddiepte van de boring op 3 m -mv kalkrijke, sterk siltige met zandlagen voor. Dit betreft een (rest)geul. In de boringen 27, 35 en 36 is ‘zware’ klei aangetroffen. Deze laag zwak siltige, kalkloze komklei komt ter plaatse van boring 27 vanaf de bouwvoor voor en loopt door tot circa 1,05 m -mv (1,06 +NAP) en gaat geleidelijk over in een circa 35 cm dikke laag zwak zandige klei (oeverafzetting) en vervolgens abrupt in sterk siltig, zeer grof zand (bedding). Ter plaatse van boring 36 komt tot 1,2 m -mv (0,8 m +NAP) komklei voor. Waarschijnlijk betreft dit een restgeul die is opgevuld met zware klei tijdens perioden met hoogwater. Aan de basis van de komklei komt een goed ontwikkelde laklaag voor. Een vergelijkbare laag is ook in boring 36 tussen 1,2 en 1,3 m -mv (1 - 0,9 m +NAP) direct op een beddingafzetting aangetroffen. Dit betreft mogelijk de vulling van een restgeul. Qua textuur is de klei minder zwaar. 3.3.2 Archeologische indicatoren Bij controle van het opgeboorde materiaal en aan het maaiveld bij een aantal boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 31 zijn in de bouwvoor een fragment natuursteen en een ondetermineerbaar brokje aangetroffen.

Aan het maaiveld ter hoogte van de boringen 1, 12 en 28 zijn wat fragmenten aardewerk (Maaslands, Pingsdorf en Paffrath) uit de volle middeleeuwen gevonden (circa 9001300 n. Chr.). In bijlage 4 is een vondstenlijst opgenomen. Bovendien zijn een aantal ‘zachte indicatoren’ aangetroffen. Dit betreffen mogelijk een cultuurlaag (late-middeleeuwen - nieuwe tijd) die is opgenomen in de bouwvoor ter plaatse van boring 22. Juist onder de bouwvoor is ter plaatse van boring 9 tussen 0,3 en 0,6 m -mv) een grondlaag met afwijkende kleur aangetroffen. Dit betreft mogelijk een grondspoor. En in boring 40 is in de bouwvoor wat houtskool gevonden.

3.4 Archeologische interpretatie In het hele plangebied komen oever- op beddingafzettingen voor die in het noorden en zuiden worden geflankeerd door geulen. De oever- op beddingafzettingen kunnen vermoedelijk tot de Bruchem stroomgordel worden gerekend. De Bruchem stroomgordel was actief vanaf circa 790 v.Chr. zodat in de top van de oeverafzettingen archeologische resten uit de ijzertijd en jonger kunnen worden verwacht. In het noordelijke deel van het plangebied zijn zandig-kleiige afzettingen aangeboord die gezien de resultaten van het bureauonderzoek behoren tot de Broek stroomgordel. De restgeul in het zuiden zou dan een relict zijn van de Velddriel-Beemden-Achterdijk stroomgordel. De stroomgordels van Broek en VelddrielBeemden-Achterdijk waren eerder actief dan de Bruchem stroomgordel. De top van de oeverafzettingen is vrijwel overal intact. De oorspronkelijke top van de C-horizont, direct onder de bouwvoor kan lokaal wel zijn vernietigd door egalisatiewerkzaamheden (vaak scherpe overgang). Gezien de vondst van onder meer aardewerk en ook het aantreffen van een mogelijk grondspoor is de kans zeer groot dat archeologisch waarden uit met name de volle middeleeuwen bewaard zijn gebleven.

35

V-23.0353 - Walderweg te Kerkwijk

Gezien de ouderdom van de afzettingen kunnen ook oudere en jongere archeologische waarden aanwezig zijn. In de diepere oeverafzettingen en ook in de geulafzettingen zijn geen laklagen of andere indicaties aangetroffen dat archeologische waarden aanwezig zijn. In het zuidelijke deel van het planbied zijn in de top van de bedding en in de kom wel laklagen aangetroffen wat er op duidt dat periodieke lange periodes zijn geweest van sterk verminderde of afwezige sedimentatie.

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

36

4

Conclusie en aanbevelingen

Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in hoofdstuk 1: Bureauonderzoek:

Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? Het plangebied maakt deel uit van het rivierengebied, waar tussen circa 4400 tot 3600 voor Chr. (vroeg- tot midden-neolithicum) de stroomgordel van Broek actief was en vanaf circa 790 voor Chr. tot het einde van de 3e eeuw na Chr. (ijzertijd-late Romeinse tijd A) de stroomgordel van Bruchem. Deze rivieren zullen oudere afzettingen, en eventueel daarin gelegen archeologische waarden, hebben geërodeerd. Het grootste deel van het plangebied ligt op de meandergordel van Bruchem, waarbij in het zuidelijke deel een restgeul aanwezig is. Ten noorden hiervan bevinden zich oever- of mogelijke kronkelwaardafzettingen. De kronkelwaardafzettingen worden verwacht op basis van het AHN en de historische topografie en zullen naar verwachting vanaf 1,35 à 2,0 m +NAP voorkomen (d.w.z. direct onder de bouwvoor of dieper). In het uiterste noorden van het plangebied is naar verwachting een 80 tot 190 cm dik pakket oeverafzettingen aanwezig van de Bruchem stroomgordel met daaronder oever- of geulafzettingen op beddingafzettingen van de Broek stroomgordel.

Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? Als gevolg van het agrarisch gebruik, egalisatie e.d. zal de natuurlijke bodem naar verwachting deels zijn verstoord en/of opgenomen in de bouwvoor. Aangezien de verwachte vindplaatsen voornamelijk worden gekenmerkt door sporen, die tot in de C-horizont van de natuurlijke bodem zijn ingegraven, hoeft dit niet tot significante verstoring van eventuele archeologische vindplaatsen hebben geleid. De stroomgordel van Broek is deels geërodeerd door de latere rivieractiviteit, maar ook deels beschermd (afdekking).

Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor- en vondstniveaus, ophogings- of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? Van de stroomgordel van Bruchem zijn archeologische resten bekend uit de vroege ijzertijd – Romeinse tijd. De stroomgordel van Broek zal bewoonbaar geweest in het neolithicum en mogelijk de bronstijd. Tot op heden zijn van deze stroomgordel nog geen archeologische resten bekend. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische waarden bekend uit de Romeinse tijd-nieuwe tijd. Het plangebied was in ieder geval in de nieuwe tijd B/C niet bebouwd.

Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Niet van toepassing

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14677366/1