Bijlage 4h Wijzigingsvoorstel GR VRGZ
Tekst van het document
Alleen bij besluiten betreffende de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening en besluiten tot het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd is goedgekeurd, alsmede besluiten betreffende het regionaal beleidsplan is voorzien in de mogelijkheid om op basis van stemgewicht te stemmen, waarbij elke gemeente voor iedere 20.000 inwoners één stem heeft. Een en ander is nader bepaald in artikel 11 lid 11. Op grond van artikel 12 van de Wet veiligheidsregio's dienen de hoofdofficier van justitie en de voorzitter van het waterschap een uitnodiging te ontvangen voor alle vergaderingen. In de regio Gelderland-Zuid is het daarnaast gewoonte dat ook de districtschef Gelderland-Zuid en regionaal militair commandant West worden uitgenodigd voor vergaderingen. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 11 lid 6. Deze functionarissen kunnen actief deelnemen aan de vergaderingen, maar hebben geen stemrecht. Pagina 22/34
Artikel 13 van de Wet veiligheidsregio's maakt duidelijk dat ook de Commissaris van de Koning dient te worden uitgenodigd om bij vergaderingen aanwezig te zijn. De commissaris kan zich laten vertegenwoordigen. Een en ander is opgenomen in artikel 11 lid 8. Formeel gezien heeft deze functionaris geen recht om deel te nemen aan de vergadering. Indien de leden van het algemeen bestuur daartegen geen bezwaren uiten, is actieve deelname aan de vergadering uiteraard wel mogelijk. Ook deze functionaris heeft overigens geen stemrecht. Artikel 22 lid 4 en lid 5 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt de procedure die moet worden gevolgd om een vergadering in beslotenheid te laten plaatsvinden. Artikel 11 lid 9 bevat een lijst van onderwerpen waarover in ieder geval niet in beslotenheid vergaderd of besloten mag worden. Deze lijst is gebaseerd op artikel 24 van de Gemeentewet. Artikel 11a Zienswijze raden In artikel 11a zijn de besluiten opgenomen die in navolging van de wijziging van (artikel 10 lid 5 en lid 6 van) de Wet gemeenschappelijke regelingen aan de raden worden voorgelegd voor het geven van een zienswijze.
De consultatie van de raden in het kader van besluiten inzake de kadernota, zijnde de algemene financiële en beleidsmatige kaders (onder a), de resultaatbestemming als onderdeel van de jaarrekening (onder b) en het liquidatieplan (onder e) is in dit artikel geformaliseerd. Het besluit inzake vaststelling van de jaarrekening is beperkt tot de resultaatbestemming. De jaarrekening is immers bedoeld als verantwoordingsdocument met daarin een overzicht van de financiële gang van zaken (achteraf). Enkel voor wat betreft de resultaatrekening is het vragen naar een zienswijze zinvol. Het liquidatieplan komt nader aan de orde in artikel 38 lid 3 van deze regeling. De consultatie van de raden als het gaat om het regionaal beleidsplan (onder c) resp. het risicoprofiel (onder d) is bovendien een uitbreiding op artikel 14 van de Wet veiligheidsregio’s (naast het overleg dat de burgemeester heeft met de raad) resp. een uitbreiding op artikel 15 van de Wet veiligheidsregio’s (waar voorheen enkel werd gevraagd naar de wensen van de raad). Voorheen stond in artikel 30 (oud) van de gemeenschappelijke regeling o.a. vermeld dat de totstandkoming van het beleidsplan op overeenkomstige wijze als de begroting (dus middels ontwerpdocument en zienswijzemogelijkheid e.d.) geschiedde.
De formalisering in artikel 11a is voor wat betreft dit onderwerp derhalve aan te merken als bestendiging (en aanscherping) van een bestaande praktijk die al was doorgevoerd in de gemeenschappelijke regeling. De zienswijzen dienen schriftelijk aan het dagelijks bestuur van de VRZG te worden toegezonden. De verplichte schriftelijke en gemotiveerde reactie van het dagelijks bestuur op de ingebrachte zienswijzen door de raden is voor de volledigheid verwerkt in het derde lid maar deze verplichting voor het dagelijks bestuur is reeds opgenomen in artikel 10 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze verplichting van het dagelijks bestuur is in die zin een aanscherping van de reeds bestaande praktijk van het vragen om een zienswijze (overeenkomstig de begrotingsprocedure). Een verplichting om daarop te reageren was er voorheen niet maar in de praktijk gebeurde dit vaak wel. Om te voorkomen dat de procedure vertraging oploopt door niet-tijdig ingediende zienswijzen (om wat voor reden dan ook) hoeft het dagelijks bestuur deze niet-tijdig ingediende zienswijzen niet te betrekken in het schriftelijke en gemotiveerde oordeel met betrekking tot ingediende zienswijzen. Dat mag uiteraard wel maar dit artikel geeft nadrukkelijk aan dat het dagelijks bestuur daartoe niet is verplicht.
Naar aanleiding van de regionale raadsbijeenkomst van 27 maart 2023 in het Rijk van Nijmegen en de Raadsavond van 25 september 2023 in Rivierenland is het vijfde lid opgenomen om zodoende tegemoet te komen aan de voorkeursvariant van de raden.
Pagina 23/34
Artikel 11b Participatie Artikel 11b is opgenomen in navolging van de wijziging van (artikel 10 lid 7 van) de Wet gemeenschappelijke regelingen en betreft de participatie van ingezetenen en andere belanghebbenden (opgenomen naar aanleiding van het amendement van het lid Bromet van 25 mei 2021, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 513, nr. 10). Aangezien de meeste zaken met betrekking tot de GR veelal een college-aangelegenheid betreffen loopt participatie via de colleges van de deelnemende gemeenten. Gelet op de uitbreiding van de besluiten waarop de raden worden geconsulteerd om hun zienswijze kenbaar te maken (nader uitgewerkt in artikel 11a hiervoor) is in deze gevallen gekozen voor inbreng die via de gemeenteraden verloopt. Ingezetenen en andere belanghebbenden kunnen hun raad benaderen met het verzoek om hun inbreng mee te geven aan de vertegenwoordiger van de deelnemende gemeente (lees: de burgemeester of indien aan de orde diens formele plaatsvervanger) in het algemeen bestuur van de VRGZ. Naar aanleiding van de regionale raadsbijeenkomst van 27 maart 2023 in het Rijk van Nijmegen en de Raadsavond van 25 september 2023 in Rivierenland is het tweede lid opgenomen om daarmee tegemoet te komen aan de voorkeursvariant van de raden.
Wanneer besluitvorming zoals genoemd in het tweede lid aan de orde is, kan het algemeen bestuur ook bekijken welk participatie-instrument (bijvoorbeeld een bijeenkomst) in dat kader het meest geschikt is. HOOFDSTUK 4
HET DAGELIJKS BESTUUR
Artikel 12 Taken en bevoegdheden De redactie en de volgorde van de taken en bevoegdheden is aangepast conform de volgorde uit de Wet gemeenschappelijke regelingen: - Het eerste lid van artikel 12 betreft de taken en bevoegdheden zoals deze staan vermeld in artikel 33b lid 1 en lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen; - Het tweede lid van artikel 12 betreft de additionele taken en bevoegdheden die niet direct voortvloeien uit de Wet gemeenschappelijke regelingen; - Het derde lid van artikel 12 is als vangnetartikel bedoeld om aan te geven dat het dagelijks bestuur nog meer bevoegdheden kan uitoefenen dan de reeds genoemde bevoegdheden mocht het algemeen bestuur daartoe op enig moment besluiten. Artikel 13 Samenstelling en zittingsduur In dit artikel is geregeld hoe het dagelijks bestuur wordt samengesteld. Vastgesteld is dat de zittingsduur van de leden - met uitzondering van de voorzitter - maximaal vier jaar is. Daarbij is het aan te raden om een aftreedschema te hanteren, zodat vooraf inzichtelijk is wanneer een vacature ontstaat. Overigens is in de regeling voorzien in de mogelijkheid dat een lid van het dagelijks bestuur zich na het verstrijken van die periode opnieuw verkiesbaar stelt. Een zittingsperiode van langer dan 8 jaar zal in het algemeen echter niet wenselijk worden geacht, omdat dit de doorstroming kan blokkeren.
Artikel 14 Werkwijze en vergaderorde In dit artikel wordt de werkwijze van het dagelijks bestuur globaal beschreven. De bepalingen spreken voor zich.
Pagina 24/34
HOOFDSTUK 5
DE VOORZITTER
Artikel 15 Taken voorzitter De redactie is afgestemd op het bepaalde in artikel 11 van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 33d van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Als plaatsvervangend voorzitter is thans (peildatum 1 september 2023) de burgemeester van Tiel aangewezen door het algemeen bestuur. Aan de voorzitter komen de gebruikelijke bevoegdheden toe, zoals het leiden van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, het ondertekenen van stukken en het in rechte vertegenwoordigen van de veiligheidsregio, met de mogelijkheid de vertegenwoordiging op te dragen aan een nader aan te wijzen persoon. Daarnaast is in artikel 15 lid 8 opgenomen dat de voorzitter ook taken en bevoegdheden kunnen worden geattribueerd in specifieke wet- en regelgeving. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de volgende bevoegdheden: Art. 24 Wvr
Het geven van informatie aan de minister over de wijze waarop de veiligheidsregio haar taken uitvoert
Art. 34 Wvr
Het geven van een schriftelijke aanwijzing aan instellingen en zorgaanbieders, indien de GHOR tekortschiet en het - zo nodig indienen van een verzoek om maatregelen bij de Minister van VWS.
Art. 39 Wvr
In geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis bij uitsluiting toepassing geven aan bevoegdheden op grond van de Wet veiligheidsregio's, de Politiewet 2012 en de Gemeentewet.
Art. 40 Wvr
Het na een ramp van of crisis van meer dan plaatselijke betekenis uitbrengen van een verslag aan de raden van de getroffen gemeenten.
Art. 60 Wvr
Het verstrekken van inlichtingen aan de commissaris van de Koning in geval van toezicht.
Art. 62 Wvr
Het betreden van plaatsen en meenemen van uitrustingsstukken van hulpmiddelen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is ter vervulling van de taak van voorzitter.
HOOFDSTUK 6:
DE COMMISSIES
Artikel 16 Commissies In artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is bepaald dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam commissies van advies kan instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling. In het tweede lid van bedoeld artikel is bepaald dat de instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter eveneens geschiedt door het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur dan wel de voorzitter dienen hiertoe voorstellen in. Andere commissies van advies (ad hoc commissies) aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden, volgens artikel 24 lid 3 van de Wgr door het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.
Pagina 25/34
Artikel 17 Bestuurscommissies In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden om bestuurscommissies in te stellen. Aan dergelijke commissies kunnen bevoegdheden van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden overgedragen, met uitzondering van de bevoegdheden die op grond van artikel 9 lid 2 van deze regeling ook niet aan het dagelijks bestuur overgedragen mogen worden. Op dit moment wordt nog geen gebruik gemaakt van bestuurscommissies. Omdat niet uit te sluiten is dat dit in de toekomst wel gewenst kan zijn, is in de regeling de mogelijkheid geopend om bestuurscommissies in te stellen. De bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen niet dan op voorstel van het dagelijks bestuur worden overgedragen. Voordat het algemeen bestuur overgaat tot het instellen van een bestuurscommissie dienen de raden van de deelnemende gemeenten - op grond van artikel 25, lid 2 van de wet – van dit voornemen op de hoogte te zijn gesteld en in de gelegenheid te zijn hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen conform artikel artikel 25, lid 2 van de nieuwe (gewijzigde) wet. In de oude Wet gemeenschappelijke regelingen moest aan de raden om een verklaring van geen bezwaar worden gevraagd. HOOFDSTUK 7
DE SECRETARIS
Artikel 17a De secretaris De directeur Crisisbeheersing staat als secretaris het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter terzijde in de uitoefening van hun taak. Stukken die van het bestuur uitgaan worden door de secretaris medeondertekend. HOOFDSTUK 8
INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG
Intergemeentelijke samenwerking is verlengd lokaal bestuur. De doelstelling van de Wet gemeenschappelijke regelingen is daarom het aanhalen van de bestuurlijke en financiële banden tussen het samenwerkingsverband en de deelnemende gemeenten. Onderdeel hiervan vormt de politieke controle. De artikelen 16 en 17 van de wet bepalen dat de regeling bepalingen inhoudt met betrekking tot het verstrekken van inlichtingen, het afleggen van verantwoordelijkheid en over de terugroepingsmogelijkheid. In hoofdstuk 8 van de regeling zijn deze artikelen opgenomen. Artikel 18 DB en voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur Dat de leden van het dagelijks bestuur, zowel tezamen als ieder afzonderlijk, desgevraagd verantwoording dienen af te leggen over het door hen gevoerde bestuur, vloeit voort uit artikel 16 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hoewel de wet hiertoe niet verplicht, bepaalt de regeling dat de leden van het dagelijks bestuur ongevraagd alle informatie aan het algemeen bestuur geven die nodig is voor een juiste beoordeling van het te voeren en gevoerde bestuur. In de regeling is tevens bepaald dat de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, kunnen worden ontslagen, indien een lid niet langer het vertrouwen bezit van het algemeen bestuur.
Aansluiting is gezocht bij de vertrouwensregel en de procedure tot opzeggen van het vertrouwen van wethouders zoals vastgelegd in de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet. Omdat de voorzitter via een koninklijk besluit wordt benoemd, kan het algemeen bestuur hem niet ontslaan. Mocht de voorzitter het vertrouwen van het algemeen bestuur verliezen, dan resteert de mogelijkheid om bij de Minister van Justitie en Veiligheid aan te dringen op ontslag, waarbij het ontslag slechts gebaseerd kan zijn op artikel 11, lid 2 Wet veiligheidsregio's.
Pagina 26/34
Artikel 19 Het algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden Artikel 19 wordt aangepast als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het derde lid van dit artikel geeft aan op welke wijze inlichtingen aan de raden van de deelnemende gemeenten ter uitvoering van hun taken worden verstrekt. Het vierde lid biedt de mogelijkheid voor een informatieprotocol. Het artikel komt tegemoet aan de voorkeursvariant van de raden zoals deze kenbaar is gemaakt tijdens de regionale raadsbijeenkomst van 27 maart 2023 in het Rijk van Nijmegen en de Raadsavond van 25 september 2023 in Rivierenland. Artikel 20 Leden ten opzichte van raden In het eerste en tweede lid is de verwijzing naar relevante artikelen uitgebreid (artikel 19 in samenhang bezien met artikel 16 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Ook de verwijzing naar relevante artikelen in het derde lid is uitgebreid (verwijzing naar artikel 40 van de Wet veiligheidsregio’s). De uitbreiding van de verwijzingen geeft nu beter aan welke artikelen ten grondslag liggen aan de bepalingen zoals opgenomen in deze regeling.
Gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 1 van de Wet veiligheidsregio's - waarin imperatief is bepaald dat het algemeen bestuur bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten - is niet voorzien in de mogelijkheid dat de raad bevoegd is om de burgemeester te ontslaan als lid van het algemeen bestuur. Artikel 11 lid 1 van de Wet veiligheidsregio's (lex specialis) heeft immers voorrang op artikel 16 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (lex generalis). Uiteraard staat het de gemeenteraad wel vrij om het vertrouwen in de burgemeester op te zeggen, indien sprake is van een zodanig ernstige vertrouwensbreuk dat verder functioneren niet wenselijk wordt geacht. In dit artikel is ten slotte opgenomen dat de voorzitter verplicht is om, na afloop van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, aan de raden van getroffen gemeenten informatie te verschaffen. Artikel 40 van de Wet veiligheidsregio's schrijft voor dat de voorzitter na afloop van zo'n ramp of crisis een schriftelijk verslag uitbrengt aan de raden van de getroffen gemeenten, in overeenstemming met de burgemeesters die deel uitmaakten van het regionaal beleidsteam. Voorts dienen de schriftelijke vragen die de raden na ontvangst van het verslag stellen te worden beantwoord.
Ten slotte bestaat de mogelijkheid dat de voorzitter - indien een raad daaraan behoefte heeft - in een vergadering mondeling inlichtingen verstrekt over de besluiten die hij heeft genomen. De voorzitter legt niet rechtstreeks verantwoording af aan de raad over besluiten zoals bedoeld in artikel 40 van de Wet veiligheidsregio’s. Wel heeft de raad de mogelijkheid om – overeenkomstig het bepaalde in artikel 40 van de Wet veiligheidsregio’s - zijn standpunt over het door de voorzitter genomen besluit schriftelijk kenbaar te maken aan de Minister van Justitie en Veiligheid, door tussenkomst van de commissaris van de Koning. HOOFDSTUK 9
REGLEMENT VAN ORDE
Artikel 21 Reglement van orde algemeen bestuur De verwijzing naar artikel 22 van de Wet gemeenschappelijke regelingen maakt duidelijk dat het artikel zijn grondslag vindt in de Wet gemeenschappelijke regelingen en niet vrijblijvend is. Artikel 22 van de Wet gemeenschappelijke regelingen verwijst op haar beurt naar artikel 16 van de Gemeentewet waarin de verplichting (voor de raad c.q. het algemeen bestuur) is opgenomen een reglement van orde op te stellen voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.
Pagina 27/34
Artikel 22 Reglement van orde dagelijks bestuur Ook het dagelijks bestuur kan een reglement van orde vaststellen. Daartoe bestaat echter geen verplichting. HOOFDSTUK 9
AMBTELIJKE ORGANISATIE
Artikel 23 Personeel Dit artikel biedt de veiligheidsregio de mogelijkheid om personeel in dienst te nemen. In het kader van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) is het van belang daarop te anticiperen in dit artikel. Tot inwerkingtreding van de Wnra gebeurt het in dienst nemen van personeel op basis van een ambtelijke aanstelling en na inwerkingtreding van de Wnra gebeurt dat op basis van het aangaan van arbeidsovereenkomsten met medewerkers. Naar verwachting treedt de Wnra voor de veiligheidsregio’s in werking op 1 januari 2021. Op het personeel van de veiligheidsregio is een vooraf aan te wijzen rechtspositieregeling van toepassing tot inwerkingtreding van de Wnra. Na inwerkingtreding van de Wnra geldt het private arbeidsrecht, met inachtneming van het overgangsrecht zoals opgenomen in de Wnra. Zie ook de toelichting op artikel 9 en artikel 12 van deze regeling. Voor (werknemers binnen) de sector Ambulancezorg is de Wnra reeds van kracht geworden per 1 januari 2020. Werknemers binnen de sector Ambulancezorg vallen derhalve per 1 januari 2020 onder het private arbeidsrecht en worden in dienst genomen op grond van een arbeidsovereenkomst tussen medewerker en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Artikel 24 Samenstelling directie In dit artikel wordt de samenstelling van de (tweehoofdige) directie van de VRGZ beschreven.
De directie van de VRGZ bestaat uit de directeur Brandweer- en ambulancezorg, die verantwoordelijk is voor de sectoren brandweer (incl. Meldkamer brandweer) en ambulancezorg (incl. Meldkamer ambulancezorg) én de directeur Crisisbeheersing, die verantwoordelijk is voor de sectoren Bedrijfsvoering en Crisisbeheersing, met uitzondering van de GHOR en tevens fungeert als secretaris en eerste aanspreekpunt van het bestuur. Artikel 25 Beslissingen omtrent personeel, directie en directeur publieke gezondheid Conform het huidige artikel 33b van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het dagelijks bestuur bevoegd om alle rechtspositionele beslissingen te nemen met betrekking tot het in dienst nemen, het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel. In het algemeen bestuur is eerder uitgesproken dat ten aanzien van de belangrijkste rechtspositionele maatregelen met betrekking tot de directeur Crisisbeheersing en de directeur Brandweer- en ambulancezorg zij hierover een besluit wil nemen. Om aan deze wens tegemoet te komen zal het dagelijks bestuur haar voornemen met betrekking tot benoeming, ontslag en schorsing van de voornoemde twee directiefunctionarissen aan het algemeen bestuur kenbaar maken. Met inachtneming van de opvatting van het algemeen bestuur neemt het dagelijks bestuur vervolgens een besluit.
De gemeentelijke gezondheidsdienst staat onder leiding van een directeur publieke gezondheid, die wordt benoemd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke gezondheidsdienst in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. HOOFDSTUK 11
Klachten
Artikel 26 Klachtenregeling Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (klachtbehandeling) is ook van toepassing op gemeenschappelijke regelingen. Dit betekent dat in een klachtenregeling moet worden geregeld hoe omgegaan wordt met klachten over de veiligheidsregio en haar personeel.
Pagina 28/34
Op grond van Stb. 1999, 241 zijn de Awb-bepalingen over het intern klachtrecht (titel 1 van hoofdstuk 9) niet in werking getreden, ten aanzien van klachten die zien op een beleidsterrein dat wordt bestreken door de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Dit zal met name het geval zijn als wordt geklaagd over (de medische hulpverlening van) ambulancemedewerkers. De afhandeling van dit soort klachten moet plaatsvinden met inachtneming van de bepalingen in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Titel 9.2 van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht gaat over klachtbehandeling door een ombudsman (extern klachtrecht). Deze titel is van toepassing op alle ingediende klachten, dus ook op klachten die zijn afgehandeld met toepassing van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Er bestaan derhalve twee categorieën van klachten: klachten in het kader van het aanbieden van zorg (de RAV als zorgaanbieder en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg die daarop van toepassing is; verplicht een schriftelijke regeling te treffen) én klachten regulier (VRGZ minus RAV waarop de voornoemde wet niet van toepassing is omdat de VRGZ minus de RAV geen zorgaanbieder is). Voor de eerste categorie moet een klachtenregeling worden opgesteld die voldoet aan het gestelde in paragraaf 1 hoofdstuk 3 Wkkgz.
Voor de tweede categorie is de klachtafhandeling conform de Awb voldoende, maar aan deze categorie is wel een registratieplicht verbonden (artikel 9:12a Awb). Voor de eerste categorie (RAV als zorgaanbieder) vervolgt het proces zich bij de Geschillencommissie Ambulancezorg. Voor de tweede categorie (VRGZ minus RAV) vervolgt het proces zich bij de Nationale Ombudsman. Het vaststellen van een klachtenregeling voor de RAV is op dit moment (peildatum 1 september 2023) verbonden aan instemming van de cliëntenraad op grond van artikel 8 lid 1 sub a Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 in samenhang met artikel 13, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. In artikel 26 wordt ervoor gekozen dat de Nationale ombudsman bevoegd is om klachten als bedoeld in hoofdstuk 9, titel 2, af te handelen. De veiligheidsregio kiest er niet voor om aan te sluiten bij een ombudsman- of commissie van één van de deelnemende gemeenten, omdat die niet over expertise beschikken inzake alle beleidsterreinen waarin de veiligheidsregio opereert. Van de Nationale ombudsman mag deze expertise wel verwacht worden. HOOFDSTUK 12
VERGOEDINGEN
Artikel 27 Regeling inzake vergoeding van werkzaamheden Dit artikel biedt de mogelijkheid een regeling vast te stellen op grond waarvan aan de leden van commissies van advies en bestuurscommissies voor hun werkzaamheden, respectievelijk voor het bijwonen van vergaderingen, een vergoeding kan worden verleend en een tegemoetkoming in de kosten kan worden verleend. De hoogte van de vergoeding dient in redelijke verhouding te staan tot de aan het lidmaatschap verbonden werkzaamheden, In overeenstemming met de vaste praktijk in deze regio, is bepaald dat slechts commissieleden die niet de functie van burgemeester, wethouder of (gemeente)secretaris vervullen, voor een vergoeding in aanmerking komen.
Pagina 29/34
HOOFDSTUK 13
HET BELEIDSPLAN, HET CRISISPLAN EN HET BELEIDSPROGRAMMA
Artikel 28, 29 en 30 Het is belangrijk dat de veiligheidsregio tijdig duidelijk maakt welk beleid zij voornemens is te voeren, zodat de deelnemende gemeenten daar invloed op kunnen uitoefenen. In artikel 11a van deze regeling is de mogelijkheid opgenomen voor de raden om hun zienswijze te geven op het regionale beleidsplan. Het regionale beleidsplan (het beleid op hoofdlijnen), het crisisplan en het beleidsprogramma (de in enig jaar voorgenomen concrete activiteiten en benodigde middelen) komen in artikel 28 en 29 van deze regeling aan bod. In de artikelen 14 t/m 16 van de Wet veiligheidsregio's zijn de eisen opgenomen waaraan het beleidsplan en crisisplan in elk geval moeten voldoen. HOOFDSTUK 14
FINANCIELE BEPALINGEN
Artikel 32 Begrotingsprocedure Artikel 32 van deze regeling wordt gewijzigd als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en vormt hoofdzakelijk een weergave van hetgeen daarover in de Wet gemeenschappelijke regelingen verplichtend is opgenomen. Artikel 34 (begroting & jaarrekening), artikel 34a, artikel 34b (kadernota & voorlopige jaarrekening) en artikel 35 (ontwerpbegroting & begroting) van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn van toepassing en leidend. De hoofdregel is de procedure van: ontwerp toezenden aan de raden door het dagelijks bestuur, zienswijze door de raden, schriftelijke en gemotiveerde reactie van het dagelijks bestuur alvorens het besluit (door het algemeen bestuur) wordt genomen tot vaststellen van de begroting. Artikel 32 is opgenomen in deze regeling om zodoende inzicht te verschaffen in de procedure zonder dat het raadplegen van de Wet gemeenschappelijke regelingen daarvoor noodzakelijk is. Dit is echter niet noodzakelijk omdat de wettelijke bepalingen over dit onderwerp prevaleren boven het bepaalde in de GR. In het negende lid van artikel 32 zijn de uitzonderingen op de hoofdregel opgenomen. Op grond van artikel 35 lid 7 van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn de artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 213a inzake periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur wordt niet aangestuurd door de Wet gemeenschappelijke regelingen. In de begroting van de veiligheidsregio moet duidelijk zijn hoe de verdeling van de kosten over de gemeenten plaatsvindt. Tot op heden wordt het inwonertal van de deelnemende gemeenten als verdeelsleutel gehanteerd. Het algemeen bestuur heeft echter de mogelijkheid om in de toekomst een andere verdeelsleutel te hanteren, bijvoorbeeld indien het wenselijk is een differentiatie aan te brengen indien taken niet voor alle gemeenten, of niet voor alle gemeenten op een gelijkwaardig dienstenniveau, worden verricht.
Pagina 30/34
Artikel 33 Bijdragen van de gemeenten Bij circulaire van 8 juli 1999 (kenmerk FO99/U59111) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties er voor gepleit om de gegoedheid van openbare lichamen ten behoeve van hun kredietwaardigheid te accentueren, door vast te leggen dat de gemeenten te allen tijde zullen voorzien in de middelen die het openbaar lichaam nodig heeft om zijn schulden te voldoen. Formeel gesproken is dit overbodig, zoals de minister in zijn circulaire aangeeft. Niettemin is besloten om dit expliciet op te nemen in artikel 33 lid 4 van de regeling, omdat in de praktijk is gebleken dat banken soms terughoudend zijn in het verstrekken van leningen aan gemeenschappelijke regelingen, omdat zij niet bekend zijn met het vereiste dat gemeenten te allen tijde dienen te voorzien in de middelen die nodig zijn om de schulden te voldoen. Artikel 34 Jaarrekening Artikel 34 van deze regeling wordt gewijzigd als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en vormt hoofdzakelijk een weergave van hetgeen daarover verplichtend in de Wet gemeenschappelijke regelingen is opgenomen. Artikel 34 lid 3 en lid 4 en artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn van toepassing en leidend. HOOFDSTUK 15
HET ARCHIEF
Artikel 35 Zorgplicht archiefbescheiden In verband met de inwerkingtreding van de Wnra wordt de archivaris niet meer benoemd maar aangewezen. Lid 1 De tekst van dit lid is gebaseerd op het bepaalde in artikel 40 van de Archiefwet 1995. Een door het algemeen bestuur vastgestelde archiefverordening vormt de basis waarop de aan het dagelijks bestuur toebedeelde zorg zoals aangegeven in artikel 41 lid 1 onder a van de Archiefwet 1995 nader wordt vormgegeven. Lid 2 De bedoelde regels zijn opgenomen in het Besluit Informatiebeheer VRGZ. Lid 3 De aanwijzing van de archiefbewaarplaats is opgenomen in het Besluit Informatiebeheer VRGZ evenals de aanwijzing van de beheerder. Lid 4 De verslaglegging door de archivaris aan het dagelijks bestuur is de basis voor de verantwoording van het dagelijks bestuur jegens het algemeen bestuur.
Pagina 31/34
HOOFDSTUK 16
Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Artikel 36 Toetreding Artikel 36 is gewijzigd als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen, met dien verstande dat artikel 36 voorheen de toetreding én uittreding betrof. Het gewijzigde artikel 36 beperkt zich nu tot de toetreding. De uittreding (voorwaarden en gevolgen) wordt geregeld in artikel 36a van deze regeling. Artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van toepassing op (besluiten tot) toetreding tot deze regeling, met verwijzing naar het vijfde lid van het genoemde artikel 1 van de wet. Zie ook de toelichting bij artikel 37 van deze regeling. Artikel 36a Voorwaarden en gevolgen van uittreding Artikel 36a wordt aan deze regeling toegevoegd als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In dit artikel zijn de bepalingen over uittreding opgenomen om zodoende de deelnemers aan deze regeling op voorhand in kennis te stellen van de wijze waarop de uittreding is geregeld. Artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van toepassing op (besluiten tot) uittreding uit deze regeling, met verwijzing naar het vijfde lid van het genoemde artikel 1. Zie ook de toelichting bij artikel 37 (inzake wijziging). Uittreding is enkel aan de orde als dat wettelijk mogelijk is.
Wanneer dat wettelijk mogelijk is – hetgeen nu (peildatum 28 september 2023) niet het geval is - maar de wet vervolgens niets regelt over de voorwaarden en gevolgen van uittreding, dan zijn de bepalingen van artikel 36a van toepassing. In artikel 36a wordt het uittredingsproces weergegeven. Het uittredingsproces kent twee belangrijke onderdelen, namelijk het proces om te komen tot de uittreedsom en het proces van de uittreding zelf. Het proces om te komen tot (vaststelling van) de uittreedsom deelt een rol toe aan een projectgroep die wordt samengesteld door het dagelijks bestuur. Deze projectgroep heeft de taak om de gevolgen van de uittreding voor het vermogen van de gemeenschappelijke regeling in beeld te brengen waaronder de gevolgen op het gebied van personeel, contracten, huisvesting en investeringen. De frictiekosten en desintegratiekosten worden in het artikel genoemd omdat deze in ieder geval onderdeel uitmaken van de uittreedsom. Het artikel biedt ruimte om, voor zover dat aan de orde zou zijn, nog andere kosten in de uittreedsom mee te nemen. Om het proces tot het vaststellen van de uittreedsom te kaderen zijn termijnen in het artikel opgenomen. Er is voor gekozen om geen zienswijze van de raden van de deelnemende gemeenten te vragen als het gaat om het besluit tot het vaststellen van de uittreedsom.
Na afronding van de werkzaamheden van de projectgroep en het vaststellen van de uittreedsom kan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling zich gaan richten op wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Dit deel van het uittredingsproces volgt het stramien zoals dat in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is opgenomen. Het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur dragen zorg voor de voorbereidende werkzaamheden in dat kader. Een ontwerpregeling zoals deze er na wijziging als gevolg van de uittreding uit komt te zien wordt dan aan de colleges toegezonden met het verzoek deze voor zienswijze aan de raden voor te leggen. De zienswijzen kunnen de raden dan aan hun colleges toezenden. Ter nadere toelichting van de ontwerpregeling wordt het besluit tot vaststelling van de uittreedsom inclusief toelichting aan de raden toegestuurd. Het voornoemde besluit en de toelichting daarbij vormen in wezen de onderlegger voor de ontwerpregeling die wordt voorgelegd. De raden van de deelnemende gemeenten krijgen hierdoor inzicht tegen welke vergoeding uitgetreden wordt. Het definitieve moment van uittreding van een gemeente wordt bij voorkeur vastgesteld op 1 januari van een jaar om administratieve problemen zo veel mogelijk te voorkomen. Pagina 32/34
Artikel 37 Wijziging Artikel 37 wordt gewijzigd met dien verstande dat het oude artikel 37 wijziging én opheffing betrof. Het nieuwe artikel 37 beperkt zich tot wijziging van deze regeling. De wijziging is ingegeven door de wijziging van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In het betreffende artikel is de procedureregeling opgenomen ingeval van wijziging van de regeling, bestaande uit een ontwerpregeling, mogelijkheid van zienswijze en lokale besluitvorming. Wijzigen van de regeling bestaat (net als bij toetreding en uittreding) uit twee stappen. Allereerst het voorleggen van een ontwerp van de gewijzigde regeling aan de raden waarover zijn hun zienswijze kenbaar mogen maken bij hun college van burgemeester en wethouders. Daarna het voorleggen van de gewijzigde regeling aan de colleges van burgemeester en wethouders ter besluitvorming die dat pas doen na toestemming van de raden. De mogelijkheid van het naar voren brengen van de zienswijze door de raden bij de colleges van burgemeester en wethouders op grond van artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen moet worden onderscheiden van de zienswijze-procedure zoals opgenomen in artikel 10 lid 5 en lid 6 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 11a van de regeling. De bevestiging door het algemeen bestuur in het vijfde lid is geen voorwaarde voor de totstandkoming van de wijziging.
Besluitvorming geschiedt immers door de colleges van de deelnemende gemeenten. De bevestiging door het algemeen bestuur is dus enkel een constatering dat daadwerkelijk sprake is geweest van besluitvorming door minimaal twee derden van het aantal deelnemende gemeenten. Artikel 38 Opheffing Het (besluit tot) vaststellen van het liquidatieplan is gekoppeld aan de zienswijzeprocedure uit artikel 10 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 11a van deze regeling. Het bij opheffing van de regeling vast te stellen liquidatieplan dient onder meer te voorzien in de gevolgen die de beëindiging voor het eventuele personeel heeft, alsmede in de vereffening van het vermogen en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen voor de deelnemende gemeenten. De zienswijzen van de raden op het liquidatieplan worden ingediend bij het algemeen bestuur. Opheffing wordt (vooralsnog) niet bestreken door artikel 1 lid 5 van de Wet gemeenschappelijke regelingen maar deze procedure wordt ingeval van opheffing wel gevolgd (zienswijze raden op ontwerpbesluit tot opheffing naar hun colleges, na verkregen toestemming van de raden besluitvorming door de colleges).
Pagina 33/34
Artikel 39 Geschillencommissie Op grond van artikel 28 van de wet, worden geschillen over de toepassing van een regeling door Gedeputeerde Staten beslist, voor zover die geschillen niet onder de competentie van de bestuursrechter of civiele rechter vallen. Het is daarnaast mogelijk en in voorkomende situaties aan te bevelen om een kwestie, voordat deze de formele fase van een geschil bereikt, via bijvoorbeeld arbitrage of mediation op te lossen. Artikel 39 voorziet in een algemene procedurebeschrijving die daarvoor wenselijk wordt geacht. HOOFDSTUK 17
SLOTBEPALINGEN
Artikel 40 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 40a Evaluatie Artikel 40a wordt toegevoegd aan deze regeling in het hoofdstuk Slotbepalingen als gevolg van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De onderzoeksopdracht wordt door het algemeen bestuur vastgesteld. Het artikel komt tegemoet aan de voorkeursvariant van de raden zoals deze kenbaar is gemaakt tijdens de regionale raadsbijeenkomst van 27 maart 2023 in het Rijk van Nijmegen en de Raadsavond van 25 september 2023 in Rivierenland. Artikel 41 Inwerkingtreding Artikel 41 vormt deels een weergave van hetgeen in artikel 1 lid 4 en lid 5 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is bepaald. Artikel 1 lid 4 en lid 5 biedt derhalve het wettelijke kader. Onder het treffen van een regeling wordt mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling. Een gemeente heeft ingestemd met de wijzigingen, indien daartoe door het college van burgemeester en wethouders is besloten. De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters gaan niet over tot het wijzigen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De toestemming kan slechts door de gemeenteraden worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Bekendmaking en inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling is geregeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De nadere invulling daarvan is terug te vinden in artikel 40b (Bekendmaking) van deze regeling. Artikel 42 Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
Pagina 34/34