CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4e. Bijlagen bij de toelichting Quickscan Natuurwaarden

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zuilichem, Mertstraat 55.940 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

f

BUREAU VERKUYLEN T.a.v. dhr. R. van Hest Adres Veemarktkade 8 5222 AE ‘s-Hertogenbosch

Datum

18 september 2020

Kenmerk

BE/2020/466/r

Uw kenmerk

Email d.d. 10 juni 2020

Auteur(s)

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets

ing. G. Fairhurst

Quickscan Wet natuurbescherming Mertstraat 5 te Zuilichem Aan de Mertstraat 5 te Zuilichem is een bedrijfsperceel met twee loodsen, een grasweide, een zandweide met paarden, een paardenstal, een tuin en een klein tuinhuis gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens één van de bestaande loodsen op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een nieuwe (grotere) loods. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Bureau Verkuylen begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Mertstraat 5 te Zuilichem. De locatie betreft een bedrijfsperceel met twee loodsen (figuur 1: A en B), een paardenstal (figuur 1: C), een zandweide met paarden, een grasweide, een tuin en een klein tuinhuis zonder natuurwaarde. De tuin heeft een hoog onderhoudsbeeld en bevat tuinplanten, inheemse planten een heg. De bebouwing op de planlocatie ziet er als volgt uit: A. Een loods waarbij de muren en het zadeldak zijn opgetrokken uit metalen damwandplaten. De initiatiefnemer is voornemens deze loods te saneren. B. Een loods opgetrokken uit stenen. Het dak betreft een zadeldak en is opgetrokken uit deels sandwichpanelen en deels metalen damwandplaten. C. Een paardenstal. Deze stal is opgetrokken uit houten potdeksels en heeft een zadeldak. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische grond, kassencomplexen en vrijstaande bedrijfspanden en woningen. Aan de oostzijde van de planlocatie is een recent gerealiseerde retentievijver gesitueerd. Op 20 meter ten zuiden van de planlocatie ligt de N322 en de dichtstbijzijnde snelweg is de A2 op circa 7 km ten oosten van de planlocatie. Op circa 1,3 km ten noorden is de Waal gesitueerd.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Mertstraat 5 te Zuilichem (bron kaartmateriaal: maps.google.nl). Beschrijving letters: A) een loods, B) een loods en C) een paardenstal.

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Hier de grasweide met op de achtergrond de te saneren loods (A).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van loods A en de realisatie van een nieuwe (grotere) loods. Ten behoeve van deze ontwikkeling dient groen verwijderd te worden, waaronder een heg, enkele bomen en struiken. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

saneren van loods A: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Van Doorn BV).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 september 2020 en is uitgevoerd door L. Pieterman en ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 3/8 bewolkt, 20 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone.

4

In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). De planlocatie betreft een bedrijfsperceel welke voor een deel verhard is. Daarnaast is er een tuin en een grasweide aanwezig. De grasweide wordt niet structureel gemaaid. Hier bevinden zich soorten waaronder duizendblad, gewone smeerwortel, gewone weegbree, paardenbloem en ridderzuring. Er zijn geen indicaties voor pioniersvegetatie. Het overige plangebied (c.q. tuin en de verharding) heeft een hoog onderhoudsbeeld. Het voorkomen van beschermde plantensoorten op de planlocatie is uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt habitat.

Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Naast de reeds benoemde soorten bevat de planlocatie soorten waaronder: laurierkers, gewone brunel en doorgroeiende duizendknoop.

5

De doorgroeiende duizendknoop is geen invasieve woekeraar zoals de Japanse duizendknoop. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rosse woelmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever (Habitatrichtlijn), bunzing (nationaal beschermde soort), waterspitsmuis (nationaal beschermde soort) en wezel (nationaal beschermde soort). Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Het functioneel leefgebied van kleine marters, zoals de bunzing en wezel, bestaat uit foerageergebied, verbindingen met andere leefgebieden en rust- en voortplantingsplaatsen (Bouwens, 2017. Handreiking kleine marters). Op de planlocatie zijn hagen en een brandhoutstapel aangetroffen welke gebruikt zouden kunnen worden door kleine marters. Er zijn geen sporen op de planlocatie aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van kleine marters. Rondom de planlocatie bevindt zich habitat dat meer geschikt is voor kleine marters, zoals het gebied 300 meter ten zuidwesten van de planlocatie dat toegewezen is aan het Gelders natuurnetwerk. Er zijn hier meer geschikte landschapselementen en ook is de mate van verstoring (door zowel mensen, als de aanwezige paarden en kat) aanzienlijk lager dan op de planlocatie. Derhalve kan de planlocatie niet worden aangewezen als essentieel functioneel leefgebied.

De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het functioneel leefgebied van deze soorten. Oppervlaktewater is essentieel voor het leefgebied van de bever. De soort leeft in overgangsgebied van zoete wateren en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. Aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever zijn een vereiste (BIJ12 kennisdocument bever, 2017). Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. De retentievijver en sloten rondom de planlocatie voldoen niet aan de habitateisen van de bever. Derhalve is een negatieve invloed op de bever uitgesloten. Er zijn vier waarnemingen van de waterspitsmuis bekend op een afstand van circa 1,4 km van de planlocatie. Het leefgebied van de waterspitsmuis bevindt zich langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromen tot stilstaand water met behoorlijk veel watervegetatie en ruig begroeide oevers (zoogdiervereniging.nl). Een dergelijk habitat is niet aanwezig op of in de omgeving van de planlocatie. Derhalve zijn negatieve effecten op deze soort uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten de planlocatie niet als essentieel leefgebied gebruiken. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten.

Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.

6

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoort: gewone dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen loods A is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Openingen in gevels en daken zouden toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

Zowel het dak als de muren van loods A zijn opgetrokken uit metalen damwandplaten. Gleuven tussen het dak en de muur zijn opgevuld met pur (figuur 4). Gezien het type bebouwing is de aanwezigheid van open stootvoegen, een open luchtspouw en een open dakruimte uitgesloten. Deze loods bied hierdoor geen geschikte openingen, welke leiden naar mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Derhalve is een negatieve invloed van de sloop van loods A op de soortgroep uitgesloten.

Figuur 4

Visuele representatie van de opgevulde gaten tussen het dak en de muur van loods A.

De nieuwe loods zal tegen de oostzijde van loods B gerealiseerd worden. De zijde waartegen de loods gebouwd zal worden is nauwkeurig geïnspecteerd. De muur bevat geen open stootvoegen of kieren waardoor vleermuizen het gebouw zouden kunnen betreden. Ook zijn er geen openingen rondom de dakgoot aanwezig. Door afwezigheid van geschikte openingen heeft de zijde van loods B waartegen de nieuwe loods gebouwd wordt geen functie als verblijfplaats voor vleermuizen. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling door het bouwen tegen loods B is hiermee uitgesloten. Het is uit te sluiten dat de te saneren loods A of de oostzijde van loods B gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De beoogde ontwikkeling betreft slechts het verwijderen van

7

een klein, niet-essentieel groenoppervlak. Er is voldoende groen in de directe omgeving aanwezig, zoals een bomenlaan ten westen van de planlocatie, waardoor de beoogde ontwikkeling essentiële vliegroutes of foerageergebied niet aantast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Beide soorten zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Binnen een straal van 2 km zijn twee locatie bekend met waarnemingen van de heikikker. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming uit 2017 van 20 heikikkers op circa 350 meter ten zuidwesten van de planlocatie. De locatie van deze waarneming behoord tot het Gelders natuurnetwerk en wordt gekenmerkt door wateren omgeven door structuurrijke, gelaagde vegetatie. De planlocatie zelf bevat geen oppervlaktewater maar de directe omgeving wel. Aan de westzijde van de planlocatie bevindt zich een sloot die in directe verbinding (via duikers onder de weg) staat met het gebied waar de heikikker is waargenomen. Aan de oostzijde van de planlocatie bevindt zich een recent gerealiseerde retentievijver welke niet in directe verbinding staat met de locatie waar de heikikker is waargenomen. Mits deze wateren geschikt zijn voor de heikikker, zou de grasweide naast de retentievijver deel kunnen uitmaken van het habitat.

Echter bevatten beide wateren kroos, wat een indicator is voor een hoge voedselrijkdom. Gezien de hoge voedselrijkdom is het onwaarschijnlijk dat de heikikker in deze wateren voorkomt. De heikikker is namelijk erg kritisch ten aanzien van zijn habitat, en prefereert schrale, ietwat ruige en vochtige gebieden (BIJ12 kennisdocument heikikker, 2017). De soort komt vooral voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure, ondiepe wateren. Verzuurt het water verder of vervuilt het, dan verliest het water haar voortplantingsfunctie. Buiten de voortplantingsperiode komt de soort voor in hoge, dichte vegetaties zoals vochtige heide, pijpenstrootjesvegetatie, kruidenrijk vochtig grasland en soms open loofbos (BIJ12 kennisdocument heikikker, 2017). Binnen de beoogde ingreep worden de sloot en de retentievijver niet gedempt. De beoogde ingreep betreft alleen het verlies van de grasweide naast de retentievijver. Naast dat de sloot en retentievijver ongeschikt zijn voor de heikikker, is tevens de grasweide niet kruidenrijk en voldoet daarmee niet aan de kritische habitateisen van het landhabitat. Derhalve zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten. Binnen een straal van 2 km zijn vier waarnemingen bekend van de rugstreeppad. Deze waarnemingen zijn afkomstig uit 2016 en bevinden zich allen in het gebied Breemwaard. De minimale afstand tot de planlocatie is 1,3 km.

Watergangen rondom de planlocatie staan niet in directe verbinding met de Breemwaard en het gebied tussen de planlocatie en de Breemwaard wordt doorkruist door een dijk en meerdere wegen. De rugstreeppad komt voor in ondiepe, geheel vegetatieloze, tijdelijke watertjes (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017). Een dergelijk habitat is niet aanwezig op de planlocatie. Derhalve kunnen negatieve effecten op de soort uitgesloten worden. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is

8

deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van verstoring door mensen en paarden op het bedrijfsperceel is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoort: grote modderkruiper (NDFF 2010-2020). Het dempen van wateren en/of watergangen valt niet binnen de beoogde ontwikkeling. Derhalve zijn negatieve effecten op (beschermde) vissen uitgesloten.

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en platte schrijfhoren (NDFF 2010-2020). Alle waarnemingen van de rivierrombout bevinden zich lang de Waal, welke op meer dan 1,3 km van de planlocatie is gelegen. Deze soort komt enkel voor langs rivieren en grote beken (vlinderstichting.nl). De planlocatie bied geen geschikte leefomgeving voor deze soort. Derhalve zijn negatieve effecten op deze soort uitgesloten. Binnen de beoogde ontwikkeling zullen er geen water en watergangen gedempt worden. Derhalve zijn negatieve effecten op de platte schrijfhoren uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen, weekdieren of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauw reiger, houtduif, huiszwaluw, meerkoet en wilde zwaan.

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Zowel het dak als de muren van loods A zijn opgetrokken uit metalen damwandplaten. Gleuven tussen het dak en de muur zijn opgevuld met pur. Deze loods bevat geen geschikte openingen en verblijfplaatsen voor huismussen. De dakgoot van loods B is nauwkeurig geïnspecteerd. Tegen deze dakgoot zal de nieuwe loods aangebouwd worden. De dakgoot bevat geen kieren die geschikt zijn als nestlocatie en/of leefgebied van de huismus (figuur 5). Loods B heeft een dak bestaande uit deels sandwichpanelen en deels metalen damwandplaten. De ruimte onder de dakconstructie is opgevuld.

Derhalve biedt deze loods geen geschikte nest en/of leefgebied voor de huismus.

9

Figuur 5

Visuele representatie van dakgoot van loods B.

De woning ten zuiden van de planlocatie grenst aan de te realiseren loods. Er is vogelschroot aanwezig onder de onderste dakpannen, welke over de hele lengte van het dak doorloopt, waardoor de aanwezigheid van een geschikte nestlocatie uitgesloten kan worden.

Figuur 6

Visuele representatie van dakgoot met vogelschroot van de woning ten zuiden van de planlocatie.

De beoogde ontwikkeling leidt tot het verwijderen van een heg en enkele groenblijvende struiken. Aangezien de planlocatie en de directe omgeving geen geschikte nestlocaties bevatten wordt het te verwijderen groen niet aangemerkt als functioneel leefgebied. Derhalve is een negatief effect van het verwijderen van het groen en de bouw van de loods op de huismus uitgesloten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De bebouwing op de planlocatie bevat geen openingen die geschikt zijn als invliegopening voor gierzwaluwen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen, waaronder kerkuil en steenuil, en derhalve is er binnen de beoogde ontwikkeling geen sprake van aantasting van nestgelegenheid. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan hierdoor uitgesloten worden. Daarnaast is er geen sprake van aantasting van essentieel functioneel leefgebied gezien in de directe omgeving voldoende soortgelijke foerageermogelijkheden zijn en binnen de beoogde ingreep slechts een klein oppervlak verloren gaat.

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

10

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 5,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem’ (figuur 7). Op een afstand van circa 80 meter ligt het Gelders natuurnetwerk en op een afstand van circa 400 meter ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 8).

Figuur 7

11

De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem’ (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Figuur 8

De planlocatie ligt op een afstand van circa 80 meter tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 400 meter tot de Groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van loods A en de realisatie van een nieuwe (grotere) loods. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (5,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

12

Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

+/-

-

-

-

-

+/-

-

-

n

n

n

n

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

5,2 km

geen

n.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

80 m

geen

n.v.t.

Groene ontwikkelingszone

400 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

13

Conclusie De sloop van loods A en de realisatie van een nieuwe loods aan de Mertstraat 5 te Zuilichem is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bouwens, S., 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Publicatie: Zoogdiervereniging. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.gelderland.maps.arcgis.com www.maps.google.nl www.ndff.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vlinderstichting.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

Overzicht van de planlocatie op de Mertstraat 5 te Zuilichem.

Figuur 2

Loods A op de planlocatie wordt gesaneerd.

18

Figuur 3

Loods B op de planlocatie blijft behouden.

Figuur 4

Groen op de planlocatie dat deels verwijderd zal worden ten behoeve van de nieuwe loods.

19

Figuur 5

Groen op de planlocatie dat deels verwijderd zal worden ten behoeve van de nieuwe loods.

Figuur 6

De retentievijver aan oostzijde van de planlocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10507098/1