Bijlage 4b. Bijlagen bij de toelichting Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK MERTSTRAAT 5 TE ZUILICHEM GEMEENTE ZALTBOMMEL
Archeologisch onderzoek Mertstraat 5 te Zuilichem Opdrachtgever
Teeuwen Tuin Bos en Parktechniek Mertstraat 5 5305 TE Zuilichem
Rapportnummer
13232.001
Versienummer1
1
Datum
9 oktober 2020
Vestiging
Zwolle
Opsteller
Dhr. drs. J. Holl & L. Stuurman (Saxion Hogeschool)
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Dhr. drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
13232.001
Toponiem
Mertstraat 5
Opdrachtgever
Teeuwen Tuin Bos en Parktechniek
Gemeente
Zaltbommel
Plaats
Zuilichem
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
Gemeente Brakel sectie K nummer 1189
Omvang plangebied
Circa 1.250 m2
Kaartblad
44F (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 138131/Y: 423522
Bevoegde overheid
Gemeente Zaltbommel Postbus 10002 5300 DA Zaltbommel
T. 0418-681681 E. info@zaltbommel.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Rivierenland Burg. Van Lidth de Jeudelaan 3 4001 VK Tiel
Contactpersoon: drs. H.J. van Oort T: 0344-579314 E: H.vanOort@ODRivierenland.nl
ARCHIS3
4895839100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders rivierengebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerder
Econsultancy, Dhr. drs. J. Holl, L. Stuurman (stagiair Saxion Hogeschool)
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Teeuwen Tuin Bos en Parktechniek in juli 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Mertstraat 5 te Zuilichem in de gemeente Zaltbommel. In het plangebied zal een vergroting van een loods worden gerealiseerd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied archeologische resten voorkomen uit de periode IJzertijd – Vroege-Middeleeuwen op of in de top van de oeverafzettingen van de Gameren stroomgordel direct onder het maaiveld of afgedekt met een laag komafzettingen. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Vanwege de ligging op een oeverwal vormde het plangebied vermoedelijk een gunstige vestigingslocatie. Mogelijk is in het zuiden van het plangebied een restgeul aanwezig.
Dergelijke locaties waren ongeschikt voor bewoning, maar hier kunnen wel resten zoals afvaldumps, bruggen of voorden voorkomen. De archeologische laag bestaat uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat. Organische resten en metaal zullen door de vermoede ligging boven het grondwater slecht zijn geconserveerd. Vanaf circa 430 na Chr. ontstond de meandergordel/stroomgordel van de Waal-Merwede ten noorden van het plangebied. Mogelijk is vanaf deze periode een laag komklei in het plangebied afgezet. Op basis van kaartmateriaal vanaf het begin van de 19e eeuw lag het plangebied in een weidegebied. Er zijn zowel op de kaarten als op het AHN geen aanwijzingen voor bewoningsplaatsen aangetroffen. Vermoedelijk is het plangebied sinds de ontginning in gebruik geweest als weide of mogelijk bouwland. Bewoningsresten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden daarom niet verwacht. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het onderzoek bleek dat het plangebied gelegen is op een restgeul, deels afgedekt met oeverafzettingen. De oeverafzettingen zijn grotendeels verstoord en dat maakt het onwaarschijnlijk dat archeologische resten aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek zijn er geen archeologische indicatoren gevonden.
Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden. Conclusie De hoge verwachting voor de perioden vanaf de IJzertijd tot Vroege-Middeleeuwen dient, op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek, te worden bijgesteld naar een lage verwachting. Advies Op grond van deze resultaten adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden en het plangebied vrij te geven.
Rapport 13232.001 versie 1
Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13232.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 13 3.1 3.2 3.3
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 10 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 11
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 13 Resultaten ....................................................................................................................... 13 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 14
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17
Rapport 13232.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zand diepte) Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (deklagen) Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen
Rapport 13232.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Teeuwen Tuin Bos en Parktechniek een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Mertstraat 5 te Zuilichem in de gemeente Zaltbommel (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft als doel de loods uit te breiden. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 0). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in september 2020 door. drs. J. Holl (senior KNA Archeoloog) en L. Stuurman (stagiair Saxion). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). 2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. In het kader van het bureauonderzoek worden de volgende onderzoeksvragen gehanteerd: •
• •
•
•
•
•
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? . Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? . Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor- en vondstniveaus, ophogings- of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase?
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 1 van 17
2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Zaltbommel; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4
3
SIKB. Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 2 van 17
Het plangebied, Circa 1.250 m2, ligt aan de Mertstraat 5, ongeveer 1 kilometer ten zuiden van de kern van Zuilichem in de gemeente Zaltbommel (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) varieert het maaiveld binnen het plangebied tussen circa 1,5 en 2,5 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Brakel sectie K nummer 1189. Volgens de topografische kaart van Nederland, 44F (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 138131/Y: 423522. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel deels bebouwd met een loods gefundeerd op een betonplaat, op circa 60 cm -mv (zie figuur 3). In het zuiden grenst het plangebied aan een huis met tuin. Verder grenst het westelijk deel van het plangebied aan de winkel van Teeuwen, tuin, bos en parktechniek. Het noorden en oosten van het plangebied is voornamelijk begrensd aan agrarische percelen. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied.
Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan buitengebied Zaltbommel. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv. 5 De dubbelbestemming is afgeleid van de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatie en archeologische beleidskaart. Volgens de beleidskaart (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. 6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven.
Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.7
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Goossens et al., 2011. 7 Bodemloket 6
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 3 van 17
2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is een uitbreiding van de loods gepland. De nieuwbouw wordt op een plaat gefundeerd, waarbij de bodem tot minder dan een meter -mv verstoord zal worden. (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Formatie van Echteld, sporadisch Formatie van Nieuwkoop
Stroomgordels9
Stroomgordel van Gameren (2950-1860 BP) op de stroomgordel van Brakel (6515 tot 5590 BP)
Zandbanenkaart provincie Gelderland10
Beddingzand tussen 1,5 en 2 m -mv (code 15)
Geomorfologie11
Binnen een stroomrug (3B44) en in het zuiden een restgeul (22R43).
Bodemkunde12
Kalkloze poldervaaggronden; zavel en lichte klei (Rn67C).
Grondwatertrap
VII
Landschappelijke ontwikkeling 13 Het plangebied bevindt zich binnen het rivierenlandschap. In het pleistoceen stroomden aan het eind van het Weichselien (laatste ijstijd, tot 11.600 jaar geleden) vlechtende rivieren die grof zand en grind brachten (Formatie van Kreftenheye). Tijdens periodes van droogligging van de riviervlakte, werd het beddingzand opgestoven, waardoor rivierduinen ontstonden. Deze rivierduinen bestaand uit grof zand, en de toppen hiervan komen tegenwoordig plaatselijk aan het maaiveld voor. Tijdens de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen vond er klimaatverbetering plaats, waarbij het landijs smolt en de waterspiegel steeg. Het vlechtende rivierpatroon werd getransformeerd naar een meanderend patroon met enkele hoofdgeulen die zich insneden in de riviervlakte, dit kwam door veranderingen in het afvoerregime. Bij zeer hoge rivierstanden kwamen rivieren buiten hun geulen en werd er een kleilaag op oudere grindige rivierafzettingen afgezet. Na continueel stijgen van de zeespiegel steeg de grondwaterstand ook en ontstond er ter hoogte van het plangebied een groot drassig veengebied (Formatie van Nieuwkoop).
8
De Mulder et al., 2003. Cohen et al., 2012. 10 Provincie Gelderland Zandbanen/Cohen et al., 2009 11 Wageningen Environmental Research, 2017. 12 Stichting voor Bodemkartering, 1990. 13 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2008 / Cohen et al., 2009 / Goosens et al., 2011. 9
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 4 van 17
In het Midden-Mesolithicum veranderden de zich insnijdende meanderende rivieren in aggraderende rivieren. In de bedding van de rivieren werd grof materiaal, veelal zand en grind afgezet. Bij overstroming werd er zand en klei uit de bedding vervoerd en op de oevers afgezet, hierdoor ontstonden er oeverwallen (zeer fijnzandig en zavelig materiaal). Verder van de rivier af kwam het overstromingswater tot stilstand en werd er komklei afgezet (Formatie van Echteld). Onder invloed van de hoge grondwaterspiegel ontstond er veen in de rivierkommen (Formatie van Nieuwkoop). Onder invloed van o.a. getijden op de rivierstand werden de oeverwallen regelmatig doorbroken, waardoor er crevassegeulen ontstonden. In en rondom de crevassegeulen vond sedimentatie plaats. Op basis van de stroomgordelkaart14 ligt het plangebied binnen de stroomgordel van Brakel, die actief was in het Laat-Mesolithicum tot Vroeg-Neolithicum. In de periode Midden-Bronstijd – MiddenRomeinse tijd was de stroomgordel van Gameren actief in het plangebied. Naar verwachting zullen de gevormde stroomruggen en oeverwallen binnen en langszij van de Gameren stroomgordel vanaf de IJzertijd geschikt zijn geweest voor bewoning, omdat deze minder vaak overstroomden bij hoogwater. Hierdoor zullen de oudere rivierafzettingen grotendeels geërodeerd zijn.
Op basis van de zanddieptekaart15 worden de beddingafzettingen van deze rivier op 1,5 à 2 m -mv verwacht. Na enige tijd verzandde de bedding en verlegde de rivier zijn loop. Het zandige geullichaam en de oeverwallen bleven achter en kwamen door ontwatering en differentiële klink hoger te liggen, hierdoor werden ze later gunstige plekken voor bewoning. Nadat de stroomgordel van Gameren buiten gebruik raakte is vermoedelijk een pakket komafzettingen vanuit nabijgelegen rivieren zoals de Waal/Merwede afgezet. DINO16 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 17 Circa 230 m ten noorden van het plangebied is een boring geregistreerd die buiten de stroomgordel ligt. Tot 2,4 m -mv is zwak siltige klei aangetroffen behorende bij de Formatie van Echteld. Hieronder komen enkele 10 à 20 cm dikke veenlaagjes voor, behorende bij de Formatie van Nieuwkoop .
Circa 580 m ten westen van het plangebied is een boring geregistreerd binnen de stroomgordel van Gameren. Hier bestaat de bodem tot 1,25 m -mv uit klei en van 1,25 tot 2 m -mv uit zand (vermoedelijk beddingzand). Dit is typisch voor de stroomgordel en dit is ook indicatief voor het plangebied. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een stroomrug (3B44) en een klein deel in het zuiden zit in een restgeul (22R43) (zie figuur 5).
14
Cohen et al, 2012. Cohen et al., 2009. 16 Dinoloket. 17 DINO boornummers B44F1523 & B44F0255. 15
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 5 van 17
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied matig hoog, circa 2 m +NAP. Het laagste niveau ligt in het noorden (circa 1 m +NAP) en het hoogste in het zuidwesten (circa 2,5 m +NAP). Het westelijk deel van het plangebied is hoger dan in vergelijking met het oostelijk deel, dit kan wijzen op een ophoging in het westen. De restgeul is buiten het plangebied herkenbaar als een laag gelegen strook die door het plangebied gaat, het westelijk deel van het plangebied is de enige verhoging hierin (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een kalkloze poldervaaggrond, bestaand uit zavel en lichte klei (Rn67C) (zie figuur 7). Bij vaaggronden heeft tot heden weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zij daarentegen wel volledig gerijpt. Bij poldervaaggronden bestaat het bodemprofiel veelal uit een dunne A-horizont (humeuze toplaag) met een C-horizont (origineel moedermateriaal) direct eronder waar roestvlekken ondieper dan 50 cm onder maaiveld in voorkomen.
De kalkloosheid is een teken dat de afzettingen een lange tijd aan het maaiveld liggen of dat komklei de top van de afzettingen vormt. Komkleien zijn over het algemeen ontkalkt door het wegspoelen van kalk tijdens het afzetten en in de periode daarna (vanwege een lange periode van onderwater staan). Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
Grondwatertrappenindeling19
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
18 19
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
AHN. Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 6 van 17
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Gelderland De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Volgens de CHW-kaart van de provincie Gelderland heeft het plangebied een middelhoge trefkans op de aanwezigheid van archeologische waarden. Naast het plangebied bevindt zich een nog bestaande weg uit 1832 en een ruilverkavelingsboerderij, ook lag een dorpskade direct naast het plangebied (zie figuur 11).
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. In het onderzoeksgebied liggen twee AMK-terreinen (zie bijlage 2 en figuur 10). Dit betreffen terreinen waar bewoningssporen uit de Romeinse tijd en mogelijk de Late-IJzertijd zijn aangetroffen. De AMKterreinen rondom het plangebied geven aan dat Romeinen actief waren in de omgeving en er kunnen Romeinse artefacten in het plangebied aanwezig zijn. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zes archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoek en booronderzoeken (verkennend/karterend) (zie bijlage 3 en figuur 10).
20
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 7 van 17
Tijdens de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd zijn geen archeologische waarden aangetroffen. De bodem bestond over het algemeen uit een 10 tot 40 cm dikke bouwvoor (Ahorizont). De bouwvoor gaat doorgaans abrupt over in kalkrijke oeverafzettingen (C-horizont) die bestaan uit sterk tot uiterst siltige klei of uiterst siltig, matig fijn zand. De oeverafzettingen lopen gemiddeld door tot circa 60 à 100 cm –mv en de top hiervan is vaak in de bouwvoor opgenomen. In de diepere ondergrond komen beddingafzettingen, komafzettingen, geulafzettingen en crevasseafzettingen voor. Kenmerkend voor de geulen zijn de zand-, silt- en kleilaagjes en plantenresten die in kalkrijk, sterk siltige klei en zwak siltig tot sterk siltig zand voorkomen Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied23 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twee vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 10). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden IJzertijd – Romeinse tijd. Het betreffen vooral aardewerkfragmenten uit deze perioden die tijdens bodemkundige karteringen aan het maaiveld zijn gevonden 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van het rivierengebied In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van het rivierengebied gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Voor een uitgebreide bespreking van de bewoningsgeschiedenis van het gebied binnen de gemeente Zaltbommel en omgeving wordt verwezen naar de rapportage behorende bij de cultuurhistorische inventarisatiekaart voor het grondgebied van de gemeente Zaltbommel. 24 De oudst bekende nederzettingen van het deel van het rivierengebied binnen de gemeente Zaltbommel dateren uit het Mesolithicum. Ze zijn voornamelijk te vinden op rivierduinen en op grote stroomruggen.
De relatief hooggelegen stroomruggen liepen meestal niet onder water tijdens overstromingen, vanwege hun goed doorlatende en meestal kalkrijke gronden waren ze het meest geschikt voor landbouw. De rivieren waren ook de enige verkeersaders. Tijdens de Romeinse tijd vormde de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk (de limes). In deze periode lag bij de splitsing van de Lek en Kromme Rijn een Romeins fort. Aan het eind van de Romeinse tijd nam de bevolkingsdichtheid geleidelijk af. Dit hangt samen met het verval van het Romeinse rijk, en waarschijnlijk ook met een toename van het aantal overstromingen als gevolg van klimaatveranderingen.
23 24
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Goossens et al., 2011.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 8 van 17
Pas in de Vroege-Middeleeuwen (vooral de Karolingische tijd, 650-900 na Chr.) nam het aantal nederzettingen weer stevig toe. In de Vroege-Middeleeuwen vormde de ter plaatse gelegen handels- en havenplaats Dorestad een belangrijk punt in de langeafstandshandel in het Noordzee- en Oostzeegebied. De Karolingische nederzettingen zijn vaak te vinden op de hoger gelegen stroomruggen, waardoor ze een langgerekt patroon vormen. Rond 1200 na Chr. begon men met het aanleggen van dijken om de dorpen te beschermen tegen overstromingen, vaak eerst in de vorm van dwarsdijken en in latere fases naast de huidige rivieren. Zuilichem is ontstaan op één van de plaatsen waar de Waal de meandergordel van Gameren doorsnijd. Waarschijnlijk vormden deze plaatsen de hoogstgelegen delen in de omgeving en overstroomden ze niet bij zeer hoog water. In 1143 komt de naam Zuilichem voor als Solekeim, later, in 1196 als Sulenchem. Het achtervoegsel -chem of -keim is afgeleid van het woord heem, Zuilichem zou dan de woonplaats geweest moeten zijn van een zekere persoon of stam Sole, of Sulen. Uit historisch onderzoek is vast komen te staan dat Zuilichem reeds in de 9e eeuw bewoond was.
Het zoeken naar bescherming tegen het overstromingswater leidde tussen de 10e en 13e eeuw tot de bedijking van de nederzetting, waarbij als eerste de Zeivingen (zijvang of zijving), vervolgens de Achterdijk en tenslotte de rivierdijk werden aangelegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut25
1811-1832
1:2.500
Weiland
Geen bebouwing in omgeving plangebied, Mertstraat liep ten noorden van plangebied
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1850
1:25.000
Weiland
Geen
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1880-1908
1:25.000
Weiland
Geen
Topografische kaart
1950
1:25.000
Weiland
Geen
Topografische kaart
1970
1:25.000
Weiland
De Van Heemstraweg is ten zuiden van het plangebied aangelegd
Topografische kaart
1985
1:25.000
Bebouwd (huidige situatie)
Verspreide boerderijen in omgeving plangebied
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal kan geconcludeerd worden dat het plangebied in het begin van de 19e eeuw in gebruik was als weiland en pas aan het eind van de 20e eeuw substantiële veranderingen onderging (zie figuur 12). De voorloper van de huidige Mertstraat was in ieder geval al aanwezig in het begin van de 19 e eeuw. Op basis van de percelering vormde deze straat de achtergrens van twee ontginningsblokken en was geen bebouwing langs deze straat aanwezig. Pas aan het eind van de 20e eeuw raakte het plangebied bebouwd. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens 25
Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 9 van 17
Volgens informatie verkregen van de opdrachtgever is de huidige bebouwing gefundeerd op een betonplaat, op circa 60 cm -mv. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat de loods in 1999 werd geconstrueerd.26 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum
Zeer laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Binnen het pakket Holocene afzettingen (verspoeld, toevalstreffers?)
Neolithicum - Bronstijd
Zeer laag
kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Binnen het pakket Holocene afzettingen (verspoeld, toevalstreffers?)
IJzertijd - VroegeMiddeleeuwen
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Top van de oeverwal-/stroomgordelafzettingen van de meandergordel/stroomgordel van Gameren, mogelijk bedekt door komafzettingen
Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Vanaf het maaiveld
In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit de periode IJzertijd – VroegeMiddeleeuwen op of in de top van de oeverafzettingen van de Gameren stroomgordel direct onder het maaiveld of afgedekt met een laag komafzettingen. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Vanwege de ligging op een oeverwal vormde het plangebied vermoedelijk een gunstige vestigingslocatie. Mogelijk is in het zuiden van het plangebied een restgeul aanwezig. Dergelijke locaties waren ongeschikt voor bewoning, maar hier kunnen wel resten zoals afvaldumps, bruggen of voorden voorkomen. De archeologische laag bestaat uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat. Organische resten en metaal zullen door de vermoede ligging boven het grondwater slecht zijn geconserveerd.27 Vanaf circa 430 na Chr. ontstond de meandergordel/stroomgordel van de Waal-Merwede ten noorden van het plangebied. Mogelijk is vanaf deze periode een laag komklei in het plangebied afgezet. Op basis van kaartmateriaal vanaf het begin van de 19e eeuw lag het plangebied in een weidegebied. Er zijn zowel op de kaarten als op het AHN geen aanwijzingen voor bewoningsplaatsen aangetroffen. Vermoedelijk is het plangebied sinds de ontginning in gebruik geweest als weide of mogelijk bouwland.
Bewoningsresten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden daarom niet verwacht. Bodemverstoring
26 27
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Kars & Smit, 2003.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 10 van 17
Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weide. In de tweede helft van de 20e eeuw raakte het in gebruik als bedrijfsterrein. Bij de inrichting van dit terrein kan de bodem deels verstoord zijn geraakt. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek worden vooral resten verwacht uit de periode IJzertijd – Vroege-Middeleeuwen. Deze worden vanaf het maaiveld verwacht, in de top van de oeverafzettingen van de Gameren stroomgordel. De onderzoeksvragen kunnen als volgt beantwoord worden: •
•
•
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? In het Laat-Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum liep de stroomgordel van Brakel door het plangebied, die waarschijnlijk een pakket beddingafzettingen heeft afgezet, met hierop oeverafzettingen. Deze sedimenten zullen echter grotendeels zijn opgeruimd door de latere stroomgordel van Gameren, die tussen de Midden-Bronstijd en Midden-Romeinse tijd actief was. In het plangebied worden oever- op beddingafzettingen verwacht van deze stroomgordel. In het zuiden van het plangebied is vermoedelijk een restgeul van dezelfde stroomgordel aanwezig. Vanaf de overgang Romeinse tijd / Vroege-Middeleeuwen is mogelijk een laag komafzettingen afgezet vanuit de Waal-Merwede. Deze zullen de oudere sedimenten afgedekt hebben. Aangezien komafzettingen over het algemeen onder relatief rustige omstandigheden worden afgezet, zal de erosie beperkt zijn gebleven. Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als weide. In de tweede helft van de 20e eeuw raakte het in gebruik als bedrijfsterrein. Bij de inrichting van dit terrein kan de bodem deels verstoord zijn geraakt.
De diepte hiervan is niet duidelijk. Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor- en vondstniveaus, ophogings- of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? De oudst bekende resten in de omgeving van Zaltbommel dateren uit het Mesolithicum, toen vooral op de rivierduinen en grotere stroomgordels gewoond werd. De oeverafzettingen van de stroomgordel van Brakel binnen het plangebied waren mogelijk geschikt voor bewoning. Vanaf het Neolithicum kon mogelijk op de stroomrug van deze stroomgordel gewoond worden. Deze resten zullen reeds verdwenen zijn als gevolg van erosie door de latere stroomgordel van Gameren. Deze was in de periode Midden-Bronstijd – Midden-Romeinse tijd actief. Vermoedelijk waren de oevers van deze rivier vanaf de IJzertijd geschikt voor bewoning. In het plangebied kunnen daarom archeologische resten vanaf de IJzertijd tot in de Vroege-Middeleeuwen verwacht worden. Deze resten worden overwegend verwacht binnen een meter -mv. Eventuele vondsten komen voor in een vegetatieniveau / laklaag bovenin de oeverafzettingen, met direct hieronder het sporenniveau.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 11 van 17
•
•
•
•
Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Niet van toepassing Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? In het plangebied worden in de top van de oeverafzettingen van de Gameren stroomgordel archeologische resten verwacht uit de periode IJzertijd – Vroege-Middeleeuwen. Deze resten worden verwacht binnen een meter beneden maaiveld, maar kunnen ook al direct onder het maaiveld voorkomen. De kans is daarom aanwezig dat eventuele archeologische resten verstoord zullen worden door de geplande bodemingreep. Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Het verkennende booronderzoek heeft als doel om de bodemverstoringen in kaart te brengen en tevens om de bodemopbouw, landschappelijke situatie en stratigrafie in kaart te brengen. Op basis hiervan kan de archeologische verwachting worden aangescherpt.
Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase? De verwachte resten kunnen worden opgespoord met een karterend booronderzoek, type C328. Hierbij wordt in een 17x20 m grid geboord met een 12 cm Edelmanboor. Het opgeboorde sediment wordt met een boormes versneden om archeologische resten op te sporen.
28 Tol et al., 2012.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 12 van 17
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld bodemkundig beschreven en door middel van versnijden/verbrokkelen onderzocht op archeologisch indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. 3.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven.
Tabel V.
Hoofdlijn bodemopbouw
Diepte bovenkant
Samenstelling
Interpretatie
maaiveld (1,4 – 2,5 m NAP)
Grijsbruine tot lichtgrijze klei, zandig, zwak humeus, weinig plantenresten, donkergrijze vlekken/plaatselijk lichtbruin, sterk siltig, matig fijn zand met kleibrokken
Omgewerkte grond
50 à 60 cm -mv / 1,1 à 1,2 m NAP (boring 2 en 3)
Lichtgrijze tot lichtbruine klei, sterk tot uiterst siltig, kalkrijk
Oeverafzetting
80 à 160 cm -mv / 0,2 à 0,9 m NAP
Bruingrijze klei, sterk siltig, zwak humeus, weinig plantenresten, gevlekt zwart, veenlagen, kalkloos
Restgeulafzetting
140 à 260 cm -mv / 0,0 à -0,2 m NAP
Bruingrijs zand, matig grof, matig siltig, weinig plantenresten, gevlekt zwart
Beddingzand
De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In het zuiden van het plangebied is bij boring 1 mogelijk verontreinigde grond aangetroffen (verdachte oliegeur) vanaf 1,4 m onder maaiveld, waardoor de boring werd gestaakt. Hierboven bevonden zich hier vlekkerige, grijze kleilagen. Bij de overige boringen zijn geen aanwijzingen voor verontreinigingen aangetroffen. In de boringen 2-5 is onderin een pakket matig grof zand aangetroffen, die geïnterpreteerd is als beddingafzetting. Dit zand is aangetroffen op 1,4 à 2,6 m -mv (0,0 à -0,2 m NAP). Hierop ligt een pakket sterk siltige, humeuze, bruingrijze klei met veen- of detrituslagen en plantenresten, geïnterpreteerd als restgeulafzettingen. De top hiervan bevindt zich op 80 à 160 cm -mv (0,2 à 0,9 m NAP). In boring 2 en 3 is hierboven een dunne laag oeverafzettingen (lichtgrijze tot lichtbruine, siltige klei) aangetroffen, waarvan de top zich op 50 à 60 cm -mv (1,1 à 1,2 m NAP) bevindt.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 13 van 17
Boven de natuurlijke afzettingen zijn vlekkerige lagen zandige klei of sterk siltig zand aangetroffen. Dit betreffen verstoorde lagen. In het lager gelegen, zuidoostelijke deel van het plangebied (boring 2 en 3) is dit verstoorde pakket 50 à 60 cm dik, hier is nog een restant van het pakket oeverafzettingen aanwezig. In de overige boringen is het verstoorde pakket dikker, tot meer dan 1,9 m -mv in boring 1. In de meest westelijke boringen (1 en 4) bestaat dit pakket deels uit opgebrachte lagen, gezien de hogere ligging van dit deel van het plangebied. Tijdens het veldwerk kon in boring 1 geen duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de verstoorde en opgebrachte lagen. In boring 4 is tussen 30 en 110 cm -mv (2,1 tot 1,3 m NAP) een pakket sterk siltig zand aangetroffen, dat waarschijnlijk een pakket opgebracht zand betreft. Op basis van het booronderzoek is vastgesteld dat binnen het plangebied een restgeul aanwezig, zoals eerder in het bureauonderzoek aangegeven. Hoewel deze restgeul vooral in het zuidoosten verwacht werd, is deze in het gehele plangebied aangetroffen. In de meeste boringen is de bodem verstoord tot in deze restgeulafzettingen en in twee boringen is nog een restant van de bovenliggende oeverafzettingen aangetroffen. De top van deze oever is echter verstoord, waardoor eventuele archeologisch relevante lagen reeds geheel verloren zijn gegaan.
Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.3
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Alhoewel er volgens de beleidskaart er een hoge archeologische waarde aan het plangebied wordt toegerekend door de ligging op een stroomgordel, is dit tijdens het booronderzoek niet bevestigd. Tijdens het onderzoek bleek dat het plangebied gelegen is op een restgeul, deels afgedekt met oeverafzettingen. De oeverafzettingen zijn grotendeels verstoord en dat maakt het zeer onwaarschijnlijk dat archeologische resten aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek zijn er geen archeologische indicatoren gevonden. Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 14 van 17
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een oeverwal de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit oeverwal/restgeul op beddingafzettingen. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels weerlegd. De bodem is meer verstoord dan eerder verwacht en er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De hoge verwachting voor de perioden vanaf de IJzertijd tot Vroege-Middeleeuwen dient, op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek, te worden bijgesteld naar een lage verwachting. Op grond van het ontbreken van deze resultaten adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden en het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodem verstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.
De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 29).
29 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 15 van 17
LITERATUUR Bergman, W.A., 2017: Gemeente Zaltbommel; Plangebied Uilkerweg te Zuilichem; Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). ’s Hertogenbosch (BAAC Rapport V-16.0340). Boer, E.A.M. de, 2016: Gemeente Zaltbommel; Plangebied Uilkerweg te Zuilichem; Archeologisch bureauonderzoek. ’s Hertogenbosch (BAAC Rapport V-16.0200). Cohen, K.M., E. Stouthamer, W.Z. Hoek, H.J.A. Berendsen, en H.F.J. Kempen, 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Arnhem: Provincie Gelderland. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Cruyningen, P.J. van, 2005: Landgoederen en landschap in de Graafschap. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Goossens, E., F. van Hemmen, J. Breimer & C.M.A. Sanders, 2011: Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel. Weesp (RAAP-Rapport 2025). Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland.
Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 44 oost. Stichting voor Bodemkartering, 1990: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 44 Oost. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek, versie 2.0. Gouda. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zee, R.M. van der, 2007: Locatie ‘Mertstraat’ te Zuilichem, gemeente Zaltbommel. Een inventariserend veldonderzoek. Amsterdam (STAR 127).
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 16 van 17
BRONNEN AHN; internetsite, september 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, september 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, september 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, september 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, september 2020. http://www.dinoloket.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, september 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provincie Gelderland Zandbanen; internetsite, september 2020. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=471707400d6f44d5a743100c65 e3ce9b SIKB; internetsite, september 2020. https://www.sikb.nl
Rapport 13232.001 versie 1
Pagina 17 van 17
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Mertstraat 5 te Zuilichem. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Mertstraat 5 te Zuilichem. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 30
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Zaltbommel Legenda Plangebied
30
E. Goossens, F. van Hemmen, J. Breimer & C.M.A. Sanders, 2011.
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart31
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
31
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 32
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
32
AHN
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart33
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart
33
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zand diepte) 34
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zand diepte)
34
Provincie Gelderland Zandbanen.
Rapport 13232.001 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (deklagen) 35
Mertstraat 5 te Zuilichem. Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (deklagen)