Bijlage 4. toelichting - bijlagen
Tekst van het document
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft een perceel dat grotendeels verhard en bebouwd is. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse en/of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, esdoorn, gewone braam, gewone es, laurierkers, klimop, straatgras. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rsse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing en steenmarter. Op de planlocatie is geen sprake van potentieel geschikt habitat voor de bever. Negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekkingbiendende (groen)structuren en schuilgelegenheid. Verblijfplaatsen bevinden zich in structuren als rommelhopen, takkenhopen en holen van andere dieren. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden.
De bunzing en in mindere mater de wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met
5
voldoende geschikt groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). In de directe omgeving van de planlocatie is een dergelijk kleinschalig landschap niet aanwezig. Er is veel sprake van verstoring door menselijke activiteiten, gezien alle bebouwing in gebruik. Bovendien zijn er veel wegen en huizen met bijkomende verstoring in de directe ogmeving van de planlocatie. Voldoende geschikte dekking biedende vegetatie ontbreekt evenals gunstige migratie mogelijkheden in de omgeving. De planlocatie biedt derhalve geen geschikte mogelijkheden voor het voorkomen van rust- en/of verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute. Negatieve effecten op kleine marterachtigen kunnen worden uitgesloten. De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroevens, rotsige hellingen en gebouwen. De soort wordt in Nederland met name aangetroffen in kleinschalige landschappen nabij steden, dorpen en boerderijen met parken, landbouwpercelen, oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageeren jachtgebied van belang (Zoogdiervereniging, 2020). De steenmarter is een marterachtige die regelmatig in menselijke bebouwing huist.
Alle bebouwing is geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van een verblijfplaats van de steenmarter zoals prenten, uitwerpselen of prooiresten. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen op de planlocatie. Tevens zijn er geen geschikte openingen aangetroffen die steenmarters toegang zouden kunnen geven tot de bebouwing. Derhalve kan de aanweizgheid van een vaste rust- en/of verblijfplaats van een steenmarter worden uitgesloten. De planlocatie zal ook geen essentiële functie vervullen als foerageergebied of onderdeel van een migratieroute, mede gezien de beperkte hoeveelheid groen en de afwezigheid van sporen als wissels. Veel van de (beperkt) aanwezig groenstructuren blijven bovendien waarschijnlijk behouden in de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten op de steenmarter kunnen worden uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals de egel. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, vale vleermuis en watervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing van de sporthal en het zwembad (gebouw A en B, respectievelijk) bieden zeer geschikte mogelijkheden voor het voorkomen van rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen. Beide gebouwen hebben diverse gevels met open stootvoegen die vleermuizen toegang bieden
6
tot de spouwmuren. Daarnaast is er op diverse delen trespa beplating aanwezig met kieren, waar vleermuizen in kunnen kruipen. Tevens zijn er kierende delen aanwezig onder de dakranden van beide gebouwen. Mogelijk is er achter de delen met houten betimmering aan het gebouw van de sporthal (gebouw A) ook ruimte aanwezig waar vleermuizen achter kunnen kruipen. De bebouwing van de jeu-de-boule vereniging (gebouw C) is niet erg geschikt voor vleermuizen. Er zijn enkel wat beperkt kierende delen aangetroffen onder de dakrand. Volledigheidshalve wordt geadviseerd dit gebouw wel mee te nemen in het vleermuisonderzoek. Gebouw D is ongeschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Om aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen). Hierbij dient tevens onderzocht te worden of de bebouwing een functie heeft als (massa)winterverblijfplaats voor gebouw bewonende soorten, gezien de bouwmassa en het thermisch bufferend vermogen mogelijk voldoende zijn. A
B
C
D
E
F
Figuur 3
7
De te saneren bebouwing op de planlocatie is geschikt als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Een selectie van de geschikte openingen tot potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen betreffen: A) open stootvoegen in gebouw A; B) kierende trespa beplating en daklijsten van gebouw A; C) kierende daklijst op gebouw A; D) open stootvoegen en kierende trespa beplating van gebouw B; E) kier naast kozijn van gebouw B; F) open stoetvoegen in gebouw B.
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Er zijn diverse holtes aangetroffen in de bomen op de planlocatie, waarvan een aantal gekapt zal worden. Deze holten zijn echter naar verwachting niet voldoende naar boven ingerot om geschikt te zijn als rust- en/of verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Echter, gezien er vleermuisonderzoek plaats moet vinden voor de bebouwing wordt geadviseerd om volledigheidshalve de bomen ook mee te nemen in het vleermuisonderzoek. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Naast de parkeerplaats bevindt zich een bomenrij, waarvan er een aantal worden gekapt.
Het is mogelijk dat deze bomenrij wordt gebruikt als (onderdeel van) een vliegroute. Tevens is het goed mogelijk dat er boven de parkeerplaats en/of de watergangen foeragerende vleermuizen voorkomen. Het voorkomen van foerageergebied en/of een vliegroute dient eveneens onderzocht te worden tijdens het aanvullende vleermuis onderzoek. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient zo min mogelijk verlichting te worden toegepast. De werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor enkel de kamsalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander wordt vaak waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen en struweel.
Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, beperkt beschaduwd en zonder vissen of watervogels (Ravon, 2020). De watergangen (figuur 4) op de planlocatie voldoen niet aan de eisen om geschikt te zijn als voortplantingswater voor de kamsalamander. Overig geschikt habitat voor de soort is eveneens niet aanwezig. De planlocatie is derhalve niet van betekenis voor de kamsalamander en negatieve effecten zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Er wordt mogelijk een flauwer talud gecreërd aan de watergangen, wat gunstig kan zijn voor eventueel aanwezige amfibieën in de omgeving. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
8
Figuur 2
Er ligt een watergang tussen de bebouwing en de parkeerplaats.
Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). De watergangen op de planlocatie blijven behouden, waardoor negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Het eventueel creëren van een flauwer talud hoeft, mits zorgvuldig wordt gewerkt, niet schadelijk te zijn voor eventueel aanwezige vissen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en teunisloempijlstaart (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de rivierrombout, welke met name voor komt in riviergebieden.
De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Op d e planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig, waardoor negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, merel, stadsduif, zilvermeeuw en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een
9
uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt voor nesten van huismussen vanwege het ontbreken van geschikte daken of andere mogelijk geschikte structuren. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot aantasting van groene delen (met name bomen), maar resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van de huismus. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). In de bebouwing op de planlocatie zijn geen geschikte invliegopeningen aangetroffen die naar potentiële nestruimtes voor gierzwaluwen kunnen leiden. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van roofvogelsoorten en uilen. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 1,2 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,1 km ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 5).
1,6 km
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
1,2 km
1,1 km
Figuur 5
11
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,2 km tot een Groene Ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van diverse woningen. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep mogelijk tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Er wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren om inzichtelijk te maken of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en andere Natura 2000gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten omtrent stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels een AERIUS berekening. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels
13
Artikel 3.5
Nee Nee Ja
Nee Nee Nee Nee Nee
Verblijfplaatsen/essentiele vliegroutes/essentieel foerageergebied
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Ja
n.v.t.
n.v.t.
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis
Ja
Nee
Ja
Watervleermuis
Ja
Ja
Nee
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Baardvleermuis
Nee
Ja
Ja
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis Tweekleurige vleermuis
Nee Nee
Ja Nee
Nee Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute Essentieel foerageergebied
Ja Ja
n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t
Lijnvormige structuren Houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. Vleermuissoort Zomer Kraam
Paar
Winter
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Tweekleurige
Ja Ja Ja Nee
Ja Ja Nee Nee
Tabel 5
Ja Ja Ja Nee
Ja Nee Ja Nee
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,6 km
stikstof
AERIUS
Gelders Natuurnetwerk
1,1 km
geen
n.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
1,2 km
geen
n.v.t.
Tabel 6
14
Potentiële openingen in bebouwing Hoge bebouwing met bufferend vermogen Potentiële openingen in bomen én bebouwing Potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing Aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Geen uitgestrekte, donkere bosgebieden. Geen uitgestrekte, donkere bosgebieden. Geen agrarisch gebied en te veel lichtverstoring Geen bosgebied Geen hoogbouw met meerdere lagen.
Overzicht van de Houtopstanden.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
mogelijk
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en de omliggende bomen een relevante functie hebben voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De herontwikkeling aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2017. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustusseptember) plaats te vinden. Zie tabel 3 en 4 voor de specifiek potentie per soort en per type verblijfplaats. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute en/of foerageergebied dient teven beoordeeld te worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
15
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
16
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vleermuisprotocol.nl www.zoogdiervereniging.nl
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
19
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel en bestaat uit een sporthal, zwembad, jeu-de-boule vereniging en semi-mobiele cafetaria met parkeergelegenheid.
Figuur 2
Er ligt een watergang tussen de bebouwing en de parkeerplaats.
20
Figuur 3
Er ligt een tweede watergangen de noordoostzijde van de planlocatie (figuur 3).
Figuur 4
De zuidzijde van de sporthal.
Figuur 5 De noordoostzijde van de sporthal.
Figuur 6
21
De zuidwestzijde van het zwembad.
22
Figuur 7
Het terrein van de jeu-be-boule vereniging.
Figuur 8
Een deel van de bomenrij naast de parkeerplaats.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
23
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
24
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
25
Bijlage 3 Vleermuisonderzoek, Blom Ecologie B.V., 24 september 2021
Vleermuisonderzoek aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming
1
Colofon
Status:
Definitief
Project:
BE/2021/093
Datum:
24 september 2021
Samensteller(s):
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
GEMEENTE ZALTBOMMEL Hogeweg 11 5301 LB Zaltbommel Contactpersoon:
mevr. W. Nugteren
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V./ Gemeente Zaltbommel Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
2
Inhoud
1 Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel
4
1.2 Plangebied
5
1.3 Werkzaamheden
5
1.4 Te verwachten soorten en functies
5
1.5 Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode .......................................................................................................................................... 8 2.1 Theoretisch kader
8
2.2 Praktische uitvoering
9
2.3 Inventarisaties
11
2.4 Specifieke omstandigheden
12
2.5 Afwijkingen protocollen
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
3 Resultaten ..................................................................................................................................... 13 3.1 Vleermuizen
13
3.2 Overige soorten
15
4 Conclusie ...................................................................................................................................... 16 4.1 Vleermuizen
16
4.2 Overige soorten
16
4.3 Vervolgstap(pen)
16
4.4 Vooruitzicht projectplanning
17
5 Bronnen ......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1 Overzicht waarnemingen ............................................................................................. 19
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Aan de thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel is een perceel met een Pelanque vereniging ‘Jeu de Bommel’, zwembad ‘Akwamarijn’, sporthal ‘De Ring’ en cafetaria ‘De Smulboetiek’ gesitueerd. Gemeente Zaltbommel is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te slopen ten behoeve van nieuwbouw. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde natuurwaarden is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep (Poelman, 2020).
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of de bebouwing op de planlocatie daadwerkelijk een functie heeft voor vleermuizen was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Gemeente Zaltbommel heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven. Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •
Zijn vleermuizen aanwezig in de planlocatie?
•
Op welke wijze maken de vleermuizen gebruik van de planlocatie? Zijn in de planlocatie vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?
•
Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen?
4
1.2
Plangebied De planlocatie betreft panden aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel, de bijbehorende buitenruimte en de openbare ruimte tussen de panden en de Thorbeckstraat (figuur 1.2). De planlocatie wordt omsloten door de Prins Clausstraat, Thorbeckestraat en Prins Bernhardweg. Het betreft een perceel met Pelanque vereniging ‘Jeu de Bommel’, zwembad ‘Akwamarijn’, sporthal ‘De Ring’ en cafetaria ‘De Smulboetiek’. Er is hierbij een gezamenlijke parkeerplaats aanwezig. Tevens zijn er verharde delen aanwezig rondom de bebouwing. Daarnaast zijn er diverse bomen, struiken, hagen en ander groen aanwezig. Er zijn eveneens twee watergangen aanwezig. In de quickscan (Poelman, 2020) is een uitgebreide omschrijving van de planlocatie te vinden.
Figuur 1.2
1.3
De bebouwing op de planlocatie aan de Thorbeckestraat 53a, 55 & 57 te Zaltbommel.
Werkzaamheden De werkzaamheden zullen op hoofdlijnen bestaan uit: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
1.4
Slopen van bebouwing; Kap van bomen; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen; Egaliseren terrein; Realisatie nieuwbouw; Revitalisatie terrein en aanleg verharding.
Mogelijk aanwezige soorten Uit het oriënterend onderzoek (Poelman, 2020) is gebleken dat de bebouwing op de planlocatie geschikt is als verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1). De te slopen bebouwing op de planlocatie is geschikt als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Geschikte openingen en potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen betreffen: open stootvoegen, kierende trespa beplating en daklijsten, kierende daklijsten en kierende kozijnen. 5
Tabel 1.1
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is (Poelman, 2020). Soortenbescherming
Soortgroep
Beschermingsregime Wet nb
Soortspecifiek onderzoek
Vaatplanten
n.v.t.
Nee
Grondgebonden zoogdieren
n.v.t
Nee
Vleermuizen
Artikel 3.5
Ja
Amfibieën
n.v.t.
Nee
Reptielen
n.v.t.
Nee
Vissen
n.v.t.
Nee
Insecten en andere
n.v.t.
Nee
Vogels
n.v.t.
Nee
Tabel 1.2
Mogelijk functie plangebied
Verblijfplaatsen
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied (Poelman, 2020).
Vleermuissoort
Potentie
Boom bewonend
Gebouw bewonend
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële bebouwing
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis
Ja
n.v.t.
n.v.t.
Hoge bebouwing bufferende vermogen
Ruige dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Potentiële openingen in bomen én bebouwing
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Potentiële openingen voldoende grootte bebouwing
Meervleermuis
Ja
Nee
Ja
Aanwezigheid oppervlaktewater omgeving
in
groot de
Aanwezigheid oppervlaktewater omgeving
in
groot de
Watervleermuis
6
Ja
Ja
Nee
openingen
in met
van in
Franjestaart
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) voldoende inrotting
met
Baardvleermuis
Nee
Ja
Ja
Geen uitgestrekte, bosgebieden
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Geen agrarisch gebied te (te) veel lichtverstoring
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Geen boomholte(s) voldoende inrotting
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Geen hoogbouw met meerdere bouwlagen
Essentiele vliegroute
Ja
N.v.t.
N.v.t.
Lijnvormige aanwezig
Essentieel foerageergebied
Ja
N.v.t.
N.v.t.
Struweel en oppervlaktewater
donkere
met
structuren
Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort.
Tabel 1.3
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Ja
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Meervleermuis
Ja
Ja
Nee
Nee
Watervleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Figuur 1.3
Winter
De te saneren bebouwing op de planlocatie is geschikt als potentiële verblijfplaats voor vleermuizen. Geschikte openingen en potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen betreffen: open stootvoegen, kierende trespa beplating en daklijsten, kierende daklijsten en kierende kozijnen.
1.5
Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen
en
nationaal
beschermde
soorten,
uiteen
in
drie
verschillende
beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde ingreep (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.
7
2 Methode 2.1
Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1 Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (2x veldbezoek), waarvan minimaal 1 veldbezoek in juni. Indien meerdere soorten worden meegenomen kan het aantal veldbezoeken oplopen tot 3. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek).
Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Winterverblijfplaats: Onvolledig inspecteerbare winterverblijfplaatsen kunnen voor de gewone dwergvleermuis onderzocht worden door zwermbezoeken in de periode 1 augustus t/m 10 september (2x veldbezoek). Onderzoek wordt uitgevoerd met een batdetector eventueel in combinatie met een warmtebeeldcamera. Essentieel foerageergebied1: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 april t/m 1 oktober (15 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort. Onderzoek is visueel en gericht op foeragerende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Vervolg op volgende pagina.
8