CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4.3 toelichting-bijlage 2 bodemonderzoeken

Raadsvergadering 16 maart 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan De Wielewaal, Zaltbommel26.114 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel

PROJECTNUMMER: B21.8103 Versie: 01

è

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel

PROJECTNUMMER: B21.8103 Versie: 01

OPDRACHTGEVER: Trebbe Bouw B.V.

DATUM: 15 oktober 2021

Auteur:

Autorisatie:

Ing. G.S.T.M. van Oers Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B21.8103/R8103-01/GO

De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Trebbe Bouw B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 en de NEN 5740/A1:2016 en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 in combinatie met de NEN 5897:2015/C2:2017. Het doel van de onderzoeken is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) en overige materialen (zoals puinfundering) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. G.S.T.M. van Oers en de heer ing. H.M.W. van der Donk.

Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit het historisch onderzoek en locatiebezoek komen de volgende aandachtspunten naar voren:  Van de onderzoekslocatie zijn geen recente (bodem)onderzoeken bekend. In het verleden zijn wel diverse onderzoeken uitgevoerd en is de bovengrond gesaneerd ten behoeve van de bouw van het huidig zorgcomplex uit 1995;  Ter plaatse van de M. van Rossemsingel 3, direct ten noordwesten van de locatie, zijn recentelijk diverse onderzoeken en saneringen uitgevoerd;  Op basis van de hinderwettekening, verkregen van de ODR, zijn op de locatie in het verleden diverse verdachte activiteiten aanwezig geweest (kolenberging, schilderwerkplaats, spuitkamer, verfberging, lakkamer, smederij, acetyleen app, kolen en wagen). Momenteel is de locatie in gebruik als zorgcomplex;  Uit het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl blijkt dat de locatie reeds sinds de jaren ’50 van vorige eeuw bebouwd is. De huidige bebouwing is omstreeks 1995 gerealiseerd.

Daarnaast blijkt dat op de locatie naar verwachting drie voormalige watergangen aanwezig zijn en dat aan de zuidwestelijke grens van de onderzoekslocatie, ter hoogte van de Johan van Oldenbarneveldstraat, boomgaarden aanwezig zijn (geweest);  Op de locatie is, zover als bekend, één voormalige ondergrondse tank aanwezig geweest, welke reeds is onderzocht in 1992;  Op de locatie is in het verleden mogelijk asbestverdachte bebouwing aanwezig geweest. Tevens zijn diverse verhardingen aanwezig. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van asbestverdachte puinbijmengingen in de bodem niet worden uitgesloten. De huidige bebouwing is niet asbestverdacht;  Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is de aanwezigheid van de diverse verhardingen bevestigd. Daarnaast is ter plaatse van de Marten van Rossemsingel, ten noorden van de onderzoekslocatie, het talud circa 1 meter hoger gelegen. Op het zuidwestelijke deel zijn twee bestaande peilbuizen geconstateerd, waarvan één is geplaatst in 2012.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

3

Op basis van het historisch onderzoek wordt geadviseerd om een volledig verkennend onderzoek naar de algemene kwaliteit (NEN 5740) uit te voeren, waarbij de voormalige watergangen en het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag (ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie) aandachtspunten vormen. Tevens vormen de voormalige activiteiten aandachtpunten. Daarnaast wordt geadviseerd een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren conform de NEN 5707 en/of de NEN 5897. In voorliggende onderzoek is geen onderzoek naar PFAS opgenomen, aangezien naar verwachting geen grond wordt afgevoerd van de locatie. Conclusies en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Voor het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging, waarbij de voormalige watergangen, voormalige bodembedreigende activiteiten en het voorkomen van bestrijdingsmiddelen (OCB) in de (oorspronkelijke) teeltlaag ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie aandachtspunten vormden. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese verworpen worden. Analytisch zijn in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NENparameters aangetoond.

Tevens zijn in de (oorspronkelijke) teeltlaag eveneens geen verontreinigingen met OCB aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten op de onderzoekslocatie betreffen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde meetwaarden) de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk voor wat betreft de NEN-parameters. Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen en voormalige bodembedreigende activiteiten. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping van de watergangen eventueel slib verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde verdachte hypothese worden verworpen, aangezien zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetroffen. Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (verhardingen) op het maaiveld.

Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Indicatief herbruikbaarheidsonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van het indicatief herbruikbaarheidsonderzoek voldoet de puinlaag indicatief aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof (samenstelling- en uitloogparameters). De vrijkomende puinlaag kan indicatief worden hergebruikt als nietvormgegeven bouwstof. Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

4

Algehele conclusies en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is, ons inziens, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) en puinlaag in het kader van de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling ter plaatse van de Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel in voldoende mate onderzocht. De voormalige watergangen, voormalige boomgaarden ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie en de voormalige bodembedreigende activiteiten hebben niet geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. Tevens kan worden gesteld dat de bovengrondkwaliteit na de grondsanering in het verleden (voor de bouw van het huidig zorgcomplex) niet noemenswaardig is verslechterd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan, ons inziens, geen bezwaren tegen de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling, rekening houdend met onderstaande aanbeveling. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen (bijvoorbeeld op PFAS) worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmeringen (verhardingen), nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

5

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 6

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. HISTORISCH ONDERZOEK (NEN 5725) ...................................................................................................... 6

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................................ 10 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 10 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 12

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14 7.2. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 14 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 15

8.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 16 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 16 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 21

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 23 9.1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK........................................................................................................... 23 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 23 9.3. INDICATIEF HERBRUIKBAARHEIDSONDERZOEK ...................................................................................... 23 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 24

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 25 BIJLAGEN

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Situering in de regio Situatieschetsen met geplaatste boringen, proefgaten en peilbuizen Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en uitloging Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest Relevante historische informatie (incl. foto’s)

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

6

1.

INLEIDING Trebbe Bouw B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1] en de NEN 5740/A1:2016 [2] en conform de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] in combinatie met de NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heer ing. G.S.T.M. van Oers en de heer ing. H.M.W. van der Donk.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN Het doel van de onderzoeken is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) en overige materialen (zoals puinfundering) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen transactie en/of herontwikkeling.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocatie is gelegen aan de Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel en staat kadastraal bekend als gemeente Zaltbommel, sectie H, nummer 1138 (6.517 m²), nummer 122 (323 m²) en nummer 123 (1.445 m²). De locatie betreft een (zorg)woonvoorziening en heeft een totale oppervlakte van circa 8.300 m². In het verleden heeft op de onderzoekslocatie een schoolgebouw gestaan. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Historisch onderzoek (NEN 5725)

Voorafgaand aan de uitvoering van de diverse (bodem)onderzoeken is door Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Door VMT zijn de relevante gegevens van de websites www.bodemloket.nl, www.kadaster.nl en www.topotijdreis.nl geraadpleegd. Aanvullend is de historische informatie opgevraagd bij de provincie Gelderland en de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR). Alle reeds beschikbare informatie is door een medewerker van VMT bestudeerd en in onderstaande tekst verwerkt. Tevens is door VMT een locatiebezoek uitgevoerd (d.d. 10 september 2021). De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 7.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

7

Bodemkwaliteitsgegevens Op basis van de beschikbare informatie zijn op de locatie geen recente bodemonderzoeken uitgevoerd. Wel is bekend dat de locatie ruim 20 jaar geleden is onderzocht en gesaneerd. Onderstaand zijn de betreffende rapportages opgesomd:  Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, locatie Zorghuis Zaltbommel (Grondmij, kenmerk 2855-16, d.d. oktober 1992);  Aanvullend bodemonderzoek locatie Johan de Wittstraat (Grondmij, kenmerk 1206011, d.d. maart 1995); Daarnaast zijn van de directe omgeving diverse onderzoeken bekend, welke onderstaand zijn opgesomd en kort zijn samengevat:  Verkennend bodemonderzoek Bestemmingsplan Binnenvergt (Oranjewoud, kenmerk 157292, d.d. 1 november 2005);  Indicatief bodemonderzoek transportriool ‘De Vergt’ (Oranjewoud, kenmerk 163512, d.d. mei 2007);  Aanvullend bodemonderzoek M. van Rossemsingel (Oranjewoud, kenmerk 163512, d.d. juli 2007);  Verkennend bodemonderzoek M. van Rossemsingel (Inpijn-Blokpoel, kenmerk MB-7409, d.d. 30 september 2008);  Nader bodemonderzoek, aangevuld met herbemonstering grondwater M. van Rossemsingel 3 (Inpijn-Blokpoel, kenmerk MB-7409-B, d.d. 10 maart 2009);  Verkennen bodemonderzoek Binnenvergt (bouwblok 1b) (Oranjewoud, kenmerk 219581, d.d. mei 2010);  Verkennend bodem- en asbestonderzoek Binnenvergt fase 2a (Oranjewoud, kenmerk 153661-02, d.d. juni 2011);  Verkennend bodemonderzoek (incl.

asbest) Johan van Oldenbarneveldstraat 32 t/m 48 (Geofox-Lexmond, kenmerk 20121431/BKNO, d.d. 9 oktober 2012);  Verkennend bodemonderzoek Binnenvergt (Search ingenieursbureau, kenmerk 25.16.00007.1, d.d. 2 februari 2016);  Indicatief bodemonderzoek en verkennend asbest onderzoek M. van Rossemsingel 3 (InpijnBlokpoel, kenmerk 14P002111, d.d. 30 maart 2017). Onderzoekslocatie Uit de onderzoeksresultaten van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek (Grondmij, kenmerk 2855-16, d.d. oktober 1992), uitgevoerd ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie, zijn in de al dat niet sintelhoudende bovengrond licht tot sterk verhoogde gehalten voor diverse zware metalen (lood, cadmium, koper, kwik, zink) en/of PAK aangetoond. In de puin/sintelhoudende ondergrond is plaatselijk een matig verhoogd gehalte voor lood en licht verhoogde gehalten voor cadmium, koper en zink aangetoond. In de niet-sintelhoudende ondergrond zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, naftaleen en trichlooretheen aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten voor nikkel en fenolen gemeten. In 1995 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie (Grondmij, kenmerk 1206011, d.d. maart 1995).

Uit de onderzoeksresultaten zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten voor zware metalen (cadmium, koper, kwik en lood) aangetoond en een matig verhoogd gehalte voor PAK gemeten. De betreffende licht en matig verhoogde gehalten betreffen geen ernstig geval van bodemverontreiniging. In het kader van de voorgenomen nieuwbouw van het zorgcomplex is destijds de verontreinigde bovengrond gesaneerd (afgegraven en afgevoerd). Daarnaast heeft ter plaatse van de ingang van het voormalige schoolgebouw een ondergrondse tank gelegen die naar verwachting in 1992 voldoende is onderzocht.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

8

(Directe) omgeving Uit de onderzoeksresultaten uit de omgeving blijkt dat ter plaatse van de M. van Rossemsingel (huisnummer. 3), ten noord(westen) van onderhavige onderzoekslocatie, sterk verhoogde gehalten voor diverse zware metalen (koper, lood, zink) en/of PAK zijn aangetoond. Daarnaast blijkt dat het gehalte voor vinylchloride in het grondwater het criterium voor nader onderzoek overschrijdt. Op basis van de sterk verhoogde gehalten is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Inpijn-Blokpoel, kenmerk MB-7409-B, d.d. 10 maart 2009). Uit het nader onderzoek blijkt dat in de puinhoudende boven- en ondergrond ter plaatse van het gehele perceel sprake is van lichte tot sterke gehalten met zware metalen en/of PAK. De sterk verhoogde gehalten met vinylchloride in het grondwater zijn tijdens het nader onderzoek niet meer aangetoond. Hier opvolgend is op 30 april 2020 een BUS-melding immobiel ingediend in verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw. Daarnaast is ter plaatse van de M. van Rossemsingel 3, voorafgaand aan de sloop, een asbestinventarisatie onderzoek uitgevoerd (AA & C Nederland b.v., kenmerk 15-8352.A.4, d.d. 25 januari 2016). In het toenmalige bedrijfspand met bovenwoning is in diverse ruimtes in het gebouw asbest aangetroffen. Eind 2020 is na de sloop van het gebouw een asbestinventarisatie uitgevoerd, waarbij eveneens asbestverdachte materialen zijn aangetroffen.

Op basis hiervan heeft een asbestsanering plaatsgevonden. Verder zijn diverse onderzoeken bekend van het plangebied Binnenvergt (Oranjewoud 20052011), waarbij omliggende percelen aan de Johan van Oldenbarneveldstraat, Hugo de Grootstraat en Johan de Wittstraat zijn onderzocht. Hierbij werden over het algemeen licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond in de grond en in het grondwater. Plaatselijk (op geruime afstand van voorliggende onderzoekslocatie) werd een matig verhoogd gehalte voor lood aangetoond in de (boven)grond. Zowel zintuiglijk als analytisch is geen asbest aangetoond. Tijdens de onderzoeken is rekening gehouden met de verontreinigingssituatie aan de M. van Rossumsingel 3. Voormalige bodembedreigende activiteiten Op basis van hinderwettekening, verkregen van de ODR, zijn op de locatie diverse verdachte activiteiten aanwezig geweest, zoals onderstaand opgesomd:  Kolenberging;  Schilderwerkplaats;  Spuitkamer;  Verfberging;  Lakkamer;  Smederij;  Acetyleen App;  Kolen en wagen. Historisch kaartmateriaal Uit bestudering van het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl blijkt dat de locatie sinds de jaren ‘50 van vorige eeuw bebouwd is. Hiervoor diende de locatie als agrarisch perceel. Verder blijkt dat op de locatie naar verwachting drie voormalige watergangen aanwezig zijn.

Daarnaast zijn aan de zuidwestelijke grens van de locatie, langs de Johan van Oldenbarneveldstraat, boomgaarden aanwezig geweest. De huidige bebouwing is omstreeks 1995 gerealiseerd. Boven- en/of ondergrondse brandstoftanks Op de locatie is, zover als bekend, één voormalige ondergrondse tank aanwezig geweest, welke naar verwachting voldoende is onderzocht in 1992.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

9

Bodemvreemde bijmengingen en asbest Op de locatie is in het verleden bebouwing aanwezig geweest uit de asbestverdachte periode (vóór 1993). Tevens zijn diverse verhardingen aanwezig. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van asbestverdachte puinbijmengingen in de bodem niet worden uitgesloten. De huidige bebouwing is niet asbestverdacht. Locatiebezoek Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is de aanwezigheid van de diverse verhardingen bevestigd. Daarnaast is ten noorden van de onderzoekslocatie een gracht aanwezig, welke buiten de perceelgrens ligt. Daarnaast is ter plaatse van de Marten van Rossemsingel, ten noorden van de onderzoekslocatie, het talud circa 1 meter hoger gelegen. Op het zuidwestelijke deel zijn twee bestaande peilbuizen geconstateerd, waarvan één is geplaatst in 2012. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit het historisch onderzoek en locatiebezoek komen de volgende aandachtspunten naar voren:  Van de onderzoekslocatie zijn geen recente (bodem)onderzoeken bekend. In het verleden zijn wel diverse onderzoeken uitgevoerd en is de bovengrond gesaneerd ten behoeve van de bouw van het huidig zorgcomplex uit 1995;  Ter plaatse van de M.

van Rossemsingel 3, direct ten noordwesten van de locatie, zijn recentelijk diverse onderzoeken en saneringen uitgevoerd;  Op basis van de hinderwettekening, verkregen van de ODR, zijn op de locatie in het verleden diverse verdachte activiteiten aanwezig geweest (kolenberging, schilderwerkplaats, spuitkamer, verfberging, lakkamer, smederij, acetyleen app, kolen en wagen). Momenteel is de locatie in gebruik als zorgcomplex;  Uit het historisch kaartmateriaal van www.topotijdreis.nl blijkt dat de locatie reeds sinds de jaren ’50 van vorige eeuw bebouwd is. De huidige bebouwing is omstreeks 1995 gerealiseerd. Daarnaast blijkt dat op de locatie naar verwachting drie voormalige watergangen aanwezig zijn en dat aan de zuidwestelijke grens van de onderzoekslocatie, ter hoogte van de Johan van Oldenbarneveldstraat, boomgaarden aanwezig zijn (geweest);  Op de locatie is, zover als bekend, één voormalige ondergrondse tank aanwezig geweest, welke reeds is onderzocht in 1992;  Op de locatie is in het verleden mogelijk asbestverdachte bebouwing aanwezig geweest. Tevens zijn diverse verhardingen aanwezig. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van asbestverdachte puinbijmengingen in de bodem niet worden uitgesloten. De huidige bebouwing is niet asbestverdacht;  Tijdens het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is de aanwezigheid van de diverse verhardingen bevestigd.

Daarnaast is ter plaatse van de Marten van Rossemsingel, ten noorden van de onderzoekslocatie, het talud circa 1 meter hoger gelegen. Op het zuidwestelijke deel zijn twee bestaande peilbuizen geconstateerd, waarvan één is geplaatst in 2012. Op basis van het historisch onderzoek wordt geadviseerd om een volledig verkennend onderzoek naar de algemene kwaliteit (NEN 5740) uit te voeren, waarbij de voormalige watergangen en het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag (ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie) aandachtspunten vormen. Tevens vormen de voormalige activiteiten aandachtpunten. Daarnaast wordt geadviseerd een verkennend onderzoek naar asbest uit te voeren conform de NEN 5707 en/of de NEN 5897.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

10

PFAS Op 8 juli 2019 (inclusief actualisatie d.d. 2 juli 2020) heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit handelingskader en het directe ingangstermijn hiervan heeft de markt niet voorzien, maar heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond/slib van de locatie moet worden afgevoerd dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (30 parameters) en/of GenX. GenX betreft geen verdachte parameter voor deze regio. In voorliggende onderzoek is geen onderzoek naar PFAS opgenomen, aangezien naar verwachting geen grond wordt afgevoerd van de locatie. 4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en geohydrologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 10 meter dikke goed doorlatende deklaag aanwezig, behorend tot de afzettingen van het Holoceen. De deklaag bestaat uit een afwisseling van zandige klei en midden tot fijne zanden. Het onderliggende matig tot goed doorlatende eerste watervoerende pakket is circa 62 meter dik en bestaat voornamelijk uit midden en grof zand, met weinig zandige klei van de Formaties van Kreftenheye, Beegden, Sterksel en Stramproy. Het eerste watervoerende pakket wordt van het tweede watervoerende pakket gescheiden door een scheidende laag van circa 6 meter dikte die hoofdzakelijk bestaat uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen behorend tot de Formatie van Waalre. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerende pakket tot circa 83 m-mv. 4.2.

Geohydrologie

De regionale grondwaterstroming is noordelijk gericht, richting de Waal. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt verder beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, de ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen) en overig oppervlaktewater. De locatie is niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie (diverse voormalige activiteiten) is voor de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Daarbij vormen de diverse voormalige activiteiten, voormalige watergangen en het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke teeltlaag), ter plaatse van het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie, aandachtspunten.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

11

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit (incl. voormalige watergangen en voormalige activiteiten) Voor de onderzoekopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:20016 gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) voor een oppervlakte van maximaal 9.000 m². Voor de ondergrond wordt uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL; < 1.500 m²). In verband met de diverse verhardingen worden alle boringen tot minimaal 1,0 m-mv doorgezet. In verband met de diverse voormalige activiteiten in de voormalige bebouwing en de voormalige ondergrondse tank (reeds onderzocht in 1992) zijn enkele extra en diepere boringen geplaatst. Tevens worden ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen drie dwarsraaien van 3 boringen tot circa 2,0 m-mv haaks op de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen gesitueerd. Hiervoor zijn vooralsnog geen extra grondanalyses opgenomen. Teeltlaagonderzoek (t.p.v.

zuidwestelijke deel onderzoekslocatie) Aanvullend wordt ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie, strook langs de Johan van Oldenbarneveldstraat, een teeltlaagonderzoek uitgevoerd conform dezelfde strategie als voor de algemene kwaliteit, waarbij de teeltlaag afzonderlijk wordt bemonsterd en geanalyseerd op OCB. Hiervoor is een oppervlakte van 500 m² aangehouden, aangezien de betreffende strook langs de Johan van Oldenbarneveldstraat circa 100 meter lang en 5 meter breed is. Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest wordt de strategie voor een diffuus belaste verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging gehanteerd volgens de NEN 5707 en/of gecombineerd met de NEN 5897 (maximaal 9.000 m²). Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. De mengmonsters van de meeste verdachte grond- en/of puinlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (< 20 mm).

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

12

6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002 (versie 6): het nemen van grondwatermonsters en, afgezien van een efficiënte maaiveldinspectie, protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schop, Edelmanboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is het opgeboorde en opgegraven materiaal zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 22 & 23 september 2021

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal

1 oktober 2021

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer C.C.G. van Rossum

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

De volledige bodemvreemde lagen op de onderzoekslocatie betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend bodemonderzoek Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 32 boringen (B01 t/m B26) geplaatst, die in verband met de verhardingen minimaal zijn doorgezet tot 1,0 m-mv. De boringen B02, PB03, B05 en B26 zijn ter plaatse van de voormalige bodembedreigende activiteiten geplaatst. De boring B04 is bij de voormalige ondergrondse tank, welke reeds in 2012 is onderzocht, geplaatst. De raaiboringen B07A-C, B20A-C en B23A-C zijn ter plaatse van de voormalige watergangen geplaatst. De overige boringen zijn verdeeld over het terrein, waarbij boringen PB03 en PB11 dieper zijn doorgezet en afgewerkt als peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. Het grondwater uit de peilbuizen PB03 en PB11 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 1 oktober 2021 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven.

Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 1,0 m-mv B01, B05, B06, B08 t/m B10, B12 t/m B15, B17 t/m B19, B21, B22, B24, B25

Circa 2,0 m-mv B02, B04, B07A-C, B16, B20A-C, B23A-C, B26

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB03 (2,50-3,50) PB11 (2,50-3,50)

13

Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie deels bedekt is met verhardingen en bebouwing (circa 90 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie (> 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 26 proefgaten (B01 t/m B26) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond (gecombineerd met boringen). Om een (bodem)verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm) aangetroffen. In het veld zijn in totaal 5 grond-/puinmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijn fractie (< 20 mm).

Een overzicht van de samengestelde grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest zijn opgenomen als bijlage 6. Indicatief herbruikbaarheidsonderzoek puinverharding/-fundatie Tijdens de werkzaamheden is ter plaatse van de boringen/proefgaten B06 en PB11 een bodemvreemde laag aangetroffen (volledig puin). Van deze bodemvreemde laag is één mengmonster samengesteld en aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK, minerale olie, PCB, metalen en anionen (uitloogparameters). De situatieschets met de geplaatste boringen, proefgaten en peilbuizen is opgenomen als bijlage 2.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

14

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.2.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een verkennend bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

15

7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.

Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de toplaag (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

16

8.

RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot de maximaal geboorde diepte van 3,5 m-mv uit een afwisseling van klei en zandlagen. De bovengrond (0,0-0,5 m-mv) bestaat over het algemeen uit uiterst tot matig fijn, zwak siltig zand, waarbij in enkele boringen matig humeus zand, brokken klei en/of kleiige lagen zijn waargenomen. Ter plaatse van de boringen B08, B09, B18, B22 en B24 bestaat de bovengrond uit sterk zandig klei met matig humeus zand. Vanaf circa 0,5 m-mv tot aan de maximale boordiepte van 3,5 m-mv bestaat de bodem uit een afwisseling van matig fijn, zwak tot matig siltig zand en sterk zandige, zwak siltig, matig humeus klei. Ter plaatse van boringen B06 en PB11 is een puinlaag/-fundering aanwezig tot circa 0,7 m-mv. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk diverse bijmengingen met puin en/of baksteen waargenomen. Een volledig overzicht van de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden is weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen boringen/proefgaten Boring

Proefgat

B01 B02

Ja Ja

Diepte boring (m -mv) 1,00 2,00

PB03 B04

Ja Ja

3,50 2,00

B05

Ja

1,00

B06

Ja

1,00

B07A

Nee

2,00

B07B

Ja

2,00

B07C

Nee

2,00

B08

Ja

1,00

B09

Ja

1,00

B10

Ja

1,00

PB11

Ja

3,50

B12

Ja

1,00

B13

Ja

1,00

B14

Ja

1,00

B15 B16

Ja Ja

1,00 2,00

B17

Ja

1,00

B18

Ja

1,00

B19 B20A

Ja Nee

1,00 2,00

B20B

Ja

2,00

B20C

Nee

2,00

Traject (m -mv) 0,00 - 0,70 0,05 - 0,50 0,50 - 1,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,50 - 1,50 0,05 - 0,50 0,50 - 1,00 0,20 - 0,50 0,50 - 0,70 0,70 - 1,00 0,20 - 0,50 0,50 - 1,50 0,20 - 0,50 0,50 - 1,50 0,20 - 0,50 0,50 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,20 - 0,50 0,70 - 1,00 0,30 - 0,50 0,50 - 1,00 0,05 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand + Zand Klei Zand Zand Zand Zand Zand Zand Klei Klei Klei Klei Zand Klei + Klei Klei Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Klei Zand Zand Klei Klei Zand Zand Zand Klei Zand Klei Zand Klei

Sporen puin Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Volledig puin Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen puin Volledig puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen puin Zwak baksteenhoudend Sporen puin Sporen puin Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

17

Vervolg tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen boringen/proefgaten Boring

Proefgat

B21

Ja

Diepte boring (m -mv) 1,00

B22

Ja

1,00

B23A

Nee

2,00

B23B

Ja

2,00

B23C

Nee

2,00

B24

Ja

1,00

B25

Ja

1,00

B26

Ja

2,00

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,20 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Zand Klei Klei Klei Zand Klei Klei Zand Klei Klei Zand Klei Klei Klei Zand Zand Klei Zand Klei

Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen Sporen puin Sporen baksteen

Toelichting bij de tabel 8.1: Sporen < 1 % bodemvreemd materiaal; Zwak ≥ 1 % < 5 % bodemvreemd materiaal; Volledig ≥ 50 % bodemvreemd materiaal; + Betreft geen bodem (≥ 50 % bodemvreemd materiaal).

Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm aangetroffen of overige waarnemingen (zoals slib bij de vermoedelijke voormalige watergangen) gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en uitloog). De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond, de maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin en de maximale emissie- en samenstellingswaarden voor de uitloogparameters zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13540364

Asbest 13540370

Monster

Parameter

Opmerking

Toelichting

M12

Individuele PAK

Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.

Aangezien de som parameter voor PAK de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

MMASB05

Asbest in puin (< 20)

Na droging resteert minder dan de in NEN 5898 (hoofdstuk 5) aangegeven minimale monsterhoeveelheid. In het laboratorium is meer dan de in NEN 5898 voorgeschreven hoeveelheid van de zeeffracties 0,5 1 mm en 1 2 mm onderzocht om te bewerkstellen dat de vereiste bepalingsgrens van 2 mg/kg ds wordt gehaald.

Er is minder dan 25 kg droge stof aan monstermateriaal aangeleverd (circa 23 kg), waardoor de analyseresultaten mogelijk minder representatief zijn. Aangezien in het mengmonster geen asbest (< 2 mg/kg d.s.) is aangetoond, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

Toelichting bij tabel 8.2: PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM); Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

18

Grond Verkennend bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksopzet zijn diverse grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen (diverse bodemvreemde bijmengingen en uiteenlopende zand of kleilagen) zijn direct zes extra (meng)monsters ingezet op een standaard NEN-pakket. Ter plaatse van de voormalige watergangen en/of voormalige bodembedreigende activiteiten zijn zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen gedaan. Derhalve zijn de betreffende monsters meegenomen ten behoeve van de algemene kwaliteit. Wel is bij het samenstellen van de grond(meng)monsters rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving Boringen AnalyseResultaten monster (traject in m -mv) pakket > AW < I >I Algemene kwaliteit (incl. voormalige watergangen en voormalige bodembedreigende activiteiten) MM01 Bovengrond, zand NEN Pb, Zn B02 (0,05 - 0,50) B05 (0,05 - 0,50) Zintuiglijk: sporen puin (t.p.v.

voormalige bodembedreigende B26 (0,00 - 0,50) PB03 (0,00 - 0,50) activiteiten) MM02 Bovengrond, klei B08 (0,00 - 0,50) NEN Hg, Pb B09 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen puin B18 (0,00 - 0,50) B22 (0,00 - 0,50) MM03 Bovengrond, zand B10 (0,00 - 0,50) NEN Hg, Pb, PCB B13 (0,05 - 0,50) Zintuiglijk: sporen puin B14 (0,00 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) MM04 Bovengrond, zand B01 (0,00 - 0,50) NEN Pb B04 (0,05 - 0,50) Zintuiglijk: sporen puin B07B (0,20 - 0,50) B23B (0,00 - 0,50) MM05 Bovengrond, zand B16 (0,00 - 0,50) NEN Cd, Hg, Pb, Zn, B17 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: sporen puin PCB B19 (0,00 - 0,50) B25 (0,20 - 0,50) MM06 Ondergrond, klei B04 (1,50 - 1,80) NEN B07B (1,50 - 2,00) Zintuiglijk: B15 (0,50 - 1,00) B16 (1,50 - 2,00) B20B (1,00 - 1,50) B26 (1,50 - 2,00) PB03 (0,50 - 1,00) PB11 (1,00 - 1,50) MM07 Ondergrond, zand B02 (1,80 - 2,00) NEN B04 (1,80 - 2,00) Zintuiglijk: B26 (1,00 - 1,50) PB03 (1,00 - 1,50) PB11 (1,50 - 2,00) NEN MM08 Ondergrond, zand B02 (0,50 - 1,00) B04 (1,00 - 1,50) Zintuiglijk: sporen baksteen B07B (1,00 - 1,50) B13 (0,50 - 1,00) B18 (0,50 - 1,00) B24 (0,50 - 1,00) NEN MM09 Ondergrond, klei B08 (0,50 - 1,00) B21 (0,50 - 1,00) Zintuiglijk: sporen baksteen B23B (1,00 - 1,50) B25 (0,50 - 1,00) B26 (1,50 - 2,00) PB11 (0,70 - 1,00) MM10 Ondergrond, klei B10 (0,50 - 1,00) NEN Cu, Hg, Pb, Ni, B12 (0,50 - 1,00) Zintuiglijk: sporen puin Zn, PAK B16 (0,50 - 1,00) B17

(0,50 - 1,00) NEN Cu, Hg, Pb MM11 Ondergrond, zand B14 (0,50 - 1,00) B19 (0,50 - 1,00) Zintuiglijk: sporen puin M12 Ondergrond, klei B16 (1,00 - 1,50) NEN Cd, Co, Cu, Hg, Zintuiglijk: zwak baksteenhoudend Pb, Ni, Zn (t.p.v. ondergrondse container) Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

19

Vervolg tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten MengOmschrijving Boringen AnalyseResultaten monster (traject in m -mv) pakket > AW < I >I Teeltlaagonderzoek (t.p.v. zuidwestelijke deel onderzoekslocatie) OCB MMOCB01 Teeltlaag, klei B08 (0,00 - 0,30) B22 (0,00 - 0,30) Zintuiglijk: sporen puin OCB MMOCB02 Teeltlaag, klei B01 (0,70 - 1,00) B04 (1,50 - 1,80) Zintuiglijk: sporen baksteen B06 (0,70 - 1,00) B07B (1,50 - 1,80) Toelichting bij tabel 8.3: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.

Grondwater De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte (m-mv) 2,50 - 3,50

GWS (m-mv) 1,79

pH

EC (µS/cm) 399

Troebelheid (NTU) 4,29

Analysepakket NEN

>S<I Hg, Mo

Resultaten >I -

PB03 (t.p.v. voormalige 6,8 bodembedreigende activiteiten) PB11 2,50 - 3,50 1,84 6,8 843 3,49 NEN Ba Toelichting bij de tabel 8.4: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.

De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. Asbest Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn 5 grond-/puinmengmonsters samengesteld. Derhalve is één extra puinmengmonster geanalyseerd op asbest. De mengmonsters zijn geselecteerd en geanalyseerd op asbest (< 20 mm). De samenstelling van de onderzochte grond-/puinmengmonsters met zintuiglijke waarnemingen en bijbehorende analyses zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Samenstelling grond-/puinmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen

MMASB01

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

Soort

B01, B02, B04, Sporen puin Grond B05, B07 MMASB02 B10, B13, B14, Sporen puin 0,00 - 0,50 Grond B16, B17 MMASB03 B19, B21, B23, Sporen puin 0,00 - 0,50 Grond B25, B26 MMASB04 B12, B18, B22, Sporen puin 0,00 - 0,50 Grond B24 MMASB05 B06, PB11 Volledig puin 0,20 - 0,70 Puin Toelichting bij tabel 8.5: Sporen < 1 % bodemvreemd materiaal; Volledig ≥ 50 % bodemvreemd materiaal; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm. Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

Analysepakket Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in puin (> 25 kg) 1

20

De resultaten van de geanalyseerde grond-/puinmengmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) zijn weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht onderzochte grond-/puinmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaten Monstercode

Soort

MMASB01 MMASB02 MMASB03 MMASB04 MMASB05 Toelichting bij tabel 8.6: Niets aangetoond.

Hechtgebonden

Type*

-

-

Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2 <2 <2 <2

Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2 <2 <2 <2

Indicatief herbruikbaarheidsonderzoek puinfundatie Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is ter plaatse van diverse boringen (B06 en PB11) een volledige puinlaag aangetroffen (0,0-0,7 m-mv). Om de milieuhygiënische kwaliteit en hergebruiksmogelijkheden van deze laag te bepalen is hiervan een mengmonster samengesteld (MMUITLOOG01) en aangeboden aan het laboratorium. In het laboratorium is het materiaal verkleind met behulp van een kaakbreker en dit materiaal is vervolgens onderzocht op PAK, minerale olie en PCB. Daarnaast is het gebroken puin ingezet op een schudproef (L/S=10), waarna het eluaat is onderzocht op de uitloging van 15 metalen en 4 anionen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de in tabel 1 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit voor een niet-vormgegeven bouwstof. De analyseresultaten en de maximaal toegestane waarden zijn in de tabel 8.7 weergegeven. Tabel 8.7 Hergebruiksmogelijkheden vrijkomende niet-vormgegeven bouwstof Parameter

Berekende cumulatieve Gemeten waarden emissiewaarden (mg/kg d.s.) (mg/kg d.s.) MMUITLOOG01 PAK 2,2 Minerale olie PCB Bromide Chloride 80 Fluoride 2,6 Sulfaat 240 Antimoon Arseen Barium 0,14 Cadmium Chroom 0,24 Kobalt Koper 0,04 Kwik Lood Molybdeen 0,03 Nikkel Seleen Tin Vanadium 0,12 Zink Toelichting bij tabel 8.7: (1) Maximale samenstellingswaarden voor (meng)granulaten; Gehalte lager dan de detectielimiet.

Maximale emissiewaarde (mg/kg d.s.)

Diverse (bodem)onderzoeken, Johan van Oldenbarneveldstraat 1 te Zaltbommel Rapportnr.: B21.8103 versie: 01 datum: 15 oktober 2021

Maximale samenstellingswaarde (mg/kg d.s.)

50(1) 1.000(1) 0,5 20 616 55 2.430 0,32 0,9 22 0,04 0,63 0,54 0,9 0,02 2,3 1 0,44 0,15 0,4 1,8 4,5

21

8.3.

Interpretatie analyseresultaten

Verkennend bodemonderzoek Algemene kwaliteit (incl. voormalige watergangen en voormalige bodembedreigende activiteiten) In het mengmonster MM01 van de sporen puinhoudende bovengrond (zand), ter plaatse van de voormalige bodembedreigende activiteiten, zijn licht verhoogde gehalten voor lood en zink aangetoond. In het mengmonster MM02 van de sporen puinhoudende bovengrond (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor kwik en lood aangetoond. In het mengmonster MM03 van de sporen puinhoudende bovengrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor kwik, lood en PCB aangetoond. In het mengmonster MM04 van de sporen puinhoudende bovengrond (zand) is een licht verhoogd gehalte voor lood aangetoond. In het mengmonster MM05 van de sporen puinhoudende bovengrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, kwik, lood, zink en PCB aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten in de bovengrondmonsters MM01 t/m MM05 overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5 voor nader onderzoek. De overige onderzochte NEN-parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de mengmonsters MM06 (klei) en MM07 (zand) van de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.

In de mengmonsters MM08 (zand) en MM09 (klei) van de sporen baksteenhoudende ondergrond zijn eveneens geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde NEN-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het mengmonster MM10 van de sporen puinhoudende ondergrond (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor koper, kwik, lood, nikkel, zink en PAK aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5 voor nader onderzoek. In het mengmonster MM11 van de sporen puinhoudende ondergrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor koper, kwik en lood aangetoond. In het monster M12 van de zwak baksteenhoudende ondergrond (klei), ter plaatse van de ondergrondse container (boring B16), zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten in monsters MM11 en M12 overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim onder de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5 voor nader onderzoek. De overige onderzochte NEN-parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Teeltlaagonderzoek (t.p.v.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12491993/1