CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting op de wijzigingen;

Raadsvergadering 27 maart 2025, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling Algemene Plaatselijke Verordening Zaltbommel 20257.070 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Overzicht van wijzigingen in de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zaltbommel 2024 Algemene opmerkingen In het Gemeenteblad van 22 februari 2022 nr. 76267 werd de tekst van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaltbommel 2022 geplaatst. De eerste wijziging werd door de raad vastgesteld op 15 december 2022. Deze eerste wijziging werd in het Gemeenteblad van 30 december 2022 nr. 578177 bekend gemaakt. Gekozen is voor een nieuwe verordening ter vervanging van de APV uit 2022, waarin rekening is gehouden met de volgende wijzigingen (in de bijgaande tekst van de APV met de volgende kleuren aangegeven:  Verordening tot tweede wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaltbommel 2022, vastgesteld door uw raad van 14 december 2023 (niet bekend gemaakt in het Gemeenteblad);  Wijziging model APV (najaar 2023);  Wijziging Model APV (zomer 2024);  Wijzigingen in verband met de uitvoeringspraktijk in de gemeente Zaltbommel. Artikel Huidige tekst Wijzigingen 1:1 Begripsbepalingen Begrippen zijn op alfabetische volgorde geplaatst. De begrippen onder b en c zijn daardoor verwisseld. 1:1 Aanpassingen definitiebepalingen Wijzigingen van enkele begrippen in verband met de invoering van de Omgevingswet zijn toegevoegd.

1:2 Toevoeging derde lid De vergunningen die in de APV worden aangeduid als “omgevingsvergunningen” vallen onder de werking van de Omgevingswet overeenkomstig artikel 22.8 van de Omgevingswet. 1:4 Toevoeging derde lid De vergunningen die in de APV worden aangeduid als “omgevingsvergunningen” vallen onder de werking van de Omgevingswet overeenkomstig artikel 22.8 van de Omgevingswet. 1:5 Toevoeging tweede lid De vergunningen die in de APV worden aangeduid als “omgevingsvergunningen” vallen onder de werking van de Omgevingswet overeenkomstig artikel 22.8 van de Omgevingswet. 1:6 Tweede lid De vergunningen die in de APV worden aangeduid als “omgevingsvergunningen” vallen onder de werking van de Omgevingswet overeenkomstig artikel 22.8 van de Omgevingswet. 2.1 Toevoeging vierde lid In het vierde lid is een verbod opgenomen over het gezichtsbedekkende kleding tijdens samenscholingen en ongeregeldheden, overeenkomstig de APV van Maasdriel. 2:10 Vernummering en toevoeging Lid 3, onderdeel f toegevoegd in verband met de invoering van het begrip “beperkingengebiedactiviteit” beperkingengebied activiteit in de Omgevingswet. 2:11 Wijziging derde lid In de verwijzing is opgenomen de “beperkingengebiedactiviteit”. 2:12 Toevoeging derde lid In de verwijzing is opgenomen de “beperkingengebiedactiviteit”. 2:21

Toevoeging tweede lid

2:23

Wijziging tweede lid

De vergunningen die in de APV worden aangeduid als omgevingsvergunningen vallen onder de werking van de Omgevingswet. Hierop is de APV niet van toepassing. De provinciale vaarwegenverordening maakt onderdeel uit van de provinciale omgevingsverordening.

1

2.24

Eerste lid onderdeel h toegevoegd Derde lid onderdeel e oppervlakte objecten bij kleine evenementen is gewijzigd.

2:26a

Gebruik lachgas bij evenementen

2:28

Tweede lid gewijzigd

Vijfde en zesde lid

Dit onderdeel h is toegevoegd om duidelijk te maken dat activiteiten die op zichzelf als een evenement op grond van deze APV kunnen worden gekwalificeerd maar waarbij de bezoekers op uitnodiging de activiteit bezoeken, niet als een evenement kunnen worden beschouwd in de zin van deze APV. Op grond van artikel 1, eerste lid onder c van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen moet wel een gebruiksmelding bij burgemeester en wethouders worden ingediend wanneer op een plaats of een gedeelte van een plaats een bijeenkomst plaatsvindt in een verblijfsruimte voor meer dan 150 personen tegelijk. Het derde lid is aangepast. Hier stond dat het mocht gaan om kleine objecten van ten hoogste 15 vierkante meter. Dit is gewijzigd in 25 vierkante meter. In artikel 2:26a is een verbod opgenomen voor het bij zich te hebben, verkopen of gebruiken van lachgas bij een evenement. Dit verbod kan vervallen aangezien lachgas vanaf 1 januari 2023 als gevolg van een wijziging van de Opiumwet, onder de Opiumwet valt, wordt het verboden gebruik ervan duurzaam gereguleerd door artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’ van de APV. Daarmee is de juridische legitimatie van het specifieke lachgasartikel in de APV vervallen. Een evenemententerrein is namelijk ook een “openbare plaats” in de zin van de APV.

In de evenementenvergunning wordt het voorschrift opgenomen luidend als volgt: “Vergunninghouder dient erop toe te zien dat op het evenemententerrein geen overtreding van wettelijke voorschriften plaatsvindt. In het bijzonder geldt dat voor het verbod in de geldende Algemene plaatselijke verordening inzake het gebruik van middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet (soft- en harddrugs, waaronder ook het gebruik van lachgas valt).” Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Deze weigeringsgrond is gewijzigd in een facultatieve weigeringsgrond. In het vijfde lid was de bevoegdheid van de burgemeester opgenomen om op verzoek of ambtshalve vrijstelling van de vergunningplicht voor het exploiteren van een openbare inrichting opgenomen wanneer het een horecabedrijf betrof als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet wanneer: 1. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of 2. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

Op grond van het zesde lid kon de vrijstelling worden ingetrokken wanneer zich een incident had voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. De leden vijf en zes worden geschrapt. In de praktijk werd vaak een vrijstellingsbesluit verleend voor 2

nieuwe openbare inrichtingen die zich voor het eerst vestigden. Bovendien biedt de APV geen grondslag voor een aparte terrasvergunning. Het terras is onderdeel van de vergunningplichtige openbare inrichting. Voor openbare inrichtingen die over een terras beschikten kon geen vrijstelling worden verleend aangezien men door het vrijstellingsbesluit ook vergunningsvrij een terras zou mogen exploiteren. Vernummering huidige zevende lid wordt vijfde lid 2:38a 2:29 2.39

2:41

2.44

Verbod voor het houden nachtverblijf langs wegen Sluitingstijden Derde lid onderdeel b

In het vierde lid is bepaalt dat de burgemeester voorafgaande aan een besluit tot daadwerkelijke sluiting van gebouw als bedoeld in dit artikel een schriftelijke waarschuwing kan geven. Vervoer van inbrekerswerktuigen

2.48a

Verbod tot het gebruik van lachgas vervalt

2:50a

Nieuw artikel inzake het verbod van messen en steekwapens

Door het schrappen van het vijfde en het zesde lid kan het huidige zevende lid worden vernummerd tot zevende lid. Dit artikel vervalt. Er wordt overeenkomstig de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een nieuwe bepaling opgenomen in artikel 2:54. “Wet milieubeheer” vervangen door “Omgevingswet”. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Dit artikellid is overbodig. Het wel of niet geven van een waarschuwing voorafgaand aan een sluiting vloeit reeds voort uit de Algemene wet bestuursrecht of blijft in gevallen van dringende spoed achterwege.

In het eerste lid zijn de woorden: “of zichtbaar vanaf een openbare plaats” toegevoegd in verband met een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West – Brabant van 6 juni 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3908. Door deze uitbreiding kan ook worden opgetreden in geval van het op heterdaad betrappen van inbrekers op, bijvoorbeeld op een bouwterrein dat aan de openbare weg grenst. Aangezien lachgas vanaf 1 januari 2023 als gevolg van een wijziging van de Opiumwet, onder de Opiumwet valt, wordt het verboden gebruik ervan duurzaam gereguleerd door artikel 2:74a ‘Openlijk drugsgebruik’ van de APV. Daarmee is de juridische legitimatie van het specifieke lachgasartikel in de APV vervallen. Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die 3

als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd. De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is.

Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend. Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt. 2:54

Verbod gebruik “openbare plaats” als slaapplaats

De opname van deze verbodsbepaling is volgens de VNG facultatief (verbod op grond van de grond van de autonome bevoegdheid van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet). De gemeente had een algemene verbodsbepaling opgenomen in artikel 2:38a. Vandaar dat voorgesteld wordt artikel 2:54 in de APV op te nemen en artikel 2:38a te laten vervallen. Artikel 2:38a is een verouderde bepaling zo werd in artikel 2:38a vierde lid nog verwezen naar de Woonwagenwet die 4

inmiddels is ingetrokken. Artikel 2:38a van de APV Zaltbommel luidt namelijk als volgt: 1.

2. 3. 4.

Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten. Het in het eerste lid bepaalde geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woonwagenwet of indien een ontheffing als bedoeld in artikel 4.11 lid 3 is verleend.

In het voorstel van de VNG luidt het voorgestelde artikel 2:54 als volgt: 1.

2. 3.

Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 of het omgevingsplan is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

Bij de opname van het verbod in de APV Zaltbommel moet rekening worden gehouden met: de 5

woonwagenstandplaatsen, het gebruik van de overnachtingsplaats voor vrachtwagens gelegen tussen de Van Heemstraweg - Oost en de Doornepol in Zaltbommel ter hoogte van de Gamma, het overnachten van kermisexploitanten in hun voertuigen rond de dagen dat de kermis plaatsvindt en de kampeerterreinen of erkende parkeerplaatsen op grond van de APV. Behoudens bovenstaande uitzonderingen is overnachten verboden. In het voorstel van de VNG is het verbod beperkt geldig namelijk alleen tussen zonsondergang en zonsopgang en in aangewezen gebieden. Voorgesteld wordt in artikel 2:54 een algemeen verbod op te nemen in overeenstemming met het huidige artikel 2:38a. Voorgesteld wordt artikel 2:54 in de APV op te nemen en als volgt te redigeren: 1.

2. 3.

Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Het verbod in het eerste lid geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 of het omgevingsplan is toegestaan; b. voor woonwagens die in overeenstemming met het omgevingsplan zijn geplaatst; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen; e. voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten op een daarvoor ingerichte parkeerplaats; f. het overnachten door standplaatshouders in verband met de deelname aan evenementen.

Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod. Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig door aanbieders van een in de gemeente te houden evenement. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats met een vaartuig of woonboot (hieronder begrepen ook woonark en woonschip) (a) of voor woonwagens op een in het omgevingsplan erkende woonwagenstaanplaats (b), op daartoe bestemde kampeerterreinen (c) of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein (d), voor

6

vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten op een daarvoor ingerichte parkeerplaats (e) en het overnachten van bijvoorbeeld kermisstandplaatshouders(f). 2:60

Wijziging eerste lid aanhef

2:71

Definities vuurwerk

2:73

Carbid schieten

2:78

Gebiedsontzeggingen

Wijziging terminologie vloeit voort uit de invoering van de Omgevingswet met ingang van 1 januari 2024. Het derde lid istoegevoegd was in een eerdere versie abusievelijk niet opgenomen. Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig en vervalt daarom. In het derde lid onder a is de regeling aangevuld met het oog op de situatie dat 31 december op een zondag valt. Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. De burgemeester kan een gebiedsontzegging opleggen aan personen die strafbare feiten of openbare ordeverstorende handelingen verrichten en veelal al eenmaal een bestuurlijke waarschuwing hebben ontvangen. Kan zowel de APV als artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (‘lichte bevelsbevoegdheid’) toepassing vinden voor een gebiedsontzegging, dan gaat de APV voor (Arrest v an de Hoge Raad 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4096). Voorwaarden Voor het toepassen van een openbare ordemaatregel, zoals een gebiedsontzegging, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: a.

Het situatievereiste: er moet sprake zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. b. Het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan. c. Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende) ordeverstoring. d. De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn. e. Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. f. Subsidiariteit en proportionaliteit: er is geen minder zwaar middel voorhanden en het opleggen van een tijdelijk verbod moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel. 7

Eerste lid Het eerste lid geeft aan in welke gevallen en voor welke maximale duur de burgemeester een gebiedsontzegging kan opleggen. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. Tweede lid In het licht van proportionaliteit en subsidiariteit is het geboden om slechts tot oplegging van een lang(er)durende gebiedsontzegging als bedoeld in het tweede lid over te gaan, wanneer de gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaalde periode na oplegging van de eerdere gebiedsontzegging plaatsvindt. In het tweede lid is die periode gesteld op zes maanden. Ook bepaalt het tweede lid hoelang de lang(er)durende gebiedsontzegging maximaal kan duren. Gekozen is voor een looptijd van acht weken. Derde lid Dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, een tijdelijk verbod te beperken. Bijvoorbeeld omdat het voor betrokkene noodzakelijk of onoverkomelijk is zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, hij aldaar werkzaam of woonachtig is, hij een (ander) aantoonbaar redelijk belang heeft om aldaar aanwezig te zijn, in verband met de staatkundige en religieuze vrijheid en het familieleven. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

2:80

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

Vierde lid Als iemand de openbare verstoort, kan er overlap ontstaan tussen de bevoegdheid van de officier van justitie om met een gedragsaanwijzing op grond van artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a van het Wetboek van Strafvordering op te treden en de bevoegdheid van de burgemeester om op grond Het artikel berust op de algemene verordenende bevoegdheid van de raad (artikel 149 van de Gemeentewet). Eerste lid Het artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid als sprake 8

is van een vergunningplicht. De burgemeester kan met behulp van artikel 2:80 optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als erin of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegaal gokpand is zonder meer sprake van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten, maar op grond van artikel 174a Gemeentewet. Het artikel strekt niet tot uitvoering van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet.

Een bevel op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet is pas op zijn plaats als er geen reguliere bevoegdheden toepasselijk zijn, bijvoorbeeld op grond van de APV, en onverwijlde spoed onmiddellijk optreden vergt (ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1137 (Castricum); ABRvS 14-11-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699 (Rotterdam)). De situatie moet tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken: de bevelen op grond van artikel 174, tweede lid, moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 92-93). Tweede lid Het artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV-artikel 2:30 of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven (openbare inrichtingen) en seksinrichtingen, of woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. Derde tot en met vijfde lid Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen. Zesde lid Dit lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe 9

in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting.

2:81

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Jurisprudentie: ABRvS 23-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2282. De burgemeester moet aannemelijk maken dat concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord. Niet is vereist dat zich al een concrete verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan. Ook is niet in alle gevallen vereist dat er al strafbare feiten zijn gepleegd. Wel moet de burgemeester handelen overeenkomstig zijn beleidsregel dat hij de sluitingsbevoegdheid gebruikt in situaties waarin de openbare orde al is verstoord. De burgemeester erkent dat deze situatie zich niet voordoet. De burgemeester mocht daarom het ‘sluitingsartikel’ niet toepassen. Algemeen Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid wel goed moet worden gemotiveerd.

Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig). Zie bijvoorbeeld ABRvS 0303-2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg). Aandachtspunten bij de onderbouwing kunnen zijn: a. De kwetsbaarheid van het aangewezen gebied of de aangewezen branche. Waarom staat de 10

openbare orde en/of de leefbaarheid door de bedrijfsmatige activiteit op deze locatie onder druk? b. De mate waarin de vergunningplicht geschikt is om deze problematiek aan te pakken. Welk doel wordt met de introductie van de vergunningplicht bereikt? Hoe draagt de vergunningplicht bij aan de oplossing? c. De vraag of in het aangewezen gebied of branche malafide bedrijven zijn gevestigd. Waaruit blijkt dat bedrijven zijn gelieerd aan een malafide ondernemersklimaat? d. De ervaringen van buurtbewoners of inwoners van de gemeente. Welke signalen ontvangt de gemeente van hen over de bedrijven of het aangewezen gebied? e. Het type bedrijven dat in het aangewezen gebied of in de branche aanwezig zijn. Zijn dit in zijn algemeenheid ‘ondermijningsgevoelige’ bedrijven? f. Een bredere aanpak van een bepaald gebied of een bepaalde branche. Is de vergunningplicht ingebed in een bredere aanpak van een bepaalde branche, wijk of gebied? Sluit de vergunningplicht goed aan bij het doel van deze bredere aanpak en de daarvoor genomen maatregelen? Eerste lid In dit lid worden in het artikel veel voorkomende begrippen omschreven. Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.

Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel [2:28] of artikel [3:3] van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigerings- en intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden op basis van andere artikelen; zie artikel 2:80. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder berusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening 11

gewerkt met een beheerderslijst. Tweede lid De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Het belang van de verbetering van de situatie kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden.

Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaald(e) branche, gebouw of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche, gebouw of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben. Het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan echter ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid of leefbaarheid gereguleerd moeten worden. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.

Dit maakt het voor de gemeente ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door 12

middel van een Bibob-toets. Sinds 2013 is het toepassingsbereik van de wet Bibob uitgebreid, waardoor elke gemeentelijke vergunning die wordt afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit aan zo’n toets kan worden onderworpen. Vierde lid Dit lid regelt de wijze van indiening van de aanvraag voor een vergunning en welke gegevens en bescheiden de exploitant moet overleggen. De genoemde aanvraagvereisten zijn nodig om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Als dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (negende lid, sub e en f). Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken. Dat vloeit voort uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Vijfde lid De algemene weigeringsgronden staan vermeld in artikel 1:8. In het vijfde lid staan de specifieke weigeringsgronden vermeld. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4).

Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Zesde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezette bedrijfsmatige activiteit, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook als slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden als de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. 13

Negende lid De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het zesde lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Onderdeel f is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan als de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Tiende lid Artikel 2:80 biedt de mogelijkheid overlast gevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning.

Als een sluiting op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting. Een besluit tot sluiting biedt de mogelijkheid tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb als het besluit niet wordt opgevolgd. Toepassen van bestuursdwang is een herstelsanctie en is gericht op het beëindigen van de gedragingen. Elfde tot en met dertiende lid Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen. Het betreft hier geen cumulatieve, maar afzonderlijke criteria om een besluit te kunnen nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

14

Veertiende lid Dit lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. Vijftiende lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, gelden voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen.

Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Zestiende lid De openbare orde en veiligheid vormen de reden om van een lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning bij niet tijdig beslissen) af te zien. Jurisprudentie Rb. Zeeland-West-Brabant 1 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3709 (Autoverhuurbranche Breda). Met de nadere toelichting in het verweerschrift heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. ABRvS 07-07-2021, ECLI:NL:RVS:2021:1465 (Rotterdam Spaanse Polder). De burgemeester mag op 15

het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. In dit verband was het mogelijk dat de burgemeester bepaalde gegevens van een deskundige niet verstrekte aan partijen, maar onder inroeping van artikel 8:29 van de Awb wel aan de rechter. Op die manier kan de burgemeester nagaan of het onderzoek van de deskundige zorgvuldig is geweest en kan de rechter dit controleren. In dit geval is die controle in het geheel niet mogelijk.

2:83

Wijziging eerste lid, onderdeel b

2:85 2:86

Afbakening met de Omgevingswet Wijziging in verband met de voorgestelde invoering van een soortgelijke bepaling in de wijziging model APV (najaar 2023)

ABRvS 03 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg). Als de bestuursrechter als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het onderliggende besluit van algemene strekking waarop het bestreden besluit is gebaseerd niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, kan hij het onderliggende besluit buiten toepassing laten en een daarop berustend besluit vernietigen (vergelijk de uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452). De Afdeling heeft het aanwijzingsbesluit vernietigd omdat de burgemeester de noodzaak om door middel van het aanwijzingsbesluit in te grijpen in een deel van de autoverhuurbranche niet voldoende heeft onderbouwd. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. In deze bepaling in de APV 2022 is in overeenstemming gebracht met het voorgestelde nieuwe artikel 2:81 in de model-APV van de VNG voorgesteld in de wijzigingen van het najaar 2023.

Dit betekent dat het huidige artikel 2:86 op de volgende punten is gewijzigd: - bedrijfsmatige activiteiten in woningen niet categoraal meer zijn uitgezonderd; - de gronden waarop de burgemeester een aanwijzingsbesluit kan nemen zijn minder uitgebreid beschreven dan in het huidige artikel 2:86 zo is de zinsnede: “Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat”; - expliciet in de leden 11 en 12 is opgenomen dat de burgemeester een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf aanbrengt; Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de 16

3:13

Eerste lid, onderdeel b

4:1 4:5

Aanpassing van enkele definities Wijziging eerste lid, onderdeel c en invoering van een vierde lid Wijziging derde lid

4:6

4:6b 4:6c 4:8 4:13 4:15 4:17 4:18

4:20

Wijzigingen Wijziging eerste lid Wijziging derde lid Wijziging Wijziging eerste lid en toevoeging vierde lid Wijziging tweede lid Wijziging van de definitie kampeermiddel Wijziging eerste lid

5:5

Wijziging eerste lid Wijziging vierde lid Toevoeging derde lid

5:6 5:15 5:18

Wijziging derde lid Leden 3 en 4 Wijziging tweede lid

gemeente Zaltbommel. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Definities zijn aangepast in verband met de invoering van de Omgevingswet De bedoeling van deze wijziging is dat in afwachting van de definitieve opname van de regels in het omgevingsplan In aansluiting op de voorgestelde wijziging van artikel 2:24, eerste lid onderdeel h inzake de definitie van het begrip: “evenement” wordt in artikel 4:6 expliciet geregeld dat deze bepaling eveneens niet van toepassing is op bijeenkomsten met een besloten karakter zoals bruiloften en partijen. Deze wijziging is opgenomen in verband met de invoering van de Omgevingswet. Verwijzing naar de Wet milieubeheer is niet meer opgenomen. Wijziging derde lid in verband met de Provinciale omgevingsverordening (stiltegebied). De woorden “binnen de bebouwde kom” zijn in dit artikel geschrapt. Dit verbod geldt in de gehele gemeente. Wijzigingen houden verband met de invoering van de Omgevingswet. Met de wijziging van de tweede lid is beoogd deze bepaling niet van toepassing te laten zijn wanneer voor het reclame-object een omgevingsvergunning is verleend. Toevoeging van het begrip “niet grondgebonden”.

Voor deze kampeermiddelen is dan geen omgevingsvergunning vereist noch voor de bouwactiviteit noch voor de omgevingsplanactiviteit. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Toevoeging in verband met de Omgevingswet. Bouwstoffenbesluit is vervangen door het Besluit activiteiten leefomgeving. Wijziging terminologie als gevolg van de invoering van de Omgevingswet. Het gedeelte van Hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer met betrekking tot stortplaatsen is na de invoering van de Omgevingswet blijven gelden. Het Besluit activiteiten leefomgeving is gebaseerd op de Omgevingswet. Wijziging terminologie als gevolg van de invoering van de Omgevingswet. De leden 3 en 4 zijn in verband met de leesbaarheid gewisseld. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de 17

5:20 5:23

Wijziging eerste lid Wijziging eerste lid onderdeel a

5:24 5:25 5:28 5:30 5:32 5:33 5:34 6:2 6:4 en 6:5 6.4

Wijziging derde lid Wijziging derde lid Wijziging tweede lid Wijziging tweede lid Wijziging derde lid Wijziging vierde lid onder b Wijziging eerste lid en vijfde lid Wijziging eerste lid, aanhef en onderdeel c Volgorde van deze artikelen is verwisseld Overgangsrecht

6:5

Intrekking APV Zaltbommel 2022

gemeente Zaltbommel. Deze weigeringsgrond is gewijzigd in een facultatieve weigeringsgrond. Wijziging terminologie in verband met de invoering van de Omgevingswet. Op grond van artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4:6 van de Invoeringswet Omgevingswet maken alle geldende bestemmingsplannen sinds 1 januari 2024 deel uit van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Zaltbommel. Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Aangepast aan de begrippen van de Omgevingswet Wijziging in verband met de invoering van de Omgevingswet Aanpassing aan de nieuwe teamindeling van de ambtelijke organisatie. Nieuwe volgorde is logischer. Het overgangsrecht heeft eerbiedigende werking voor alle reeds genomen uitvoeringsbesluiten op grond van APV 2022. Deze besluiten blijven onder de nieuwe APV van kracht totdat deze zijn gewijzigd of ingetrokken. Het nieuwe tweede lid is opgenomen in verband met het schrappen van de vrijstellingsbevoegdheid van de burgemeester in het vijfde lid van artikel 2:28. Deze vrijstelling blijft van kracht., Hierin wordt expliciet geregeld dat de geldende APV wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze nieuwe APV 2024.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15195136/2