Bijlage 3. Beleidsregel toetsingskader
Tekst van het document
Beleidsregel toetsingskader kleinschalige hernieuwbare energie Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Inleiding 3 1.2 Doel 3 1.3 Juridische grondslag 4 1.4 Leeswijzer 5 2 Toetsingskader 6 2.1: begrippen 7 2.2: wijze van meten 8 2.3: Algemene ruimtelijke randvoorwaarden 10 2.4: locatie specifieke ruimtelijke randvoorwaarden 11 2.5: ecologische randvoorwaarden 12 2.6: randvoorwaarden wet- en regelgeving 12 2.7: overige randvoorwaarden 13
1 Inleiding 1.1 Inleiding Deze beleidsregel die voor u ligt heeft betrekking op het toestaan van erfturbines in de gemeente Zaltbommel. De aanleiding voor het opstellen van deze beleidsregel en het bijbehorende 'Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie’ en ‘Paraplubeheersverordening kleinschalige opwekking windenergie’ is dat de gemeente Zaltbommel als wens heeft om windturbines met een ashoogte van niet meer dan twintig meter (erfturbines) onder voorwaarden toe te staan in de gemeente. Omdat de nu geldende bestemmingsplannen dit soort windturbines nu niet toelaten, is het ‘Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie’ opgesteld. Dat plan maakt het mogelijk om in het grootste deel van gemeente Zaltbommel door middel van een omgevingsvergunning de betreffende windturbines wel te bouwen en gebruiken. Ook wordt een paraplubeheersverordening opgesteld om de relevante beheersverordening in de gemeente te herzien. Omdat de gemeente Zaltbommel wel meerdere voorwaarden wil verbinden aan de vergunningverlening is de voorliggende beleidsregel opgesteld. Op die manier heeft de gemeente grip op de duurzame initiatieven.
1.2 Doel Het doel van deze beleidsregel is het bieden van een toetsingskader voor het mogelijk maken van erfturbines op of nabij bouwvlakken van (agrarische) bedrijven in het buitengebied van en op bedrijventerreinen in de gemeente Zaltbommel. Zoals vermeld, wordt tezamen met het beleidskader een paraplubestemmingsplan en een paraplubeheersverordening opgesteld, de windturbines hebben immers een ruimtelijk effect. Het paraplubestemmingsplan en de beheersverordening vormen samen met deze beleidsregel het afwegingskader om te komen tot een goede ruimtelijke ordening in de gemeente ten aanzien van het inpassen van de erfturbines. Indien niet aan de voorwaarden van het bestemmingsplan en de onderhavige beleidsregel kan worden voldaan, verleent de gemeente Zaltbommel geen omgevingsvergunning, uitzonderingen daargelaten. De combinatie van een paraplubestemmingsplan c.q. en een daaraan gekoppelde beleidsregel ter uitwerking van de voorwaarden die gelden, is bewust gemaakt door de gemeente. Het paraplubestemmingsplan, vastgesteld door de gemeenteraad van Zaltbommel, maakt de bouw van de erfturbines in principe mogelijk. Vervolgens bevat de beleidsregel, opgesteld en toegepast door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel, het concrete toetsingskader.
Als gevolg van deze systematiek ontstaat er een flexibel systeem: een beleidsregel is immers eenvoudiger en sneller te wijzigen dan een bestemmingsplan. Doel van deze flexibiliteit is namelijk om op een correcte en snelle manier om te gaan met eventuele gewenste wijzigingen omtrent het plaatsen van erfturbines. Tot slot wordt opgemerkt dat de beleidsregel geen effect heeft op al bestaande (kleinschalige) windturbines in de gemeente maar alleen op aanvragen voor zulke windturbines nadat het paraplubestemmingsplan is vastgesteld.
1.3 Juridische grondslag De verschillende bestemmingsplannen en één beheersverordening in de gemeente regelen de manier waarop de gronden in de gemeente bebouwd en gebruikt mogen worden. Uit de bestemmingsplannen en de beheersverordening volgt dat het op dit moment niet zondermeer is toegestaan om een erfturbine te bouwen. In sommige gevallen zijn erfturbines (windturbines) wel mogelijk, echter niet zoals dit beleidskader (in combinatie met het paraplubestemmingsplan en de paraplubeheersverordening) voor ogen heeft. Om de erfturbines wel mogelijk te maken, is het ‘Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie’ en de ‘Paraplubeheersverordening kleinschalige opwekking windenergie’ opgesteld. Dat plan en die verordening maken het mogelijk om via een algemene afwijkingsregel een omgevingsvergunning te verlenen voor erfturbines op of nabij bouwvlakken van (agrarische) bedrijven in het buitengebied van en op bedrijventerreinen van de gemeente. De regels van dat plan en die verordening bepalen echter dat moet worden voldaan aan de deze beleidsregel. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen; het is geen plicht om deze toe te passen. Uiteraard moet de afweging zorgvuldig zijn en mag er bij toepassing geen sprake zijn van willekeur.
Om voor de gemeente en haar inwoners op een gelijkwaardige en eenduidige manier alle aanvragen voor erfturbines te behandelen, is deze beleidsregel opgesteld. Dat de gemeente een beleidsregel kan opstellen ten aanzien van het al dan niet verlenen van omgevingsvergunningen voor het bouwen van een erfturbine, is het gevolg van: a. Artikel 4:81 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat een gemeente een beleidsregel kan opstellen met betrekking tot een haar toekomende bevoegdheid. Dat betekent dat de gemeente Zaltbommel wat betreft het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleinschalige windturbine bevoegd is om een beleidsregel op te stellen waarin zij uitwerkt op basis van welke maatstaven zij al dan niet een omgevingsvergunning verleent. Wel is het zo dat de gemeente Zaltbommel als gevolg van artikel 4:84 van de Awb bij het opstellen van een beleidsregel zichzelf bindt aan het daarin geformuleerde beleid. Mochten bijzondere omstandigheden maken dat het niet evenredig is om de beleidsregel in een bepaalde situatie toe te passen, dan is een gemeente volgens artikel 4:84 van de Awb verplicht de beleidsregel niet toe te passen.
Anders gesteld: de gemeente Zaltbommel moet handelen in overeenstemming met de beleidsregel, tenzij het voor een of meer belanghebbenden gevolgen kan hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met het doel van de beleidsregel. b. Artikel 3.1, eerste lid, in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening Dat de gemeente Zaltbommel een beleidsregel kan opstellen omtrent het plaatsen van kleinschalige windturbines, vloeit voort uit een aan de gemeente toekomende bevoegdheid. De gemeente heeft op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro de bevoegdheid om via bestemmingsplannen en beheersverordeningen te bepalen dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een erfturbine in de gemeente Zaltbommel. Dat maakt ook dat de gemeente Zaltbommel de bevoegdheid heeft om met het oog op een goede ruimtelijke ordening beleidsregels vast te stellen. De goede ruimtelijke ordening betreft hier het goed inpassen van erfturbine in de gemeente zonder dat daardoor andere (milieu)aspecten onevenredig worden benadeeld. 1.4 Leeswijzer Het volgende hoofdstuk bevat het toetsingskader van deze beleidsregel. Het vormt daarmee het hart van de beleidsregel.
2 Toetsingskader Dit hoofdstuk bevat de randvoorwaarden waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een erfturbine moet voldoen. Een dergelijke omgevingsvergunning kan een indiener aanvragen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ook wel een zogeheten binnenplanse afwijkingsprocedure. De randvoorwaarden zijn opgedeeld in drie onderdelen. Het eerste deel geeft voor relevante begrippen een definitieomschrijving. Deel twee bepaalt bevat de wijze van meten. Delen drie, vier en vijf geven de ruimtelijke randvoorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen. Delen zes en zeven bevatten voorwaarden die afkomstig zijn uit wet- en regelgeving. Tot slot geeft deel acht overige randvoorwaarden.
2.1: Begrippen Verklaring van de gehanteerde begrippen: 1.1 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.2 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.3 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.4 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.5 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.6 erfturbine: een kleinschalige windturbine, zijnde een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 20,00 m; 1.7 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.8 gevoelige bestemming: woonbestemming of een andere bestemming waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning; 1.9 landschappelijk inrichtingsplan:
een tekening met toelichting waarin in ieder geval wordt ingegaan op de plaatsing van een erfturbine en de bijbehorende bouwwerken, de kleurstelling en de maatregelen op grondniveau om de bijbehorende bouwwerken aan het zicht te onttrekken; 1.10 peil: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.11 risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, zoals deze luidt op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
2.2: wijze van meten Bij toepassing van de ruimtelijke randvoorwaarden wordt als volgt gemeten: 1.1 de ashoogte van een windturbine: turbines met een horizontale as (HAT-turbines): vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein; turbines met een verticale as (VAT-turbines): vanaf bovenkant van de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
1.2 de tiphoogte van een windturbine: turbines met een horizontale as (HAT-turbines): de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel; turbines met een verticale as (VAT-turbines): de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;
1.3 de rotordiameter: de diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;
1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.3: Algemene ruimtelijke randvoorwaarden Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een erfturbine moet aan de volgende algemene ruimtelijke voorwaarden voldoen: 1. De maatvoering van de erfturbine voldoet aan de volgende regels: a. de ashoogte van een erfturbine bedraagt niet meer dan 20,00 m, gemeten vanaf het peil, met dien verstande dat indien een erfturbine op een gebouw wordt geplaatst, de tiphoogte niet meer dan ⅓ van de bouwhoogte van het gebouw bedraagt, met een maximum van 5,00 m; b. de rotordiameter van een VAT-type windturbine bedraagt niet meer dan 2,00 m. 2. De afstand van een erfturbine tot: a. een andere erfturbine bedraagt niet minder dan drie keer de rotordiameter; b. de meest nabijgelegen gevoelige bestemming bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de erfturbine; 3. De wieken of constructie van de erfturbine mag niet overhangen boven openbaar gebied; 4. De gemeente Zaltbommel kan nadere eisen stellen aan de plaats, omvang en gebruik van de erfturbine ten behoeve van: a. de bezonningsituatie; b. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; c. zichtlijnen of visuele hinder; d. het voorkomen van slagschaduw; e. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten; f. de afstand tot gasinfrastructuur en/of (ondergrondse) hoogspanningsinfrastructuur; g. geluidshinder; h. een goede landschappelijke inpassing; i. de ecologie.
2.4: Locatiespecifieke ruimtelijke randvoorwaarden In afwijking van 2.3 ‘Algemene ruimtelijke randvoorwaarden’ moet een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een erfturbine die betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van de beheersverordening ‘Bruchem en Nieuwaal’, NL.IMRO.0297.BRUBVO20180014-VS01, vastgesteld 26 september 2019 en op gronden die deel uitmaken van ‘Bijlage 3 Locaties Gameren blad 3’ (Illustratie) van de ‘Brakel, Gameren (ged.), Zaltbommel (ged.) en Kerkwijk (ged.), NL.IMRO.0297.BKLBVO20150012-VS01, vastgesteld 1 oktober 2015, aan de volgende locatiespecifieke ruimtelijke voorwaarden voldoen: 1. De erfturbine wordt geplaatst: a. binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden’, ‘Bedrijf’, ‘BedrijfBuitendijks’ en ‘Bedrijventerrein’; b. binnen het bouwvlak achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw. Indien binnen de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ of ‘Bedrijf-Buitendijks’ geen bouwvlak is aangegeven, wordt het bestemmingsvlak als zodanig beschouwd; c.
buiten het bouwvlak achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en binnen een afstand van 75,00 m vanaf het bouwvlak, en, indien bij een erfturbine met een ashoogte van meer dan 15 meter in een landschappelijk inrichtingsplan wordt aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en/of landschappelijke karakteristieken van het erf en de omgeving. Indien binnen de bestemming ‘Bedrijf’ geen bouwvlak is aangegeven, wordt het bestemmingsvlak als zodanig beschouwd; 2. De erfturbine wordt niet geplaatst: a. buiten het bouwvlak binnen het Gelders Natuur Netwerk, de Groene Ontwikkelingszone, het waardevol open gebied, een weidevogelgebied en het Nationaal landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie, tenzij uit de bij de aanvraag om omgevingsvergunning behorende stukken blijkt dat de provincie hier geen bezwaar tegen heeft.
2.5: ecologische randvoorwaarden Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een erfturbine met een ashoogte van meer dan 15 meter dan wel voor een erfturbine buiten het bouwvlak (indien binnen de bestemming ‘Bedrijf’ Bedrijventerrein’ of ‘Bedrijf-Buitendijks’ geen bouwvlak is aangegeven, wordt het bestemmingsvlak als zodanig beschouwd) gaat vergezeld met een ecologische quickscan waaruit blijkt dat de plaatsing van de erfturbine(s) geen negatieve gevolgen heeft voor de natuurwaarden, waarbij de volgende voorwaarde geldt: 1. Uit een ecologische quickscan blijkt in het bijzonder of er sprake is van verblijfplaatsen, vliegroutes of een belangrijk foerageergebied van vleermuizen of van functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten en andere vogels met een hoog aanvaringsrisico (huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw). Indien deze soorten in de nabijheid aanwezig zijn, moet bij de positionering van een erfturbine rekening worden gehouden met deze soorten, zodat het aanvaringsrisico wordt geminimaliseerd. 2.6: randvoorwaarden wet- en regelgeving Erfturbines moeten aan alle relevante wet- en regelgeving voldoen, waarbij in ieder geval geldt dat de erfturbine voldoet aan: 1. de overige regels, zoals dubbelbestemmingen en de aanduiding ‘molenbiotoop’, van ter plaatse geldende bestemmingsplannen; 2.
de planschadeovereenkomst die de initiatiefnemer verplicht moet aangaan met de gemeente Zaltbommel; 2.7: overige randvoorwaarden Voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een erfturbine gelden, naast de bovenstaande randvoorwaarden, ook de volgende regels: 1. de energieopwekking van een erfturbine is niet bestemd voor commerciële doeleinden maar enkel ten behoeve van het eigen gebruik; 2. binnen één jaar nadat een erfturbine definitief buiten gebruik is gesteld, deze constructie met de bijbehorende voorzieningen wordt verwijderd.