Bijlage 2d. Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie ontwerp
bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting
Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie ontwerp
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Energiekansenkaart windenergie
7
Bijlage 2
Bureauonderzoek ecologie
11
3
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
4
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
Bijlagen bij de toelichting
5
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
6
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
Bijlage 1 Energiekansenkaart windenergie
7
BIJLAGE 4 ENERGIEKANSENKAARTEN
bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie
Bijlage 2 Bureauonderzoek ecologie
11
Bureauonderzoek ecologie Opdrachtgever:
projectnummer:
Onderwerp:
Beknopte natuurtoets parapluplan kleine windturbines zaltbommel
Datum:
21-04-2021
Inleiding KADER De gemeente Zaltbommel wil een paraplubestemmingsplan opstellen om kleinschalige opwek van windenergie mogelijk te maken binnen het gemeentegebied. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een toets aan de natuurwetgeving uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of het 1
plan effecten kan hebben op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten en gebieden. Vanwege de globale opzet van het plan, zonder vastlegging van exacte locaties en aantallen kleine windturbines, is het onderzoek beperkt tot een bureauonderzoek. Bij een concreet voornemen voor de plaatsing van een kleine windturbines kan een meer gedetailleerde natuurtoets uitgevoerd worden, waarbij ook de specifieke kenmerken van een locatie kunnen worden beoordeeld. Een dergelijke meer specifieke toets vormt geen onderdeel van dit onderzoek. VOORNEMEN Het voornemen bestaat uit het mogelijk maken van kleine windturbines met een maximale ashoogte van twintig meter. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om een kleinschalige windturbine op een gebouw te plaatsen waarvan de tiphoogte niet meer dan een derde van de bouwhoogte van het gebouw bedraagt, met een maximum van vijf meter. Het plan maakt niet overal plaatsing van windturbines mogelijk. De turbines mogen bij agrarische bedrijven en tuinbouwbedragen geplaatst worden binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ binnen het bouwvlak of tot op maximaal 75 meter van het bouwvlak. Ook op een aantal bedrijventerreinen wordt de plaatsing van windturbines mogelijk gemaakt.
Het gaat hierbij om de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’, ‘Bedrijventerrein – 1’, ‘Bedrijventerrein – 2’ en ‘Bedrijventerrein – 3’. De kleine windturbines mogen hier worden geplaatst binnen een bouw-
1
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.
vlak, of indien deze ontbreekt binnen een bestemmingsvlak waarop een bouwperceel aanwezig is waar ingevolge de regels een hoofdgebouw gebouwd mag worden. De energieopwekking van de kleinschalige windturbine is niet bestemd voor commerciële doeleinden maar enkel ten behoeve van het eigen gebruik. PLANGEBIED Het plangebied bestaat uit het buitengebied van Zaltbommel en de plangebieden van een aantal bedrijventerreinen en een tuinbouwgebied, namelijk: -
Bedrijventerreinen;
-
Zaltbommel, De Wildeman;
-
Zaltbommel, Van Voordenpark;
-
Inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard;
-
Zaltbommel, De Wildeman II.
Dit betreft een groot gebied dat globaal ligt ingeklemd tussen de Waal in het Noorden, Zaltbommel in het Oosten, de afgedamde Maas in het zuidwesten en de dorpen Delwijnen en Kerkwijk in het zuiden. Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb);
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5 tot en met 3.9 van de Wnb);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (artikel 3.10 van de 3.11 van de Wnb).
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (artikel 3.11 van de Wnb). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10, eerste lid, van de Wnb. INVENTARISATIE 2
Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF – 15 april 2021 13:05:26) blijkt dat in het plangebied veel beschermde diersoorten bekend zijn. Het gaat hierbij om vogels met jaar-
2
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.
datum 21-04-2021
projectnummer
2
rond beschermde nesten, zoogdieren, amfibieën, vaatplanten, ongewervelden een reptiel (ringslang) en een vissoort (grote modderkruiper). In het plangebied zijn twee beschermde plantensoorten bekend, namelijk akkerdoornzaad en schubzegge (NDFF). Beide zeer zeldzame soorten stellen hoge eisen aan de groeiplaatsen, zodat de kans nihil is dat deze voorkomen op een locatie waar een kleine windturbine wordt geplaatst. Bovendien kan bij een concreet voornemen worden bepaald of deze of andere beschermde plantensoorten op een locatie voorkomen, zodat bij de exacte locatiebepaling voor de plaatsing rekening kan worden gehouden met de eventueel aanwezige groeiplaats. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten zijn dan ook niet te verwachten. Uit het plangebied is een aantal vleermuissoorten bekend, te weten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis, bosvleermuis en baardvleermuis (NDFF). Meervleermuis, watervleermuis, bosvleermuis en baardvleermuis zijn door de eisen aan hun leefomgeving en/of zeldzaamheid nauwelijks te verwachten op locaties voor de plaatsing van kleine windturbines. Rosse vleermuis is een soort die vooral op grote hoogte foerageert en zal zodoende ook niet veel op locaties van kleine windturbines foerageren.
De andere soorten kunnen door hun eisen aan het biotoop, het foerageergedrag en de verspreiding ook op plaatsen voor kunnen komen waar kleine windturbines worden geplaatst. Op locaties waar doorlopende bomenrijen of brede watergangen aanwezig zijn, kan ook sprake zijn van vliegroutes van vleermuizen. Uit het plangebied is een groot aantal vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen bekend (NDFF). Met name de soorten die op agrarische erven kunnen broeden, zijn ook te verwachten op de locaties van kleine windturbines, zoals huismus, sperwer, kerkuil en steenuil. Verder zijn meer algemene soorten als roek en buizerd nabij de kleine windturbines te verwachten. Behalve vogels met jaarrond beschermde nesten, kunnen ook andere vogels nabij de kleine windturbines broeden. Te verwachten zijn vooral akker- en weidevogels en vogels van erven en bedrijventerreinen, zoals kievit, spreeuw, houtduif en boerenzwaluw. Uit het plangebied zijn twaalf algemene grondgebonden zoogdiersoorten bekend (NDFF), waarvan een deel ook verblijfplaatsen kan hebben op locaties voor de plaatsing van kleine windturbines, zoals huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis en egel. Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen.
datum 21-04-2021
projectnummer
3
Uit het plangebied zijn ook de niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten bunzing, wezel, hermelijn, boommarter, steenmarter, bever, das, waterspitsmuis en wolf bekend (NDFF). Met name de kleine marterachtigen en steenmarter kunnen ook op locaties voor de plaatsing van kleine windturbines voorkomen, omdat deze soorten vrij veel in het buitengebied voorkomen en ook op of nabij agrarische erven kunnen leven. Aangezien de kleine windturbines niet in het water worden geplaatst, zal geen sprake zijn van aantasting van voortplantingsbiotoop voor amfibieën. De locaties voor de plaatsing van kleine windturbines kunnen wel onderdeel vormen van het landbiotoop van algemene amfibieën, zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF). Voor deze algemene amfibieënsoorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. De niet-vrijgestelde amfibieënsoorten, heikikker, poelkikker en rugstreeppad zijn zeldzaam in het plangebied (NDFF). Deze soorten stellen hogere eisen aan het landbiotoop, zodat de kans klein is dat deze soorten voorkomen op de locatie voor de aanleg van een kleine windturbine. Uit het plangebied is de reptielensoort ringslang bekend (NDFF). De kans dat deze soort voorkomt op een locatie voor de plaatsing van een kleine windturbine is vrijwel uitgesloten.
Bovendien kan bij de locatiekeuze bij een concreet plan naar verwachting altijd aantasting van een verblijfplaats of belangrijk leefgebied voorkomen worden. De beschermde vissoort grote modderkruiper is bekend uit het plangebied (NDFF). Doordat de kleine windturbines niet in het water worden geplaatst, zal geen sprake zijn van ontwikkelingen binnen leefgebied van deze soort. De beschermde vlindersoort teunisbloempijlstaart is driemaal waargenomen in het plangebied. De kans dat deze zeldzame soort voorkomt op de locaties waar een kleine windturbines worden geplaatst is zeer klein vanwege de hoge eisen die de soort aan het rupsenbiotoop stelt. De windturbines worden niet in het water geplaatst, zodat ontwikkelingen binnen leefgebied van rivierrombout, gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoren (NDFF) niet aan de orde zijn. TOETSING De kans dat beschermde plantensoorten voorkomen op een locatie waar een kleine windturbine wordt geplaatst is nihil. Bovendien kan bij een concreet voornemen worden bepaald of deze of andere beschermde plantensoorten op een locatie voorkomen, zodat bij de exacte locatiebepaling voor de
datum 21-04-2021
projectnummer
4
plaatsing rekening kan worden gehouden met de eventueel aanwezige groeiplaats. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten zijn dan ook niet te verwachten. Als gevolg van het plan gaan naar verwachting geen vleermuisverblijfplaatsen verloren, te meer omdat bij een concreet plan rekening kan worden gehouden met eventueel aanwezige verblijfplaatsen. Windturbines kunnen echter ook zorgen voor verstoring van vleermuizen en voor aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen. Er is nog weinig bekend over de effecten van kleine windturbines op vleermuizen. Enkele studies beschrijven de effecten van kleine windturbines op het foerageergedrag van vleermuizen. Uit deze studies komt naar voren dat tot op in ieder geval twintig tot 25 meter afstand van de kleine turbines la3
gere aantallen foeragerende vleermuizen waargenomen worden (Minderman et al., 2012 ; Minder4
man et al., 2017 ). Minderman et al. (2017) geven aan dat effecten tot op honderd meter afstand meetbaar zijn, maar dat de verstoring vermoedelijk voor het grootste deel binnen 25 meter afstand van de windturbines plaatsvindt. Gelet op de grote foerageergebieden van vleermuizen, zal niet snel sprake zijn van negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied, temeer omdat naar verwachting veel kleine windturbines in relatief intensief beheerde agrarische gebieden zullen worden geplaatst die geen hoge kwaliteit hebben als foerageergebied voor vleermuizen. Voor het risico op aanvaringsslachtoffers is relevant welke soorten kunnen worden verwacht rond de windturbines. Daarnaast is de vlieghoogte van de te verwachten soorten relevant. Van de uit de omgeving van het plangebied bekende en te verwachten soorten foerageren de soorten gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger en rosse vleermuis in open agrarisch landschap. Al deze soorten jagen op vijf tot vijftig meter hoogte en daarmee op rotorhoogte van de windturbines. Rosse vleer5
muis jaagt meestal op grotere hoogtes. Minderman et al. (2015) berekenen op basis van gevonden slachtoffers bij kleine windturbines een aantal vleermuisslachtoffers van 0,008 – 0,169 exemplaren per turbine per jaar. Doordat er weinig onderzoeken zijn gedaan naar aanvaringsslachtoffers bij kleine windturbines, moeten deze getallen vooral gezien worden als globale indicatie. In de provincie Groningen is inmiddels ook een onderzoek uitgevoerd naar aanvaringsslachtoffers bij kleine wind6
turbines (Jonge Poerink, B. en S. van Houten – Munten ). Hierbij werden helemaal geen vleermuis3
Minderman, J., C.J. Pendlebury, J.W. Pearce-Higgins, K.J. Park, Experimental Evidence for the Effect of Small Wind Turbine Proximity and
Operation on Bird and Bat Activity. PLoS ONE 7(7): e41177. doi:10.1371/journal.pone.0041177. 4
Minderman, J., M.H. Gillis, H.F. Daly, K.J. Park, 2017. Landscape-scale effects of single- and multiple small wind turbines on bat activity.
Anim Conserv.DOI: 10.1111/acv.12331. 5
Minderman, J., E. Fuentes-Montemayor, J.W. Pearce-Higgins, C.J. Pendlebury, K.J. Park, 2015. Estimates and correlates of bird and bat
mortality at small wind turbine sites. Biodiversity and Conservation Volume 24, Issue 3, pp 467–482. 6
Jonge Poerink, B. en S. van Houten – Munten, 2020. Eindrapportage effecten kleine windturbines vogels en vleermuizen. Ecosensys, rap-
portnummer 20190408.
datum 21-04-2021
projectnummer
5
slachtoffers gevonden, maar vleermuizen werden wel waargenomen nabij de kleine windturbines. Het ging hierbij om gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Gewone en ruige dwergvleermuis waren daarbij veruit de algemeenste soorten. Gelet op de vlieghoogtes, het voorkomen in relatief open gebieden en de waarnemingen in Groningen mag worden verwacht dat gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger het grootste risico lopen op aanvaringen bij windturbines in het plangebied. Indien een kleine windturbine wordt geplaatst op een locatie waar deze vleermuizen veel vliegen, zoals langs een vliegroute of nabij een verblijfplaats of belangrijk foerageergebied, is het niet uitgesloten dat er meer dan incidenteel slachtoffers onder vleermuizen vallen en dat er sprake is van negatieve effecten op de populaties van deze soorten. Daarom is het nodig om bij concrete plannen voor de plaatsing van kleine windturbines te letten op de eventuele aanwezigheid van verblijfplaatsen en belangrijke vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen. De plaatsing van windturbines mag niet plaatsvinden op locaties met bezette nesten van broedvogels of op locaties met jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels. Dit kan alleen bij een concreet plan worden beoordeeld.
Negatieve effecten op nesten van vogels kunnen naar verwachting altijd worden voorkomen. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde niet jaarrond beschermde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van eventuele kapwerkzaamheden op het noordwestelijke perceel rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Verder zijn hooguit effecten door verstoring van foeragerende vogels en door aanvaringsslachtoffers onder vogels mogelijk. Minderman et al. (2012) vonden geen effect van kleine windturbines op de dichtheid van foeragerende vogels nabij kleine windmolens. Per locatie zal hooguit een zeer klein gebied ongeschikt wordt voor foeragerende vogels. In de omgeving blijft in die gevallen in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig, gelet op het kleine invloedsgebied van de kleine windturbines. Negatieve effecten op vogels door verlies van foerageergebied zijn niet te verwachten. Minderman et al.
(2017) berekenen op basis van gevonden slachtoffers bij kleine windturbines een aantal vogelslachtoffers van 0,079 – 0,278 exemplaren/turbine/jaar, zodat op basis van dit onderzoek niet meer dan incidentele slachtoffers te verwachten zijn bij een kleine windturbine. In Groningen is ook naar vogelslachtoffers bij kleine windturbines gezocht (Jonge Poerink, B. en S. van Houten – Mun-
datum 21-04-2021
projectnummer
6
ten). Hier werden op zes locaties met kleine windturbines bij tien bezoeken per locatie in totaal twee mogelijke slachtoffers gevonden. Het ging om een houtduif en een huiszwaluw. Bij het onderzoek is ook gekeken in hoeverre vogels in de risicozone van kleine windturbines vliegen nabij de rotors. Hieruit kwam naar voren dat de soorten huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw relatief vaak in de risicozone vliegen, zodat deze soorten een hoger aanvaringsrisico hebben. Het plan kan leiden tot aanvaringsslachtoffers onder vogels bij een kleine windturbine, maar bij een goede locatiebepaling zal naar verwachting hooguit sprake zijn van incidentele slachtoffers. Om te voorkomen dat er meer dan indicentele slachtoffers onder vogels vallen, is het bij een concreet plan voor plaatsing van kleine windturbines nodig om bij de locatiekeuze te letten op aanwezigheid van nestplaatsen van de hierboven genoemde risicosoorten en andere soorten die veel op agrarische erven broeden, zoals huismus en kerkuil. In dat geval kunnen negatieve effecten op de broedpopulaties van de betroffen soorten naar verwachting voorkomen worden. De kans dat niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voorkomen op locaties waar kleine windturbines worden geplaatst is klein, maar niet helemaal uitgesloten.
Naar verwachting kan echter voldoende rekening worden gehouden met eventueel aanwezige verblijfplaatsen of leefgebied, zodat een negatief effect op de te verwachten soorten kan worden voorkomen. Dit dient bij een concreet plan te worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de minimale kans op de aanwezigheid van beschermde soorten als ringslang en teunisbloempijlstaart. Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot slot verblijfplaatsen van enkele algemene amfibieën- en of zoogdierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Groningen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent.
Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
datum 21-04-2021
projectnummer
7
NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. In de provincie Gelderland wordt het NNN Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het GNN is voor provincie Gelderland uitgewerkt in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland (provinciaal ruimtelijk natuurbeleid). GROENE ONTWIKKELINGSZONE Vanuit de Omgevingsverordening Gelderland worden behalve de GNN-gebieden ook gebieden aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. In gebieden die zijn aangewezen als Groene Ontwikkelingszone worden onder bepaalde voorwaarden nieuwe ontwikkelingen toegestaan. INVENTARISATIE In het westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem 750 hectare en ten noordoosten van Zaltbommel het Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 1). Verspreid door het plangebied liggen gronden die zijn aangewezen als GNN of Groene Ontwikkelingszone (GO) (zie figuur 2). Ten zuiden van Bruchem ligt een weidevogelgebied.
Figuur 1. Natura 2000-gebieden (groen gearceerd) Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem in het westen en Rijntakken in het oosten. (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
datum 21-04-2021
projectnummer
8
Figuur 2. GNN-gebieden (donkergroen) en GO-gebieden (lichtgroen). (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).
TOETSING De kans is klein dat er een kleine windturbine in een Natura 2000-gebied zal worden geplaatst, aangezien deze gebieden tot de noordoostrand en westpunt van het plangebied en (agrarische) bebouwing in deze gebieden vrijwel volledig ontbreekt. De kans op aanvaringsslachtoffers onder kwalificerende vogelsoorten is daarom, mede gelet op het geringe aanvaringsrisico bij een kleine windturbine (zie ook soortenbescherming), zeer klein. Hooguit is een incidenteel slachtoffer te verwachten. Ook leidt de plaatsing van een kleine windturbine niet tot een merkbare toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door de plaatsing van een kleine windturbine worden niet verwacht. Windturbines binnen het GNN zijn op basis van de Omgevingsverordening Gelderland alleen toegestaan in het ‘verkenningsgebied voorwaarden windturbines GNN’ in een smalle strook langs de Waal aan weerszijden van de A2 bij Zaltbommel. Hier geldt artikel 2.42 van de Verordening dat voorschrijft dat oppervlakteverlies voor 200% moet worden gecompenseerd en dat effecten op de kernkwaliteiten en samenhang zoveel mogelijk moeten worden beperkt en overblijvende effecten moeten worden gecompenseerd. Op andere locaties binnen GNN is niet zonder meer de plaatsing van kleine windturbines mogelijk.
Binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) zijn kleinschalige nieuwe ontwikkelingen als de plaatsing van een kleine windturbine toegestaan, mits het plan leidt tot een substantiële versterking van de kernkwaliteiten. Bij een concreet plan voor een locatie binnen GO moet daarom een inrichtingsplan worden opgesteld waarin is uitgewerkt hoe de kernkwaliteiten van GO substantieel worden versterkt.
datum 21-04-2021
projectnummer
9
Gelet op de geringe grootte van de kleine windturbines kan naar verwachting altijd gezorgd worden voor een substantiële versterking van de kernkwaliteiten. In het weidevogelgebied kunnen kleine windturbines zorgen voor verstoring van de openheid en aanvaringsslachtoffers onder weidevogels. Hier zijn kleine windturbines alleen mogelijk op of direct tegen erven aan waar het gebied geen functie vervult voor weidevogels. Dit moet bij een concreet plan worden beoordeeld. Conclusie Voor een globale toetsing van het parapluplan voor kleine windturbines aan de natuurwetgeving is een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan uit het bronnenonderzoek. Uit de beknopte natuurtoets komt naar voren dat er bij een concreet plan voor de plaatsing van een kleine windturbine moet worden bepaald of er sprake is van een verblijfplaatsen, vliegroutes of een belangrijk foerageergebied van vleermuizen of van functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten en andere vogels met een hoog aanvaringsrisico (huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw). Indien deze soorten in de nabijheid aanwezig zijn, moet bij de positionering rekening worden gehouden met deze soorten, zodat het aanvaringsrisico wordt geminimaliseerd. In dat geval is niet meer dan een incidenteel slachtoffer te verwachten.
Verder dient bij de plaatsing aantasting en verstoring van bezette nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde amfibieën en grondgebonden zoogdieren te worden voorkomen. Een negatief effect op Natura 2000-gebieden wordt niet verwacht mits plaatsing van een kleine windturbine binnen Natura 2000-gebieden achterwege blijft. Plaatsing van een kleine windturbine binnen GNN is alleen onder voorwaarden mogelijk binnen het ‘verkenningsgebied voorwaarden windturbines GNN’ op de kaart van de Omgevingsverordening Gelderland. In dat geval dient het verlies van oppervlakte voor 200% te worden gecompenseerd en eventueel verlies van kernkwaliteiten en samenhang eveneens te worden gecompenseerd. Dit dient bij een concreet voornemen te worden getoetst. Een windturbine in de Groene Ontwikkelingszone (GO) is mogelijk als de kernkwaliteiten per saldo substantieel worden versterkt. Bij een concreet plan voor de bouw van een kleine windturbine binnen GO moet dan ook een inrichtingsplan worden opgesteld waarin wordt uitgewerkt hoe de kernkwaliteiten van GO worden versterkt. In weidevogelgebied zijn kleine windturbines alleen mogelijk op of direct tegen erven aan waar het gebied geen functie vervult voor weidevogels. Dit moet bij een concreet plan worden beoordeeld.
datum 21-04-2021
projectnummer
10