CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2c. Ontwerp bestemmingsplan Nederhemert, De Maastuinen

Raadsvergadering 14 juli 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nederhemert, Maastuinen13.016 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan – Nederhemert, De Maastuinen Gemeente Zaltbommel Ontwerp

Bestemmingsplan – Nederhemert, De Maastuinen Gemeente Zaltbommel Ontwerp

Rapportnummer:

P02159

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0297.NHNBP20210034-OW01

Datum:

8 december 2021

Opdrachtgever:

J.C. van Kessel Holding BV

Projectteam BRO:

CVe, TSc, JvdA

Concept:

april 2021, mei 2021

Ontwerp:

december 2021

Vaststelling:

-

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 6

2.PLANBESCHRIJVING

6

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

11 11

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

11 12 12 15

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland 3.3 Gemeentelijk beleid

15 16 17

3.3.1 Woonvisie Bommelerwaard 2016 - 2020

17

4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Geluid weg- en railverkeer

18 18 20

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

20 21 21 21

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

21 21 22 22

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid

22 23 23 23

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Ecologie

23 24 24 25

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Bodem

25 26 27 27

Inhoudsopgave

1

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Water

27 27 29 29

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Archeologie

29 29 31 31

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Cultuurhistorie

31 32 32 32

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Explosievenonderzoek 4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

32 32 32 33 33

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

34 34 34 36

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

38 38 38

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

38 39 39

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor Duurzame Verstedelijking Bijlage 2: Verkeersanalyse Bijlage 3: Bodemonderzoeken Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: Akoestisch onderzoek en milieuzonering Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Aanmeldingsnotitie Bijlage 8: Onderzoek geurhinder Bijlage 9: Watertoets Bijlage 10: Landschappelijke inpassing Bijlage 11: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 12: Projectplan CE Bijlage 13: Archeologisch onderzoek

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om een gebied in het zuiden van Nederhemert te ontwikkelen naar woningbouw. De locatie is gelegen tussen de Schoolstraat en Maasdijk en kent op dit moment een agrarisch gebruik. De wens is op deze locatie maximaal 64 woningen te realiseren. Er worden woningen gerealiseerd uit verschillende prijsklassen en woningtypologieën, waarmee wordt ingespeeld op de lokale woningbouwbehoefte van het dorp en omgeving. Op dit moment vigeert het bestemmingsplan “Nederhemert” (vastgesteld op 15 april 2010). Binnen het plangebied gelden de bestemmingen ‘Agrarisch bedrijf’, ‘Landelijk groen’ en ‘Water’. De realisatie van woningen is niet toegestaan binnen deze bestemmingen. Om die reden is een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig document vormt de toelichting van het nieuwe bestemmingsplan voor het plangebied. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van de woningen mogelijk en geeft nieuwe ruimtelijke kaders aan het plangebied.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Nederhemert in de gemeente Zaltbommel. Nederhemert is een dorp met circa 1.700 inwoners en is gelegen aan de Afgedamde Maas tussen de Maas en de Waal. Het plangebied strekt zich uit over enkele agrarische percelen tussen de Schoolstraat/Tuinstraat en de Maasdijk. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een enkele bestaande woningen aan de Schoolstraat en Tuinstraat. De westelijke plangrens wordt grofweg gevormd door twee vrijstaande woningen, met bijbehorende bijgebouwen en lange oprit richting de Molenstraat. Aan de zuidzijde grenst het plangebied tot aan enkele vrijstaande woningen/woonboerderijen aan de Maasdijk. De oostelijke plangrens wordt gevormd door de tuinen van de woningen aan het adres Schoolstraat 7 en Maasdijk 26, de achterliggende basisschool en een agrarisch perceel. Kadastraal staat het plangebied bekend als de gemeente Kerkwijk, sectie T en perceelnummers 100, 103, 104, 112, 113, 1900, 1902, 1899 (deels) en 1901 (deels). De ligging en globale begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. Voor een gedetailleerde begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

3

Tuinstraat Schoolstraat

Figuur 1.1: Ligging en globale begrenzing plangebied (bron: opentopo.nl en Google Maps)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan “Nederhemert” (vastgesteld op 15 april 2010) vigerend. Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2. Binnen het plangebied gelden de bestemmingen ‘Agrarisch bedrijf’, ‘Landelijk groen’ en ‘Water’. Daarnaast ligt over een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Molenbiotoop’. De realisatie van woningen binnen de genoemde bestemmingen uit het geldende bestemmingsplan is zowel functioneel als ruimtelijk niet mogelijk. Het initiatief wijkt dan ook af van zowel de gebruiks- als de bouwregels. Om de realisatie van de gewenste woningen mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan geeft hier invulling aan en zorgt tevens voor de nieuwe geldende kaders van het plangebied.

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan “Nederhemert” (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

5

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING Huidige situatie en sloop De gewenste woningbouwontwikkeling vindt plaats op een agrarisch terrein globaal gelegen tussen de Schoolstraat en Maasdijk in het zuiden van Nederhemert. Het plangebied is op dit moment vrijwel geheel onbebouwd. Alleen aan de zuidzijde is sprake van bebouwing, deze zal worden gesloopt. Het gaat hierbij om een deel van de bijgebouwen/schuren van de woning aan het adres Maasdijk 32. De bestaande watergangen/sloten rondom het plangebied blijven behouden. Programma In totaal wordt voorzien in maximaal 64 woningen. In figuur 2.1 is de ligging van de toekomstige bebouwing weergegeven. Het programma is als volgt verdeeld: o Gebied A: 10 startersappartementen o Gebied B: 27 appartementen voor de doelgroep 55+ of zorgwoningen o Gebied C: 27 vrijstaande of twee-onder-één-kapwoningen

Ontsluiting

A Calamiteiten ontsluiting

B

C

Figuur 2.1: Schetsplan De Maastuinen

Hoofdstuk 2

7

Verkaveling en openbare inrichting In figuur 2.1 is de verkaveling globaal weergegeven. Hier is te zien dat de appartementengebouwen centraal zijn gelegen in het plan. De twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen zijn gesitueerd aan de rand van het plangebied. De woningen worden ontsloten via een nieuwe ontsluiting die aansluit op de hoek Schoolstraat/Tuinstraat. Daarnaast wordt er zowel aan de oost- als westzijde van het plangebied een calamiteitenroute gerealiseerd. Op het onderdeel verkeer wordt nader ingegaan in paragraaf 4.1. De nieuwe woningen zijn via nieuwe wegen te bereiken die rondom de appartementengebouwen lopen. Aan deze wegen worden ook haaksparkeerplekken en langsparkeerplekken aangelegd om te voldoen in de parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers van de woningen. Door een eenduidig straatprofiel wordt er rust en eenheid gecreëerd. Binnen deze straatprofielen zal het parkeren tevens worden opgelost. Om er voor te zorgen dat er geen harde rand ontstaat, wordt er om de vijf parkeerplaatsen groen aangeplant in de vorm van een laanboom met eventuele onderbegroeiing. De oriëntatie en de situering van de toekomstige woningen zijn zo geplaatst dat het aansluit op de omgeving en de zichtlijnen van de karakteristieke molen niet verloren gaan. Bebouwing In het plangebied worden verschillende gebouwen gebouwd.

Het meest noordelijke appartementengebouw krijgt een bouwhoogte van maximaal 8 meter. Hierin worden de 10 startersappartementen gerealiseerd. Het andere appartementengebouw (centraal gelegen in het plangebied) krijgt een maximale bouwhoogte van 11 meter. De maximale goothoogte van de twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen aan de westzijde van het plangebied bedraag 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10. De woningen aan de zuidzijde krijgen een maximale goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. De maximale goothoogte van de onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen aan de oostzijde van het plangebied bedraagt 6 meter en de maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. Landschappelijke structuren Het plangebied is gelegen in de gemeente Zaltbommel en maakt onderdeel uit van het rivierenlandschap. Het gebied kent een sterke noord-zuidrichting door de aanwezige verkaveling. Ten zuiden wordt de Maasdijk begrensd door de afgedamde Maas. Nederhemert Noord waar het plangebied zich in bevindt wordt getypeerd als een es- en dijkdorp. De bebouwing bevindt zich voornamelijk langs de Molenstraat. De molen en haven zijn binnen dit landschap beeldbepalend samen met de dijkbebouwing en de doorzichten over weides. Deze karakteristieken doen het dijkdorp eer aan.

Door de jaren heen is de bebouwingsconcentratie toegenomen en hebben zich langs de Molenstraat en Kapelstraat woningen gevormd in de vorm van kap- en rijtjeswoningen met enkele straten met gevarieerde vrijstaande woningen met een dorpskarakter. Om aan het groenbeleid te voldoen is 75 m2 aan openbaar groen per woning vereist. Het huidige plan voor de Maastuinen omvat circa 68 m2 aan openbaar groen per woning. Om toch genoeg groen te voorzien in de wijk worden alle platte daken in het plan uitgevoerd met groen/sedum. Bij de appartementsgebouwen is het mogelijk om achter de nok een groendak te realiseren. Bij de grondgebonden woningen komen de groendaken tot uiting bij alle aan-, uit-,en bijgebouwen. De bovengenoemde uitgangspunten zijn dan ook meegenomen binnen het landschappelijke inpassingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in de bijlagen.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.2: Stedenbouwkundige en landschappelijke uitgangspunten

Hoofdstuk 2

9

Groen Om het plan goed af te ronden wordt er aan de zuidzijde een inheemse struweelhaag aangeplant. Dit zorgt voor een groen aanzicht en biedt tevens de bewoners ten zuiden van de maastuinen een vriendelijke uitstraling. Naast de struweelhaag zullen de achterperceelsgrenzen worden voorzien van een lage knip- en scheerhaag. Aan de oostzijde worden nog enkele knotbomen langs de watergang aangeplant. Deze knotbomen vormen samen met de aan te planten bomen binnen de parkeerstroken voor een groene uitstraling en accentueren de noord-zuid georiënteerde verkavelingsstructuur. Dit tezamen maakt het plan van de Maastuinen interessant en vormt hiermee een goede aansluiting op het huidige landschap en het karakter hiervan.

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:  combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;  kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  afwentelen wordt voorkomen. Doorwerking plangebied De vraagstukken, ambities en uitgangspunten uit de NOVI hebben geen directe relatie met dit plan. Met dit plan worden geen nationale belangen aangetast.

Hoofdstuk 3

11

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden1. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Met het rijksbeleid legt het kabinet een grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij de gemeenten, terwijl voor de provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd. Doorwerking plangebied Er is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij de regels/ambities uit de provinciale verordening en gemeentelijke visies van belang zijn. Met dit plan zijn geen nationale belangen gemoeid.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

1 2

Besluit tot wijziging van het Barro en het Bro, Staatsblad 2012, 388, i.w.t. 1 oktober 2012 O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

12

Doorwerking plangebied Er is voor dit bestemmingsplan een ladderonderbouwing opgesteld. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling De beoogde ontwikkeling De Maastuinen in Nederhemert betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de volgende bestemmingen: ‘Landelijk Groen’ en ‘Agrarisch Bedrijf’. Op basis van dit bestemmingsplan is wonen op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om maximaal 64 woningen te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien het hier gaat om de ontwikkeling van een landelijk groen en agrarisch gebied naar een woningbouwlocatie. 3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien het om de toevoeging gaat van maximaal 64 nieuwe woningen, kan het initiatief gekwantificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor kijken we naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het om de gemeente Zaltbommel, de regio Bommelerwaard en de regio Rivierenland. Vanwege de aard van het initiatief in Nederhemert en kenmerken van dit dorp wordt verwacht dat de aantrekkingskracht op inwoners van de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel het grootst zal zijn. Deze gemeenten worden daarom gezien als het primaire verzorgingsgebied. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting en advies. De volledige onderbouwing van de woningbehoefte is opgenomen in bijlage 1 en 2 van deze notitie. Kwantitatieve behoefte: Wat betreft de huishoudensprognose laten zowel de kern Nederhemert, gemeente Zaltbommel als de regio Bommelerwaard en woonregio Rivierenland een groei zien. Hierdoor is er behoefte aan extra woningen die in de kern Nederhemert en de gemeente Zaltbommel vooralsnog niet volledig wordt ingevuld met harde plancapaciteit. Ontwikkelingen die aan de woningbouwbehoefte ten grondslag liggen zijn vergrijzing en een toename van het aantal eenpersoonshuishoudens.

 Zowel de bevolking, als het huishoudensaantal in de kern, gemeente en regio stijgt. Hierdoor neemt de kwantitatieve woningbehoefte toe in de gemeente Zaltbommel en in de kern Nederhemert. Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling bedraagt een raming van de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Zaltbommel circa 760 woningen tot 2030. Er is dus sprake van een woningbehoefte in de gemeente Zaltbommel. Voor de regio Bommelerwaard geldt in totaal een woningbehoefte van 1.510 woningen. Ook op regionaal niveau is er dus een toename in woningbehoefte te zien.  Voor de kern Nederhemert ligt de verwachte huishoudensgroei tussen de 80 (basis) en 130 (groei) huishoudens. Dit kan worden gezien als bandbreedte voor de toekomstige kwantitatieve woningbehoefte.

Hoofdstuk 3

13

Kijkend naar de meest actuele plancapaciteit die door de provincie Gelderland in de Woningmarktmonitor wordt bijgehouden, komt naar voren dat er een harde plancapaciteit is van 682 woningen in de gemeente Zaltbommel en een zachte plancapaciteit van 303 woningen. Voor de regio Rivierenland zijn dit 5.963 woningen met de status hard en 3.463 woningen met de status zacht. Omdat er een toenemende woningbehoefte is, betekent dit dat er ruimte is in zowel de gemeente als de regio. In kwantitatieve zin kan de behoefte daarmee onderbouwd worden. Voor de kern Nederhemert bedraagt de netto plancapaciteit 170 woningen3. Een deel daarvan (40 woningen) betreft harde plancapaciteit (De Ormeling III). De overige 130 woningen behoren tot de zachte plancapaciteit. De Maastuinen vormt onderdeel van de zachte plancapaciteit. Op basis van bovengenoemde argumenten kan worden geconcludeerd dat met het beoogde planinitiatief van 64 woningen wordt voorzien in een kwantitatieve behoefte.

Kwalitatieve behoefte: Met het planinitiatief wordt ook voorzien in een kwalitatieve behoefte, blijkend uit de volgende punten:  De woonvisie die de gemeente Zaltbommel in samenwerking met de gemeente Maasdriel heeft opgesteld, geeft aan dat er binnen de gemeente Zaltbommel vraag is naar betaalbare (rij)koopwoningen. In de grote kernen is er ruimte voor markthuurwoningen (€ 800,- tot € 1.000,-). Tevens is er in de gemeente behoefte aan vrijstaande en half vrijstaande (koop)woningen.  In de regio Rivierenland is de goedkope voorraad te krap om volledig de groep huishoudens te bedienen met een inkomen beneden modaal. Dit geldt eveneens voor de gemeente Zaltbommel, waardoor huishoudens te duur moeten wonen of moeten verhuizen naar andere gemeenten in de regio.  Door in te zetten op het realiseren van woningen (appartementen en eengezinswoningen) voor zowel starters, gezinnen als senioren, sluit het initiatief aan bij de wens van de gemeente Zaltbommel om woningen te bouwen die voor een passende woningvoorraad zorgen. Met name het aantal oudere huishoudens (55+) alsmede het aantal gezinnen, neemt de komende jaren immers ook toe, Ook is er enige groei vanuit jonge een- en tweepersoonshuishoudens.  In de kern Nederhemert is er met name behoefte aan eengezinswoningen (voornamelijk in de koopsector).

De oudere huishoudens in de regio Bommelerwaard hebben deels (circa de helft) behoefte aan appartementen, voornamelijk in het sociale huursegment.  Voor jongere huishoudens / starters (1+2 persoonshuishoudens < 30 jaar en gezinnen geldt dat zij (hoewel gericht op een koopwoning) vaak terechtkomen in (particuliere) huurwoningen, waaronder ook appartementen. Dit komt enerzijds doordat zij steeds vaker op zoek zijn naar een kleinere woning en zich niet willen vastleggen met een hypotheek en anderzijds door hun financiële situatie, die maakt dat een koopwoning geen optie is. Dit effect is de afgelopen jaren versterkt door de verdere prijsstijging van woningen, waardoor eengezinswoningen voor starters steeds minder betaalbaar zijn geworden en zij uitwijken naar huurwoningen en -appartementen. In totaal is er in de gemeente Zaltbommel een behoefte aan ca. 55 – 90 huurwoningen in de vrije sector (waarvan 20 – 30 huurappartementen) en een behoefte aan ca. 40 – 60 appartementen in de sociale huur. In de kern Nederhemert is vanuit de huishoudensgroei een woningbehoefte van ca. 20 woningen voor jonge 1- en 2-persoonshuishoudens en gezinnen. Hoewel er voor Nederhemert geen specifieke behoefte is benoemd aan appartementen, is er vanuit het voorgaande wel de verwachting dat er toch behoefte is aan huurappartementen voor deze startersdoelgroepen (zowel sociaal als particulier).

 Het is vanuit beleidsmatig oogpunt, de woningbehoefte in de regio en de huidige woningvoorraad in Nederhemert een pré wanneer een deel van de woningen in het initiatief koopwoningen in het

3

Bron: Woningbehoefteonderzoek Bommelerwaard 2018 (Companen)

Hoofdstuk 3

14

betaalbare segment betreft. In de kern Nederhemert is er hoofdzakelijk behoefte aan koopwoningen in de prijsklasse tot € 350.000,-, met in eerste instantie de prijsklasse tussen € 170.000,- en € 250.000,-. Door op die prijsklasse in te zetten wordt voorzien in een kwalitatieve behoefte. Er is in de kern tevens een toekomstige vraag naar 18 woningen die behoren tot de intramurale zorg. Het gaat hierbij om woonplekken voor zorgbehoevenden die beschut of beschermd moeten wonen, vanwege intensieve begeleiding, uitgebreide zorg, en/of verpleging (ZZP 4, ZZP5, ZZP6 en ZZP8). Door de flexibele opzet van de appartementen kan voor wat betreft de prijsklasse nader ingespeeld worden op de marktbehoefte en demografische ontwikkelingen.

Gesitueerd buiten bestaand stedelijk gebied  Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan (vastgesteld op 15-04-2010) de volgende bestemmingen: ‘Landelijk Groen’ en ‘Agrarisch Bedrijf’. Dit betekent dat het plangebied geen stedelijke functie heeft. Desondanks is het plangebied aan de noord-, oost- en zuidzijde wel omgeven met woonbebouwing (bestaande woonwijk enerzijds en lintbebouwing met bedrijfspercelen anderzijds) oftewel gelegen te midden van een bestaand stedelijk samenstel van bebouwing.  Binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Nederhemert is verder (naast de Ormeling, harde plancapaciteit) alleen in de Kapelstraat (voormalige Vos-terrein) beschikbaar voor aanvullende woningbouw. Dit plan betreft echter ook zachte plancapaciteit. Bovendien, in vergelijking ligt de locatie Maastuinen centraler in de kern, dat wil zeggen dichterbij verschillende voorzieningen, zoals de basisschool, het dorpshuis en de supermarkt. Gezien de beoogde zorgcomponent in De Maastuinen is juist deze centrale ligging cruciaal om aan te kunnen sluiten op de woonbehoefte van de bijbehorende doelgroep. Voor zorgbehoevenden is het immers van belang om op korte loopafstand primaire functies te bereiken.

 Gelet op de huidige ruimtelijke structuren, bebouwing rondom het plangebied en alternatieve bouwmogelijkheden binnen de kern Nederhemert, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Hoewel de planlocatie officieel niet binnen bestaand stedelijk gebied ligt, wordt de locatie grotendeels omringd door een bestaand samenstel van stedelijke bebouwing en is de centrale ligging ten opzichte van voorzieningen relevant gezien de woonbehoefte van de doelgroep, wat de keuze voor deze locatie toch geschikt maakt. Geen onaanvaardbare effecten  Gezien de diversiteit van de woningtypologie en de doelgroepen van de maximaal 64 woningen die worden toegevoegd, draagt het initiatief enerzijds bij aan de kwantitatieve behoefte aan woningen en anderzijds aan de kwalitatieve behoefte om een passende woningvoorraad te realiseren. Bovendien wordt de ontwikkeling gefaseerd gerealiseerd.  Met de toevoeging van maximaal 64 woningen in Nederhemert neemt het aantal huishoudens en inwoners in de kern toe. Deze nieuwe inwoners zullen gebruik maken van de voorzieningen in Nederhemert, waaronder bijvoorbeeld het dorpshuis, de basisschool, de supermarkt en het verenigingsleven, hetgeen verschraling tegengaat. Dat is positief ook voor de leefbaarheid in het dorp.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 maart 2019. Het doel van de Omgevingsvisie is: een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, vanuit het verleden én met het oog op

Hoofdstuk 3

15

de toekomst. De provincie is als middenbestuur een belangrijke schakel bij het bereiken van deze doelstellingen en wil op een aantal manieren waarde toevoegen:  met een brede blik kijken naar de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving;  stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds;  focussen op duurzaamheid, onderlinge verbondenheid en een economisch krachtig Gelderland;  door middel van 7 ambities verder verdiepen van de focus. De 7 ambities van de provincie zien op de volgende thema's: energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Per ambitie is de provinciale aanpak beschreven. Doorwerking plangebied De Omgevingsvisie stelt het stimuleren van ontwikkelingen enerzijds en beschermen van waarden anderzijds centraal. Bij deze ontwikkeling wordt dan ook op verantwoorde en evenwichtige wijze rekening gehouden met het behouden en versterken van de aanwezige landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden, in lijn met het gedachtengoed van de Omgevingsvisie. Bij de uitwerking van de ontwikkeling is ook gestreefd naar een optimaal woon- en leefklimaat voor de specifiek beoogde woon-zorgvormen. De landelijke omgeving, direct bij de bebouwde kom van Nederhemert, is daar bij uitstek geschikt voor.

Daarnaast is onderlinge verbondenheid een belangrijke pijler uit de visie. Door de beoogde combinatie van (regulier) wonen en woon-zorgappartementen worden synergievoordelen verwacht. Ook de verschillende doelgroepen door de verschillende woningtypologieën dragen hieraan bij. De functies sluiten goed op elkaar aan en stimuleren verschillende partijen tot samenwerking. Het plan past in de doelstellingen en ambities, die de provincie in de Omgevingsvisie heeft vastgelegd. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente versie van de Omgevingsverordening dateert van 19 december 2018. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Doorwerking plangebied De planlocatie is gelegen binnen de volgende aanduidingen van de Omgevingsverordening:  tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;  niet-grondgebonden veehouderij: verwevingsgebieden;  molenbiotoop. De bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot glastuinbouw en veehouderijen zorgen niet voor belemmeringen. Het plan maakt geen nieuwvestiging, uitbreiding of hervestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk. Daarnaast is er geen sprake van een veehouderij in het plangebied.

Hoofdstuk 3

16

Voor de molenbiotoop is het volgende beschreven: “In bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de Molenbiotoop wordt geen nieuwe bebouwing danwel beplanting toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt”. In dit geval zijn de regels van de molenbiotoop vertaald in het gemeentelijke bestemmingsplan voor deze locatie. Bij het bepalen van de bouwhoogte van de nieuwe woningen is rekening gehouden met de regels van de molenbiotoop. Het plan is daarom niet in strijd met de uitgangspunten uit de Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Woonvisie Bommelerwaard 2016 - 2020 In de Woonvisie Bommelerwaard 2016 - 2020 zetten de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel voor de komende jaren hun koers uit op het gebied van Wonen. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft de woonvisie op 14 juli 2016 vastgesteld. De woningmarkt in de Bommelerwaard is volop in beweging. De verkoop van woningen trekt weer aan. Dit is het meest zichtbaar in de grote kernen. Ambities en woonthema’s De komende jaren willen de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel samen met de woningcorporaties, partners en burgers werken aan:  De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: hierbij gaat het om het behoud en versterken van de kwaliteit van de woningen. Duurzaamheid, flexibiliteit en diversiteit zijn hierbij belangrijk.  Passende woningvoorraad: beide gemeenten willen dat heel gericht woningen worden toegevoegd die passen bij de lokale vraag. Dit betekent maatwerk in de kernen en gefaseerde woningbouw zodat bijsturen mogelijk is.  Voldoende betaalbare woningen: er is vraag naar betaalbare woningen in de Bommelerwaard. Hier willen beide gemeenten in voorzien met bijzondere aandacht voor starters en de lage- en middeninkomens.  Wonen, welzijn en zorg: uitgangspunt is het langer zelfstandig wonen van mensen met een ondersteuningsbehoefte.

De geschiktheid van de woningen en de woonomgeving, de match tussen vraag en aanbod van wonen met zorg en de bereikbaarheid van voorzieningen zijn van groot belang. Dit vraagt om samenwerking tussen veel verschillende partijen.  Kwaliteit van de woonomgeving: Uitgangspunt is de identiteit en de kracht van de dorpen en kernen zelf. Beide gemeenten faciliteren initiatieven vanuit de lokale gemeenschappen en bieden waar nodig professionele ondersteuning. Ontmoeten en verbinden vinden beide gemeenten een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van de woonomgeving. Uit paragraaf 3.1.3 blijkt dat de woningbouw kwantitatief passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma, dat regionaal is afgestemd. De woningbouw zal een mix zijn voor verschillende doelgroepen, zowel huur als koop. Hiermee is de woningbouw in lijn met de kwalitatieve ambities zoals gesteld in de Woonvisie Bommelerwaard.

Hoofdstuk 3

17

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren Verkeer Er is een verkeersanalyse gedaan voor het plangebied waarin is onderzocht op welke manier het plangebied het beste ontsloten kan worden. De verkeersanalyse is opgenomen in de bijlage. Hier wordt dan ook naar verwezen. Hieronder is de conclusie beschreven. Er zijn 5 varianten onderzocht. Variant 1 biedt daarbij de meest optimale oplossing. Er zijn geen aanvullende verkeersmaatregelen benodigd. De logica is duidelijk en er zijn alternatieve routes voorhanden bij blokkering van de rijbaan door een bijvoorbeeld een vuilnisauto. Wel had deze variant als nadeel dat het plangebied voor de hulpdiensten via één doorgang bereikbaar was. Dit heeft er toe geleidt dat er een calamiteitenroute wordt gerealiseerd aan de oostzijde van het plangebied (zie figuur 2.2).

Figuur 4.1: Variant 1 (Bron: Verkeerskundig onderzoek

De nieuwe wijk genereert 439 nieuwe motorvoertuigbewegingen/etmaal op weekdagen en 489 mvt/etmaal op werkdagen. De berekende verkeersintensiteiten zijn relatief beperkt als deze over een etmaal worden uitgezet. Het drukte uur is de avondspits: dan is de verkeersgeneratie 10%. Dit komt neer op afgerond 44 ritten in het drukste uur op een werkdag. Dit komt neer op circa 2 auto’s per 3 minuten.

Hoofdstuk 4

18

Het gebied ligt in een 30 km/u zone. Er zijn geen verkeerstellingen bekend van de straten in het onderzoeksgebied maar op dit soort wegen ligt de etmaal intensiteit niet hoger dan 1.000 mvt/etmaal. Er zijn geen harde criteria gesteld aan 30 km/u erftoegangswegen, maar het wenselijk geachte maximum van gemotoriseerd verkeer ligt op circa 3.000 tot maximaal 4.000 mvt/etmaal voor dergelijke wegen. Dat wordt zeker niet gehaald met de nieuwe verkeersgeneratie. Er liggen weliswaar verschillende bestemmingen in het gebied, maar deze hebben verschillende piekmomenten en overlappen elkaar niet of nauwelijks. Het kan voorkomen dat passerend verkeer even op elkaar moet wachten tijdens een druk moment, maar dit is van korte duur en past bij de dynamiek van een dorpskern. Gezien de beperkte schaalgrootte van de ontwikkeling in combinatie met de relatief kleine omvang van het dorp Nederhemert – Noord is dit acceptabel. De relatief beperkte verkeersgeneratie kan dan ook zonder noemenswaardige problemen prima verwerkt worden op de huidige infrastructuur. Parkeren Er worden met dit plan 10 startersappartementen, 27 appartementen voor de doelgroep 55+ / zorgwoningen en 27 vrijstaande of twee-onder-één-kapwoningen mogelijk gemaakt. Op dit moment is het plangebied onbebouwd. De woningen zorgen dan ook voor een extra parkeerbehoefte van het plangebied.

Het parkeerbeleid van de gemeente Zaltbommel is beschreven in de Parkeernota Zaltbommel 2018. Hierin is opgenomen dat voor grondgebonden woningen of appartementen een parkeernorm geldt van 2,0 pp/woning. Voor zorgappartementen geldt een lagere parkeernorm. Er is voldoende parkeergelegenheid. Bij de vrijstaande en de twee-onder-kap woningen wordt 1 parkeerplaats op eigen terrein voorzien. De andere parkeerplaats wordt opgelost in de openbare ruimte, in totaal 27 parkeerplaatsen. Voor de startersappartementen worden 20 parkeerplaatsen voorzien in de openbare ruimte en voor de seniorappartementen (maximaal 21) en zorgappartementen 46 parkeerplaatsen. In de regels is opgenomen dat 6 van de 27 seniorappartementen zorgappartementen zijn. Voor de zorgappartementen geldt een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per appartement. Dit betekent dat er 93 parkeerplaatsen in de openbare ruimte mogelijk moeten zijn. Deze parkeerplaatsen zijn beschikbaar: 63 parkeerplaatsen in de randen en 30 parkeerplaatsen tussen de startersappartementen en de zorgwoningen. Op figuur 2.2 is te zien dat er voldoende parkeerplaatsen mogelijk zijn in de openbare ruimte. Aantal woningen

Norm

Aantal parkeerplaatsen 20 in openbaar gebied

Startersappartementen

10

2,0

Vrijstaande/tweekappers

27

2,0

Seniorenappartementen

21

2,0

42 in openbaar gebied

Zorgappartementen

6

0,6

3,6 in openbaar gebied

Totaal eigen terrein Totaal aantal parkeerplaatsen in openbaar gebied

27 op eigen terrein 27 in openbaar gebied

27 63

92,6

Totaal aantal parkeerplaatsen beschikbaar in open-

63 in de randen

baar gebied

30 extra

Parkeerbalans

0

Hoofdstuk 4

19

4.2 Geluid weg- en railverkeer 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Hoofdstuk 4

20

4.2.2 Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De wegen rondom het plangebied zijn allen 30 kilometer wegen met uitzondering van de Maasdijk. Hiervoor geldt een snelheidsregime van 50 kilometer per uur. Op de 30 km- wegen bevindt zich uitsluitend bestemmingsverkeer. Op de doorgaande route door Nederhemert, via de Molenstraat bedraagt de etmaalintensiteit 360 motorvoertuigen in 2030. De 30 km- wegen zijn vanwege de lage verkeersintensiteiten buiten beschouwing gelaten aangezien deze niet van invloed zijn op het plangebied. Aangezien het plan zich nog in ontwikkeling bevindt zijn voor het wegverkeer op de Maasdijk geluidscontouren bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde geluidscontour van 48 dB Lden, inclusief aftrek van 5 dB ex art. 110g Wet geluidhinder, binnen de begrenzing van het plangebied niet wordt overschreden. 4.2.3 Conclusie De voorkeursgrenswaarden worden niet overschreden. Het uitvoeren van een aanvullen onderzoek of het verkrijgen van een Hogere waarde is niet noodzakelijk. Het onderdeel geluid zorgt niet voor belemmeringen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Met dit initiatief worden maximaal 64 woningen gerealiseerd. Woningbouwplannen met minder dan 1.500 eenheden (woningen) vallen in beginsel onder de regeling NIBM. Een luchtkwaliteitsonderzoek

Hoofdstuk 4

21

is daarom niet nog. Het plan bedraagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast moet gekeken worden naar de achtergrondwaarden omtrent de luchtkwaliteit. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden van fijnstof en stikstof weergegeven ter plaatse van de dichtstbijzijnde meet-/toetspunten. Geconcludeerd wordt dat deze waarden onder de gestelde normen liggen. Hiermee kan worden gezegd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Id 15557733 15557734 15558069 15558031 Norm

NO2 μg/m3 16.2 16.0 15.3 15.8 40

PM10 μg/m3 17.8 17.8 18.0 17.9 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.2 6.2 6.3 6.3 35

PM2.5 μg/m3 11.1 11.1 11.3 11.2 25

Jaar 2020 2020 2020 2020

Geconcludeerd wordt dat er zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij het plangebied. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. 4.3.3 Conclusie Het onderdeel luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functie-

4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

22

scheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Er is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Deze is opgenomen in een document samen met het akoestisch onderzoek in de bijlagen. Hier wordt dan ook naar verwezen. Het volgende wordt geconcludeerd: In zowel de ruimtelijke onderbouwing als in het akoestisch onderzoek is een toetsingskader nodig. Goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Voor een zorgvuldige ruimtelijke afweging is de VNG-publicatie min of meer de standaardprocedure. De VNG-publicatie geeft voor een buitenplanse ontwikkeling een toetsingskader.

Voor wat betreft de richtafstand moet rekening gehouden worden met de detaihandelsbedrijven GeWe Hobby en Vinovintage respectievelijk aan Maasdijk 32a en 28, het Dorpshuis de Gaarde en Christijke Basisschool De Wegwijzer. De detaihandelsbedrijven en inrichtingen vallen allen onder milieucategorie 2.0. De richtafstanden voor geluid zijn echter verschillend en bedragen 10- respectievelijk 30 meter. Ondanks een geringe overschrijding van de buitenste plangrens wordt gesteld dat wordt voldaan aan de criteria uit stap 1. Het uitvoeren van aanvullend akoestisch onderzoek in dit kader is derhalve niet noodzakelijk. 4.4.3 Conclusie Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen. Het onderdeel bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

Hoofdstuk 4

23

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.5.2 Onderzoek Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Hierdoor vormt het plangebied geen belemmering voor nabijgelegen woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten. Het plan heeft wel betrekking op kwetsbare objecten, maar uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen:  het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi;  de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen;  het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water. Het aspect externe veiligheid is hierdoor voor het plangebied niet relevant. 4.5.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 4

24

4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Hoofdstuk 4

25

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door Arcadis een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied5.

In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Gebiedsbescherming Direct negatieve effecten zijn uitgesloten. Een effect als gevolg van stikstofdepositie zou tijdelijk zijn en gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de omvang van de werkzaamheden is de verwachting dat effect beperkt is. Een negatief effect door stikstofdepositie kan desondanks niet uitgesloten worden wanneer ook de gebruiksfase in acht genomen wordt. Het gevolg van nieuwbouw en het daardoor toenemende verkeer kan negatieve effecten hebben als gevolg van stikstofdepositie. Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Op basis van het resultaat van deze berekening, kan worden bepaald of vervolgstappen aan de orde zijn. Soortenbescherming Binnen het plangebied komen mogelijk beschermde soorten voor. Het gaat om algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, steenmarter en kleine marters en rugstreeppad. Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden.

Om te bepalen of aanvraag voor een ontheffing in het kader Wnb bij de provincie Gelderland benodigd is, zal nader onderzoek uitgevoerd moeten worden naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen, marters en rugstreeppad. Mitigerende maatregelen zoals beschreven in het vorige hoofdstuk zijn altijd aan de orde. Stikstofonderzoek Er is voor dit plan een stikstofonderzoek uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder wordt de conclusie beschreven. 5

Quickscan flora en fauna MSD Zaltbommel. 25 september 2019, kenmerk D10001481:20

Hoofdstuk 4

26

Uit de berekeningen van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,01 mol/ha/jaar (ter plaatse van de Natura 2000-gebieden “Rijntakken”, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”). Recentelijk is op Rijksniveau een redeneerlijn vastgesteld voor depositie afkomstig van mobiele werktuigen en ander materieel in de aanlegfase van projecten. Voor het aspect stikstof is geen vergunning op grond van de Wnb noodzakelijk wanneer de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat. Significante gevolgen kunnen dan op voorhand worden uitgesloten. Deze redeneerlijn is getoetst door de landsadvocaat en door de provincies in het Bestuurlijk Overleg met de minister van LNV op 22 april 2020 onderschreven. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Conclusie Er is een vervolgonderzoek nodig naar enkele beschermde soorten.

4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Onderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek Agrarische percelen ‘De Maastijnen’ Nederhemert uitgevoerd voor het plangebied. Daarnaast is er een verkennend bodemonderzoek NEN 5470 + verkennend bodemonderzoek Asbest NEN 5707 uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies beschreven. Verkennend bodemonderzoek Agrarische percelen ‘De Maastijnen’ Nederhemert De onderzoekslocatie omvat een agrarisch bouwperceel van circa 2.000 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11602994/1