Bijlage 2a. Bestemmingsplan, De Maastuinen Nederhemert
Tekst van het document
De onderzoekslocatie is op basis van de standaard NEN 5740 parameters als onverdacht verklaard. De onderzoekslocatie is tevens onverdacht voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s).
Hoofdstuk 4
27
NEN 5740 Conform de NEN 5740, strategie grootschalig onverdacht, zijn op de locatie 25 boringen verricht. Het betreft 17 toplaagboringen, 5 boringen tot 1,0 m-mv en drie boringen tot 2,0/2,1 m-mv t.b.v. de plaatsing van peilbuizen. Bij het veldwerk zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan welke wijzen op de aanwezigheid van verontreiniging. Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is geen asbest aangetroffen. Van de verkregen bodemmonsters zijn drie mengmonsters toplaag (MM1, MM2 en MM3, traject tot 0,5 m-mv) en twee mengmonster onderlaag (MM4 en MM5, traject 0,5 tot 1,5 m-mv) samengesteld voor de analyse op het NEN 5740-analysepakket. Bodem In de toplaagmengmonsters MM1 en MM3 (bodemtraject 0-0,5 m-mv) ligt het cadmium- en zinkgehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. In het onderlaagmengmonster MM4 ligt het kobaltgehalte enigszins boven de achtergrondwaarde. Grondwater In de grondwatermonsters van de peilbuizen boring 15 en 22 liggen de bariumgehaltes boven de streefwaarde. Een verhoogd bariumgehalte heeft vaak een natuurlijke oorsprong. De veronderstelling van onverdacht terrein kan niet volledig worden gehandhaafd. De enkele aangetroffen overschrijdingen betreffen slechts licht verhoogde waarden boven de achtergrondwaarde of streefwaarde of hebben een natuurlijke oorsprong. Verder onderzoek is hierbij niet noodzakelijk/zinvol.
Verkennend bodemonderzoek NEN 5470 + verkennend bodemonderzoek Asbest NEN 5707 agrarisch bouwperceel aan de Maasdijk 32 De onderzoekslocatie omvat een agrarisch bouwperceel van circa 2.500 m2. De onderzoekslocatie is op basis van de standaard NEN 5740 parameters als onverdacht verklaard. De onderzoekslocatie is tevens onverdacht voor OCB’s. NEN 5740 Conform de NEN 5740, strategie onverdacht, zijn op de locatie 12 boringen verricht. Het betreft 9 boringen tot 0,5/1,0 m-mv, 2 boringen tot 1,5/2,0 m-mv en één boring tot 2,5 m-mv t.b.v. de plaatsing van een peilbuis. Bij het veldwerk zijn in de toplaag, in wisselende gradaties, fracties puin aangetroffen. Naast puin zijn zintuiglijk verder geen waarnemingen (geur, olie etc.) gedaan welke wijzen op de aanwezigheid van mogelijke overige verontreiniging. Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is geen asbest aangetroffen. Van de verkregen bodemmonsters zijn twee mengmonsters toplaag (MM1 en MM2, traject tot 0,5 m-mv) en één mengmonster onderlaag (MM3, traject 0,5 tot 1,5 m-mv) samengesteld voor de analyse op het NEN 5740-analysepakket. Bodem In het toplaagmengmonster MM1 (bodemtrajekt 0-0,5 m-mv) ligt het cadmium-, lood- en zinkgehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde. In het toplaagmengmonster MM2 (bodemtraject 0-0,5 mmv) ligt het zink- en PAK’s-Gehalte in geringe mate boven de achtergrondwaarde.
In het onderlaagmengmonster MM3 (bodemtraject 0-0,5 m-mv) liggen de gemeten gehaltes onder de achtergrondwaarde. Vanwege de aanwezigheid van koolas in de toplaag bij boring 11 is het PAK’s-Gehalte separaat geanalyseerd. Het separaat gemeten PAK’s-Gehalte van het toplaagmonster van boring 11 ligt met 2,4 mg/kgds enigszins boven de achtergrondwaarde.
Hoofdstuk 4
28
Grondwater In het grondwatermonster van de peilbuis boring 4 ligt het bariumgehalte boven de streefwaarde. Het zinkgehalte ligt boven de interventiewaarde. Na herbemonstering en opnieuw analyse van zink ligt het zinkgehalte onder de detectiegrens (10 ug/l). De veronderstelling van onverdacht terrein kan niet volledig worden gehandhaafd. De enkele aangetroffen overschrijdingen betreffen slechts licht verhoogde waarden boven de achtergrondwaarde of streefwaarde of hebben een natuurlijke oorsprong. Verder onderzoek is hierbij niet noodzakelijk/zinvol. NEN 5707 Conform NEN 5707, strategie verkennend onderzoek asbest op diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging, zijn op de locatie 12 asbestinspectiegaten (nrs. 1 t/m 12) uitgevoerd. Tevens zijn ter plaatse van de westwand van de kaploods machinestalling, welke uit asbestplaat bestaat, een drietal inspectiegaten tot 0,1 m-mv (nrs. 13, 14 en 15) uitgevoerd. Aanvullend zijn twee asbestinspectiegaten (nrs. 16 en 17) uitgevoerd ter plaatse van een locatie met metselpuinverharding zuidelijk van de kaploods. Vanuit de uitgezeefde grond van de inspectiegaten zijn een drietal grondmengmonsters (MM1, MM2 en MM3) samengesteld. Tevens is een grondmengmonster (MM4) samengesteld vanuit de inspectiegaten wandlijn kaploods. In de grondmengmonsters MM2 en MM3 is geen asbest aangetoond.
In de grondmengmonsters MM1 en MM4 (wandlijn kaploods) liggen de asbestgehaltes op resp. 19 en 40 mg/kgds en voldoen daarmee aan de landelijke norm van 100 mg/kgds. Tevens liggen deze gehaltes onder de tussenwaarde (50 mg/kgds) en nader onderzoek naar het voorkomen van asbest is hierbij niet noodzakelijk/zinvol. 4.7.3 Conclusie De kwaliteit van de bodem en het grondwater van het plangebied is dusdanig dat er bodemkundig milieuhygiënisch geen enkele belemmering bestaat met betrekking tot de realisatie van het plan.
4.8 Water 64.8.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.8.2 Onderzoek Door Milon is de watertoets uitgevoerd voor het plangebied . In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen.
Hoofdstuk 4
29
Tabel: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie (Bron: Watertoets)
De ontwikkeling heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met 13.775 m2. In dat geval dient er 2.000 m2 nieuw wateroppervlak gerealiseerd te worden, uitgaande van een T=10 bui (436 m³/ha) met een maximale peilstijging van 0.3 m (13.775 x 0,0436 / 0,3 = 2000 m2). Een deel van de opgave wordt ingevuld door de nabijgelegen oostelijke, zuidelijke en westelijke watergangen te verbreden. Hierbij wordt rekening gehouden met het vrijhouden van de onderhoudsstrook. Het verbreden van de watergang tot maximaal 8 meter breed levert circa 600 m 2 aan wateroppervlak op. De verbreding van de oostzijde (130 x 3) en een verbreding van de zuidzijde (70 x 4) is 670 m². De verbreding van de westelijke watergang wordt nog nader onderzocht. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat verder aan de opgave voldaan wordt door nieuw water te graven buiten het plangebied maar in hetzelfde peilgebied. Het plan ligt in het peilgebied: BOM400 waar sprake is van een zomerpeil van 0,55 + NAP en een winterpeil van 0,4 + NAP. Op onderstaande figuur 4.2 is het peilgebied weergeven.
Hoofdstuk 4
30
Figuur 4.2: Peilgebied (Bron: Watertoets)
Door verbreding van de omliggende watergangen wordt zoveel mogelijk hemelwater binnenplans opgevangen. Hierdoor ontstaat bij hevige regenval een buffer voor het gedeelte van de bergingsopgave dat buitenplans gerealiseerd wordt. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voorzien in de aanleg van een al dan niet binnen het plan gelegen waterberging van ten minste 0,0436 m³ per vierkante meter verhard oppervlak, die het opgevangen hemelwater ten minste 48 uur vasthoudt en binnen vijf dagen weer volledig beschikbaar is. 4.8.3 Conclusie Het onderdeel water zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Archeologie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen.
Hoofdstuk 4
31
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek De gemeente Zaltbommel heeft een archeologische waarden- en beleidskaart (d.d. 7 juli 2011). Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Zaltbommel valt het plangebied overwegend binnen de categorie ‘Waarde-archeologie 3’. Conform het gemeentelijk beleid moet in deze gebieden voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm -mv een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2009 door ADC uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als separate bijlage. Hierin werd geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in dit geval dus ook niet noodzakelijk. 4.9.3 Conclusie Het onderdeel archeologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.10.2 Onderzoek Het plangebied is niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied geen monumentale gebouwen, bomen of bouwwerken. Ten zuidwesten van het plangebied, aan het adres Maasdijk 1, bevindt zich een molen. Deze molen heeft een molenbiotoop. Bij het bepalen van de hoogtes van de nieuwe woningen is rekening gehouden met de regels behorende bij deze molenbiotoop. Het plan heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorie. 4.10.3 Conclusie Het onderdeel cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
32
4.11 Explosievenonderzoek Uit historisch vooronderzoek is gebleken dat het plangebied verdacht is op de aanwezigheid van uit de Tweede Wereldoorlog achtergebleven conventionele explosieven (CE). De gemeente beschikt over een gemeente dekkend vooronderzoek conventionele explosieven. Voor het plangebied is geconcludeerd dat de kans op aantreffen van CE aanwezig is. Het gehele plangebied is verdacht op de aanwezigheid van geschutmunitie, een gedeelte van het plangebied is verdacht op afwerpmunitie en een gedeelte is verdacht op raketten en 20mm granaten. Er is een projectplan detectie en benaderen opgesteld. Dit projectplan is opgenomen als separate bijlage. Wanneer het projectplan akkoord is, en het terrein geheel kaal is, kan de detectieslag uitgevoerd worden.
4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.
De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
33
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Het bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Dit bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Bij het opstellen van het plan is gekozen voor een concrete wijze van bestemmen, met verschillende bestemmingen, bouwvlakken en aanduidingen. Hiermee is de functionele en stedenbouwkundige hoofdopzet van de ontwikkeling op de verbeelding en in de planregels vertaald. Anderzijds bieden de bestemmingen en bouwvlakken enige ruimte voor nadere uitwerking van de bouwvoornemens en positionering van de bebouwing. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte be-
Hoofdstuk 5
34
grippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten.
Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouwen bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Ten slotte bevat dit artikel een parkeerbepaling. Deze bepaling vormt een toetsingskader bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen. Het gaat om de
Hoofdstuk 5
35
volgende aanduidingen ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Deze behoort bij de molen Gebr. Remmerde aan de Maasdijk nabij het plangebied. Met deze aanduiding worden beperkingen gesteld aan de maximale hoogten van bebouwing en beplanting in het betreffende deel van het plangebied, een en ander ter bescherming van de molenbiotoop. De toegestane hoogten worden berekend ten opzichte van het peil van de molen, dat ca. 2,5 meter hoger ligt dan het peil in het plangebied. De voorziene bebouwing voldoet overigens ruimschoots aan de gestelde beperkingen. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen Deze bestemming is opgenomen aan de zuidelijke en oostelijke randen van het plangebied, die onbebouwd blijven en niet tot de uitgeefbare grond behoren. Deze gronden zullen een groene omkadering van het te ontwikkelen gebied vormen en zijn bestemd voor onder meer groenvoorzieningen, beplantingen, grasvelden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voet- en fietspaden. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Verkeer – Verblijfsgebied De ontsluiting van het nieuwe woongebied op het omliggende wegennet en het niet-uitgeefbare gebied in het woongebied zijn bestemd als ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Op deze gronden wordt de interne verkeersstructuur, de ontsluiting op het omliggende wegennet, paden, twee calamiteitenroutes, parkeren en groen voorzien. De bestemming biedt een ruim kader aan gebruiksmogelijkheden om deze voorzieningen mogelijk te maken. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is specifiek aangeduid op de verbeelding, evenals de twee calamiteitenroutes. Deze functies zijn elders niet mogelijk. Binnen de bestemming zijn nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Wonen De aanleiding en hoofdmoot van de onderhavige ontwikkeling betreft het realiseren van maximaal 27 grondgebonden woningen (vrijstaand, twee-aaneengebouwd), 10 appartementen en een woon-/zorggebouw met maximaal 27 (senioren)appartementen of zorgwoningen (waarvan maximaal 21 reguliere (senioren)woningen mogen betreffen). De uitgeefbare gronden voor deze ontwikkeling zijn bestemd als ‘Wonen’. Op deze gronden is het wonen in woningen toegestaan, evenals bijbehorende functies, zoals parkeren, water, groen en voet- en fietspaden. Het woon-/zorgcomplex is aangeduid als ‘maatschappelijk’. Hier zijn tevens zorgwoningen met daarbij behorende gemeenschappelijke en ondersteunende voorzieningen (te denken valt aan medische ondersteuning, personeelsruimten, voorzieningen voor een slaapwacht, gemeenschapsruimten en opslagruimte) toegestaan.
Hoofdstuk 5
36
Door middel van bouwvlakken is aangegeven binnen welke zones gebouwen mogen worden opgericht. Hierbij is, zoals eerder aangegeven, enige flexibiliteit geboden in de exacte positionering en omvang van de bebouwing, maar zijn de ruimtelijk-stedenbouwkundige structuren vertaald en is rekening gehouden met zichtlijnen richting de molen. Op de verbeelding is aangegeven welke hoogte de gebouwen maximaal mogen krijgen, alsmede de toegestane typologie van de bebouwing (vrijstaand, twee-aaneengebouwd, gestapeld). Voor de grondgebonden woningen is tevens een erfbebouwingsregeling opgenomen. Deze bebouwing mag binnen het bouwvlak en in het achtererfgebied worden opgericht onder bepaalde voorwaarden. Bij de gestapelde woningen gelden voor bijbehorende bouwwerken de regels voor de hoofdbebouwing; deze moeten dus binnen de bouwvlakken worden opgericht. Ten slotte zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen de bestemming toegestaan. Aan het in gebruik nemen en gebruikt houden van bebouwing binnen de bestemming ‘Wonen’ is de voorwaardelijke verplichting gekoppeld dat er voldoende waterberging moet zijn gerealiseerd ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak. De waterberging kan zowel binnen het plangebied als daarbuiten worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 5
37
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk.
De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en
Hoofdstuk 6
38
waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 6
39
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor Duurzame Verstedelijking Bijlage 2: Verkeersanalyse Bijlage 3: Bodemonderzoeken Bijlage 4: Quickscan Flora en fauna Bijlage 5: Akoestisch onderzoek en milieuzonering Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Aanmeldingsnotitie Bijlage 8: Onderzoek geurhinder Bijlage 9: Watertoets Bijlage 10: Landschappelijke inpassing Bijlage 11: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 12: Projectplan CE Bijlage 13: Archeologisch onderzoek
Hoofdstuk 6
40
REGELS
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl