CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Vast te stellen bijlagen bestemmingsplan Brakel, Kommerstraat - Kooihoek 10

Raadsvergadering 9 juni 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Brakel, Kommerstraat Kooihoek 1025.880 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken Kooihoek 10 te Brakel

PROJECTNUMMER: B19.7439 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (water)bodemonderzoeken, Kooihoek 10 te Brakel

PROJECTNUMMER: B19.7439 Versie 01

OPDRACHTGEVER: Dhr. H. van Zanten

DATUM: 5 juli 2019

Auteur:

Autorisatie:

J.P.G. Boerakker Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.

M. Schimmel MSc. Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B19.7439/R7439-01/JB

2

SAMENVATTING Dhr. H. van Zanten heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, ter plaatse van de Kooihoek 10 te Brakel. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en/of bestemmingsplanwijziging van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5717:2017, de NEN 5707:2015/C2:2017 en de NEN 5720:2017. De onderzoeken hebben tot doel een indicatie te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief asbest) op de onderzoekslocatie en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling en/of bestemmingsplanwijziging Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door meneer M. Schimmel MSc.

Conclusies historische gegevens Uit het historisch onderzoek en locatiebezoek blijkt het volgende: • In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn bij voorgaande bodemonderzoeken maximaal licht verhoogde gehalten voor PAK en/of zware metalen aangetoond in de grond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond voor tetrachlooretheen en EOX; • Op de onderzoekslocatie is één huidige watergang aanwezig; • Van de watergang op de onderzoekslocatie zijn geen waterbodemkwaliteitsgegevens bekend; • Daarnaast zijn nog vier slootdempingen aanwezig; • Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn boomgaarden aanwezig (geweest); • Op één van de woningen is asbestverdachte dakbedekking met goede afwatering aanwezig, daarnaast zijn er diverse verhardingen op het oostelijke gedeelte van de onderzoekslocatie en geeft de asbestkansenkaart een matige kans voor het voorkomen van asbest aan. Op basis van bovengenoemde gegevens dient een verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd te worden ten behoeven van de voorgenomen herontwikkeling en bestemmingsplanwijziging. Conclusies en aanbevelingen Conclusies verkennend (water)bodemonderzoek Algemene bodemkwaliteit Voor de algemene bodemkwaliteit is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien in de boven-en ondergrond alsmede in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Daarnaast is in de (oorspronkelijke) teeltlaag maximaal een licht verhoogde gehalte voor een OCB parameter aangetoond. Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

3 De verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- en streefwaarde. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Waterbodem Met betrekking tot de waterbodem is de hypothese gesteld van een verspreidbare waterbodem. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien in de waterbodem (slib) een sterk verhoogd gehalte voor PAK is aangetoond. De waterbodem is geclassificeerd als klasse ‘niet toepasbaar’ op de bodem (T1) en ‘nooit toepasbaar’ in zoet oppervlaktewater (T3). Tevens is het monster als ‘nooit verspreidbaar’ geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel (T5). Conclusie verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest in de bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch uiteindelijk geen asbest is aangetoond. Het aangetroffen plaatmateriaal op maaiveld betrof geen asbest.

Algehele conclusie en aanbevelingen Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Kooihoek 10 te Brakel in voldoende mate vastgesteld. De kwaliteit van de (water)bodem in de sloot is, ons inziens, in voldoende mate vastgesteld, rekening houdend met onderstaande aandachtspunt. Afhankelijk van de voorgenomen herontwikkeling dient rekening gehouden te worden met eventuele sanerende maatregelen ter plaatse van de sloot en het verrichten van de benodigde meldingen bij het bevoegd gezag, in verband met het sterk verhoogd gehalte voor PAK in de waterbodem (slib). Voor wat betreft de landbodem (inclusief asbest) bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling en/of bestemmingsplanwijziging.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

4 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 5

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 5

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 5 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 5 3.2. HISTORISCHE GEGEVENS EN LOCATIEBEZOEK (NEN 5725 EN NEN 5717) .............................................. 6

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 8 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 8 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 8

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 8

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK ............................................................................................................ 9 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIE DIVERSE ONDERZOEKEN ................................................................................... 9 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................. 9

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 12 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 12 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 13 7.3. WATERBODEM .......................................................................................................................................... 13

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 16 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 16 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 17 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 20

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 22 9.1. CONCLUSIES VERKENNEND (WATER)BODEMONDERZOEK ...................................................................... 22 9.2. CONCLUSIE VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST ............................................................................ 22 9.3. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 22

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 23

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuis, proefgaten, grepen en dwarsdoorsnede waterbodem Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater, asbest en waterbodem Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen waterbodem Veldwerkformulieren asbestonderzoek Relevante historische gegevens

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

5

1.

INLEIDING Dhr. H. van Zanten heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend onderzoek naar asbest, inclusief historisch onderzoek, ter plaatse van de Kooihoek 10 te Brakel. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en/of bestemmingsplanwijziging van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5740/A1:2016 [2], de NEN 5717:2017 [3], de NEN 5707:2015/C2:2017 [4] en de NEN 5720:2017 [5]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door meneer M. Schimmel MSc.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel een indicatie te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem (inclusief asbest) op de onderzoekslocatie en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen herontwikkeling en/of bestemmingsplanwijziging

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De locatie is gelegen aan de Kooihoek 10 te Brakel en staat kadastraal bekend als gemeente Brakel, sectie H, nummers 197, 465 562, 563, 609 en 610. Ter plaatse van perceel H 610 bevindt zich een weiland/boomgaard. De overige percelen zijn in gebruik als woning en/of bedrijfspand met tuin. Het voornemen bestaat om op een deel van de percelen woningen te realiseren. Perceel H609 behoudt de bestemming detailhandel. Voor de andere percelen met bestemming detailhandel veranderd de bestemming naar wonen. Rond de bebouwing zijn diverse verhardingen aanwezig waaronder asfalt, klinkers, grind en/of tegels. De rest van de locatie is in gebruik als tuin/weiland/boomgaard. Inpandig is naar verwachting een betonverharding aanwezig. Aan de westzijde van de locatie is een watergang met een lengte van circa 60 meter aanwezig. De locatie heeft een totale oppervlakte van maximaal 5.500 m2. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

6

3.2.

Historische gegevens en locatiebezoek (NEN 5725 en NEN 5717)

Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is in juni 2019 door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (landbodem) en de NEN 5717 (waterbodem). Bij Waterschap Rivierenland is historische informatie opgevraagd en verkregen (H.M.J. Lamers – Toonen, d.d 19-06-‘19). De historische gegevens zijn door de opdrachtgever en de ODR (H. Pasmans, d.d. 17-06-‘19) aangeleverd. Daarnaast heeft de opdrachtgever een historische vragenlijst ingevuld. Daarnaast zijn door (VMT) zijn de websites www.bodemloket.nl en www.topotijdreis.nl bestudeerd. De relevante historische gegevens zijn opgenomen in bijlage 8. Voormalig en huidig bodemgebruik De onderzoekslocatie is voor zover bekend in het verleden in gebruik geweest als agrarisch land. Momenteel is het oostelijk deel van de onderzoekslocatie bebouwd en in gebruik als wonen en detailhandel. Het westelijke deel van de onderzoekslocatie is in gebruik als weiland met boomgaard. Toekomstig bodemgebruik Het voornemen bestaat om het westelijk deel van locatie in de toekomst te gaan herontwikkelen. Voor het noordelijke deel zal naar verwachting een bestemmingsplanwijziging worden ingediend. Bodemkwaliteitsgegevens Van de onderzoekslocatie zijn historische gegevens (partijkeuring) bekend en nabij de locatie zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd.

Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is opgehoogd met kleigrond uit Ammerzoden. Uit de partijkeuring (Enviro Plan, Haarstraat Ammerzoden, kenmerk P-001722, d.d. 02-10-’00) blijkt dat enkel een verhoogde gemiddelde meetwaarde ten opzichte van de samenstellingswaarde te zien is. Het verhoogde gehalte voor PAK valt binnen de maximale toegestane overschrijding en de grond kan worden gelijkgesteld aan “schone grond” (altijd toepasbaar). Omgeving Door JABOR Advies B.V. is in 1998 een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Kruispad 4. Het onderzochte perceel ligt direct ten zuidwesten van onderhavige onderzoekslocatie. Uit de resultaten blijkt dat in de bovengrond (zware metalen en PAK) en in de ondergrond (PAK) maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Aangezien het bovenstaande bodemonderzoek is afgekeurd door de gemeente Zaltbommel, is in 1999 een nieuw verkennend bodemonderzoek aan de Kruispad 4 uitgevoerd door Tritium Advies B.V. (kenmerk 9903554.CG, d.d. 26-03-’99). Uit de resultaten blijkt dat in de bovengrond (koper, lood, zink en PAK) en in de ondergrond (PAK) maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten voor tetrachlooretheen en EOX aangetoond.

Door VMT is een historisch onderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Kommerstraat 20 te Brakel (VMT, kenmerk B07.3061, d.d. 20-03-‘07). Het onderzochte perceel ligt ten westen van onderhavige onderzoekslocatie. Uit het historisch onderzoek blijkt dat op het perceel een septictank (1.500 liter) en riolering met asbestcement aanwezig zijn (geweest). Uit de analyse resultaten blijkt dat in de bovengrond (PAK) maximaal licht verhoogde gehalten is aangetoond. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

7 Voormalige en/of huidige (brandstof)tanks Voor zover als bekend zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen (brandstof)tanks aanwezig (geweest). In de brief van de ODR wordt dit bevestigd. Asbest Volgens de brief van de ODR geeft de asbestkansenkaart van de provincie Gelderland een matige kans aan voor asbest op en/of in de bodem. Op de onderzoekslocatie zijn (asbestverdachte) bebouwingen aanwezig (geweest). Daarnaast zijn diverse verhardingen op de locatie aanwezig waaronder mogelijk een (asbestverdachte) puinverharding aanwezig is. (Gedempte) sloten Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie vier sloten aanwezig zijn geweest, welke zijn gedempt. Daarnaast is één bestaande watergang van circa 60 meter aanwezig op het westelijke deel van de onderzoekslocatie. (Voormalige) boomgaarden Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat in het verleden op de onderzoekslocatie boomgaarden aanwezig zijn (geweest). Dit wordt bevestigd in de brief van de ODR. Volgens de opdrachtgever is de laatste 50 jaar enkel hobby matig fruit geteeld waarbij geen gebruik is gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Waterbodem(kwaliteits)gegevens De aanwezige sloot op het perceel betreft een C-watergang. De watergang dient als opvang van hemelwater en betreft zoet water.

De kwaliteit van eventueel slib en de vaste waterbodem in de watergang is mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van voormalige agrarische activiteiten (kans op OCB). Bij Waterschap Rivierenland zijn geen gegevens bekend over de waterbodemkwaliteit. Wel is bekend dat er een dat er geen lozingspunten en/of riooloverstorten aanwezig zijn. Locatiebezoek Voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden is een locatiebezoek uitgevoerd. Tijdens het locatiebezoek zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de sloot aangetroffen. Lozingspunten en/of drijflagen zijn niet waargenomen. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een (water)bodemverontreiniging. Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit het historisch onderzoek en locatiebezoek blijkt het volgende: • In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn bij voorgaande bodemonderzoeken maximaal licht verhoogde gehalten voor PAK en/of zware metalen aangetoond in de grond.

In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond voor tetrachlooretheen en EOX; • Op de onderzoekslocatie is één huidige watergang aanwezig; • Van de watergang op de onderzoekslocatie zijn geen waterbodemkwaliteitsgegevens bekend; • Daarnaast zijn nog vier slootdempingen aanwezig; • Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn boomgaarden aanwezig (geweest); • Op één van de woningen is asbestverdachte dakbedekking met goede afwatering aanwezig, daarnaast zijn er diverse verhardingen op het oostelijke gedeelte van de onderzoekslocatie en geeft de asbestkansenkaart een matige kans voor het voorkomen van asbest aan. Op basis van bovengenoemde gegevens dient een verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd te worden ten behoeven van de voorgenomen herontwikkeling en bestemmingsplanwijziging.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

8 4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE 4.1.

Bodemopbouw

Ter plaatse van de onderzoekslocatie is vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 11 meter diepte een deklaag van Holocene afzettingen aanwezig. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het eerste watervoerend pakket bestaat tot een diepte van 59 m-mv hoofdzakelijk uit midden en grof zand en is afkomstig van de Formaties van Kreftenheye en Sterksel. Onder dit eerste watervoerend pakket bevindt zich een circa 21 meter dikke scheidende laag van de Formatie van Waalre, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerend pakket [6]. 4.2.

Geohydrologie

Het grondwater stroomt globaal in noordwestelijke richting, beïnvloed door de nabijgelegen Waal. De stromingsrichting van het grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De onderzoekslocatie is niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de historische informatie wordt uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Daarnaast vormen de gedempte sloten aandachtspunten en de (voormalige) boomgaarden, waarvoor aanvullende werkzaamheden worden uitgevoerd. Met betrekking tot asbest wordt eveneens uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Met betrekking tot de waterbodem uit de sloot wordt uitgegaan van verspreidbare waterbodem, wel vormen bestrijdingsmiddelen (OCB) hier een aandachtspunt.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

9

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategie diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Het verkennend bodemonderzoek ten behoeve van de algemene bodemkwaliteit wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuse nietlijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL) voor een locatie met een oppervlakte van maximaal 7.000 m2. In verband met de verhardingen op het oostelijke deel van de onderzoekslocatie worden de boringen daar doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv. Daarnaast wordt de oorspronkelijke teeltlaag bemonsterd en geanalyseerd op OCB. Aanvullend worden 4 dwarsraaien van ieder 3 boringen tot 2,0 m-mv per raai verricht ter plaatse van de vermoedelijke slootdempingen. Inpandig worden geen werkzaamheden verricht, aangezien de panden nog in gebruik zijn. Verkennend onderzoek naar asbest Het verkennend onderzoek naar asbest wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een diffuse locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE) een maximale oppervlakte van 7.000 m2 uit de NEN 5707/C2:2017, waarbij alle proefgaten uitpandig worden gesitueerd. Verkennend waterbodemonderzoek Het verkennend waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5720:2017, onderzoeksstrategie voor overig water, lintvormig, normale onderzoeksinspanning (OLN) met een maximale lengte van 500 meter.

Het waterbodemmengmonster is geanalyseerd op een standaard waterbodempakket aangevuld met OCB. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: ECSIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification) De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2003: veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek (versie 6) en protocol 2002 (versie 6): het nemen van grondwatermonsters. De veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest zijn eveneens uitgevoerd conform de geldende NEN/NPR-normen, BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2018: locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6) Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm).

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

10 In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker(s) weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data

Bedrijf

13 en 14 juni 2019

Verhoeven Milieutechniek B.V.

21 juni 2019

Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker(s) De heer T. Nijman De heer M.A.H van Baal De heer M.A.H. van Baal

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2003 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

De lagen met meer dan 50 procent bodemvreemd materiaal betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht op asbest. Grond Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 28 boringen (B01A t/m B20C) geplaatst. Hiervan zijn vier dwarsraaien van ieder drie boringen geplaatst ter plaatse van de vermoedelijk gedempte sloten. Boring PB18 is afgewerkt als peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 1,0 m-mv B02, B03, B04, B06 t/m B11, B12*, B13 t/m B15, B16*, B17

Boringen/peilbuis Circa 2,0 m-mv B01A-C, B05A-C, B19A-C, B20A-C

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB18 (1,50-2,50)

Toelichting bij de tabel: * Gestaakt.

Aangezien slechts een klein percentage van de boringen is gestaakt, is de representativiteit van het onderzoek niet in gevaar. De raaiboringen B01A-C, B05A-C, B19A-C en B20A-C zijn ter plaatse van de voormalige sloten geplaatst. In verband met de bodemvreemde bijmengingen in de bovengrond, zijn alle boringen doorgezet tot circa 1,0 m-mv. Grondwater Het grondwater uit peilbuis PB18 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 21 juni 2019 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is op de onderzoekslocatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Het maaiveld van de onderzoekslocatie is gedeeltelijk bedekt met vegetatie (50 %). Daardoor heeft een efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld is tijdens de maaiveldinspectie circa 12 gram aan asbestverdacht (plaat)materiaal (> 20 mm) aangetroffen ter plaatse van proefgat B15. De twee stukjes van in totaal circa 12 gram asbestverdacht (plaat)materiaal is in het veld beoordeeld als type A.

Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn in totaal 19 proefgaten (0,3 m x 0,3 m) tot circa 0,5 m-mv gegraven (B01B t/m B19B). Voor de inspectie van de ondergrond zijn vier proefgaten (B01, B02, B05 en B19B) met behulp van een Edelmanboor met een brede diameter (12 cm) doorgezet tot de ongeroerde ondergrond.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

11 Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Een overzicht van de samengestelde mengmonsters voor asbest met uitgevoerde analyses is in tabel 8.7 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen als bijlage 7. Waterbodem Ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn 10 grepen (G01 t/m G10), evenredig verdeeld over de sloot, van de waterbodem genomen. Ter hoogte van de grepen G02, G06 en G09 zijn raaien geplaatst ten behoeve van de dwarsprofielen. De sloot was ten tijden van de veldwerkzaamheden ter plaatse van de grepen G01 t/m G05 droogstaand en ter plaatse van de grepen G06 t/m G10 watervoerend. Er is een laag van circa 30 cm slib aangetroffen en bemonsterd. De boringen zijn doorgezet tot en met de vaste waterbodem, hiervan zijn geen monsters genomen. De situatieschetsen met de geplaatste boringen, peilbuis, gegraven proefgaten, grepen en dwarsdoorsnede waterbodem zijn opgenomen als bijlage 2a-2c.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

12

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [7]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [8] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

13 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie) 1. De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 eveneens geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels SEM analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst. 7.3.

Waterbodem

De verontreinigingssituatie en/of toepassingsmogelijkheden van baggerspecie kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de betreffende normwaarden. De normwaarden zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de baggerspecie. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de normwaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar de waarden voor standaard bodem. Indien deze niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Afhankelijk van de toepassing van de baggerspecie, nadat deze uit de watergang is verwijderd, moet deze op een andere wijze worden getoetst. In voorliggende rapportage zullen de volgende toepassingsmogelijkheden worden besproken: - Toepassen van de baggerspecie op de bodem (T.1); - Toepassen van de baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam (T.3); - Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5).

1

Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de gemeten amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd. Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

14 De tussen haakjes weergegeven T.1, T.3 en T.5 hebben betrekking op de opgegeven naamgeving bij de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Bij het beoordelen van de kwaliteit van de baggerspecie zal gebruik worden gemaakt van BoToVa. Toepassen van baggerspecie op de bodem (T.1) Voor het toepassen van baggerspecie op de bodem volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de waarde voor wonen en de waarde voor industrie zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast op de bodem, worden de resultaten getoetst als grond. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als grond met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.

Tabel 7.1: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde)2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde Wonen Groter dan de WO-waarde en kleiner dan de waarde voor industrie (IND-waarde) Industrie Groter dan de IND-waarde en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.1: 1 De normen (AW, WO en IND) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de AW-waarde en kleiner dan de WO-waarde geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd; - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd; - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd; - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd; - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

Het toepassen van baggerspecie op de bodem moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Toepassen van de baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam (T.3) Voor het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam volgens het generieke beleid worden de meetwaarden getoetst aan de achtergrondwaarde, de maximale waarde kwaliteitsklasse A en de maximale waarde kwaliteitsklasse B zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast zal worden bepaald of de interventiewaarde niet wordt overschreden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Aangezien de baggerspecie gaat worden toegepast onder water, worden de resultaten getoetst als baggerspecie. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie met de kwaliteit zoals deze in de onderstaande tabel is weergegeven.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

15 Tabel 7.2: Interpretatie resultaten conform het Besluit bodemkwaliteit (generiek beleid) Concentratieniveau 1 Kwaliteit onderzochte partij Kleiner dan de achtergrondwaarde (AW-waarde); kleiner dan 2 maal de AWAchtergrondwaarde waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A2; 3 Groter dan de AW-waarde en kleiner dan de maximale kwaliteitsklasse A Klasse A Groter dan de maximale kwaliteitsklasse A en kleiner dan de maximale Klasse B kwaliteitsklasse B Groter dan de maximale kwaliteitsklasse B en/of interventiewaarde Niet toepasbaar Toelichting bij tabel 7.2: 1 De normen (AW, kwaliteitsklasse A en B) voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager is dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien sprake is van verhoogde barium gehalten t.o.v. de natuurlijke achtergrond gehalte als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte voor barium worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s.

(standaard bodem) 2 Indeling in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde bij kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en kleiner dan de waarde voor wonen (WO-waarde) geldt voor maximaal het volgende aantal stoffen: - Bij analyse van 2 stoffen, maximaal 1 verhoogd - Bij analyse van 7 stoffen, maximaal 2 verhoogd - Bij analyse van 16 stoffen, maximaal 3 verhoogd - Bij analyse van 27 stoffen, maximaal 4 verhoogd - Bij analyse van 37 stoffen, maximaal 5 verhoogd 3 Bij nikkel hoeft bij de uitzonderingsregel slechts te worden voldaan aan kleiner dan 2 maal de achtergrondwaarde (AW-waarde) en vindt geen toetsing plaats aan de maximale waarde voor wonen (WO-waarde)

Het toepassen van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam moet worden gemeld via het landelijke meldpunt bodemkwaliteit. Verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel (T.5) Voor het verspreiden van baggerspecie over het aan de watergang grenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen, worden de meetwaarden getoetst aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Naast deze individuele maximale waarden wordt er voor een aantal metalen en voor een aantal organische stoffen een msPAF toets (meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen) uitgevoerd. De msPAF toets is een methode om ecologische risico’s te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk (combinatie toxicologie). De msPAF waarde wordt berekend waarbij de resultaten als percentage worden weergegeven. De maximale percentages waaraan moet worden voldaan zijn weergegeven in de Regeling bodemkwaliteit. Daarnaast mogen de individuele stoffen waarmee de msPAF toets wordt uitgevoerd de interventiewaarde zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 niet overschrijden.

Voor parameters die niet in de msPAF toetst worden meegenomen en waar geen maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzend perceel zijn vastgesteld, moeten worden getoetst aan de achtergrondwaarde uit de Regeling bodemkwaliteit. Afhankelijk van de aangetroffen concentraties van de onderzochte parameters wordt de partij baggerspecie ingedeeld als baggerspecie die wel of niet verspreidbaar is over het aangrenzend perceel. Indien de partij verspreidbaar is over het aangrenzend perceel hoeft er niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daarnaast is het verspreiden niet meldingsplichtig.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

16

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld tot circa 1,9 m-mv afwisselend uit matig fijn, zwak siltig zand en zwak/matig humeuze en/of zwak/matig siltige klei. Vanaf circa 1,9 m-mv tot de maximaal geboorde diepte van circa 2,5 m-mv uit zwak/matig siltige klei. Plaatselijk is vanaf circa 1,8 m-mv tot circa 2,2 m-mv uit sterk kleiig veen. De onderzochte sloot was voor de helft watervoerend en voor de helft droogstaand. Er is een sliblaag van circa 30 cm aangetroffen. De vaste waterbodem onder de slib bestaat uit matig siltige klei. Zintuiglijk zijn diverse bijmengingen waargenomen. In onderstaande tabel 8.1 is een overzicht van de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen per boring/proefgat Boring

Proefgat

B01A B01B B01C B02 B03 B04

Nee Ja Nee Ja Ja Ja

Diepte boring/proefgat (m -mv) 1,00 2,20 1,00 1,00 1,00 1,50

B05A B05B B05C B06

Nee Ja Ja Ja

2,00 2,00 2,00 1,50

B07 B08 B09 B11 B12

Ja Ja Ja Ja Ja

1,30 1,00 1,00 1,00 0,70

B13 B14

Ja Ja

1,10 1,00

B15 B16 B17 B18 B19A

Ja Ja Ja Ja Nee

1,00 1,0 1,00 2,50 2,00

B19B

Ja

2,00

B19C B20A

Nee Nee

2,00 2,00

B20B

Ja

2,00

B20C

Nee

2,00

Traject (m -mv)

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

0,00 - 0,50 0,00 - 0,80 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,50 - 0,80 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,10 - 0,30 0,30 - 0,70 0,10 - 0,60 0,00 - 0,50 0,50 - 0,80 0,00 - 0,50 0,10 - 0,80 0,00 - 0,10 0,10 - 0,50 0,05 - 0,20 0,20 - 0,50 0,05 - 0,20 0,20 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50

Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Zand + Zand Klei + Klei + + Klei Zand Zand Zand Zand Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei Klei

sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen kolen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen kolen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen, sterk plastichoudend zwak baksteenhoudend volledig puin zwak baksteenhoudend sporen baksteen volledig puin sporen baksteen volledig puin volledig grind sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen baksteen sporen kolen, sporen baksteen sporen kolen, sporen baksteen sporen baksteen sporen kolen sporen kolen, sporen baksteen sporen baksteen sporen kolen sporen kolen, sporen baksteen

Toelichting bij de tabel: Sporen < 1 %; Zwak ≥ 1 < 5 %; Sterk ≥ 10 < 20 %; Volledig ≥ 50 %; + Meer dan 50 % bodemvreemd materiaal en betreft derhalve geen bodem. Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

17 Verder zijn in de opgeboorde grond geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging (bijvoorbeeld asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm, slib en/of olie-water reacties). De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, waterbodem en grondwater). De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De waterbodem wordt getoetst aan de T.1, T.3 en T.5 volgens de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de waterbodem is opgenomen als bijlage 6. In tabel 8.2 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd. Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat -nummer Grond 13051749

Waterbodem 13051674

Mengmonster

Parameter

Opmerking

Toelichting

MMOCB02

Hexachloorbenzeen

Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat verhoogd.

Aangezien hexachloorbenzeen de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

MMWB01

Diverse individuele OCB

De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. noodzakelijke verdunning. Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat verhoogd.

Door de verhoogde rapportagegrens vallen bepaalde OCB parameters maximaal onder de categorie ‘Industrie’ bij T1 en klasse ‘B’ bij T3. Aangezien het aangetoonde gehalte voor PAK reeds de interventiewaarde overschrijdt, wordt de eindconclusie van dit monster hierdoor wordt beïnvloed.

Toelichting bij de tabel: PAK: Polycyclische aromatische koolwaterstoffen; OCB: Organochloorbestrijdingsmiddelen; T1: Toepassen van baggerspecie op de bodem; T3: Toepassen van baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam.

Grond Op basis van de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden en de onderzoeksopzet zijn de onderstaande grond(meng)monsters samengesteld en geanalyseerd. Aangezien ter plaatse van de gedempte sloten geen slib is aangetroffen zijn deze analyses meegenomen in grondmengmonsters ten behoeve van de algemene kwaliteit. De onderzochte grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Omschrijving Monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond: klei Zintuiglijk: sporen baksteen

MM02

Bovengrond: zand Zintuiglijk: zwak baksteenhoudend

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

Boring (traject in m -mv)

Analysepakket > AW

Resultaten >I

B01B (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B05B (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B12 (0,10 - 0,30) B13 (0,10 - 0,60)

NEN, L en H

PAK

-

NEN, L en H

-

-

18 Vervolg tabel 8.3: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng-) Monster MM03

Omschrijving

MM04

Ondergrond: klei Zintuiglijk: -

MM05

Ondergrond: zand Zintuiglijk: -

MM06

Ondergrond: klei Zintuiglijk: sporen kolen

Bovengrond: klei Zintuiglijk: sporen baksteen

M07

Ondergrond: zand Zintuiglijk: sporen baksteen M08 Ondergrond: zand Zintuiglijk: sporen kolen en baksteen (Oorspronkelijke) teeltlaag MMOCB01 Oorspronkelijke teeltlaag: klei Zintuiglijk: MMOCB02

Oorspronkelijke teeltlaag: klei Zintuiglijk: -

MMOCB03

(Oorspronkelijke) teeltlaag: klei Zintuiglijk: -

Boring (traject in m -mv) B14 (0,00 - 0,50) B15 (0,00 - 0,50) B20B (0,00 - 0,50) PB18 (0,10 - 0,50) B02 (0,50 - 1,00) B05B (1,00 - 1,50) B08 (0,50 - 1,00) B16 (0,80 - 1,10) PB18 (1,50 - 1,80) B13 (0,60 - 0,80) B14 (0,80 - 1,00) B15 (0,50 - 1,00) PB18 (0,50 - 1,00) B04 (0,50 - 1,00) B06 (0,50 - 1,00) B20B (0,50 - 1,00) B07 (0,50 - 0,80)

Analysepakket

Resultaten

NEN, L en H

Cd, Pb, Zn, PAK, PCB

NEN, L en H

-

-

NEN, L en H

Zn

-

NEN, L en H

Cd, Pb, Zn

-

NEN, L en H

Ni

-

B20B (1,00 - 1,50)

NEN, L en H

Hg

-

B02 (0,50 - 0,80) B08 (0,50 - 0,80) B09 (0,50 - 0,80) B03 (0,50 - 0,80) B05B (0,50 - 0,80) B11 (0,50 - 0,80) B14 (0,00 - 0,30) B15 (0,00 - 0,30) B20B (0,00 - 0,30) PB18 (0,10 - 0,40)

OCB en H

-

-

OCB en H

DDE

-

OCB en H

-

-

Toelichting bij de tabel: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO); L Lutum; H Organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen; DDE Dichloordifenyldichloorethyleen; AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets waargenomen/aangetoond.

Grondwater Het grondwatermonster met bijbehorende analyse- en toetsingsresultaten is in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Peilbuis met bijbehorende analyse- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte GWS pH EC Troebelheid Analyse Resultaten (m -mv) (m -mv) (µS/cm) (NTU) pakket >S<I >I PB18 1,50 - 2,50 0,81 6,8 1113 8,24 NEN Ba, Mo Toelichting bij de tabel: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.

De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. Asbest Op het maaiveld ter plaatse van boring B15 is asbestverdacht (plaat)materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen. In tabel 8.5 is het waargenomen asbestverdachte (plaat)materiaal (> 20 mm) weergegeven. Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

19 Tabel 8.5: Overzicht aangetroffen asbestverdacht (plaat)materiaal (> 20mm) tijdens veldwerk Proefgat MV (nabij boring B15)

Traject (m -mv) -

Soort Type A – Golfplaat

Hoeveelheid in gram 12,37

Van asbestverdachte (plaat)materiaal op het maaiveld ter plaatse van boring B15 is het monster ASB-A-MV samengesteld en in het laboratorium geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest conform de NEN5896:2003 (asbest in plaatmateriaal). De resultaten zijn weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Asbestverdacht (plaat)materiaal en percentage asbest conform analysecertificaat Monstercode Materiaal ASB-A-MV Plaat Toelichting bij de tabel: Niets aangetoond.

Hechtgebonden -

Type -

Gemeten gehalte % -

Gemiddeld gehalte % -

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen zijn in totaal 6 puin-/grondmonsters samengesteld. Hiervan zijn 3 puin-/grondmonsters aangeboden aan het lab ter analyse (fractie < 20 mm). De samenstelling van de onderzochte puin-/grondmonsters is weergegeven in tabel 8.7. Tabel 8.7: Samenstelling puin-/grondmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen

MMASB01 MMASB02

B07, B10 B01, B03, B08, B11

Sporen baksteen en/of sterk plastichoudend Volledig puin Sporen baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen

Traject (m -mv) 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50

Soort

Analysepakket

Grond Niet geanalyseerd Grond Asbest in grond (> 10 kg) 1

MMASB03 B12, B14, B16 0,10 - 0,80 Puin MMASB04 B19 0,05 - 0,50 Grond MMASB05 PB18 0,10 - 0,50 Grond MMASB06 B15 0,00 - 0,50 Grond Toelichting bij de tabel: Niets waargenomen; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm.

Asbest in puin (> 25 kg) 1 Niet geanalyseerd Niet geanalyseerd Asbest in grond (> 10 kg) 1

De resultaten van de geanalyseerde asbestverdachte puin-/grondmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) is weergegeven in tabel 8.8. Tabel 8.8: Overzicht onderzochte puin-/grondmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode

Soort

Hechtgebonden

MMASB02 MMASB03 MMASB06 Toelichting bij de tabel: Niets aangetoond.

Type

Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) <1 <1 <1

-

Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) <1 <1 <1

Waterbodem In totaal zijn van de waterbodem 10 grepen genomen en zijn 3 dwarsprofielen gemeten welke representatief zijn voor de sloot. Van de sloot is één mengmonster (MMWB01) samengesteld en geanalyseerd. In tabel 8.9 zijn de veldmetingen verwerkt. In tabel 8.10 is een overzicht weergegeven van de resultaten. Tabel 8.9: Veldmetingen waterbodem Materiaal Watergang (G01-G10) Slib Slib Slib

Profiel

Lengte (m)

Oppervlakte dwarsprofiel (m2)

Hoeveelheid (m3)

A-A’ B-B’ C-C’

22,4 22,4 18,5

2,4 3,2 2,5

± 172

De doorsneden van de waterbodem zijn opgenomen in de bijlage 2c Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

20 Tabel 8.10: Samenstelling en analyseresultaten waterbodem Monstercode

Monstersamenstelling

Traject (m-wb)

Type

MMWB01

G01 t/m G10

0,00-0,40

Slib

Analysepakket

STAPS, OCB, L en H

Toepassen op de bodem (T1) Niet toepasbaar

Toetsingsresultaten Toepassen in zoet oppervlaktewater (T3) Nooit toepasbaar

Verspreiden aangrenzend perceel (T5) Nooit verspreidbaar

Toelichting bij de tabel: STAPS Standaard waterbodempakket (A): De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen; L en H Lutum en organische stof (humus); m-wb Meters minus bovenkant waterbodem.

8.3.

Interpretatie analyseresultaten

Grond Algemene kwaliteit In mengmonster MM01 van de bovengrond met sporen baksteen (klei) is een licht verhoogd gehalte voor PAK aangetoond. Het gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft beneden de interventiewaarde alsmede de index van 0,5 voor nader onderzoek. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In de mengmonster MM02 van de zwak baksteenhoudende bovengrond (zand) en in mengmonster MM04 van de zintuiglijk schone ondergrond (klei) zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM03 van de bovengrond met sporen baksteen (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, lood, zink, PAK en PCB aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM05 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) is een licht verhoogd gehalte voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.

In mengmonster MM06 van de ondergrond met sporen kolen (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, lood en zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In monster M07 van de ondergrond met sporen baksteen (zand) is een licht verhoogd gehalte voor nikkel aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In monster M08 van de bovengrond met sporen baksteen en baksteen (zand) is een licht verhoogd gehalte voor kwik aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

21 (Oorspronkelijke) teeltlaag In de mengmonsters MMOCB01 en MMOCB03 van de (oorspronkelijke) teeltlaag (klei) zijn geen verhoogde gehalten voor de geanalyseerde OCB parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MMOCB02 van de oorspronkelijke teeltlaag (klei) is een licht verhoogd gehalte voor DDE aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige geanalyseerde OCB parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Grondwater In het grondwatermonster uit peilbuis PB18 zijn licht verhoogde gehalten voor barium en molybdeen aangetoond. De gehalten overschrijden de betreffende streefwaarde, maar blijven ruim beneden de interventiewaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Asbest Tijdens het onderzoek naar asbest zijn op het maaiveld asbestverdachte (plaat)materialen (> 20 mm, circa 12 gram) aangetroffen ter plaatse van boring B05. De aangetroffen materialen zijn in het lab beoordeeld als plaat, maar bevatten geen asbest. In de grondmonsters MMASB02 en MMASB06 met sporen baksteen en/of sterk plastichoudend en in puinmonster MMASB03 van de puinlaag is zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond (< 1 mg/kg d.s.).

Waterbodem Uit de toetsing van de analyseresultaten van het waterbodemmonster MMWB01 kan worden geconcludeerd dat de waterbodems als klasse ‘niet toepasbaar’ is op de bodem (T1) en ‘nooit toepasbaar’ in zoet oppervlaktewater (T3). Tevens is het monster als ‘nooit verspreidbaar’ geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel (T5). Deze classificatie is gebaseerd op het sterk verhoogde gehalte (groter dan de interventiewaarde) dat is aangetoond voor PAK.

Diverse (water)bodemonderzoek, Kooihoek 10 te Brakel Rapportnr.: B19.7439 versie: 01 datum: 5 juli 2019

22

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 9.1.

Conclusies verkennend (water)bodemonderzoek

Algemene bodemkwaliteit Voor de algemene bodemkwaliteit is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien in de boven-en ondergrond alsmede in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Daarnaast is in de (oorspronkelijke) teeltlaag maximaal een licht verhoogde gehalte voor een OCB parameter aangetoond. De verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrond- en streefwaarde. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de index van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Waterbodem Met betrekking tot de waterbodem is de hypothese gesteld van een verspreidbare waterbodem. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien in de waterbodem (slib) een sterk verhoogd gehalte voor PAK is aangetoond. De waterbodem is geclassificeerd als klasse ‘niet toepasbaar’ op de bodem (T1) en ‘nooit toepasbaar’ in zoet oppervlaktewater (T3). Tevens is het monster als ‘nooit verspreidbaar’ geclassificeerd voor verspreiding op het aangrenzende perceel (T5). 9.2.

Conclusie verkennend onderzoek naar asbest

Voor wat betreft asbest in de bodem is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch uiteindelijk geen asbest is aangetoond. Het aangetroffen plaatmateriaal op maaiveld betrof geen asbest. 9.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11505686/1