CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. toelichting bp howa

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Zuilichem, Waaldijk 1815.370 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen. Het plangebied ligt echter buiten de veiligheidszone van de Waal, maar wel binnen een plasbrandaandachtsgebied en binnen de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Schepen bij de loswal kunnen ook deels binnen de (denkbeeldige) begrenzingslijn van de Waal liggen. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de vaarweg is gelegen, is het in beginsel vereist op grond van artikel 8 van het Bevt het groepsrisico te beschouwen. Daarbij moet aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: - dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; - hoogte van het groepsrisico; - maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte); - mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. In het bestemmingsplan wordt geen relevante uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden binnen een afstand van 200 meter van de Waal voorzien, aangezien een reeds lange tijd bestaande bedrijfslocatie (opnieuw) positief wordt bestemd.

Vanwege het voorgaande valt niet te verwachten dat als gevolg van het bestemmingsplan binnen 200 meter van de transportroute meer mensen aanwezig kunnen zijn. Daar komt nog bij dat op basis van vergelijkbare situaties en het toepassen van de vuistregels uit het HART, met zekerheid kan worden gesteld dat het groepsrisico hier door het opnieuw positief bestemmen van HOWA niet met meer dan 10% zal stijgen. Om die reden is een relevante veranderding c.q. toename van het groepsrisico niet aan de orde en kan een

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

24

uitgebreide, kwantitatieve verantwoording van het groepsrisico op grond van artikel 8 van het Bevt achterwege blijven. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico zoals bedoeld in artikel 7 van het Bevt aan de orde, die in beginsel de volgende onderdelen betreft: - de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en - voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio daarbij in de gelegenheid worden gesteld om een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 25 januari 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een situatie waarvoor de navolgende verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat dit bestemmingsplan geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) ‘kwetsbaar object’, bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Hierna zijn beknopt elementen voorgesteld voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag, in casu de gemeenteraad van Zaltbommel.

Uiteraard is de navolgende verantwoording in lijn met het gemeentelijk beleid voor externe veiligheid (Beleidsvisie Externe Veiligheid Zaltbommel 2014 - 2018). Vanuit de vaarweg c.q. corridor Rotterdam - Duitsland ter plaatse van de Waal zijn de volgende rampscenario’s relevant: - Koude BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion); Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld bij een botsing van een schip. Hierdoor scheurt de LPG-tank open en komt LPG vrij wat direct tot een explosie leidt. Voor een koude BLEVE geldt dat een vuurbal en een drukgolf ontstaan, met effecten als hittestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg. - Gifwolk; Een gifwolk heeft een groot invloedsgebied (kan meerdere kilometers bedragen) en drijft af met de wind. Afhankelijk van de eigenschappen van de toxische stoffen in de wolk, kan een persoon bij inademen van de gifwolk komen te overlijden of schade aan de luchtwegen ondervinden. - Plasbrandscenario; Bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen kan als effect vooral warmtestraling door een (plas)brand optreden. Omdat het plangebied deels in een vrijwaringszone zoals aangewezen op grond van het Barro ligt (zie ook paragraaf 2.1.3), moet hiervoor een plasbrandscenario worden beschouwd.

Voor het bouwen in een vrijwaringszone zijn geen aanvullende bouwkundige eisen van toepassing, omdat de kans dat een brandende plas de oever bereikt (en daardoor effecten in de oeverzone) klein is. Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De hiervoor toegelichte scenario’s vragen ieder een andere wijze van bestrijding. De mate waarin uitvoering aan deze bestrijdingswijzen kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Gezien de toegankelijkheid van het plangebied voor vrachtverkeer en de in het plangebied aanwezige opstelruimte voor vrachtwagens wordt de bereikbaarheid van het plangebied goed geacht.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

25

Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van specifiek de verschillende rampscenario’s kan het volgende worden aangegeven: - Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die vervolgens ontstaan, kunnen wel bestreden worden. - Een gifwolk is lastig te bestrijden. Wel is het in sommige situaties mogelijk om een gifwolk neer te laten slaan met een watergordijn. - Bij een plasbrand op het water is de locatie minder goed voorspelbaar, omdat een brandbare vloeistof zich onvoorspelbaar kan gedragen in het water (door bijvoorbeeld stromingen). Het grootste risico zijn secundaire branden die als gevolg van de plasbrand kunnen ontstaan of een ongecontroleerde verspreiding van brandbare vloeistof via het water. Uitgangspunt is dat de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid protocollen heeft voor het bestrijden van de genoemde scenario’s. Daarbij geldt in algemene zin nog dat de brandweer bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden.

Ten aanzien van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is in eerste instantie een goede informatievoorziening van belang. Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

Daarom kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA in dit bestemmingsplan. 4.2.5 Luchtkwaliteit (inclusief stof) Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

26

primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: - de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; - de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht.

Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; - de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; - gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1. Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 2. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.

Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Planspecifiek Het initiatief betreft het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA. Dit betekent dat de hiervoor genoemde NIBM-grenzen in dit geval niet toepasbaar zijn en dat de luchtkwaliteit per saldo gelijk blijft c.q. niet veranderd. Daar komt bij dat het bestemmingsplan geen nieuwe/extra verkeersbewegingen tot gevolg heeft, zodat een beoordeling op basis van de NIBMtool niet noodzakelijk is. Volledigheidshalve en met inachtneming van het voorgaande is de huidige/bestaande verkeersgeneratie van HOWA zoals beschreven in paragraaf 3.3 ingevoerd in de NIBM-tool.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

27

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

40

Aandeel vrachtverkeer

50,0%

NO2 in μg/m3

0,16

3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.2 Uitkomst NIBM-tool voor bestaande verkeersgeneratie HOWA. Op grond van het voorgaande valt geen negatief effect op de luchtkwaliteit c.q. een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) ter plaatse te verwachten. Daarbij wordt nogmaals benadrukt dat dit bestemmingsplan geen extra verkeersbewegingen tot gevolg heeft. In aanvulling op het voorgaande is van belang dat het vanwege de op- en overslag van zand, grind en andere bouwstoffen mogelijk is dat bij de bedrijfsactiviteiten van HOWA verwaaiing van stof plaats kan vinden. Voor deze bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten van HOWA is specifiek het verwaaien van stof beoordeeld in het kader van de geldende milieuvergunning. Hierin is onder andere het volgende overwogen: - Tevens kan bij de op- en overslag van zand, grind en overige bouwstoffen stofvorming plaatsvinden. De Nederlandse emissie Richtlijn (NeR) is van toepassing op deze emissies. - Met betrekking tot diffusse emissies (niet gekanaliseerde emissie) is paragraaf 3.8.1 van de NeR van toepassing. Als uitgangspunt geldt dat geen direct bij de bron waarneembare stofverspreiding mag optreden. - Kortom, stuifgevoelig materiaal mag niet in de stuifgevoelige omgeving van Howa worden verspreid. Wij hebben terzake adequate voorschriften gesteld.

Ter uitvoering van het voorgaande zijn in de geldende milieuvergunning enkele voorschriften voor het transport, laden, lossen en de opslag van stuifgevoelige stoffen opgenomen. Dit betekent dat op basis van de geldende milieuvergunning is geborgd dat de bedrijfsactiviteiten van HOWA niet leiden tot het in onaanvaardbare mate verwaaien van stof, met naast directe hinder mogelijk ook een verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg. Conclusie Op basis van de voorgaande beoordeling kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit (inclusief het mogelijk verwaaien van stof) geen belemmering vormt voor het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA in dit bestemmingsplan.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

28

4.2.6

Besluit milieueffectrapportage

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op: - De kenmerken van het project; - De plaats van het project; - De kenmerken van mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn niet uitgesloten. Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan is daarmee m.e.r.plichtig. Planspecifiek Het bestemmingsplan voorziet in het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA. In beginsel geldt daarbij dat voor HOWA de volgende activiteiten zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit m.e.r.

mogelijk aan de orde zijn (D4 en D32.6): - De aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. een haven voor de binnenscheepvaart, b. een zeehandelshaven, c. een visserijhaven of d. de wijziging of uitbreiding van een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten. - De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het bouwen, onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte van metalen schepen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn ook drempelwaarden opgenomen. Allereerst wordt daarom vastgesteld dat de activiteiten in het geval van HOWA qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden blijven. Daar komt bij dat scheepsreparatie-activiteiten voor derden in het geheel niet meer aan de orde zijn, omdat deze worden ‘wegbestemd’ c.q. beëindigd. Ten opzichte van de in de geldende milieuvergunning toegestane bedrijfsactiviteiten is hiermee sprake van een belangrijk positief milieugevolg. Wel kan de bedrijfsgebonden haven van HOWA als haven voor de binnenscheepvaart worden aangemerkt. In het kader van dit bestemmingsplan is in beginsel echter geen sprake aanleg, wijziging of uitbreiding van een haven, omdat enkel de al bestaande bedrijfsactiviteiten (opnieuw) positief worden bestemd. Volledigheidshalve wordt hierna echter het aspect m.e.r.

kort beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria zoals opgenomen in de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

29

Tabel 4.1 M.e.r.-beoordeling (vormvrij) Kenmerken van het project Omvang van het project (relatie met drempelwaarden)

Dit project voorziet in het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA. Het bebouwd en verhard oppervlak neemt niet toe. Het plangebied heeft een omvang van ongeveer 22.300 m2. Het project is aangemerkt als een haven voor de binnenscheepvaart als bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r (D4). De omvang van het project blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 100 hectare. Daar komt bij dat de milieueffecten gelijk blijven of zelf kleiner worden, omdat het bestemmingsplan uitsluitend voorziet in een passende planologische regeling voor bedrijfsactiviteiten die reeds lange tijd plaatsvinden en vergund zijn. Cumulatie met andere projecten Niet aan de orde (in de directe omgeving spelen geen andere projecten). Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Niet aan de orde (HOWA maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in en rond het plangebied). Productie van afvalstoffen Voor de afvoer van afval worden door HOWA de reguliere procedures en processen gevolgd, zoals het scheiden van afvalstromen en afvoer naar erkende verwerkers. Verontreiniging en hinder Gelet op de voorgaande beoordeling van de milieuaspecten (in 4.2.1 t/m 4.2.5), zijn significant negatieve milieueffecten in relatie tot verontreiniging en hinder niet aan de orde.

Risico van zware ongevallen en/of Gelet op de voorgaande beoordeling van de externe rampen veiligheid (in 4.2.4), zijn significant negatieve milieueffecten in relatie tot het risico van zware ongevallen en/of rampen niet aan de orde. Risico’s voor de menselijke gezondheid Gelet op de voorgaande beoordeling van de milieuaspecten (in 4.2.1 t/m 4.2.5), zijn significant negatieve milieueffecten in relatie tot risico’s voor de menselijke gezondheid niet aan de orde. Plaats van het project Bestaande landgebruik Het plangebied is al in gebruik als bedrijfslocatie van HOWA (zie verder 3.1). Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en Zoals hiervoor al aangegeven, maakt HOWA geen het regeneratievermogen van de gebruik van natuurlijke hulpbronnen in en rond het natuurlijke hulpbronnen van het gebied plangebied. Opnamevermogen van het natuurlijk Typen gebieden zoals in de EEG-richtlijn nader milieu, met in het bijzonder aandacht aangeduid zijn, bevinden zich niet in de directe voor in de EEG-richtlijn nader nabijheid van het plangebied. Daar komt bij dat de aangeduide typen gebieden bestaande bedrijfslocatie van HOWA enkel (opnieuw)

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

30

positief bestemd wordt, zodat er geen toename van milieueffecten is die het opnamevermogen van het natuurlijk milieu aan kan tasten. Kenmerken van het potentiële effect Orde van grootte en ruimtelijk bereik Niet van toepassing (significant negatieve van het effect (geografische zone en milieueffecten zijn niet aan de orde geacht). grootte van de getroffen bevolking) Aard van het effect Niet van toepassing. Grensoverschrijdend karakter van het Niet aan de orde. effect Intensiteit en complexiteit van het effect Niet van toepassing. Waarschijnlijkheid van het effect Niet van toepassing. Verwachte aanvang, duur, frequentie Niet van toepassing. en omkeerbaarheid van het effect Cumulatie van het effect Niet van toepassing. Mogelijkheid om het effect te Niet aan de orde. verminderen Conclusie Op basis van het voorgaande kan op voorhand worden geconcludeerd dat er als gevolg van het project geen significant nadelige milieueffecten optreden Conclusie Uit de voorgaande (vormvrije) m.e.r.-beoordeling in het kader van het Besluit m.e.r. blijkt dat significant negatieve milieueffecten niet aan de orde zijn geacht. Het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel heeft daarom op basis van deze (vormvrije) m.e.r.-beoordeling besloten dat een m.e.r. in dit geval niet noodzakelijk is.

4.3

Wet Natuurbescherming

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Zaltbommel liggen de Natura 2000-gebieden 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en 'Uiterwaarden Waal'. Het natuurgebied Munnikenland en Loevestein dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' ligt in het westen van de gemeente Zaltbommel. Het Natura 2000-gebied 'Kil van Hurwenen', dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Waal' ligt in het oosten van de gemeente Zaltbommel en, voor het overgrote deel, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel. Voor Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van externe werking. Dat betekent dat ontwikkelingen buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen binnen de Natura 2000gebieden.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

31

Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt. Soortenbescherming Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd. Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht.

Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Planspecifiek Inzake de gebiedsbescherming geldt dat de dichtstbijzijnde beschermde natuurgebieden buiten het plangebied liggen. Het betreft gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) c.q. Gelders natuurnetwerk, te weten: - Delen van het uiterwaardgebied ten westen van het plangebied, waarbij het dichtstbij gelegen deel direct aan het plangebied grenst; - Delen van het uiterwaardgebied ten oosten van het plangebied, op een kortste afstand van circa 100 meter; Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ en ligt op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Dit bestemmingsplan betreft een plangebied dat in de huidige situatie al deels is bebouwd, verhard/ingericht en intensief wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van HOWA. Vanwege deze bestaande situatie en de onderlinge afstand is een relatie met de aangewezen soorten en habitats in Natura 2000-gebieden afwezig.

Vanwege het huidige, reeds lange tijd bestaande en intensieve gebruik van het plangebied, ontbreekt ook een relevante relatie met het in de omgeving aanwezige NNN. Negatieve effecten op het NNN worden om die reden niet verwacht. Gezien de reeds lange tijd bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten in het plangebied is daarbij een mogelijk effect vanwege de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Dit wordt als volgt onderbouwd:

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

32

-

-

-

-

-

Zoals toegelicht in paragraaf 1.1, vinden de bedrijfsactiviteiten van HOWA in het plangebied al sinds 1955 plaats. Voor de huidige bedrijfsactiviteiten is daarbij al in 1989 een milieuvergunning (op grond van de toen nog geldende Hinderwet) verleend. Deze milieuvergunning is ruim voor de aanwijzingsdatum van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden verleend en kan om die reden voor HOWA als referentiesituatie voor stikstofdepositie worden beschouwd. In deze vergunning zijn aan HOWA primair de overslag, opslag, afvoer en handel in en aan- en verkoop van zand, grind en overige bouwstoffen en scheepswerfactiviteiten vergund; Zoals toegelicht in paragraaf 1.1, zijn tot op de dag van vandaag de bedrijfsactiviteiten van HOWA op grond van overgangsrecht legaal gecontinueerd. HOWA beschikt hiervoor over een vigerende milieuvergunning uit 2007 en is geheel conform die vergunning in werking. Deze milieuvergunning heeft de hiervoor genoemde vergunning uit 1989 vervangen, waarbij ten opzichte van deze referentiesituatie de scheepswerfactiviteiten zijn verkleind. In dit bestemmingsplan worden enkel de huidige bedrijfsactiviteiten van HOWA toegestaan, conform de vigerende milieuvergunning. Ten opzichte van deze vergunning zijn de mogelijkheden voor het uitvoeren scheepswerfactiviteiten verder verkleind.

Naast de overslag, opslag, afvoer, handel in en aan- en verkoop van zand, grind en overige bouwstoffen worden enkel nog ondersteunende activiteiten, zoals onderhoudswerkzaamheden, metaalbewerking en het incidenteel uitvoeren van reparaties aan en onderhoud van eigen schepen toegestaan. In dit bestemmingsplan wordt/worden dan ook: o Geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt; o Geen uitbreiding van bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt; o Geen nieuwe locaties voor bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt; o De bestaande bedrijfsactiviteiten worden mogelijk gemaakt op dezelfde locaties als waar ze al sinds in ieder geval 1989 plaatsvinden, zonder dat daarbij wordt voorzien in relevante mogelijkheden voor uitbreiding en/of nieuwe bedrijfsactiviteiten. Om het voorgaande te borgen zijn in de regels van dit bestemmingsplan enkel (sinds 1989) vergunde bedrijfsactiviteiten toegestaan en is op de verbeelding de hierbij horende terreininrichting, waar nodig begrensd met nadere aanduidingen, vastgelegd. Uit de voorgaande onderbouwing blijkt dat dit bestemmingsplan enkel de bestaande referentiesituatie voor stikstofdepositie (opnieuw) positief bestemd, waarbij ten opzichte van de referentiesituatie nadrukkelijk geen toename van stikstofdepositie wordt mogelijk gemaakt.

Daar komt nog bij dat dit bestemmingsplan ten opzichte van de referentiesituatie voorziet in een aanzienlijke verkleining van scheepswerfactiviteiten en de daarmee samenhangende stikstofemissies. Tevens valt te verwachten dat de bestaande bedrijfsactiviteiten die in dit bestemmingsplan mogelijk blijven, ten opzichte van de referentiesituatie met nieuwer en daarom minder stikstofemitterend materieel (zoals vrachtwagens) worden uitgevoerd.

Ten aanzien van de soortenbescherming geldt dat dit bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe bedrijfsbestemmingen voor onbebouwde gronden die nu een geschikt habitat voor beschermde dier- of plantsoorten vormen. Het bestemmingsplan voorziet in het (opnieuw) positief bestemmen van een reeds lange tijd bestaande bedrijfslocatie. Van een nieuwe functie of ontwikkeling is daarmee geen sprake. Dit betekent dat op dit moment geen sprake is van plannen om: - Gebouwen of bouwwerken te slopen die een (geschikt) habitat voor beschermde soorten bieden; - Gebouwen of bouwwerken te bouwen op locaties waar nu groen/vegetatie aanwezig is die een (geschikt) habitat voor beschermde soorten biedt.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

33

Vanwege het voorgaande kunnen in het kader van dit bestemmingsplan negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten worden uitgesloten. Conclusie Op basis van de voorgaande beoordeling kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming geen belemmeringen bestaan voor het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA in dit bestemmingsplan.

4.4

Niet-gesprongen Conventionele Explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als NietGesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek Op basis van de ‘Explosievenkansenkaart Zaltbommel 2016’ bevindt het plangebied zich in ‘onverdacht’ gebied. Er zijn geen feitelijk aanwijzingen voor de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in en in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied kan daarom worden beschouwd als onverdacht op de aanwezigheid van CE. Eventuele werkzaamheden kunnen zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven worden uitgevoerd. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd. Daar komt bij dat een reeds lange tijd bestaande bedrijfslocatie (opnieuw) positief wordt bestemd, zonder dat het bestemmingsplan daarbij nieuwe ontwikkelingen met werkzaamheden in de bodem c.q. ondergrond mogelijk maakt.

Conclusie Op basis van het voorgaande bestaan er voor wat betreft niet-gesprongen Conventionele Explosieven geen belemmeringen voor het (opnieuw) positief bestemmen van de bestaande bedrijfslocatie van HOWA in dit bestemmingsplan.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

34

4.5

Water en riolering

Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het bestemmingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Verharding Voor plannen met meer dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m2 verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Als gevolg van dit bestemmingsplan blijft de oppervlakte aan verharding in het landelijke gebied gelijk. In het plangebied dient dus geen compensatie van verharding te worden aangelegd. Dit betekent dat geen sprake is van een wateropgave. Watergangen Het plangebied ligt in de uiterwaard langs de Waal.

Zoals eerder aangegeven, beschikt HOWA in dat kader over een vergunning van Rijkswaterstaat voor haar bedrijfsactiviteiten in het rivierbed. Wel is het vanwege de ligging in het rivierbed nodig om in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ op te nemen. Afvoerrichting, drooglegging, afval- en hemelwater Effecten van het bestemmingsplan op het watersysteem zijn op voorhand uit te sluiten. De reden hiervoor is dat een reeds lange tijd bestaande bedrijfslocatie (opnieuw) positief wordt bestemd, zonder dat het bestemmingsplan daarbij nieuwe ontwikkelingen c.q. relevante veranderingen in de inrichting van het plangebied mogelijk maakt. Waterkering Het plangebied ligt in de kern- en beschermingszones van de Waaldijk (een primaire waterkering) en de zomerdijk tussen Zuilichem en Brakel. Zoals hiervoor al is aangegeven wordt een reeds lange tijd bestaande bedrijfslocatie (opnieuw) positief bestemd, zonder dat het bestemmingsplan daarbij nieuwe ontwikkelingen c.q. relevante veranderingen in de inrichting van het plangebied mogelijk maakt. Mogelijke effecten op deze waterkeringen als gevolg van het bestemmingsplan zijn daarom ook niet aan de orde.

Wel is het vanwege de ligging in de kern- en beschermingszones van de Waaldijk en de zomerdijk nodig om in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan respectievelijk de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ (kernzones) en gebiedsaanduidingen ‘Vrijwaringszone - dijk - 1’ (beschermingszone) en ‘Vrijwaringszone - dijk - 2’ (buitenbeschermingszone, alleen van toepassing voor Waaldijk) op te nemen.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

35

Conclusie De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de digitale watertoets van Waterschap Rivierenland. Daaruit volgt dat Waterschap Rivierenland geen bezwaar heeft tegen dit bestemmingsplan, omdat geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaatsvindt. De digitale watertoets is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen (bijlage III). Het bestemmingsplan hoeft daarom in het kader van de watertoets niet meer te worden voorgelegd aan Waterschap Rivierenland.

4.6

Leidingen

Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen leidingen die planologisch relevant zijn. Conclusie Op basis van het voorgaande zijn binnen dit bestemmingsplan geen relevante leidingen met bijbehorende beschermingszones opgenomen.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

36

5

Juridische planopzet

5.1

Vormgeving

Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Het bestemmingsplan bestaat uit: - een toelichting; - regels; - een digitale verbeelding, die ook een analoge versie heeft. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven. Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen. De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Ook is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald. 2. Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn. 3. Algemene regels.

Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht. Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een toelichting op deze regels. Begrippen Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

37

Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van onder meer de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Ook is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen en masten en dergelijke.

5.2

Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken. Agrarisch met waarden Deze bestemming is toegekend aan een oeverstrook in het zuidwestelijk deel van het plangebied, die onderdeel is van de aangrenzende uiterwaard. De regels zijn gebaseerd op de gelijknamige bestemming uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’ en vervolgens toegespitst op de bestaande inrichting en het huidige gebruik. Bedrijf - Buitendijks Deze bestemming is toegekend aan de ‘droge delen’ van de bedrijfslocatie van HOWA, waarbij het bouwvlak is gesitueerd ter plaatse van het bestaande bedrijfsgebouw. De regels zijn gebaseerd op de gelijknamige bestemming uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’ en vervolgens toegespitst op de uitgangspunten en huidige (bedrijfs)situatie zoals beschreven in de paragrafen 3.2 en 3.3. Water - Rivier Deze bestemming is toegekend aan de ‘natte delen’ van de van de bedrijfslocatie van HOWA. Ook deze regels zijn gebaseerd op de gelijknamige bestemming uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’ en vervolgens toegespitst op de uitgangspunten en huidige (bedrijfs)situatie zoals beschreven in de paragrafen 3.2 en 3.3. Daarbij is ter plaatse van deze bestemming specifiek een bedrijfsgebonden haven toegestaan.

Waarde - Archeologie 1 Het archeologiebeleid vermeldt dat bij plannen zonder concreet geplande bodemingrepen (actualisatieplannen waarbij de bestaande situatie grotendeels wordt gehandhaafd, zoals het bestemmingsplan buitengebied) de gebieden waar archeologische resten verwacht worden of zijn vastgesteld op de verbeelding worden aangeduid met dubbelbestemmingen. Hieraan zijn regels gekoppeld met een regeling voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Bij dergelijke plannen is het vooraf uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Dat is pas, afhankelijk in welk gebied een initiatief ligt, aan de orde bij een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het is niet zo dat voor alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten een onderzoeksplicht geldt. Slechts als beide vrijstellingsgrenzen (diepte en oppervlakte) worden overschreden, moet een initiatiefnemer onderzoek uitvoeren. Onderzoek is niet noodzakelijk als een ingreep binnen de vrijstellingsgrenzen valt. Deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied binnen de beleidszone Waarde-archeologie 1 op de gemeentelijke beleidskaart archeologie (zie verder paragraaf 4.1.1).

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

38

De regels voor deze dubbelbestemming zijn integraal overgenomen uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’. Waterstaat - Waterkering en Vrijwaringszone - dijk - 1 en 2 De Waaldijk is een primaire waterkering en ook de zomerdijk tussen Zuilichem en Brakel heeft een functie als waterkering. De kernzones van deze dijken zijn in het bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. De gronden met deze dubbelbestemming zijn primair bestemd als waterkering. Op de gronden mag niet worden gebouwd, tenzij binnenplans kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Deze afwijking is alleen mogelijk als de belangen van de waterkering niet onevenredig worden geschaad. De beheerder van de waterkering (Waterschap Rivierenland) heeft hierbij een adviesrol. Op deze gronden is tevens de Keur van Waterschap Rivierenland van toepassing. Voor verschillende werkzaamheden (waaronder bouwen, planten van bomen, aanleggen van verharding of open water) moet eerst een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Geeft het Waterschap geen toestemming, dan kan de voorgenomen activiteit niet doorgaan. In de Keur zijn bepalingen opgenomen die gelden voor alle werken en werkzaamheden binnen deze bestemming.

Deze regels voor deze dubbelbestemming zijn gebaseerd de modelregels van Waterschap Rivierenland, aangevuld met de regels uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’. Waterstaat - Waterstaatkundige functie De in het plangebied aanwezige gronden zijn onderdeel van het rivierbed van de Waal en zijn hebben daarom de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterstaatkundige functie’ gekregen. Naast de andere bestemmingen (hoofdbestemmingen) zijn deze gronden mede bestemd voor de afvoer van oppervlaktewater, sediment en ijs, voor waterhuishouding, voor verkeer te water en voor aanleg, onderhoud en verbetering van de waterkering. De regels voor deze dubbelbestemming zijn integraal overgenomen uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zaltbommel’.

5.3

Verbeelding

De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond met de schaal 1:1000.

5.4

Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

39

onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wet ruimtelijke ordening of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele behoefte van HOWA voor wat betreft bouwen en gebruik.

Vervolgens is door middel van het opnemen van diverse flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) in voldoende mate ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

40

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economisch

De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Zaltbommel met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De ontwikkeling valt niet onder 1 van de onder a t/m f genoemde categorieën dus het was niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen dan wel een anterieure overeenkomst te sluiten.

6.2

Maatschappelijk

Vooroverleg en inspraak/participatie Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. Eerder is al een inspraakavond c.q. participatiebijeenkomst voor omwonenden/belanghebbenden georganiseerd (op 13 april 2021). Zienswijzen Met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging (van donderdag 27 juli 2023 tot en met woensdag 20 september 2023) kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. Over het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Wel zijn op aangeven van de provincie Gelderland en Waterschap Rivierenland enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze wijzigingen betreffen respectievelijk de toetsing aan de meest actuele versie van de provinciale omgevingsverordening (in paragraaf 2.2.2) en het in overeenstemming brengen van de kern- en beschermingszones van de waterkeringen in en nabij het plangebied met de actuele beleidsuitgangspunten van het waterschap (op de verbeelding, in de regels en in de paragrafen 4.5 en 5.2).

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

41

Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

42

Bijlage I Akoestisch onderzoek

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

Bijlage II Bodemonderzoek

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

Bijlage III Digitale watertoets

R085021ab.21DCBLN.jjb | versie 04_000 | 9 oktober 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13574445/1