CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Nota bodembeheer

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart inclusief PFAS38.803 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

34 / 81

5

De uitwerking van het overige gemeentelijke grondstromenbeleid

5.1

Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) In de Regeling bodemkwaliteit staat het volgende over grond en baggerspecie: “Voor de toepassing van het besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan grond of baggerspecie waarin: a. ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal voorkomt dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en waarvan niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd, voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft; en b. alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout als bedoeld onder a voorkomt, dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast.” Daarom hanteren de gemeenten het onderstaande beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: • Bij het aanleveren van historische gegevens (zie § 8.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen.

De toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor hout en nietasbestverdacht steenachtig bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld klinkers, bakstenen of tegels). Om het milieu minder met andere bijmengingen dan hout en steenachtige materialen (bijvoorbeeld plastics en piepschuim) te belasten mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ bijmenging aan andere bodemvreemde materialen dan hout en steenachtige materialen bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Als er twijfel is kan een gemeente een onderzoek eisen waarbij het percentage bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond en/of de ontvangende bodem wordt bepaald. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civieltechnisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civieltechnisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht.

• Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en besluit)[21], moet een verkennend (asbest)onderzoek worden uitgevoerd en moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Rivierenland. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

35 / 81

Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Rivierenland en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. Toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal (hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton) bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld niet-asbestverdacht bodemvreemd materiaal én een ‘sporadische’ bijmenging aan andere bodemvreemde materialen dan hout en steenachtige materialen (bijvoorbeeld plastics of piepschuim). 5.2

Toepassen van grond met bijmenging van asbest Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) (gewogen) asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten hanteren de landelijke norm met als voorwaarde dat de grond ten hoogste sporadisch visueel waarneembaar asbestverdacht materiaal mag bevatten. Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[22] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, is er geen sprake van grond en moet de NEN 5897[23] worden gebruikt. In overleg met de Omgevingsdienst Rivierenland kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest).

Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens het de Regeling (zie paragraaf 4.3) namelijk geen erkend bewijsmiddel. Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terechtgekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725[24] is hierover het volgende beschreven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes.

In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin -puin van voor 1945-) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

36 / 81

verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal. Op basis van de leeftijd van het bouw‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.” In tabel 5.2 is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Recent onderzoek door TNO[25] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouwen sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; • hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn.

Tabel 5.2 Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725) Periode Kans op Soort asbest Indicatief gehalte Asbestverdacht? aantreffen (mg/kg) asbest Puin Vóór 1945 Gering Hechtgebonden <10 Nee 1945-1980 Groot Hechtgebonden en >100 Ja niethechtgebonden 1980-1993/1995 Tamelijk groot Meestal 10-100 Ja hechtgebonden 1993/1995-1998 Gering Meestal Vaak <10, In principe ja hechtgebonden incidenteel >10 1998-2005 Incidenteel Hechtgebonden < 10 Nee Na 2005 Nihil Hechtgebonden <<10 Nee (Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 Groot Ja (niet gecertificeerd) 1998-2005 Tamelijk groot Ja (gecertificeerd) Na 2005 Nihil Nee (gecertificeerd) Onder Certiva certificaat Nee Puin Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een Nee gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een Nee gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen Nee uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-007/BRL9999.

Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een Nee conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

37 / 81

Voor grondverzet op terreinen waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn dient voor de juiste onderzoeksmethode contact te worden opgenomen met de Omgevingsdienst Rivierenland. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds -gewogen-), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Dit geldt óók als de maximale waarde voor asbest niet wordt overschreden, maar meer dan 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels wordt gemeten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor de gemeenten geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt (daarna de betreffende gemeente) het bevoegd gezag is. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[26]).

Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civieltechnische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond mag maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) (gewogen) asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten met als voorwaarde dat de grond ten hoogste sporadisch visueel waarneembaar asbestverdacht materiaal mag bevatten. 5.3

Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur (uitgezonderd de tot het jaar 2000 aangelegde wegen) en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden het tijdelijk verplaatsen van grond, tijdelijke uitname, op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; aangelegde wegen tot het jaar 2000 vallen hier niet onder, zie hoofdstuk 2) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

38 / 81

De voorwaarden hierbij zijn dat: 1. er geen sprake is van een (potentieel) geval van ernstige bodemverontreiniging; 2. er geen tussentijdse bewerking17 plaatsvindt; 3. de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan.

Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op nietverdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte), de tussenlaag (bodemlaag 0,5-1,0 m-mv) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 1,0 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst en niet gescheiden is ontgraven, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Als de grond gescheiden is ontgraven (bodemlagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1,0 m-mv en 1,0 m-mv en dieper) kunnen de ontgravingskaarten worden gebruikt (zie de kaartbijlagen 3).

In 2020 heeft een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+ een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[27]. De richtlijn is bedoeld voor opdrachtgevers, adviseurs, veiligheidskundigen, uitvoerende organisaties en bevoegde overheden. De richtlijn geeft nadere invulling aan de risicogestuurde werkwijze uit de CROW-publicatie 400[28] bij het onverwacht tijdens het werk in de bodem aantreffen van puin en/of asbestverdacht materiaal. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Uitgezonderd van dit beleid is de tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ en ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’. In deze zones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld.

17

Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

39 / 81

Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in deze zones moet de vrijkomende grond worden onderzocht (zie § 8.2.1). Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Mogelijk kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding[29] tijdelijke uitname. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden en gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, mag alsnog de grond worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als niet wordt gewerkt met een gesloten grondbalans, moet grond die niet op het werk blijft, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd (zie § 8.2.1) of worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 8.2, § 9.1, § 9.2.1 en § 9.2.3. NB

Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[28] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur of voor groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeft de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Uitgezonderd van dit beleid is de tijdelijke uitname van grond: • ter plaatse van de tot het jaar 2000 aangelegde wegen; • in de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’ en ‘B4./O4. Industrie voor 1950’. In deze zones moet voorafgaand aan graafwerkzaamheden in ieder geval een onderzoek plaatsvinden.

5.4

Toepassen grond vanuit bodemkwaliteitszones ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ In verband met het sterk heterogene karakter van de bodemkwaliteit in de zones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ en 'B4./O4. Industrie voor 1950' moet voorafgaand aan de toepassing van de grond uit deze bodemkwaliteitszones, de lokale bodemkwaliteit zijn vastgesteld om te voorkomen dat grond met gehalten boven de Lokale Maximale Waarden of zelfs boven de interventiewaarde wordt toegepast. Voor meer gedetailleerde informatie hierover wordt verwezen naar § 8.2.1. Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFASverbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond. Bij toepassing van grond vanuit deze bodemkwaliteitszones moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (zie § 8.2.1).

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

40 / 81

5.5

Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals in de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van regio Rivierenland is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1,0 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte (zie hoofdstuk 2, tabel 2.1).

De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond van nietverdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.

5.6

Toepassen grond afkomstig van buiten de gemeenten Grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten moet altijd zijn gekeurd (zie § 8.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (zie hoofdstuk 2, tabel 2.1 en de kaartbijlage 4A en 4B). De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie ook § 4.2). Uitzondering hierop vormen Lokale Maximale Waarden die strenger zijn dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.3.2 en § 4.3.7 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwinen grondwaterbeschermingsgebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (zie § 4.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’).

5.7

Melden en onderzoeken bij toepassingen van kleine partijen grond (maximaal 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 9.2.2). Het is echter niet NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

41 / 81

redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeenten verruimen de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 5.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (zie artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL SIKB 9335[29x]. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 8.1 en bijlage 8).

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

42 / 81

Tabel 5.3 Regels voor keuring en melding bij toepassingen van kleine partijen grond. Van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart

Grondstroom

niet is geaccepteerd of

Van gebieden van de eigen en geaccepteerde

geen

bodemkwaliteitskaarten

bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Volgens grondstromenmatrix

Volgens grondstromenmatrix

(bijlage 4)

(bijlage 4) geen vrij

Schone grond

vrij grondverzet Hoeveelheid

Keuring?

≤50 m3

Nee

Melden?

>50 m3

Ja

≤50 m3 Nee, tenzij

Nee, tenzij

Nee, tenzij

een bepaald

een bepaald

bodem-

bodem-

bodem-

gebruik*

gebruik*

gebruik*

Nee, wel

Nee, wel toestemming

perceeleigenaar

Ja, zie § 9.2

grondverzet ≤25m3

een bepaald

toestemming vragen aan

>50 m3

vragen aan perceel-

Ja, zie § 9.2

bij de toepassing?

eigenaar

Bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie

zone en bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3

*

Ja

Ja, zie § 9.2**

Binnen de Beperking

>25m3

Afhankelijk van keuringsresultaten en bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3

Als een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.’ en ‘B4./O4.’ ‘B7.’, ‘B8.’, of de toepassingslocatie heeft of krijgt een bestemming Plaatsen waar kinderen spelen of moes-/volkstuin(complex) (zie § 4.3.3) , dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring of een gepaste strategie uit de NEN 5740 en waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde.

**

5.8

Als na een keuring blijkt dat het schone grond betreft, hoeft er geen melding plaats te vinden.

Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de Omgevingsdienst Rivierenland. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de Omgevingsdienst Rivierenland vastgelegd. Afhankelijk van de beoordeling van de Omgevingsdienst Rivierenland moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ heeft en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

43 / 81

aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 4.3). In de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’, ‘B8. Wegbermen buitengebied’ worden relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met zware metalen en/of PAK aangetoond. In bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ komen relatief vaak (sterk) verhoogde gehalten met bestrijdingsmiddelen voor. De gemeenten stellen daarom strenger beleid, dan het generieke kader van het Besluit, vast voor grond die vanuit deze bodemkwaliteitszone in een grootschalige bodemtoepassing wordt toegepast. Grond vanuit deze bodemkwaliteitszone moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten en de toets aan de emissietoetswaarden mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: • De grond is afkomstig van een gezoneerd gebied (zie hoofdstuk 2 voor de niet gezoneerde gebieden).

• De grond is afkomstig van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie(zie § 8.1). • De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 5.1 en bijmenging van asbest (zie § 5.2). In § 4.3.2 zijn strengere eisen gesteld aan grootschalige bodemtoepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden. Toepassen PFAS-houdende grond De PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau18 moet voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’: • PFOA: 7,0 µg/kg ds. • Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. De PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau19 moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden: • PFOA: 1,9 µg/kg ds. • Alle andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de 18

Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 19 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

44 / 81

PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). 5.9

Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2) mag de grond worden toegepast. De gemeenten staan toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: 1. afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek; zie § 8.1); én 2. afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2); én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335[30] of de BRL SIKB 7500[31]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer.

Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: • de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, • de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en • de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1[32]. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP 3)[33] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

45 / 81

5.10

Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond

5.10.1

Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken In de gemeenten zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat: • het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (zie § 8.2.1). • als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 8.2.2). Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctie en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is.

Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook bijlage 1, kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen van grond'). Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (zie § 8.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.

5.10.2

Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. In de onderstaande paragrafen is aangegeven hoe hiermee om te gaan. Bij alle eerder uitgevoerde onderzoeken geldt, dat in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst Rivierenland of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. Uitgevoerde specifiek onderzoek van de NEN 5740 of partijkeuring De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 574020 of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001[34]) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 8.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 20

Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

46 / 81

Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en toepassen grond Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd, bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie, geldt het volgende: Als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de gebiedseigen kwaliteit (de 90-percentielwaarde21 van de betreffende bodemkwaliteitszone; zie bijlage 7b), dan hoeft er geen aanvullende partijkeuring plaats te vinden. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de gebiedseigen kwaliteit (de 90-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone) dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Voor (voormalige) boomgaarden geldt dat er een bodemonderzoek en eventueel een partijkeuring moet worden uitgevoerd op bestrijdingsmiddelen, conform tabel 8.1 uit § 8.2.1.

Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en kwaliteit ontvangende bodem Als uit een bodemonderzoek, uitgevoerd volgens de NEN 5740, blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten. 5.10.3

Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt. Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond, afkomstig vanuit het bodembeheergebied (zie § 4.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5A en 5B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie § 4.2), gelden de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4A en 4B). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 5.1 en § 5.2 van toepassing. De grond die wordt toegepast als aanvulgrond van de saneringsput, of als ophooglaag/leeflaag in een sanering in woongebieden minimaal 1 meter dik, moet ook

21

90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de 90-percentielwaarde lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

47 / 81

worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). 5.10.4

Provinciale beschermingsgebieden In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn monumenten voor archeologie/cultuurhistorie en aardkundige monumenten en waardevolle gebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, habitatgebieden en gebieden in het Natuurnetwerk Nederland. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Gelderland: https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers. Binnen deze gebieden mag alleen grond met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ worden toegepast (zie bijlage 7a). Dit moet worden aangetoond met een partijkeuring, onder voorwaarden is geen partijkeuring noodzakelijk (zie § 8.2.1). Overigens is de Omgevingsverordening (zie § 2.3 van bijlage 2) in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden leidend voor het toepassen van grond en baggerspecie. Als deze wordt aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten, dan geldt het aangepaste beleid.

5.11

Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit Volgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatieonderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatieonderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de bodemkwaliteitskaart mag worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied.

Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt.

5.12

Nieuwe onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van deze nota bodembeheer.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

48 / 81

5.13

Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop. Deze uitheemse plant brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. Momenteel zijn de gemeenten in afweging of speciaal beleid hiervoor wordt opgesteld. Als dit beleid is opgesteld volgen de gemeenten dit beleid. Totdat gemeentelijk beleid is opgesteld, moet bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[35] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties.

Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente waar de werkzaamheden plaatsvinden. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

49 / 81

6

De uitwerking van het beleid voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie

6.1

Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegde gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met (binnendijks) het Waterschap Rivierenland, https://www.waterschaprivierenland.nl of (buitendijks: uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) Rijkswaterstaat, https://www.rijkswaterstaat.nl.

6.2

Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 6.1. Ontvangstplicht Verspreiden over Vrij toepasbaar aangrenzend perceel Achtergrondwaarden (AW2000)

Niet verspreidbaar over aangrenzend perceel -Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en -interventiewaarde droge bodem

Figuur 6.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.

Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: • Voor onderhoudsbaggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. • De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. • Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. • De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’ en toekomstige ontwikkelingen binnen het Besluit hierbij. In een aantal situaties mag baggerspecie worden verspreid naar percelen die niet aan de watergang grenzen. Dit is beschreven in § 6.3. Conform de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland is het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel (volgens het generiek kader van het NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

50 / 81

Besluit) in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden toegestaan binnen 20 meter van de watergang waar de baggerspecie uit afkomstig is. Voorwaarden hierbij zijn: • De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720. • De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAFtoets (‘verspreidbaar’). Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: • De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. • De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. • De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. • De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing. Voor verdere informatie over het verspreiden van baggerspecie wordt hier volstaan met een verwijzing naar het ‘Handvat verspreiden baggerspecie’[36].

Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot (generiek beleid) Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden de toepassingswaarden uit het ‘Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’: • PFOA: 7,0 µg/kg ds. • Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. Ook met deze toepassingswaarden komt het uitgangspunt van stand-still niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een puntbron. Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren.

Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast. Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om een representatief aantal waterbodemmonsters ook op PFAS te analyseren. Dit geldt ook voor nog uit te voeren waterbodemonderzoeken. Gecontroleerd moet worden of er eventueel sprake is van onverwacht hoge gehalten aan PFAS-verbindingen. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de Omgevingsdienst Rivierenland, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in zijn beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

51 / 81

Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt. Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden. 6.3

Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeenten (gebiedsspecifiek beleid)

6.3.1

Inleiding In het Besluit geldt, voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op het aangrenzend perceel, een risicogrens als maximale norm voor de kwaliteit van de te verspreiden baggerspecie (de zogenaamde msPAF methode). Deze toets geldt alleen bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op percelen direct grenzend aan de watergang van herkomst. In regio Rivierenland is echter vaak geen of onvoldoende ruimte voor het verspreiden van deze specie op de aangrenzende percelen. Hierdoor wordt deze baggerspecie vaak onnodig afgevoerd naar een verwerker, terwijl milieuhygiënisch er geen bezwaar is deze bagger te verspreiden en er vraag is naar deze baggerspecie bij agrariërs. De baggerspecie wordt door hen gebruikt voor algehele bodemverbetering. In 2010 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteit van de vrijkomende baggerspecie in regio Rivierenland[37]. Dit onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre de kwaliteit van de bagger overeenkomt met de voor de landbodem gestelde normen. Hieruit blijkt dat 80% van de meetresultaten voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ en meer dan 95% van de metingen in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De stoffen minerale olie, PAK, DDE/DDD en in mindere mate koper komen vaker verhoogd voor tot boven de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.

Deze verhogingen zijn vermoedelijk het gevolg van verschillende diffuse en puntbronnen (lozingen, landbouw en scheepvaart) die de waterbodem hebben verontreinigd. Om de mogelijkheden van verspreiding van baggerspecie te kunnen vergroten, hebben de gemeenten de definitie van de term ‘aangrenzend perceel’ verruimd en Lokale Maximale Waarden gedefinieerd voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie.

6.3.2

Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

52 / 81

Daarbij gelden de volgende voorwaarden: • Voor het verspreiden van baggerspecie uit stedelijk gebied in landelijk gebied gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). • Voor het verspreiden van baggerspecie naar stedelijk groen22 gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). • Deze verruiming geldt niet voor bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. 6.3.3

Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het tijdelijk opslaan van (ongerijpte) onderhoudsbaggerspecie in een weilanddepot Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag van (ongerijpte) baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ De voorwaarden bij het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot zijn: • Het weilanddepot is niet gelegen in een bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. • De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720. • De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAFtoets (‘verspreidbaar’). De in de § 6.3.4 vermelde uitzondering voor baggerspecie uit stedelijk gebied voor PAK en minerale olie geldt hier niet. • De opslag mag maximaal drie jaar duren.

• De opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). • De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanuit het weilanddepot in een nuttige toepassing worden aangebracht. Het ophogen van landbouw- en natuurgronden met het oog op het verbeteren van de (bodem)gesteldheid wordt als een nuttige toepassing beschouwd. Het verspreiden van de baggerspecie in oppervlaktewater wordt niet als een nuttige toepassing gezien. • Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan.

22

Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik.

NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021

53 / 81

Bij weilanddepots is geen toetsing aan de ontvangende bodemkwaliteit nodig. Daarentegen moet (historische) informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de het weilanddepot niet verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. 6.3.4

Lokale Maximale Waarden verspreiden van ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied voor bodemverbetering Om aan de vraag naar baggerspecie gehoor te geven en ook te voldoen aan de gestelde doelen van zelfvoorzienendheid, hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen hergebruiken. Omdat uit waterbodemonderzoeken is gebleken dat baggerspecie uit het buitengebied veelal schoner is dan de bagger vrijkomend uit het stedelijk gebied, zijn hiervoor verschillende toepassingseisen opgesteld. Voor het verspreiden van baggerspecie uit het stedelijk gebied geldt dat: • een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 moet worden uitgevoerd; • de baggerspecie bij toepassing op stedelijk groen23 moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’; • de baggerspecie bij toepassing in het landelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt. N.B.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10258755/1