CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Nederhemert, Molenstraat 3 Bijlagen toelichting

Raadsvergadering 14 juli 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Nederhemert, Molenstraat 325.795 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nederhemert, Molenstraat 3

bestemmingsplan Nederhemert, Molenstraat 3

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Bodemonderzoek

4

Bijlage 2

Memo stikstof

109

Bijlage 3

AERIUIS-berekening

112

2

Inhoudsopgave (concept)

bestemmingsplan Nederhemert, Molenstraat 3

Bijlagen toelichting

Bijlagen toelichting (concept)

3

bestemmingsplan Nederhemert, Molenstraat 3

Bijlage 1 Bodemonderzoek

4

Bijlagen toelichting (concept)

RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken Molenstraat 3 te Nederhemert

PROJECTNUMMER: B21.8261 Versie: 01

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert

PROJECTNUMMER: B21.8261

OPDRACHTGEVER: Van Ooijen Bouwadvies

DATUM: 10 augustus 2021

Auteur:

Autorisatie:

J.P.G. Boerakker Junior projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B21.8261/R8261-01/JB Alle informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

SAMENVATTING Van Ooijen Bouwadvies heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en eindsituatie bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een indicatief funderingsonderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Molenstraat 3 te Nederhemert. Voorafgaand aan de diverse (bodem)onderzoeken is reeds een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 met kenmerk B21.8261/HO-01/JB, d.d. 20 juli 2021. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5740/A1:2016, de NEN 5707:2015/C2:2017 en de NEN 5897:2015/C2:2017. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en uitloging) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. Daarnaast wordt de eindsituatie vastgelegd van diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.

Conclusies historisch onderzoek en vervolgtraject Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: • Op de onderzoekslocatie is een transportbedrijf aanwezig (geweest) waar vrachtwagens werden gestald en gewassen. Daarnaast zijn er zowel een onder- als bovengrondse dieseltank met dieselpomp aanwezig geweest en zijn er nog een wasplaats, OBAS en slibvangput aanwezig (niet meer in gebruik). Met een verouderd bodemonderzoek (1999) op de onderzoekslocatie zijn zintuiglijk bijmengingen met puin en kolen waargenomen. Analytisch zijn in de ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor chroom, zink en/of PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • Met diverse bodemonderzoeken in de directe omgeving zijn in de bodem maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • De ondergrondse dieseltank met pomp is gesaneerd en verwijderd, waarbij geen verontreiniging werd aangetroffen.

Direct ten oosten van de locatie is een ondergrondse olietank aanwezig (geweest); • Met een milieucontrole in 2001 zijn geen afwijkingen geconstateerd; • Op basis van historisch kaartmateriaal zijn er twee watergangen op de onderzoekslocatie aanwezig; • Er zijn naar verwachting zowel op de onderzoekslocatie als in de directe omgeving boomgaarden aanwezig (geweest); • De huidige bebouwing op de onderzoekslocatie is in 1960 gerealiseerd. Daarvoor heeft er ook bebouwing op de locatie gestaan. Op de onderzoekslocatie zijn diverse verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie aanwezig is; • Met het locatiebezoek blijkt dat de bovengrondse dieseltank met dieselpomp in lekbak niet meer aanwezig is. Daarnaast is de aanwezigheid van de wasplaats, OBAS en slibvangput bevestigd, die niet meer in gebruik zijn. De door de ODR aangegeven asbestverdacht dakbedekking is waargenomen, door de eigenaar is echter aangegeven dat dit geen asbesthoudende dakbedekking betreft; • Voor zover bekend zijn er geen overige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie aanwezig (geweest);

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

3 • Naar verwachting wordt er voor de bestemmingsplanwijziging en met de beperkte herontwikkeling geen grond van de onderzoekslocatie afgevoerd. Op de onderzoekslocatie dient, in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de beperkte herontwikkeling, een verkennend en eindsituatie onderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de voormalige boven-/ en ondergrondse tanks met dieselpomp, de wasplaats, de OBAS, de slibvangput, de voormalige watergang en de (voormalige) boomgaarden aandachtspunten. Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 op de onderzoekslocatie. Conclusies en aanbevelingen Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Voor de onderzoekslocatie is voor de algemene kwaliteit inclusief (voormalige) bodembedreigende activiteiten, de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Algemene kwaliteit Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese voor de algemene kwaliteit formeel gezien nog niet worden verworpen, aangezien in de ondergrond een licht verhoogd gehalte voor zink is aangetoond, welke de indexwaarde van 0,5 overschrijdt.

In de overige monsters van de ondergrond in de bovengrond en het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse parameters zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrond- of streefwaarde(n). Zowel zintuiglijk als analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van de voormalige watergangen. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. (Voormalige) bodembedreigende activiteiten Ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten zijn in de boven- ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor diverse parameters aangetoond, welke grotendeels vergelijkbaar zijn met de aangetroffen gehalten op het overige terrein. Enkel de licht verhoogde gehalten voor minerale olie en vluchtige aromaten zijn ons inziens duidelijk te herleiden naar de voormalige ondergrondse tank en dieselpomp. De licht verhoogde gehalten worden aan de voormalige ondergrondse tank toegeschreven, aangezien de voormalige bovengrondse tank in een lekbak op een betonvloer stond en er met milieucontroles geen afwijkingen zijn waargenomen of calamiteiten bekend zijn.

Daarnaast is in de bovengrond (klei) ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank een aanzienlijk lager gehalte aan minerale olie aangetoond dan in de in de ondergrond (zand). Derhalve is ons inziens geen sprake van Zorgplicht, aangezien de voormalige ondergrondse brandstoftank naar verwachting ruim voor 1987 is gerealiseerd en in 1993 is verwijderd. Hiermee is de eindsituatie voor de (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie vastgesteld. Teeltlaagonderzoek In de (oorspronkelijke) teeltlaag is maximaal een licht verhoogd gehalte voor de OCB-parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. De voormalige boomgaarden hebben derhalve niet geleid tot een bodemverontreinigingen met OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag. Verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft de onderzoekslocatie is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

4 Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien op de locatie zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest is aangetoond (< 2,0 mg/kg d.s.). Over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (vegetatie en verhardingen) op het maaiveld. Funderingsonderzoek (indicatief) Op basis van de analyseresultaten kan worden gesteld dat de puinstabilisatie indicatief voldoet aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof. De eventueel vrijkomende puinstabilisatie kan indicatief worden hergebruikt als niet-vormgegeven bouwstof. Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is, formeel gezien, de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling ter plaatse van de Molenstraat 3 te Nederhemert in onvoldoende mate onderzocht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan formeel gezien bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling in verband met het licht verhoogd gehalte voor zink welke de indexwaarde van 0,5 overschrijdt.

Een nader onderzoek is ons inziens echter niet noodzakelijk, aangezien humane, ecologische en verspreidingsrisico’s kunnen worden uitgesloten, aangezien het licht (index > 0,5) verhoogd gehalte voor zink in de ondergrond is aangetoond en er sprake is van een immobiele parameter die met het verkennend onderzoek niet verhoogd in het grondwater is aangetoond. Zelfs indien er sprake is van een sterke verontreiniging, zal dit tevens niet leiden tot een spoedeisendheid, aangezien de immobiele (niet-vluchtige) verontreinigingen in de ondergrond aanwezig zijn. Daarnaast zal er in de huidige situatie, de toekomstige situatie en in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling geen contact optreden met de licht (index > 0,5) verontreinigde grond. Indien bij toekomstige herontwikkeling en/of civieltechnische werkzaamheden wel sprake is van contact met de ondergrond met het licht verhoogd (index >0,5) gehalte voor zink is, afhankelijk van de werkzaamheden, een nader onderzoek mogelijk wel gewenst. Aanbevolen wordt om eerst voorliggende rapportage te laten beoordelen door het bevoegd gezag om na te gaan of een nader onderzoek noodzakelijk is. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft enkel een adviserende rol. Het bevoegd gezag dient uiteindelijk een definitieve uitspraak te doen over de te nemen vervolgstappen.

De eindsituatie van de diverse voormalige bodembedreigende activiteiten is, ons inziens, in voldoende mate vastgelegd. Tevens dient rekening te worden gehouden met onderstaande aanbevelingen. Bij de eventuele afvoer van grond dient rekening gehouden te worden met zowel de resultaten van de NEN- als OCB-parameters. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen en onderzoeken worden verlangd. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering, nog aanvullend een maaiveldinspectie uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

5 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 6

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 6

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 6 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.2. REEDS UITGEVOERD HISTORISCH ONDERZOEK EN LOCATIEBEZOEK (NEN 5725)................................... 6

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 8 4.1. BODEMOPBOUW .......................................................................................................................................... 8 4.2. GEOHYDROLOGIE ....................................................................................................................................... 8

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................... 8

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK ............................................................................................................ 8 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN .............................................................................. 8 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 10

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 12 7.1. GROND/GRONDWATER .............................................................................................................................. 12 7.2. ASBEST ...................................................................................................................................................... 13

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN ........................................................... 14 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 14 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 14 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 18

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELING ....................................................................................................... 21 9.1. VERKENNEND EN EINDSITUATIE BODEMONDERZOEK ............................................................................. 21 9.2. VERKENNEND ONDERZOEK NAAR ASBEST................................................................................................ 21 9.3. FUNDERINGSONDERZOEK (INDICATIEF)................................................................................................... 22 9.4. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 22

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 23

BIJLAGEN

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen, peilbuizen en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater asbest en uitloog Achtergrond-, streef- en interventiewaarden grond en grondwater Veldwerkformulieren onderzoek naar asbest inclusief foto’s Rapportage historisch onderzoek (exclusief bijlagen)

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

6

1.

INLEIDING Van Ooijen Bouwadvies heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en eindsituatie bodemonderzoek, een verkennend onderzoek naar asbest en een indicatief funderingsonderzoek voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Molenstraat 3 te Nederhemert. Voorafgaand aan de diverse (bodem)onderzoeken is reeds een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 [1] met kenmerk B21.8261/HO-01/JB, d.d. 20 juli 2021. De aanleiding tot de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5740/A1:2016 [2], de NEN 5707:2015/C2:2017 [3] en de NEN 5897:2015/C2:2017 [4]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door de heren H.M.W. van der Donk en J.P.G. Boerakker.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest en uitloging) op de onderzoekslocatie vast te leggen en vast te stellen of vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en beperkte herontwikkeling. Daarnaast wordt de eindsituatie vastgelegd van diverse (voormalige) bodembedreigende activiteiten.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De onderzoekslocatie betreft een bedrijfswoning aan de Molenstraat 3 te Nederhemert en staat kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie T, nummers 654 en 1458. De locatie betreft een bedrijfswoning en is deels in gebruik als tuin en deels bedekt met (element)verhardingen waaronder beton, tegels en klinkers ten behoeve van het (voormalige) transportbedrijf. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 1.175 m2. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.

Reeds uitgevoerd historisch onderzoek en locatiebezoek (NEN 5725)

Voorafgaand aan de diverse (bodem)onderzoeken is reeds een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (Verhoeven Milieutechniek B.V., kenmerk B21.8261/HO01/JB, d.d. 20 juli 2021). Hieronder staan de conclusies van het historisch onderzoek vermeld. Voor de volledigheid is de rapportage van het historisch onderzoek (exclusief bijlagen) opgenomen in bijlage 7.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

7 Conclusies historisch onderzoek en vervolgtraject Uit het historisch onderzoek blijkt het volgende: • Op de onderzoekslocatie is een transportbedrijf aanwezig (geweest) waar vrachtwagens werden gestald en gewassen. Daarnaast zijn er zowel een onder- als bovengrondse dieseltank met dieselpomp aanwezig geweest en zijn er nog een wasplaats, OBAS en slibvangput aanwezig (niet meer in gebruik). Met een verouderd bodemonderzoek (1999) op de onderzoekslocatie zijn zintuiglijk bijmengingen met puin en kolen waargenomen. Analytisch zijn in de ondergrond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor chroom, zink en/of PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • Met diverse bodemonderzoeken in de directe omgeving zijn in de bodem maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond; • De ondergrondse dieseltank met pomp is gesaneerd en verwijderd, waarbij geen verontreiniging werd aangetroffen.

Direct ten oosten van de locatie is een ondergrondse olietank aanwezig (geweest); • Met een milieucontrole in 2001 zijn geen afwijkingen geconstateerd; • Op basis van historisch kaartmateriaal zijn er twee watergangen op de onderzoekslocatie aanwezig; • Er zijn naar verwachting zowel op de onderzoekslocatie als in de directe omgeving boomgaarden aanwezig (geweest); • De huidige bebouwing op de onderzoekslocatie is in 1960 gerealiseerd. Daarvoor heeft er ook bebouwing op de locatie gestaan. Op de onderzoekslocatie zijn diverse verhardingen aanwezig, waaronder mogelijk een puinstabilisatie aanwezig is; • Met het locatiebezoek blijkt dat de bovengrondse dieseltank met dieselpomp in lekbak niet meer aanwezig is. Daarnaast is de aanwezigheid van de wasplaats, OBAS en slibvangput bevestigd, die niet meer in gebruik zijn. De door de ODR aangegeven asbestverdacht dakbedekking is waargenomen, door de eigenaar is echter aangegeven dat dit geen asbesthoudende dakbedekking betreft; • Voor zover bekend zijn er geen overige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie aanwezig (geweest); • Naar verwachting wordt er voor de bestemmingsplanwijziging en met de beperkte herontwikkeling geen grond van de onderzoekslocatie afgevoerd.

Op de onderzoekslocatie dient, in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de beperkte herontwikkeling, een verkennend en eindsituatie onderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Daarbij vormen de voormalige boven-/ en ondergrondse tanks met dieselpomp, de wasplaats, de OBAS, de slibvangput, de voormalige watergang en de (voormalige) boomgaarden aandachtspunten. Er dient daarnaast een verkennend onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd conform de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 op de onderzoekslocatie. Verder zijn er geen overige gegevens van (kritische) bodembedreigende activiteiten bekend. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

8

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en hydrogeologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 6 meter dikke deklaag die is opgebouwd uit Holocene afzettingen. Dit is een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Het onderliggende eerste watervoerend pakket is circa 59 meter dik en bestaat uit fijn tot grof zand van de Formaties van Kreftenheye, Sterksel en Stramproy. Hieronder bevindt zich een circa 23,5 meter dikke scheidende laag die is opgebouwd uit zandige klei, klei en midden zand van de Formatie van Waalre. Hieronder bevindt zich vanaf circa 88,5 m-mv het tweede watervoerend pakket. 4.2.

Geohydrologie

Het (ondiepe) grondwater stroomt naar verwachting globaal in zuidelijk richting, in de richting van de nabijgelegen Afgedamde Maas. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is, voor zover bekend, niet gesitueerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie wordt voor de algemene kwaliteit uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodem- en asbestverontreiniging. Hierbij vormen de voormalige boven-/ en ondergrondse tanks met dieselpomp, de wasplaats, de OBAS, de slibvangput, de voormalige watergang en de (voormalige) boomgaarden aandachtspunten.

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Algemene kwaliteit inclusief voormalige watergangen Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009/A1:2016 gehanteerd, waarbij voor de bovengrond wordt uitgegaan van de onderzoeksstrategie ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL) voor een locatie van maximaal 1.500 m2. Voor de ondergrond wordt uitgegaan van een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL; < 1.500 m2). Aangezien op de locatie diverse (element)verhardingen aanwezig zijn worden alle boringen tot minimaal 1,0 m-mv doorgezet en is één extra NEN-pakket opgenomen. Aanvullend worden er drie dwarsraaien van 3 boringen tot 2,0 m-mv per raai verricht ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergangen. In eerste instantie wordt de grond enkel zintuiglijk beoordeeld en wordt hiervoor vooralsnog geen extra NEN-pakket opgenomen.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

9 (Voormalige) bodembedreigende activiteiten (eindsituatie) Voorgesteld wordt om ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten (boven- en ondergrondse dieseltanks, dieselpomp, wasplaats, OBAS en slibvangput) de bodem te onderzoeken conform de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) voor een oppervlakte van maximaal 500 m2. De grond ter plaatse van de wasplaats, en de OBAS en de slibvangput worden apart van elkaar geanalyseerd op een standaard NEN-pakket en de grond ter plaatse van de en de boven- en ondergrondse dieseltanks met dieselpomp worden apart van elkaar geanalyseerd op minerale olie. In verband met de diverse bodemvreemde activiteiten worden er diverse extra boringen en één extra peilbuis geplaatst. Het grondwater wordt gecombineerd uitgevoerd voor de algemene kwaliteit en de diverse bodembedreigende activiteiten. Het grondwater ter plaatse van de (voormalige) OBAS, slibvangput en de wasplaats (gecombineerd) wordt geanalyseerd op een standaard NEN-pakket (tevens gecombineerd met de algemene kwaliteit) en het grondwater ter plaatse van de voormalige boven- en ondergrondse dieseltanks met dieselpomp (gecombineerd) wordt geanalyseerd op minerale olie en vluchtige aromaten.

Teeltlaagonderzoek Aanvullend dient er een teeltlaagonderzoek uitgevoerd te worden conform de onderzoeksstrategie voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VEDHE-NL, 1.500 m2). De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt separaat bemonsterd (0,0-0,3 m-mv) en geanalyseerd op OCB. Verkennend onderzoek naar asbest Voor het verkennend onderzoek naar asbest wordt de strategie voor een diffuus belaste verdachte locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging gehanteerd volgens de NEN 5707 en/of conform de NEN 5897 conform halfverhardingslagen (maximaal 1.500 m2). Ten behoeve van het onderzoek naar asbest worden minimaal 8 proefgaten gegraven met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv, waarvan minimaal 1 proefgat dieper wordt doorgeboord tot in de onverdachte/ongeroerde ondergrond. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. Van de meest verdachte grond-/puinlagen uit de proefgaten worden mengmonsters samengesteld voor analyse op asbest conform NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Er worden minimaal 2 mengmonsters van de meeste verdachte grond- en/of puinlagen geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin (< 20 mm).

Indicatief funderingsonderzoek Op de onderzoekslocatie wordt een puinstabilisatie verwacht. Er wordt uitgegaan van één puinsoort, waardoor rekening dient te worden gehouden met het samenstellen en analyseren van één mengmonster op het uitloog- en samenstellingspakket bestaande uit: -

-

De metalen (antimoon (Sb), Arseen (As), barium (Ba), cadmium (Cd), chroom (Cr), kobalt (Co), koper (Cu), kwik (Hg), lood (Pb), molybdeen (Mo), nikkel (Ni), seleen (Se), tin (Sn), vanadium (V), zink (Zn)), bromide, chloride, fluoride, sulfaat in het eluaat van het uitloogonderzoek Schudproef (L/S=10); Som-PCB; Som-PAK; Minerale olie (MO); Asbest in puin (fractie < 20 mm).

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

10 De veldwerkzaamheden van de diverse onderzoeken zijn zoveel als mogelijk gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek. Met het plaatsen van de boringen, peilbuizen en proefgaten wordt rekening gehouden met de diverse aandachtspunten. 6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001: het plaatsen van boringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018 locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een ramguts, schep en Edelmanboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde en opgegraven grond en puin zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). De peilbuizen zijn, na een standtijd van minimaal één week en minimaal twee maal afpompen, bemonsterd. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerkers weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data 22 en 23 juli 2021

Bedrijf Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker De heer C.C.G. van Rossum

30 juli 2021

Verhoeven Milieutechniek B.V.

De heer J.B. Koppelman

Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)

De volledige puinlagen op de onderzoekslocatie betreffen geen bodem en zijn derhalve niet conform protocol 2018 onderzocht. Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Ten behoeve van het bepalen van de algemene bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie conform de onderzoeksopzet voor het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 21 boringen (B01 t/m B17) geplaatst. Boring B06 is ter plaatse van de voormalige dieselpomp gesitueerd, boring PB07 ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank en boring B11 ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank in lekbak. De boringen B08 en B09 zijn ter plaatse van de OBAS en put/kolk gesitueerd en de boringen B10, B14 en B15 ter plaatse van de wasplaats met put/kolk. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is boring PB09 dieper doorgezet en afgewerkt met een peilbuis. Boring PB07 is tevens afgewerkt met een peilbuis, deze kon echter niet tot de benodigde diepte worden geplaatst in verband met bodemvreemde bijmengingen / lagen, waardoor het grondwater uit de peilbuis een indicatief monster betreft. Derhalve is aanvullend boring PB12 dieper doorgezet, stroomafwaarts van de activiteiten, en afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde werkzaamheden weergegeven.

Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Circa 1,0 m-mv B02*, B03, B05, B06, B10, B11, B14, B16, B17

Boringen / peilbuizen Circa 2,0 m-mv Circa 2,5 m-mv B01, B04A-C, B13A-C, B15 B08

Toelichting bij de tabel: * Boring is gestaakt op een ondoordringbare laag; # Betreft een indicatief grondwatermonster. Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

Peilbuis (filterstelling m-mv) PB07 (0,5-1,5)*# PB09 (1,5-2,5) PB12 (1,5-2,5)

11 Aangezien slechts een gering aantal boringen zijn gestaakt en er een aanvullende peilbuis is geplaatst, wordt niet verwacht dat de representativiteit van het onderzoek hierdoor wordt beïnvloed. De raaiboringen B04A-C en B13A-C zijn ter plaatse van de voormalige watergangen geplaatst. Grondwater Het grondwater uit peilbuizen PB07, PB09 en PB12 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 30 juli 2021 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest dient op de locatie allereerst een locatieen maaiveldinspecties te worden uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de locatie gedeeltelijk is bedekt met vegetatie en verhardingen (80 %). Er heeft derhalve, in afwijking van de BRL 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Mogelijk zijn hierdoor de resultaten beïnvloed. Op het maaiveld zijn desondanks, rekening houdend hiermee, geen asbestverdachte (plaat)materialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn in totaal 11 proefgaten (B01 t/m B09, B12, B13B) van 0,3 m x 0,3 m tot circa 0,5 m-mv gegraven.

Voor de inspectie van de ondergrond zijn diverse proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot in de ongeroerde ondergrond. Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie (> 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. In zowel de opgeboorde als opgegraven grond en puin zijn zintuiglijk geen asbestverdachte (plaat)materiaal aangetroffen. In het veld zijn vier grond-/puinmonsters samengesteld ten behoeve van het analytisch onderzoek naar asbest in de fijne fractie (< 20 mm). Een overzicht van de samengestelde grond/puinmonsters en de zintuiglijke waarnemingen met bijbehorende analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het verkennend onderzoek naar asbest inclusief foto’s zijn opgenomen in bijlage 6. Indicatief funderingsonderzoek Op de onderzoekslocatie is een puinstabilisatie aanwezig, waarvan één mengmonster is samengesteld. Het mengmonster is aan het laboratorium aangeboden voor analytisch onderzoek naar PAK, minerale olie, PCB, metalen en anionen. Daarnaast wordt het puin geanalyseerd op asbest. De situatieschets met de geplaatste boringen, peilbuizen en proefgaten is opgenomen als bijlage 2.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

12

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.

Grond/grondwater

De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [6] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019, inclusief aanpassing d.d. 1 juli 2020), worden gehanteerd.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

13 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOS een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.

Asbest

De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en bedraagt 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grondmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Indien tijdens de analyse van asbest in fijne fractie (< 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 µm, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd. Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond is dan verplicht.

De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

14

8.

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld / onderzijde verharding tot circa 2,0 m-mv afwisselend uit siltige, zandige en/of humeuze klei of siltig, kleiig en/of humeus matig fijn zand. Vanaf circa 2,0 m-mv tot circa de maximaal geboorde diepte van 3,0 m-mv is hoofdzakelijk matig siltige klei waargenomen. Zintuiglijk zijn op de onderzoekslocatie diverse bodemvreemde bijmengingen aangetroffen, zoals weergegeven in tabel 8.1. Tabel 8.1: Zintuiglijke waarnemingen Boring

Proefgat

B01 B02 B03 B04A B04B B04C B05 B06

Ja Ja Ja Nee Ja Nee Ja Ja

Diepte boring (m -mv) 2,00 0,70 1,00 2,00 2,00 2,00 1,00 1,00

PB07

Ja

1,50

B08

Ja

2,50

PB09

Ja

2,50

B11

Nee

1,40

Traject (m -mv) 0,50 - 1,00 0,30 - 0,70 0,30 - 0,60 0,30 - 0,60 0,30 - 0,60 0,30 - 0,60 0,30 - 0,50 0,05 - 0,50 0,50 - 1,00 0,30 - 0,50 0,50 - 1,50 0,30 - 0,60 0,60 - 1,00 0,30 - 0,60 0,60 - 1,00 0,18 - 1,00 1,00 - 1,40 0,30 - 0,50 0,30 - 0,50

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Klei Klei + + + + + Zand Zand Zand + + Klei + Klei Klei Zand + +

sterk puinhoudend matig puinhoudend volledig puin volledig puin volledig puin volledig puin volledig puin matig puinhoudend zwak puinhoudend matig puinhoudend volledig puin volledig puin zwak puinhoudend volledig puin zwak puinhoudend sporen baksteen sterke oliegeur, zwakke olie-water reactie volledig puin volledig puin

B16 Nee 1,00 B17 Nee 1,00 Toelichting bij de tabel: + Betreft geen bodem (> 50 % bodemvreemd materiaal); Sporen < 1 %; Zwak ≥ 1 %, < 5 %; Matig ≥ 5 %, < 10 %; Sterk ≥ 10 %, < 20 %; Volledig ≥ 50 %.

Verder zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen overige waarnemingen in de grond / bodemvreemde lagen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.

Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten

De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (grond, grondwater, asbest en uitloog). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. In tabel 8.2 op de volgende pagina is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

15 Tabel 8.2: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13507823

(Meng) monster

Parameter

Opmerking

Toelichting

M09

Diverse vluchtige aromaten

De rapportagegrens is verhoogd i.v.m. de noodzakelijke verdunning.

MMOCB02, MMOCB03

p,p-DDT

Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.

Aangezien voor de diverse vluchtige aromaten maximaal de betreffende achtergrondwaarden worden overschreden, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed. Aangezien de som parameter voor DDT van de betreffende mengmonsters de achtergrondwaarden niet overschrijden, wordt niet verwacht dat de eindconclusie van dit onderzoek hierdoor wordt beïnvloed.

Toelichting bij de tabel: OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen.

Grond Op basis van de onderzoeksopzet en de zintuiglijke waarnemingen tijdens de veldwerkzaamheden zijn diverse (meng)monsters samengesteld. Aangezien ter plaatse van de voormalige watergangen geen afwijkende waarnemingen zijn gedaan, zijn de monsters ingezet voor de algemene kwaliteit. In verband met diverse zintuiglijke bijmengingen is een monster, welke in eerste instantie enkel op minerale olie werd geanalyseerd, in plaats daarvan geanalyseerd op een standaard NEN-pakket en is daarnaast gecombineerd met de algemene kwaliteit. Daarnaast is er een steekbus genomen in verband met de waargenomen olie-waterreactie. In verband met de tussentijdse analyse resultaten is er één mengmonster uitgesplitst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd. De (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng) Omschrijving monster Algemene kwaliteit MM01 Bovengrond, zand Zintuiglijk: MM041 MM05

MM06

Ondergrond, klei Zintuiglijk: matig tot sterk puinhoudend Ondergrond, zand Zintuiglijk: -

Ondergrond, klei Zintuiglijk: zwak puinhoudend Uitsplitsing mengmonster MM04 B01-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: sterk puinhoudend B02-2 Ondergrond, klei Zintuiglijk: matig puinhoudend (Voormalige) bodembedreigende activiteiten MM02# Bovengrond, zand Zintuiglijk: matig puinhoudend (t.p.v. voormalige dieselpomp en voormalige ondergrondse tank) MM03# Bovengrond, zand Zintuiglijk: - (t.p.v. (voormalige) wasplaats) MM07# Ondergrond, klei Zintuiglijk: - (t.p.v. (voormalige) OBAS en put/kolk) M08 Bovengrond, klei Zintuiglijk: sporen baksteen (t.p.v. voormalige bovengrondse tank in lekbak) M09 Bovengrond, zand (steekbus) Zintuiglijk: zwakke olie-waterreactie, sterke oliegeur (t.p.v. voormalige bovengrondse tank)

Boringen Analysepakket Resultaten (traject in (m -mv) > AW < I >I B03 (0,10 - 0,30) B08 (0,10 - 0,30) B13B (0,00 - 0,50) B17 (0,12 - 0,30) B01 (0,50 - 1,00) B02 (0,30 - 0,70) B03 (0,60 - 0,80) B04B (0,60 - 0,80) B13B (1,00 - 1,50) B15 (1,50 - 2,00) B08 (0,60 - 1,00) PB09 (0,60 - 1,00)

NEN

Co, Zn

-

NEN

-

NEN

Cd, Co, Cu, Pb, Ni, Zn*, PAK -

NEN

Cd, Zn

-

B01 (0,50 - 1,00)

Zn

Zn

-

B02 (0,30 - 0,70)

Zn

Zn*

-

B06 (0,05 - 0,50) PB07 (0,30 - 0,50)

NEN

Pb, Zn

-

B10 (0,18 - 0,50) B14 (0,18 - 0,50) B15 (0,18 - 0,50) B08 (2,00 - 2,50) PB09 (2,00 - 2,50)

NEN

Co, Cu, Zn

-

NEN

-

-

B11 (0,18 - 0,50)

MO

MO

-

B11 (1,00 - 1,20)

MO + BTEXN

Benzeen, Tolueen, Ethylbenzeen, Xylenen, MO

-

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

-

16 Vervolg tabel 8.3: Overzicht (meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten (Meng) Omschrijving monster Teeltlaagonderzoek MMOCB01 Teeltlaag, klei Zintuiglijk: MMOCB02 Oorspronkelijke teeltlaag, klei Zintuiglijk: -

MMOCB03

Oorspronkelijke teeltlaag, klei Zintuiglijk: -

Boringen Analysepakket Resultaten (traject in (m -mv) > AW < I >I B01 (0,00 - 0,30) B02 (0,00 - 0,30) B03 (0,80 - 1,00) B04B (0,80 - 1,10) B14 (0,50 - 0,80) B16 (0,50 - 0,80) B05 (0,50 - 0,80) B10 (0,50 - 0,80) B13B (0,50 - 0,80) PB12 (0,50 - 0,80)

OCB

-

-

OCB

DDD

-

OCB

-

-

Toelichting bij de tabel: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); MO Minerale olie, inclusief organische stof (humus); BTEXN De vluchtige aromaten benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen, inclusief organische stof (humus); Zn Zink, inclusief lutum en organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen, inclusief organische stof (humus); * De gestandaardiseerde meetwaarde overschrijdt de indexwaarde van 0,5 voor nader onderzoek; # In combinatie met de algemene kwaliteit; 1 Het mengmonster is uitgesplitst en de deelmonsters zijn separaat geanalyseerd; AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetroffen/waargenomen.

Grondwater Ten behoeve van het grondwateronderzoek zijn er op basis van de onderzoeksopzet diverse grondwatermonsters geanalyseerd waarbij de grondwatermonsters uit de peilbuizen PB09 en PB12 zijn gecombineerd met de algemene kwaliteit. De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis

Filterdiepte (m-mv) 0,50 - 1,50

GWS (m-mv) 1,48

pH

EC (µS/cm) 428

Troebelheid (NTU) 5,83

Analysepakket MO + BTEXN NEN

Resultaten >S<I >I -

PB07* (Voormalige ondergrondse 7,1 tank en dieselpomp) PB09# (Voormalige) OBAS en 1,50 - 2,50 0,80 7,2 248 1,7 Cis+trans put/kolk en nabij wasplaats) PB12# (Nabij de voormalige 1,50 - 2,50 0,80 7,0 362 11,75 NEN onder- en bovengrondse tank, stroomafwaarts) Toelichting bij de tabel: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie (MO); MO Minerale olie; BTEXN De vluchtige aromaten benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen; Cis+trans cis + trans-1,2-Dichlooretheen; * Betreft een indicatief grondwatermonsters; # In combinatie met de algemene kwaliteit; S Streefwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetoond.

De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie. In het genomen grondwatermonster uit peilbuis PB12 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (<10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Daarnaast is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤ 0,1 l/min) afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuis minder dan 50 cm (niet belucht) is gedaald. Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

17 Asbest Op zowel het maaiveld als in de vrijgekomen grond en puin zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Op basis van de onderzoeksopzet en zintuiglijke waarnemingen zijn vier grond-/puinmonsters samengesteld, waarvan er drie zijn aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform NEN5898:2015 (asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm). In verband met de puinstabilisatie is er één extra analyse op asbest aangeboden voor asbest in grond of puin in de fractie < 20 mm De samenstelling van de grond-/puinmonsters met zintuiglijke waarnemingen en de bijbehorende analyses zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Samenstelling grond-/puinmonsters asbest Monstercode

Proefgaten

Zintuiglijke waarnemingen

Traject (m -mv) 0,30 - 0,50 0,30 - 0,50 0,30 - 1,00 0,10 - 0,30

Soort

MMASB01 B03, B04, PB07 t/m PB09 Volledig puin Puin MMASB02 B06, PB07 Matig puinhoudend Grond MMASB03 B01, B02 Matig tot sterk puinhoudend Grond MMASB04 B03, B04, B07, B09, B12 Grond Toelichting bij de tabel: Niets waargenomen; 1 Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of puin < 20 mm.

Analysepakket Asbest in puin (> 25 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Asbest in grond (> 10 kg) 1 Niet geanalyseerd

De resultaten van de geanalyseerde grond-/puinmonsters en de gewogen hoeveelheid asbest (< 20 mm, conform analysecertificaten) is weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht onderzochte grond-/puinmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat Monstercode

Soort

MMASB01 MMASB02 MMASB03 Toelichting bij de tabel: Niets aangetoond.

Hechtgebonden

Type

-

-

Gemeten <20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2 <2

Totaal gewogen <20 mm (mg/kg d.s.) <2 <2 <2

Fundering (indicatief) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is er een puinstabilisatie onder diverse verhardingen waargenomen. Om de hergebruiksmogelijkheden van de puinlaag te bepalen is er één mengmonster samengesteld welke is aangeboden aan het laboratorium. In het laboratorium is het puin verkleind met behulp van een kaakbreker en dit materiaal is vervolgens onderzocht op PAK, minerale olie en PCB. Daarnaast is het gebroken puin ingezet op een schudproef (L/S=10), waarna het eluaat is onderzocht op de uitloging van 15 metalen en 4 anionen. De analyseresultaten zijn getoetst aan de in tabel 1 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit voor een niet-vormgegeven bouwstof. De analyseresultaten en de maximaal toegestane waarden zijn in tabel 8.7 weergegeven.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

18 Tabel 8.7: Hergebruiksmogelijkheden vrijkomende niet-vormgegeven bouwstof Parameter

Berekende cumulatieve Gemeten waarden Maximale emissiewaarde emissiewaarden (mg/kg d.s.) (mg/kg d.s.) (mg/kg d.s.) MMUITLOOG01 (B03, B04, PB07 t/m PB09) PAK Minerale olie PCB Bromide 20 Chloride 616 Fluoride 55 Sulfaat 19 2.430 Antimoon 0,32 Arseen 0,07 0,9 Barium 22 Cadmium 0,04 Chroom 0,63 Kobalt 0,54 Koper 0,02 0,9 Kwik 0,02 Lood 2,3 Molybdeen 1 Nikkel 0,44 Seleen 0,15 Tin 0,4 Vanadium 0,1 1,8 Zink 4,5 Toelichting bij de tabel: (1) Maximale samenstellingswaarden voor (meng)granulaten; Gehalte lager dan de detectielimiet.

8.3.

Maximale samenstellingswaarde (mg/kg d.s.) 50(1) 1.000(1) 0,5

Interpretatie analyseresultaten

Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Algemene kwaliteit In mengmonster MM01 van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor kobalt en zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM04 van de matig tot sterk puinhoudende ondergrond (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink en PAK aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden, waarbij het gehalte voor zink de indexwaarde van 0,5 voor nader onderzoek overschrijdt. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In verband met de indexwaarde overschrijding is het mengmonster uitgesplitst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op zink. In deelmonster B01-2 van de sterk puinhoudende ondergrond (klei, 0,5-1,0 m-mv) en in deelmonster B02-2 van de matig puinhoudende ondergrond (klei, 0,30,7 m-mv) zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde, waarbij in deelmonster B02-2 wederom een indexwaarde overschrijding is aangetoond (index = 0,64).

In mengmonster MM05 van de zintuiglijk schone ondergrond (zand) zijn voor de onderzochte parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM06 van de zwak puinhoudende ondergrond (klei) zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium en zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

19 (Voormalige) bodembedreigende activiteiten In mengmonster MM02 (gecombineerd met de algemene kwaliteit) van de matig puinhoudende bovengrond (zand) ter plaatse van de voormalige dieselpomp en voormalige ondergrondse tank zijn licht verhoogde gehalten voor lood en zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM03 (gecombineerd met de algemene kwaliteit) van de zintuiglijk schone bovengrond (zand) ter plaatse van de (voormalige) wasplaats zijn licht verhoogde gehalten voor kobalt, koper en zink aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor de overige onderzochte parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MM07 (gecombineerd met de algemene kwaliteit) van de zintuiglijk schone ondergrond (klei) ter plaatse van de (voormalige) OBAS en put/kolk zijn voor de onderzochte parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In monster M08 van de bovengrond met sporen baksteen (klei) ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank in lekbak is een licht verhoogd gehalte voor minerale olie aangetoond.

In steekbusmonster M09 van de ondergrond met een zwakke olie-waterreactie en sterke oliegeur (zand) zijn licht verhoogde gehalten voor benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en minerale olie aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voor naftaleen is geen verhoogd gehalte aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Teeltlaag In de mengmonsters MMOCB01 en MMOCB03 van de zintuiglijk schone (oorspronkelijke) teeltlaag (klei) zijn voor de onderzochte OCB-parameters geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In mengmonster MMOCB02 van de zintuiglijk schone oorspronkelijke teeltlaag (klei) is een licht verhoogd gehalte voor DDD aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. Voor de overige onderzochte OCB-parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Grondwater In het indicatief monster uit peilbuis PB07 ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank en voormalige dieselpomp zijn geen verhoogde gehalten voor minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden.

In het monster uit peilbuis PB09 (gecombineerd met de algemene kwaliteit) ter plaatse van de (voormalige) OBAS en put/kolk en nabij de (voormalige) wasplaats is een licht verhoogd gehalte voor cis + trans-1,2-Dichlooretheen aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarde. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. In het monster uit peilbuis PB12, stroomafwaarts en nabij de voormalige onder- en bovengrondse tank zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Asbest Zowel op het maaiveld als in de vrijgekomen grond en puin zijn zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbest verdachte (plaat)materialen aangetroffen.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

20 In puinmonster MMASB01 van de volledige puinlaag (0,3-0,5 m-mv) is analytisch geen asbest aangetoond (< 2 mg/kg d.s.). In grondmonster MMASB02 van de matig puinhoudende bovengrond (0,3-0,5 m-mv) en in grondmonster MMASB03 van de matig tot sterk puinhoudende ondergrond (0,3-1,0 m-mv) is analytisch geen asbest aangetoond (< 2 mg/kg d.s.). Fundering (indicatief) Op basis van de analyseresultaten van uitloogmonster MMUITLOOG01 (puin) kan worden gesteld dat er indicatief geen overschrijdingen zijn van de maximale samenstellings- of emissiewaarden. De puinstabilisatie op de onderzoekslocatie voldoet derhalve indicatief aan de kwaliteit van een niet-vormgegeven bouwstof en kan worden hergebruikt.

Diverse (bodem)onderzoeken, Molenstraat 3 te Nederhemert Rapportnr.: B21.8261 versie: 01 datum: 10 augustus 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11671090/1