CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Begroting 2022 incl. meerjarenraming tm 2025

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Begroting 2022 incl. meerjarenraming Avri25.050 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

nieuwe klanten. Daarnaast blijven wij scholen, verenigingen en bedrijven benaderen om samen tot betere afvalscheiding te komen. Dienstenpakket bedrijfsafval We zetten onderstaande activiteiten voort in 2022: - Inzameling van afval en grondstoffen bij bedrijfsklanten, met name het MKB. - Nieuwe klantbenadering: focus op dienstverlening aan scholen en verenigingen, circulariteit bij MKB bedrijven. - Inname van afval en grondstoffen van bedrijfsklanten op onze overslaglocatie Geldermalsen. - Op- en overslag van afval en grondstoffen van bedrijfsklanten. - Het laten verwerken van afval- en grondstofstromen van bedrijfsklanten. - Sponsoring in natura van evenementen in de regio. Sponsoring in natura De kosten voor sponsoractiviteiten van Avri worden gefinancierd uit het programma Bedrijfsafval. De sponsoring bestaat uit het verrichten van diensten bij non-profit evenementen in de regio zoals Appelpop, Fruitcorso, Rode Kruis Bloesemtocht en Dijkensport. De totale sponsorbijdrage in natura bedraagt omgerekend € 30.000. Hiermee werkt Avri aan haar maatschappelijke betrokkenheid en kan het zich profileren als maatschappelijk betrokken overheidsorganisatie. De doelstelling voor sponsoring door Avri is het uitdragen van de kernwaarden van Avri. De kernwaarden zijn: betrokken, klantgericht en duurzaam.

Het sponsorbudget biedt ruimte om - buiten de bestaande activiteiten - eventuele andere aanvragen voor sponsoring in natura te kunnen honoreren die aan de volgende criteria voldoen: • Geen winstoogmerk van het evenement; • Het evenement past bij de kernwaarden van Avri; • Groot bereik (veel bezoekers uit regio Rivierenland en omgeving); • Het evenement valt buiten de richtlijnen die zijn opgesteld voor 'activiteitenafval' (activiteitenafval maakt op basis van bestuursbesluit uit 2009 onderdeel uit van het programma Basispakket). 6.4

Wat gaat het kosten?

De opbrengsten en kosten van het programma Bedrijfsafval zijn weergegeven in onderstaande tabel. Hieruit blijkt een stabiel financieel resultaat van € 105.000 (na Vpb). Het rendement bedraagt 5% en neemt toe door een stijging van contractuele opbrengsten. Dankzij de resultaten weten we ook de komende jaren een financiële bijdrage aan de basistaken van Avri te kunnen blijven leveren. BATEN EN LASTEN PROGRAMMA BEDRIJFSAFVAL Lasten Lasten uitvoering programma bedrijfsafval Af te dragen vennootschapbelasting Totaal lasten programma bedrijfsafval

2021

2022

2023

2024

2025

2.039 13 2.052

2.030 26 2.056

2.059 26 2.085

2.086 27 2.113

2.112 28 2.140

1.936 137 33 2.106

1.960 167 34 2.161

1.992 165 34 2.191

2.025 163 34 2.221

2.058 160 34 2.252

Saldo van lasten en baten voor vermogensmutaties

54

105

105

109

112

Vermogensmutaties (stortingen / onttrekkingen reserves)

-54

-105

-105

-109

-112

0

0

0

0

0

Baten Opbrengsten contracten bedrijfsafval Verwerkingsopbrengsten grondstoffen Overige opbrengsten Totaal baten programma bedrijfsafval

Saldo van lasten en baten na vermogensmutaties

Tabel 7: Meerjarenbegroting programma Bedrijfsafval

26

7

ALGEMENE BATEN EN LASTEN

ALGEMENE BATEN EN LASTEN

Dit programma geeft informatie over de algemene baten en lasten, waaronder overhead, rente en vennootschapsbelasting

7.1 Inleiding Bij de herziening van het Besluit begroting en verantwoording (BBV) is vastgelegd dat kosten zoveel mogelijk direct worden toegerekend aan de betreffende taken of programma's. Dit betekent dat alle bedrijfskosten die direct verbonden zijn aan activiteiten in de betreffende taakvelden of programma's moeten worden begroot en verantwoord. In dit programma worden de lasten verantwoord die geen directe relatie hebben met een bepaald programma. Hieronder vallen de taakvelden 0.4 Overhead, 0.5 Treasury en 0.9 Vennootschapsbelasting. Deze lasten worden op basis van de kosten verdeelsleutels doorbelast naar de programma’s Basispakket, Pluspakket en Bedrijfsafval. Onder overhead wordt verstaan het geheel van functies en activiteiten gericht op sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. De paragraaf Bedrijfsvoering gaat in op de beleidsvoornemens voor de bedrijfsvoering gericht op het ondersteunen van de uitvoering van de programmabegroting. In dit hoofdstuk 7 is een korte samenvatting van de doelen en uitgangspunten verwoord. 7.2 Wat willen we bereiken? We willen als uitvoeringsorganisatie in de regio meer wendbaar worden. De wereld blijft in hoog tempo veranderen en Avri verandert mee. Er zijn voldoende voorbeelden van ontwikkelingen die op Avri afkomen.

Zoals inwoners die in toenemende mate betrokken willen worden en invloed willen hebben op het beleid en de uitvoering. Maar ook de invloed van social media, de mondiale, grillige ontwikkelingen op de grondstoffenmarkt, scheidingsgedrag dat leidt tot druk op de tarieven, hogere doelen t.a.v. afvalscheiding, de behoefte aan meer maatwerk vanuit gemeenten en steeds meer en complexe wet- en regelgeving. Al die ontwikkelingen doen een ander appèl op de Avri-organisatie. We willen ons ontwikkelen tot kennispartner voor onze gemeenten en inzetten op meer verbinding met inwoners en gemeenten.

27

7.3 Wat gaan we daarvoor doen? We bouwen aan een toekomstgerichte organisatie. Bestuur en management van Avri zijn ervan doordrongen dat een uitvoeringsorganisatie als Avri, met alle belangrijke beleidsopgaven die ons nog te wachten staan op het gebied van duurzaamheid en circulariteit, niet langer kan blijven doen wat we altijd deden. Er moet geïnvesteerd worden in denkkracht, in politiek-maatschappelijke sensitiviteit en in strategische communicatie. Op basis van deze ontwikkelingen en ervaringen zijn we een ontwikkelingstraject gestart om de organisatie meer robuust en wendbaar te maken. We willen daarnaast investeren in maatregelen om prijsstabiliteit en grip te krijgen op de markten waarin Avri opereert en samenwerking te zoeken met ketenpartners. In de paragraaf bedrijfsvoering wordt uitgebreider ingegaan op het programma GRIP, de organisatie ontwikkeling en communicatie.

7.4 Wat gaat dat kosten? De overhead wordt conform de BBV voorschriften centraal geraamd. In het overzicht van baten en lasten is de doorbelasting van overheadkosten naar de programma's inzichtelijk gemaakt. Hierin komt ook de meerjarenbegroting tot uitdrukking. Het overzicht van baten en lasten van dit programma is weergegeven in onderstaande tabel.

ALGEMENE BATEN EN LASTEN PER TAAKVELD Taakveld 0.4 Overhead Doorbelaste overhead naar programma Basispakket Doorbelaste overhead naar programma Pluspakket Doorbelaste overhead naar programma Bedrijfsafval Subtotaal taakveld 0.4 Overhead

2021 6.913 -4.205 -2.329 -274 105

2022 2023 7.357 7.422 -4.852 -4.896 -2.201 -2.219 -304 -307 0 0

2024 7.571 -4.994 -2.263 -313 0

2025 7.722 -5.094 -2.308 -319 0

Taakveld 0.5 Treasury Doorbelaste rentekosten naar programma's Subtotaal taakveld 0.5 Treasury

634 -634 0

634 -634 0

606 -606 0

602 -602 0

595 -595 0

Taakveld 0.9 Vennootschapsbelasting (Vpb) Doorbelaste Vpb naar programma Bedrijfsafval Subtotaal taakveld 0.9 Vennoorschapsbelasting

13 -13 0

26 -26 0

26 -26 0

27 -27 0

28 -28 0

Saldo van baten en lasten

105

0

0

0

0

Taakveld 0.10 Mutaties reserves

-105

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Resultaat na bestemming

Tabel 8: Meerjarenbegroting programma Algemene Baten en Lasten Op basis van de in paragraaf 8.3 beschreven verdeelsystematiek wordt aan de programma's basispakket, pluspakket en bedrijfsafval respectievelijk 66%, 30% en 4% van de totale overhead 0.4 toegerekend. De totalen van dit programma komen terug in het totaaloverzicht van baten en lasten (zie hoofdstuk 15).

28

Taakveld 0.4 overhead De kosten van de centrale bedrijfsvoering (‘overhead’) nemen met 6% toe ten opzichte van 2021. De stijging wordt veroorzaakt door autonome prijsindexeringen (stijgende CAO indexen en markttarieven), deze verklaren 3% van de totale stijging. Daarnaast investeren we € 125.000 in de interne beheersing van de organisatie, anticiperend op de nieuwe wetgeving ‘rechtmatigheidsverantwoording’ (2% van de stijging) en zetten we – mede op verzoek van de gemeenten - in op ontwikkeling en intensivering van (corporate) communicatie vanuit Avri naar inwoners en gemeenten (1%). Het aandeel overheadkosten van de totale begroting van Avri ligt op 14%. Middels deelname aan een benchmark-onderzoek van de branchevereniging NVRD willen we achterhalen of en waar besparingsmogelijkheden liggen ten aanzien van de overheadkosten. Nieuwe wetgeving; rechtmatigheidsverantwoording Met ingang van boekjaar 2021 dient het Dagelijks Bestuur zelf verantwoording af te leggen aan het Algemeen Bestuur over de rechtmatige totstandkoming van de jaarrekening. Hiermee wordt een kwaliteit verhogend effect op de bedrijfsvoering nagestreefd. Veranderende, aangescherpte wetgeving voor overheidsorganisaties en een strenger wordend kader voor accountants hebben de afgelopen jaren een toenemende invloed op het rechtmatigheidsoordeel van de accountant.

Met de nieuwe wetgeving komt de verantwoordelijkheid meer bij het bestuur van de organisatie te liggen, doordat de eigen organisatie haar verklaring op rechtmatig handelen afgeeft. Hiertoe dient (verbijzonderde) interne controle te zijn ingericht die de organisatie in staat stelt processen aantoonbaar te beheersen. We kiezen voor een groeimodel waarbij we starten met de minimale vereisten van de nieuwe wetgeving. De nieuwe wetgeving maakt het noodzakelijk om binnen de organisatie een doorontwikkeling te maken, waarbij we gebruik maken van lopende ontwikkeltrajecten binnen de organisatie en de aanbevelingen van de accountant. We investeren € 125.000 om interne controle in te richten en ondersteuning van de organisatie bij inkoop en aanbesteden te verstevigen. De overheaduitgaven zijn in voorliggende begroting verwerkt. In onderstaande tabel is samengevat de opbouw van de overhead weergegeven en afgezet tegen de begroting 2021. De overhead bedraagt 14% van de begroting van Avri. OVERHEAD Personeelskosten formatie Ondersteuning door derden Kapitaallasten Overige ICT budgetten Communicatie budgetten Huisvestingskosten Algemene kosten Totaal overhead bruto -/- incidentele dekking door reserves en voorzieningen Totaal overhead netto

2021 4.080 1.074 206 175 72 649 657 6.913 -105 6.808

2022 4.347 1.129 218 186 178 730 569 7.357 0 7.357

Verschil 267 55 12 11 106 81 -88 444 6% 105 549

Tabel 9: Overhead taakveld 0.4 Ontwikkeling overhead De kosten van de centrale bedrijfsvoering (‘overhead’) nemen de afgelopen jaren toe binnen decentrale overheden en ook bij Avri. Niet beïnvloedbare ontwikkelingen zoals autonome prijsindexeringen (stijgende CAO indexen en markttarieven), specifieke branche ontwikkelingen (onder andere premiestijgingen in de verzekeringsbranche) en toenemende en complexer wordende wet en regelgeving (o.a. WNRA, Accountancy, ICT, inkooprechtmatigheid) zorgen voor stijgende kosten. Door de tekorten op de overhead in de afgelopen jaren, met name veroorzaakt door de hiervoor beschreven ontwikkelingen, is de Algemene Bedrijfsreserve Avri onder haar minimale risiconorm geraakt. Hierdoor loopt Avri het risico dat bedrijfsvoeringsrisico’s niet meer kunnen worden gedekt. De reserve wordt zodoende in meerjarig perspectief aangevuld. Indien risico’s zich voordoen en de reserve ontoereikend is zal het tekort – op basis van de Nota Reserves en Voorzieningen – worden verrekend met de diverse programma’s binnen de begroting.

29

Verdeling van overhead Het financiële model voor de toerekening van indirecte kosten is gebaseerd op (de verhouding van) verwachte productie manuren. De overhead is verdeeld in (Avri brede) concernoverhead en afdelingsspecifieke overhead per werkproces. Op verzoek van de IBOR-gemeenten wordt de toerekening van overhead binnen het programma pluspakket ook per DVO-gemeente inzichtelijk gemaakt. Zodoende kan de ontwikkeling van de overhead en de consequenties daarvan voor de uitvoeringsbudgetten 2022 van de gemeenten tijdig worden besproken. De IBORgemeenten kunnen – net als de andere gemeenten – in hun rol als deelnemer/eigenaar van Avri in het GRbegrotingsproces eventueel een zienswijze hieromtrent indienen. Taakveld 0.5 Treasury In het nieuwe BBV is voorgeschreven dat de rentekosten aan de taakvelden moeten worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag. Deze rentesystematiek werd ook in eerdere begrotingen toegepast en de rentekosten maken (o.b.v. de BBV notitie rente) integraal onderdeel uit van de kosten van het taakveld. Het toerekenen van rente aan de taakvelden vindt plaats via het taakveld Treasury. De langlopende leningen van Avri bedragen circa € 3,5 miljoen, de bijbehorende rentelast is begroot op € 514.000 (een gemiddeld rentepercentage van 2%). Het renteomslag percentage is gebaseerd op de boekwaarde van de activa (€ 32,6 mln.) en bedraagt 2%.

Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de paragraaf Financiering Taakveld 0.9 Vennootschapsbelasting Vanaf 1 januari 2016 moeten overheidsbedrijven vennootschapsbelasting (vpb) afdragen over winstgevende activiteiten. Met deze wet wil de regering mogelijke concurrentieverstoringen tussen private en publieke ondernemingen uit de weg ruimen. De activiteiten die betrekking hebben op de inzameling en verwerking van bedrijfsafval zijn onderhevig aan deze nieuwe wetgeving en gaan daarom leiden tot betaling van vennootschapsbelasting. Ook de activiteiten in het pluspakket, waarbij geen verrekening met de gemeente is overeengekomen, vallen onder de Vpb-plicht. Avri treedt hier op als marktpartij. In de begroting van het pluspakket wordt tegen kostprijs gewerkt, waardoor er geen resultaat wordt verwacht (en er geen vpb wordt afgedragen). 7.5 Beleidsindicatoren Als gevolg van de vernieuwde verslaggeving regels (BBV) zijn verplicht in de programma verantwoording op te nemen beleidsindicatoren gedefinieerd. Voor Avri zijn de beleidsindicatoren “externe inhuur” en “overhead” (afgezet tegenover het begrotingstotaal) relevant. BELEIDSINDICATOREN Externe inhuur Overhead

Percentage kosten van totale loonsom Percentage overhead van totale lastenomvang

2021 6% 14%

2022 6% 14%

Tabel 10: Beleidsindicatoren programma algemene baten en lasten

30

PARAGRAFEN

31

8

LOKALE HEFFINGEN

8.1 Inleiding Gemeenschappelijke Regeling Avri is verantwoordelijk voor de afvalstoffenheffing van de acht deelnemende gemeenten. De gemeenschappelijke regeling Belasting Samenwerking Rivierenland (BSR) verzorgt voor GR Avri de belastingaanslagen en de inning daarvan. 8.2 Ontwikkeling van de gemiddelde tarieven afvalstoffenheffing De stijging van de gemiddelde tarieven per 2022 wordt als volgt verklaard.

Tabel 11: Ontwikkeling tarief afvalstoffenheffing 2021 Uit de tabel blijkt per 2022 een stijging van de gemiddelde afvalstoffenheffing met € 14 naar € 311, met name veroorzaakt door een toename van de uitvoeringskosten. De stijging bestaat voor € 9 uit niet-beïnvloedbare, autonome prijsstijgingen van gemiddeld 3% (o.a. CAO en markttarieven). We willen daarnaast onze inwoners tot dienst kunnen blijven door de bezetting voor de milieustraten en inzameling uit te breiden. Dit stelt ons in staat om te kunnen anticiperen op wijzigingen in het aanbod van afval- en grondstofstromen. Het nieuwe afvalbeleid zorgt structureel voor een toegenomen aantal bezoekers en aanbod van gescheiden afvalstromen. Om deze dienstverlening minder kwetsbaar te maken wordt voorgesteld de afvalstoffenheffing met € 3 te verhogen. Om invulling te geven aan de oproep van gemeenten om de communicatie naar inwoners te intensiveren, stellen we voor € 1 toe te voegen aan de begroting. Hiervoor willen we meer beeldende communicatie middelen ontwikkelen zoals filmpjes, infographics etc.. De overige budgetmutaties (per saldo € 1), betreffen diverse bijstellingen van onder andere verwerkingskosten en -opbrengsten door bijstelling van het aanbod door inwoners. Potentiële besparingen onderzoeken In tabel 11 zijn enkele PM posten vermeld.

Dit betreffen actuele ontwikkelingen die in de toekomst van invloed kunnen zijn op de hoogte van de tarieven afvalstoffenheffing. Eventuele gevolgen zijn op dit moment niet in de begroting (en tariefstelling) voor 2022 opgenomen. Gemeenten wordt zienswijze gevraagd om aan te geven welke pm posten nader zouden kunnen worden uitgewerkt om potentiële besparingen nader te onderzoeken. Uit het onderzoek naar de herinrichting van de milieustraten verwachten we geen besparingsmogelijkheden. Hiertoe wordt een afzonderlijk investeringsvoorstel aan het Algemeen Bestuur aangeboden.

32

In onderstaande tabel zijn diverse potentiële besparingen opgesomd, waarbij een aantal onderwerpen reeds in gang zijn gezet. In de tabel is een indicatie en bandbreedte weergegeven van de potentiële besparing.

1 en 2) De circulaire verwerking van incontinentiemateriaal ligt momenteel in de diverse gemeenteraden voor. Het is op dit moment onzeker welke gemeenten deelnemen (en wat het daadwerkelijke aanbod is) waardoor het financiële effect op de reductie van restafval onzeker is. Ook in het lopende proces over de alternatieve inzet van verenigingen is op dit moment onduidelijk wat het financiële effect is. 3) Gemeenten profiteren van BTW compensatie over de afvalstoffenheffing. Hoe hoger de afvalstoffenheffing, hoe groter het voordeel voor de gemeenten. Gemeenten kunnen indirect bijdragen door deze BTW opbrengst niet te verhogen in de gemeentelijke begroting. Wanneer de huidige opbrengsten voor de gemeenten (o.b.v. begroting 2021 Avri) op constant niveau blijft kan de afvalstoffenheffing met € 2 worden verlaagd. Wanneer de opbrengsten voor de gemeenten naar beneden wordt bijgesteld kan potentieel tot € 34 per huishouden worden bespaard. 4 en 5) Naast deze reeds in gang gezette onderwerpen zijn er mogelijkheden om inkomsten te vergroten door grondstoffen te beprijzen (bijv. PMD of tarieven bij de milieustraten) of door de dienstverlening te verminderen (bijv. inzamelfrequentie verlagen, openingstijden milieustraat inkorten).

Op basis van de zienswijzen van de gemeenten kunnen aanvullende voorstellen worden uitgewerkt die – via een begrotingswijziging – kunnen worden verwerkt in de tarieven voor 2022 of de begroting 2023. In onderstaande grafiek is de tariefontwikkeling van de afgelopen 10 jaar en komende jaren uiteengezet en afgezet tegen het landelijke gemiddelde (t/m 2021, bron: COELO). In meerjarig perspectief voor Nederland gaan we vanaf 2022 uit van een gemiddelde jaarlijkse stijging van de afvalstoffenheffing met 4% per jaar Ondanks deze stijging komt het tarief van Avri ook in 2022 niet boven de verwachte gemiddelde afvalstoffenheffing van Nederland uit. De tarieven voor 2022 liggen 13% hoger vergeleken met 2010.

Grafiek 6: Ontwikkeling afvalstoffenheffing 2010 - 2025

33

Uit de grafiek maken we op dat de gemiddelde tarieven 2022 nog altijd onder de landelijke gemiddelden liggen en 13% hoger vergeleken met 2010. In meerjarig perspectief verwachten we dat de tarieven zich meer gaan stabiliseren. Door investeringen in de gedragssturing verwachten we meer stabilisatie van het aanbod door inwoners. Daarnaast zijn grondstofvergoedingen de afgelopen jaren verder gedaald, waardoor de afvalstoffenheffing een steeds groter aandeel van de (meer beïnvloedbare en constantere) uitvoeringskosten dekt. In meerjarig perspectief voor Nederland gaan we vanaf 2021 uit van een gemiddelde jaarlijkse stijging van de afvalstoffenheffing met gemiddeld 5% per jaar. De afgelopen jaren lag de landelijke stijging van de afvalstoffenheffing gemiddeld op 8% (bron; Coelo). In de meerjarenbegroting van Avri verwachten we dat de tarieven zich meer gaan stabiliseren. Door investeringen in het nog beter scheiden van afval door inwoners, verwachten we meer stabilisatie van het aanbod door inwoners. Daarnaast zijn grondstofvergoedingen de afgelopen jaren verder gedaald, waardoor de afvalstoffenheffing een steeds groter aandeel van de (meer beïnvloedbare en constantere) uitvoeringskosten dekt. Via het programma GRIP werken we ook binnen de bedrijfsvoering aan het realiseren van meer prijsstabiliteit.

8.3

Uitgangspunten bij tarieven afvalstoffenheffing

Ontwikkeling areaal; aantal huisaansluitingen Het aantal geregistreerde huisaansluitingen volgt de meerjarige ontwikkeling van het aantal huishoudens volgens de meest recente cijfers van Belastingsamenwerking Rivierenland. Hierin wordt uitgegaan van een autonome groei van het aantal huisaansluitingen met 0,8% per jaar. Vanwege de economische omstandigheden wordt daarnaast een groei van het aantal kwijtscheldingen verwacht van 0,2% per jaar (zie par. 8.2.2). Per saldo groeit het aantal betalende huishoudens met circa 500 aansluitingen per jaar. Gemiddeld aantal aanbiedingen restafval De aanbiedingen restafval zijn gebaseerd op ervaringscijfers van huidige afvalbeleid. De aanbiedgemiddelden liggen lager dan bij de invoering werd verwacht. We hebben nog steeds te maken met huishoudens waarbij geen aanbod van restafval is geregistreerd (zgn. ‘0 aanbieders’). Deze inwoners bieden het restafval op alternatieve wijze aan om betaling te voorkomen. Ook zien we dat de kg aanbod in een 30 liter zak gemiddeld geen 4 maar 5 kg is (soortelijk gewicht). Dit betekent dat er verhoudingsgewijs meer afval moet worden verwerkt per aanbieding. Ook het verschil in aanbod bij hoogbouw t.o.v. laagbouw is groot en te verklaren doordat bij hoogbouw GFT niet apart gescheiden kan worden. In de begroting 2021 zijn de aanbiedgemiddelden hierop bijgesteld. Deze worden in de begroting 2022 gehandhaafd.

De realisatiecijfers 2020 geven een enigszins vertekend beeld gelet op de Corona pandemie.

34

BATEN EN TARIEVEN AFVALSTOFFENHEFFING Aantal huishoudens Geregistreerde huishoudens Kwijtschelding Vernietiging, ontheffing etc. Betalende huishoudens % b etalende huishoudens

2020

2021

2022

2023

2024

2025

98.870 -7.232 91.638 92,7%

99.979 -4.699 -2.999 92.281 92,3%

101.133 -4.753 -3.034 93.346 92,3%

101.942 -4.995 -3.058 93.889 92,1%

102.758 -5.241 -3.083 94.434 91,9%

103.580 -5.490 -3.107 94.983 91,7%

37,4 21,6

38,0 19,0

38,0 19,0

38,0 19,0

38,0 19,0

38,0 19,0

5,6 7,2

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

5,4 6,4

Tarieven Basistarief Toeslag basistarief per extra mini container restafval

€ 211 € 50

€ 270 € 50

€ 284 € 50

€ 293 € 50

€ 301 € 50

€ 315 € 50

Variabel tarief: aanbieding 30 ltr.(hoogbouw) Variabel tarief: aanbieding 30 ltr. (laagbouw)

€ 0,96 € 1,20

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

€ 0,80 € 1,00

Variabel tarief: aanbieding 140 ltr. (mini container) Variabel tarief: aanbieding 240 ltr. (mini container)

€ 5,60 € 9,60

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

€ 4,67 € 8,00

Baten afvalstoffenheffing (x € 1.000) Bruto baten afvalstoffenheffing Kwijtschelding Netto baten afvalstoffenheffing

23.633 -996 22.637

28.701 -1.318 27.383

30.420 -1.400 29.020

31.513 -1.513 30.000

32.613 -1.630 30.983

34.283 -1.783 32.500

Kostendekkendheid tarief afvalstoffenheffing (x € 1.000) Netto baten afvalstoffenheffing 22.637 Kosten van het basispakket 24.287 Kostendekkendheid tarief afvalstoffenheffing nvt*

27.383 27.383 100%

29.020 29.020 100%

30.000 30.000 100%

30.983 30.984 100%

32.500 32.501 100%

€ 265

€ 297

€ 311

€ 320

€ 328

€ 342

Gemiddeld aantal aanbiedingen restafval 30 ltr. (brengvoorziening) hoogbouw en stadscentra 30 ltr. (brengvoorziening) 60 ltr. (brengvoorziening) 140 ltr. (mini container) 240 ltr. (mini container)

Gemiddeld tarief afvalstoffenheffing per huishouden

*) de wettelijke bepaling van kostendekkendheid van het tarief afvalstoffenheffing geldt uitsluitend op begrotingsbasis.

Tabel 12: Baten afvalstoffenheffing t/m 2025

8.4

Inrichting basistarief en variabele tarieven

Het gemiddelde, kostendekkende tarief afvalstoffenheffing bedraagt € 311 per huishouden. De afvalstoffenheffing bestaat sinds 2014 uit een basistarief en variabele tarieven (tarief per aanbieding restafval van de diverse aanbiedvolumes). Het variabele tarief betalen inwoners bij elke keer dat het restafval wordt aangeboden, het basistarief één keer per jaar samen met de andere lokale belastingen. In voorliggende begroting gaan we uit van gelijkblijvende variabele tarieven van € 1,00 per 30 liter aanbieding (overige aanbiedvolumes naar rato) ten opzichte van 2021. Dit betekent dat de gemiddelde kostenstijging per 2022 wordt gedekt door een stijging van het basistarief. Deze komt voor 2022 op € 284 per huishouden (basistarief 2021; € 270 per huishouden). De verhouding van het basisdeel en variabele deel komt hiermee op 91%-9%. Dit betekent dat gemiddeld 9% van de afvalstoffenheffing beïnvloedbaar is door het scheidingsgedrag van huishoudens. Uitgangspunt in de begroting is een aanbod restafval van gemiddeld 60kg. restafval per inwoner. Door de variabele tarieven te handhaven streven we naar verdere prijsstabiliteit voor de inwoners. De hoogte van de variabele tarieven zijn dekkend voor de variabele kosten voor de inzameling en verwerking van het restafval. Dit betekent dat hiermee geen prijsrisico wordt gelopen wanneer het daadwerkelijke aanbiedgedrag afwijkt van de begroting.

Door handhaving van de variabele tarieven worden tevens de financiële risico’s niet vergroot. Dit is wenselijk doordat Avri onvoldoende beschikt over financiële weerstand.

35

Het handhaven van de variabele tarieven voor restafval betekent dat de prijsprikkel voor inwoners niet wordt vergroot. Dit zou een toenemend risico geven op vervuiling van grondstoffen. De komende jaren zetten we in op de kwaliteit van ingezamelde grondstoffen (en niet primair op verdere reductie van de hoeveelheid restafval), waarmee we de maatschappelijke kosten van vervuiling en afvaltoerisme – vertaald in de afvalstoffenheffing – willen terugdringen. De tarieven worden definitief vastgesteld bij de verordening afvalstoffenheffing 2022 in december 2021. In bijlage 4 zijn een tweetal alternatieve scenario’s opgenomen voor de inrichting van de variabele tarieven. 8.5

Opslagen op basistarief

Gemeenten kunnen ervoor kiezen opslagen te hanteren op het basistarief van de afvalstoffenheffing. Hiervoor kan -binnen de wettelijke kaders- gebruik worden gemaakt voor dekking van kosten die verband houden met de diensten voor inzameling en verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. Deze diensten maken geen onderdeel uit van het uniforme basispakket van Avri. Verwijderen zwerfafval Een aantal regiogemeenten hanteert een opslag op het basistarief van de afvalstoffenheffing ter dekking van de kosten voor het verwijderen van zwerfafval dat ontstaat tijdens de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Avri maakt geen kosten voor het verwijderen van zwerfafval en deze opbrengsten maken derhalve geen onderdeel uit van de begroting van Avri. De opbrengsten worden door Avri ontvangen van BSR en jaarlijks aan de betreffende gemeenten doorbetaald. Het opslagtarief wordt jaarlijks door de gemeenten bepaald en is opgenomen in de tarieventabel behorende bij de afvalstoffenheffing verordening. Extra GFT inzameling De gemeenten West Betuwe en West Maas en Waal maken gebruik van de extra inzamelrondes voor GFT afval in de zomermaanden. Deze activiteit uit het programma Pluspakket wordt gefinancierd door de huishoudens uit deze gemeenten middels een opslag op het basistarief van de afvalstoffenheffing. De baten en lasten worden verantwoord in het programma pluspakket.

De kostprijs per huishouden stijgt per 2022 van € 7,40 naar € 7.53 per huishouden. De stijging is beperkt gebleven tot 2% doordat de areaaluitbreiding tegen lagere kosten deels in bestaande routes ingepast konden worden. Gescheiden inzameling incontinentie materiaal Gemeenten kunnen ervoor kiezen de kosten van gescheiden inzameling van incontinentiemateriaal via een opslag in de tarieven afvalstoffenheffing te dekken. In de begroting 2022 van Avri is nog geen rekening gehouden met de gescheiden inzameling van incontinentie materiaal. 8.6

Kostendekkendheid tarieven afvalstoffenheffing

Conform wet- en regelgeving is het uitgangspunt dat de gemiddelde tarieven voor de dienstverlening in het programma Basispakket op begrotingsbasis niet meer dan 100% kostendekkend zijn. In onderstaande tabel is de kostendekkendheid gepresenteerd. Hieruit blijkt dat de tarieven niet meer dan 100% kostendekkend zijn. KOSTENDEKKENDHEID AFVALSTOFFENHEFFING Lasten taakveld 7.3 Afval Inkomsten taakveld 7.3 Afval Mutatie voorzieningen Basispakket Netto kosten taakveld 7.3 Afval

2021 22.138 -3.440 1.250 19.948

2022 23.318 -3.602 1.000 20.716

2023 24.104 -3.568 1.000 21.536

2024 24.839 -3.535 1.082 22.387

2025 26.042 -3.502 1.109 23.649

Overhead BTW Kwijtscheldingen Totale kosten Basispakket

4.205 3.254 1.318 28.725

4.852 3.452 1.400 30.420

4.896 3.568 1.513 31.513

4.994 3.685 1.630 32.696

5.094 3.866 1.783 34.392

Baten afvalstoffenheffing

28.701

30.420

31.513

32.613

34.283

100%

100%

100%

100%

100%

Kostendekkendheid

Tabel 13: Kostendekkendheid afvalstoffenheffing

36

8.7

Opslag BTW compensatie

Gemeenten maken gebruik van de mogelijkheid om de btw (21%), die Avri in rekening brengt bij de gemeenten, te compenseren bij het BTW compensatiefonds. Hiervoor past Avri een opslag toe van 13,5% van de kosten van het basispakket. Deze 13,5% opslag leidt (na verrekening met het BTW compensatiefonds) tot een voordeel voor de gemeenten. Een stijging van de kosten van het basispakket leidt daardoor ook tot een stijging van dit voordeel. Gemeenten kunnen daarmee indirect bijdragen door het voordeel niet te verhogen in de gemeentelijke begroting. Wanneer de huidige opbrengsten voor de gemeenten (o.b.v. begroting 2021 Avri) op constant niveau blijft kan de afvalstoffenheffing met € 2 worden verlaagd. De compensabele btw mag volledig als kosten worden doorberekend aan de burgers via de afvalstoffenheffing. Elk percentage tussen 0% en 21% kan worden gehanteerd. Een hoger percentage dan het huidig opslagpercentage van 13,5% resulteert in een voordeel voor de gemeente ten koste van de afvalstoffenheffing. Een lager percentage levert een lagere afvalstoffenheffing op voor de burger maar ook een lagere opbrengst in de gemeentebegroting. De hoogte van de afvalstoffenheffing is dus beïnvloedbaar door deze opslag.

8.8

Kwijtscheldingen

Het Algemeen Bestuur van GR Regio Rivierenland heeft in haar vergadering van 12 december 2012 de kwijtscheldingsregeling 2012 (met terugwerkende kracht) vastgesteld waarin; • De kosten van bestaan worden gesteld op 100% van de normuitkering als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; • Is bepaald dat ten aanzien van pensioengerechtigde personen niet de bijstandsnorm, maar de AOW-norm wordt gehanteerd; • Is bepaald dat kwijtschelding voor ondernemers (voor zover het heffingen in de privésfeer betreffen) mogelijk is; • Is bepaald dat bij de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding mede rekening wordt gehouden met de kosten van kinderopvang. Naast voornoemde algemene beleidsregels is in artikel 9 van de afvalstoffenheffing verordening 2020 de onderstaande bepaling voor kwijtschelding van de afvalstoffenheffing van kracht. Deze uitgangspunten zijn vastgesteld in het AB van december 2019 en zijn verwerkt in de begroting 2021. Bij de invordering van de afvalstoffenheffing komt het vaste tarief van de afvalstoffenheffing zoals bepaald in hoofdstuk 1 van de tarieventabel voor kwijtschelding in aanmerking. Voor de tarieven zoals vastgelegd in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, kan kwijtschelding worden aangevraagd voor maximaal een bedrag van € 42,- per belastingjaar.

37

9

WEERSTANDSVERMOGEN EN RISICOBEHEERSING

De paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing biedt inzicht in het risicomanagement binnen GR Avri. Het beschrijft op welke wijze risicomanagement als vast proces binnen de bedrijfsvoering wordt toegepast en verankerd en geeft inzicht in het risicoprofiel van Avri en de bijbehorende uitgangspunten rondom weerstandscapaciteit en -ratio. 9.1 Beleidskader: Nota Risicomanagement en weerstandsvermogen Avri 2017 Het Algemeen Bestuur heeft in februari 2017 de Nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen 2017 vastgesteld. De nota biedt inzicht in het risicomanagement en risicoprofiel van Avri en de bijbehorende weerstandscapaciteit en -ratio. De weerstandscapaciteit is verder uitgewerkt in de Nota Reserves en Voorzieningen 2017 van Avri. 9.2 Actualisatie risicoprofiel De geactualiseerde risico’s vormen het uitgangspunt voor de risicoparagraaf. De risico’s zijn weergegeven in onderstaande tabel. Avri zal een beroep moeten doen op haar weerstandscapaciteit op het moment dat deze risico's zich daadwerkelijk voor gaan doen. Indien Avri niet over voldoende middelen beschikt om al haar verplichtingen jegens derden te voldoen dragen de betrokken gemeenten samen het ontbrekende bedrag bij (art. 2 Bijdrageverordening 2016). Gewijzigde risico's of nieuw toegevoegde risico's worden toegelicht. ONTWIKKELING FINANCIELE RISICO'S

Jaarrekening 2020

Begroting 2022

Verschil

( * €1.000)

Basispakket 1 Verkoop gebulkt materiaal 2 Prijsontwikkeling op de afvalmarkt 4 Faillissement van verwerkers 5 Betaling afvalstoffenheffing 6 Onzeker doelvermogen voor nazorg stortplaats 8 Data Registratie GSL 10 Chemische vervuiling of grondwatervervuiling 11 Avri Realisatie B.V. en Solar B.V. 12 Inzet medewerkers Afvalbeheer 14 Onzekerheid scheidingsgedrag huishoudens 17 Vervuiling van aangeboden grondstoffen 19 Vergoeding kunststof verpakkingen 20 Onregelmatigheidstoeslag 21 Brand bij verwerker kunststoffen 22 Corona effecten 23 Geschil met verwerker PMD's Totaal Basispakket Pluspakket 13 Risico's uitvoering pluspakket activiteiten Totaal Pluspakket Bedrijfsafval 2 Prijsontwikkeling op de afvalmarkt 4 Faillissement van verwerkers 12 Inzet medewerkers Afvalbeheer Totaal Bedrijfsafval Bedrijfsvoering 1 Gekwantificeerde risico's (10% taakveld 0.4) Totaal Bedrijfsvoering Totaal alle programma's

29 242 266 120 4.900 15 140 29 283 500 550 500 950 pm pm 430 8.952

29 242 266 120 4.900 15 140 29 283 250 275 0 0 0 pm 430 6.977

0 0 0 0 0 0 0 0 0 -250 -275 -500 -950 0 0 0 -1.975

75

75

0

75

75

0

37 14 17 68

37 14 17 68

0 0 0 0

604

604

0

604

604

0

9.699

7.724

-1.975

Tabel 14: Ontwikkeling financiële risico's Avri

38

De ontwikkeling van de financiële risico’s (tabel 14) geven een indicatie wat de eventuele financiële gevolgen voor Avri zijn als een risico daadwerkelijk optreedt. De inschatting van het financiële risico geldt voor het begrotingsjaar 2022. 9.3

Toelichting grootste en gewijzigde risico’s

6 - Onzeker doelvermogen voor nazorg stortplaats De provincie en Avri hebben in december 2020 een bestuurlijk akkoord gesloten voor uitstel van de overdracht van de stortplaats van Avri. Dit akkoord heeft als doel om de korte termijn effecten voor de gemeenten te verminderen die waren ontstaan door het besluit van Provinciale Staten om de rekenrente te verlagen (oktober 2020). Kernpunt in dit bestuursakkoord is de uitstel van het moment van overdracht voor onbepaalde tijd; in 2031 besluit provincie na overleg met de Avri-gemeenten over het overdrachtsmoment . Tot dat moment zijn alle risico’s (zowel technisch als financieel) voor rekening van Avri. Tevens is afgesproken om jaarlijks overleg te voeren over de nazorg (technisch en juridische aspecten), bestuurlijk en financieel. Het geeft partijen de tijd voor implementatie van maatregelen die een efficiënte nazorg waarborgen en voldoende financiële middelen hiervoor op te bouwen. Het stelt de gemeenten in staat tijdig te anticiperen op de ontwikkelingen en invloed uit te oefenen op de besluitvorming hieromtrent. Er dienen voldoende financiële middelen beschikbaar te zijn bij overdracht. Verschillende uitgangspunten en parameters voor de bepaling van dit doelvermogen zijn onzeker in de tijd gezien. Daardoor blijft het risico bestaan dat er te weinig doelvermogen is opgebouwd op de nog nader te bepalen overdrachtsdatum.

Daarentegen kunnen ook positieve ontwikkelingen (zoals bijvoorbeeld een langere vervangingstermijn van toegepaste materialen of hogere gerealiseerde beleggingsrendementen van het nazorgfonds) de komende jaren van invloed zijn op het benodigde, op te bouwen vermogen. De stortplaats wordt al meerdere jaren intensief gemonitord en onderhouden. De technische risico’s (o.a. ongelijke ‘zetting’, percolaatvorming) beschouwen we daarom als beheersbaar, waarbij opgemerkt wordt dat toekomstige (wettelijke) ontwikkelingen altijd van invloed kunnen zijn op de nazorgkosten. Avri loopt meerdere financiële risico’s bij de opbouw van het toekomstig doelvermogen. Deze risico’s zijn niet beïnvloedbaar omdat de provincie autonoom bevoegd is te besluiten over de uitgangspunten (waaronder het overdrachtsmoment dat na overleg met de Avri-gemeenten wordt bepaald). In het risicoprofiel gaan we er vanuit om voldoende middelen te hebben opgebouwd voor directe overdracht na besluitvorming in 2031. Rekening houdend met de reële doorlooptijd van het (deels juridisch) sluitingsproces en contractuele afspraken gaan we voor de inschatting van de risico’s uit van (eerdere) overdracht per 2034 (voor de opbouw van het doelvermogen gaan we uit van overdracht per 2044).

Hierbij zal er naar verwachting voor het beslismoment in 2031 (tenminste) door het nazorgfonds nog een studie worden uitgevoerd voor actualisatie van de rekenrente, welke de meeste invloed heeft op het doelvermogen. Op dit moment is – ook voor de nazorgorganisatie - onzeker of de rente stijgt of daalt, hoe de beleggingsmix zich gaat ontwikkelen en welk effect deze wijzigingen vervolgens hebben (zowel positief als negatief). Op basis van de gehanteerde uitgangspunten wordt € 10,6 mln. doelvermogen opgebouwd per 2044. Bij deze geleidelijke opbouw is er per 2034 een bedrag van € 7,7 mln. beschikbaar. Voor de bepaling van de financiële risico’s zijn met het landelijke rekenmodel Rinas (voor berekening van het doelvermogen) meerdere scenario’s berekend. De scenario’s gaan er vanuit dat één of meerdere uitgangspunten afwijken van de huidig ingenomen standpunten (zie onderbouwing voorziening stortplaats, pag. 63) door Avri en eventuele overdracht per 2034; Bij een tussentijdse verlaging van de rekenrente naar bijvoorbeeld 2,5% neemt het effect bij overdracht in 2034 toe tot naar schatting ca. € 30 mln. Uitgaande van alle provinciale uitgangspunten zou een verlaging van de rekenrente naar 2,5% zelfs een effect kunnen hebben tot maximaal € 40 mln. De kans dat de rente bij de volgende studie wordt verlaagd en in welke mate is op dit moment niet duidelijk.

In het bestuursakkoord is afgesproken om jaarlijks de ontwikkelingen en verwachtingen voor de komende jaren te bespreken. Dit stelt de gemeenten in staat om samen met de provincie te anticiperen op deze ontwikkelingen. De kans dat de genoemde uiterste effecten zich gaan voordoen wordt derhalve op dit moment als zeer klein ingeschat. Er zijn de komende jaren ook ontwikkelingen mogelijk die een positief effect kunnen hebben op het doelvermogen. Voorbeelden zijn lagere nazorgkosten door technische ontwikkelingen, hogere beleggingsrendementen van de provincie of een hogere rekenrente.

39

Rekening houdend met de diverse risico scenario’s en de actuele inschatting van de kans dat deze zich voordoen, bedraagt het gekwantificeerd risico in de begroting 2022 (maart 2021) € 4,9 mln. op basis van de toe te passen kans x effect methode.

14 - Onzekerheid scheidingsgedrag huishoudens; risico afgenomen Het variabele deel van de afvalstoffenheffing is verder verkleind doordat de variabele tarieven zijn verlaagd en rekening wordt gehouden met een lager aantal aanbiedingen restafval. In de jaarstukken 2020 is het risico gehandhaafd. Dit als gevolg van het extra aanbod van afval door de corona crisis en inherent scheidingsgedrag. Desondanks beschikken we op dit moment over 1,5 jaar ervaringscijfers die – vanwege de opstartperikelen in de zomer 2019 en de coronacrisis in 2020 – nog niet geheel representatief kunnen zijn. Ook wordt vanaf 2021 fors ingezet om communicatie en voorlichting. In de meerjarenbegroting 2022 – 2025 wordt het risico steeds verder verlaagd. 17 - Vervuiling van aangeboden grondstoffen; risico afgenomen Het behoud van kwaliteit van schone grondstofstromen is – na invoering van het nieuwe afvalbeleid - een speerpunt de komende jaren. We investeren in deze begroting in gedragssturing om het scheidingsgedrag van inwoners verder te verbeteren. Daarnaast verlagen we de variabele tarieven waardoor de prikkel om grondstoffen te vervuilen wordt verkleind. 19 - Vergoeding kunststof verpakkingen; risico vervallen Gemeenten worden, in het kader van de producentverantwoordelijkheid voor verpakkingen, vergoed voor het inzamelen, sorteren en vermarkten van kunststof verpakkingen en drankenkartons.

Deze vergoedingen van vorige boekjaren zijn nog niet definitief vastgesteld door de raamovereenkomstpartijen, we verwachten in 2021 tot afwikkeling te komen. Daarmee is dit risico in de begroting vanaf 2022 vervallen. 20 – ORT; risico vervallen De onregelmatigheidstoeslag is een wettelijke toeslag op het salaris en wordt – in bepaalde gevallen - toegepast wanneer op specifieke werktijden wordt gewerkt. Er is onduidelijkheid over de toepassing van de onregelmatigheidstoeslag voor het uitvoerend personeel. Dit risico is in het verleden ontstaan en we willen – vanuit goed werkgeverschap – zo snel mogelijk duidelijkheid aan het personeel geven. Bij het opstellen van de begroting 2022 is de verwachting dat het risico in 2021 is opgelost.

40

Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de gekwantificeerde risico's af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. In de nota risicomanagement wordt de uitkomst gewaardeerd volgens onderstaande waarderingstabel: RATIO WEERSTANDSVERMOGEN Groter dan 2,0 Tussen 1,4 en 2,0 Tussen 1,0 en 1,4 Tussen 0,8 en 1,0 Tussen 0,6 en 0,8 Kleiner dan 0,6

BETEKENIS Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende

Tabel 15: Waarderingstabel weerstandsvermogen De ratio van het weerstandsvermogen wordt bepaald door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen op de gekwantificeerde en geactualiseerde risico's. Het Algemeen Bestuur heeft de gewenste weerstandsnorm vastgesteld op 'voldoende'. Dit betekent dat de beschikbare weerstandscapaciteit factor 1,0 van de gekwantificeerde risico's moet zijn. ONTWIKKELING WEERSTANDSVERMOGEN

begroting 2022 5.483 6.977 0 2.076 0,0 0,3 Ruim onvoldoende Ruim onvoldoende

Jaarrekening 2020

Verschil

Basispakket

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

1.494 2.076 0,3

Pluspakket

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

75 75 84 75 1,1 1,0 voldoende Ruim onvoldoende

0 -9 -0,1

Bedrijfsafval

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

68 68 1,0 Uitstekend

68 177 2,6 uitstekend

0 109 1,6

Bedrijfsvoering

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

614 614 297 286 0,5 0,5 Ruim onvoldoende Ruim onvoldoende

0 -11 0,0

TOTAAL

Gekwantificeerde risico's Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen Betekenis

(A) (B) (B/A)

6.240 7.734 449 2.614 0,1 0,3 Ruim onvoldoende Ruim onvoldoende

1.494 2.165 0,3

Tabel 16: Ontwikkeling weerstandsvermogen Avri Weerstandsvermogen basispakket Omdat de aanvulling van de weerstandscapaciteit voor het basispakket een directe relatie heeft met de afvalstoffenheffing, is een meerjarige risico-inschatting gemaakt. De uitkomst is zichtbaar in onderstaande tabel, waaruit blijkt dat het weerstandsvermogen vanaf 2022 weer naar het gewenste niveau groeit. Hierbij wordt opgemerkt dan in de meerjarige ontwikkeling nog geen rekening is gehouden met de eventuele nadelige invloed van de CO2 heffing vanwege de vele onzekerheden die hierover zijn.

Tabel 17:Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen

41

In onderstaande grafiek is de ontwikkeling van het weerstandsvermogen gevisualiseerd. Hierin wordt inzichtelijk dat de weerstandscapaciteit de afgelopen jaren fors is teruggelopen. Deze is benut om de tarieven afvalstoffenheffing te verlagen (zie grafiek 6). Risico’s zijn op korte termijn niet volledig gedekt waardoor er een beroep op de gemeentelijke reserves moet worden gedaan wanneer tekorten zich daadwerkelijk voordoen. In meerjarig perspectief wordt jaarlijks weerstandscapaciteit opgebouwd door de opslag in de tarieven afvalstoffenheffing te handhaven. Dit uitgangspunt is verwerkt naar aanleiding van de zienswijzen van gemeenten bij de begroting 2021.

Grafiek 7: Meerjarige ontwikkeling weerstandsvermogen

42

In onderstaande grafiek is de ontwikkeling van het weerstandsvermogen weergegeven, uitgaande van het risico op directe overdracht van de stortplaats per 2034. Het totale risicoprofiel bestaat dan uit zowel het benodigde, aanvullend op te bouwen doelvermogen van € 12,2 mln. als de overige bedrijfsvoering risico’s. In de grafiek wordt duidelijk dat een jaarlijkse aanvulling van de weerstandscapaciteit nodig is om dit scenario te kunnen afdekken. Wanneer de huidige opslag in de tarieven afvalstoffenheffing (€ 12 per huishouden) wordt gehandhaafd t/m 2034 kunnen de risico’s worden gedekt.

Grafiek 8: Weerstandsvermogen o.b.v. scenario overdracht 2034 9.4 Kengetallen financiële positie Het BBV schrijft voor dat decentrale overheden door middel van kengetallen inzicht geven in hun financiële positie. Voor Avri zijn de kengetallen netto schuldquote, de solvabiliteitsratio en de structurele exploitatieruimte van belang. KENGETALLEN Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte

2020 68,9% 68,9% 1,2% -7,9%

2021 63,0% 63,0% 0,8% -7,1%

2022 60,4% 60,4% 0,9% -5,9%

2023 55,5% 55,5% 1,3% -1,7%

2024 44,6% 44,6% 1,5% -2,0%

2025 37,7% 37,7% 1,8% -2,0%

Tabel 18: Kengetallen financiële positie Netto schuldquote De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de totale exploitatiebaten. De relatief hoge schuldquote in 2019 en 2020 zijn een gevolg van hoge investeringen voor het in 2019 ingevoerd afvalbeleid. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen Avri heeft geen leningen verstrekt waardoor de kengetallen gelijk zijn aan de netto schuldquote. Solvabiliteitsratio Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan: het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Daarmee wordt inzicht gegeven in de mate waarin Avri in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Omdat het eigen vermogen beperkt is, is ook de solvabiliteit van Avri laag. Structurele exploitatieruimte De structurele exploitatieruimte is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte in de begroting aanwezig is om de huidige kosten te kunnen dragen. Doordat Avri jaarlijks een volledig sluitende begroting opstelt, is de structurele exploitatieruimte nul.

43

10

FINANCIERING

10.1 Inleiding Het BBV schrijft een financieringsparagraaf voor waarin de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille staan. Het Treasurystatuut 2016 bevat nadere regels voor de uitoefening van de financieringsfunctie. 10.2 Externe ontwikkelingen De huidige rentetarieven van de BNG bedragen op moment van samenstelling van deze begroting (maart 2021) rond de 0,7% voor een 10-jaars lineair af te lossen lening. De nieuw aan te trekken leningen zijn tegen dit percentage in de begroting 2020 verwerkt. Financieringsportefeuille Avri De leningenportefeuille van Avri is als volgt opgebouwd: Financieringslasten begroting 2022 Geldlening Geldlening BNG 40.10.12.12 (2005) Geldlening BNG 40.10.85.83 (2013) Geldlening BNG 40.10.89.41 (2014) Geldlening BNG 40.110.118 (2015) Geldlening BNG 40.110.265 (2015) Geldlening BNG 40.110.308 (2015) Geldlening BNG 40.110.355 (2016) - Opstal Gem. Werf Tiel Geldlening BNG 40.110.356 (2016) - Grond Gem. Werf Tiel Geldlening BNG 40.112.541 (2019) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.112.895 (2019) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.113.548 (2020) - Nieuw Afvalbeleid Geldlening BNG 40.113.547 (2020) Financieringsbehoefte 2021 Financieringsbehoefte 2022 Financieringsbehoefte 2023 Totaal langlopende leningen Financieringsbijdrage gronden aan GR Regio Rivierenland Rentecompensatie GR Regio Rivierenland a.g.v.

verdeling geldleningen Totaal rentelasten Avri

oorspronkelijke Einde looptijd hoofdsom € 5.000.000,00 16-12-2020 € 4.200.000,00 1-10-2023 € 10.000.000,00 15-1-2024 € 5.000.000,00 1-10-2035 € 5.000.000,00 2-1-2036 € 5.000.000,00 2-1-2036 € 2.900.000,00 25-1-2041 € 1.400.000,00 25-1-2041 € 5.000.000,00 22-1-2044 € 4.400.000,00 23-1-2044 € 1.400.000,00 17-1-2045 € 3.600.000,00 17-1-2045 € 3.000.000,00 1-1-2039 € 3.000.000,00 1-1-2039 € 2.300.000,00 1-1-2032 € 61.200.000,00

1-1-2022

Aflossing

31-12-2022

€0 € 840.000 € 2.250.000 € 3.500.000 € 3.518.518 € 3.562.500 € 2.320.000 € 1.400.000 € 4.600.000 € 3.960.000 € 1.302.000 € 3.240.000 € 3.000.000 €0 €0 € 33.493.018

€0 € 420.000 € 1.000.000 € 250.000 € 246.914 € 250.000 € 116.000 €0 € 200.000 € 176.000 € 56.000 € 144.000 € 150.000 € 150.000 € 230.000 € 3.388.914

€0 € 420.000 € 1.250.000 € 3.250.000 € 3.271.605 € 3.312.500 € 2.204.000 € 1.400.000 € 4.400.000 € 3.784.000 € 1.246.000 € 3.096.000 € 2.850.000 € 3.000.000 €0 € 33.484.105

€ 33.493.018

€ 3.388.914

€ 33.484.105

Rente percentage Lineair 3,55% Lineair 2,21% Lineair 2,00% Lineair 1,60% Lineair 1,60% Lineair 1,60% Lineair 1,75% Fixe 2,13% Lineair 1,55% Lineair 1,55% Lineair 0,69% Lineair 0,69% Lineair 1,55% Lineair 1,55% Lineair 1,55%

Methode

Rentelasten 2022 €0 € 18.564 € 45.000 € 56.000 € 56.296 € 57.000 € 40.600 € 29.820 € 71.300 € 61.380 € 8.984 € 22.356 € 46.500 €0 €0 € 513.800 € 87.934 €0 € 601.734

*) Bij een fixe aflossingsmethode wordt tussentijds niet afgelost. Deze aflossingsmethode sluit het beste aan bij de waardering van de te financieren gronden, aangezien op gronden niet wordt afgeschreven.

Tabel 19: Financieringsportefeuille en rentelasten 10.3 Rentetoerekening In onderstaande tabel is het renteschema uit de 'notitie rente 2017' van de commissie BBV opgenomen. Hiermee wordt inzicht gegeven in de rentelasten van externe financiering, het renteresultaat en de wijze van toerekening. RENTETOEREKENING Externe rentelasten over de korte en lange financiering Externe rentebaten Saldo rentelasten en rentebaten

2022 601.734 601.734

Rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend Aan taakvelden toe te rekenen externe rente

-212.084 389.650

Rente over eigen vermogen Rente over voorzieningen Totaal geraamde aan taakvelden toe te rekenen rente

389.650

Aan taakvelden toe te rekenen rente (via rente-omslag) Renteresultaat op het taakveld Treasury

-389.650 -

Tabel 20:Schema rentetoerekening

44

10.4 Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet stelt dat de gemiddelde netto vlottende schuld van een gemeenschappelijke regeling in een bepaald kwartaal niet hoger mag zijn dan 8,2% van het begrotingstotaal (ca. € 46 miljoen). Dit betekent dat Avri op grond van de kasgeldlimiet ca. € 4,3 miljoen aan kort geld mag aantrekken. 10.5 Rente risiconorm De rente risiconorm bepaalt dat jaarlijks 20% van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan renteherziening en herfinanciering. Uit het hiervoor gepresenteerde overzicht van de lening portefeuille blijkt, bedraagt het totaal van de aflossingen jaarlijks ca. € 3,4 miljoen. Dit bedrag blijft ruimschoot onder de risiconorm die voor Avri ca. € 10 miljoen bedraagt. 10.6 Schatkistbankieren Schatkist bankieren houdt in dat (lokale) overheden de financiële middelen die zij (tijdelijk) niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden afromen naar de schatkist van het Rijk. Overschotten boven de € 275.000 worden automatisch overgeboekt naar de rekening van de schatkist.

45

11

BEDRIJFSVOERING

11.1 Inleiding De wereld blijft in hoog tempo veranderen en Avri verandert mee. Inwoners in Rivierenland die in toenemende mate betrokken willen worden en invloed willen hebben op het beleid van Avri en de uitvoering die daar bij hoort, de mondiale ontwikkelingen op de grondstoffenmarkt en scheidingsgedrag wat leidt tot druk op de tarieven, hogere doelen t.a.v. afvalscheiding, bestuurlijk wensen die toenemen, gemeenten die willen kiezen; het doet een ander appèl op de Avri organisatie. Avri leert van de ervaringen die met deze ontwikkelingen gepaard gaan en gebruikt deze om de zo de organisatie te ontwikkelen en te verbeteren. De ambities en ontwikkelingen op het gebied van circulariteit, duurzaamheid en inclusiviteit zijn veelomvattend. Tegelijkertijd is een wendbare, robuuste en voorspelbare bedrijfsvoering nodig, om te blijven voldoen aan de verwachtingen van gemeenten en inwoners. Het is niet meer voldoende om te doen wat we altijd deden. Er is behoefte aan een trendbreuk met het verleden. We gaan met gemeenten in gesprek over de kansen die er liggen om te veranderen. Avri heeft daarbij ook innovatieruimte nodig om het anders te kunnen doen dan we deden. We hernieuwen de strategische koers en stellen deze centraal in de verdere ontwikkeling van de organisatie.

De strategische koers richt zich op circulaire waarde creatie (door samen te werken met partijen die werken aan circulariteit van grondstoffen), een efficiënte operatie (lage en voorspelbare uitvoeringslasten door een data gedreven aanpak), een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid in de regio (“van de regio, voor de regio”), de kwaliteit van de afvalstromen (investeren in communicatie die afvalscheiding door inwoners stimuleert) en organisatieontwikkeling (werken aan een toekomstgerichte organisatie door de strategie van de organisatie als intern kompas in denken en doen te verankeren). 11.2 Programma GRIP In 2021 is het programma GRIP van start gegaan. Doel van het programma is het realiseren van prijsstabiliteit en verbeteren van de voorspelbaarheid van de afvalstoffenheffing. Die bereiken we door enerzijds kostenreductie en kostenbeheersing, en anderzijds het vergroten van de opbrengst door het leveren van toegevoegde waarde aan producten en diensten. Er zijn drie lijnen in het programma die het programmadoel inhoud geven: Inwoners, Markt en Organisatie. In onderstaande figuur is het programma visueel weergegeven.

Door in de eigen bedrijfsvoering steeds meer data gestuurd te werken, wordt in 2022 nadere uitvoering gegeven aan het programma GRIP. De bedrijfsvoering wordt geoptimaliseerd en waar mogelijk kosten bespaard en door de invoering van de boordcomputers gaan we de inzameling nog meer optimaliseren. Ook de verdere ontwikkeling van de Avri app dient bij te dragen aan een meer voorspelbare bedrijfsvoering en verbetering van de communicatie

46

met inwoners. Ook werken we met GRIP aan het vergroten van de opbrengsten, door het leveren van toegevoegde waarde aan producten en diensten. Maar ook door het vergroten van onze invloed op de afvalketen, het verbeteren van het weerstandsvermogen en een robuuste, wendbare bedrijfsvoering. Avri blijft in 2022 de afzetmarkt verder verkennen, om meer stabiliteit te brengen in de kosten en opbrengsten van grondstofstromen. 11.3 Organisatieontwikkeling; robuuster en meer wendbaar De ervaringen die zijn opgedaan met de invoering van het omgekeerd inzamelen en actuele ontwikkelingen (zoals hierboven beschreven) hebben aangetoond dat we dienen te bouwen aan een toekomstgerichte organisatie. In 2020 is het MT Avri met het Dagelijks Bestuur, teamleiders en OR Avri gestart met een ontwikkelingstraject om de organisatie meer robuust en wendbaar te maken. In dit proces is specifiek gekeken welke betekenis de opgedane ervaringen in het project en actuele ontwikkelingen hebben voor de structuur en sturing van de organisatie. In dit proces is een nieuwe organisatiestructuur ontworpen. Met deze nieuwe structuur wordt de organisatie, met haar bedrijfsvoering, meer robuust en wendbaar. De invoering van de organisatiestructuur is geen eindpunt, maar een eerste stap in de verdere ontwikkeling van de organisatie.

De organisatie willen we niet alleen robuuster en wendbaarder maken met de vernieuwde structuur van de organisatie, maar ook met een hernieuwde strategische koers van de organisatie, die extern (dienstverlening naar gemeenten en haar inwoners) en intern (verdere organisatieontwikkeling) richting geeft, management (MT en teamleiders) die daarop stuurt en zich door een management development traject op ontwikkelt. De strategische koers vertalen we in strategische personeelsplanning om zo de Avri organisatie met haar mensen via formatiesturing, ontwikkeling en werving en selectie op het gewenste niveau te brengen en te houden. Daarbij hebben we aandacht voor de cultuur in de organisatie; we willen het goede van de huidige cultuur behouden (aandacht voor elkaar en elkaar helpen als de druk hoog is) en tegelijkertijd bewegen naar een meer zakelijke cultuur waarbij integrale verantwoordelijkheid, projectmatig werken en resultaatgerichtheid meer centraal komen te staan. De leidinggevenden (MT en teamleiders) spelen hier in een belangrijke rol. Door middel van onder meer een management development traject investeren we in de ontwikkeling van leidinggevenden waarbij de belangrijkste speerpunten van de strategische koers en de organisatieontwikkeling centraal zullen staan.

We gaan de bedrijfsvoering meer digitaliseren om de gewenste organisatieontwikkelingen in het primaire proces met data te ondersteunen en ons gelijktijdig goed te kunnen verantwoorden aan stakeholders. Een duurzame regio en een duurzame organisatie Het werken aan een duurzame regio vraagt om duurzaam inzetbare medewerkers; gezonde en vitale medewerkers die veilig en met bezieling aan het werk zijn. We hebben immers elke collega nodig. We zetten de komende jaren in op de volgende thema's: - Vitaliteit; we gaan door met acties om de vitaliteit in de organisatie te vergroten. We proberen hierbij vooral het eigenaarschap en initiatieven van medewerkers te stimuleren en te faciliteren. - Strategische personeelsplanning; om daarmee de uitdagingen in de arbeidsmarkt aan te kunnen gaan en medewerkers breder en duurzaam inzetbaar te maken. - Leren; we vinden het belangrijk dat medewerkers zich kunnen blijven ontwikkelen. We willen meer leren in en van de dagelijkse praktijk en zetten stevig in op scholing. En fouten maken mag: als we er maar wel van leren. - Veiligheid; als werkgever zorgen we voor goede fysieke arbeidsomstandigheden (veilig, gezond), voldoende opleidings- en ontwikkel mogelijkheden en stimuleren we goede sociale arbeidsomstandigheden, zoals een waarderende cultuur en een reële werkdruk.

Voorspelbaar en wendbaar We werken actief aan het vergroten van de wendbaarheid van de organisatie. Door verbinding met onze omgeving te maken, ontwikkelen we dienstverlening die aansluit bij de wensen en het gedrag van inwoners en bij de wensen van de gemeenten. We doen ons werk vanuit een helder omschreven dienstenpakket, met actieve en verbindende communicatie, een transparante bedrijfsvoering en verantwoording naar onze inwoners en gemeenten. Als robuuste en wendbare organisatie met een bijbehorende bedrijfsvoering geven we continu invulling aan de veranderende maatschappelijke behoeftes en steeds stringentere (afval)regelgeving. We willen ook van meerwaarde zijn, door meer maatwerk aan te bieden aan onze gemeenten en hun inwoners. Daarbij worden – naast een basispakket – specifieke diensten aan individuele gemeenten aangeboden. De verkenning hiertoe is intussen opgestart. Bij dit alles is voldoende financiële armslag nodig, om continuïteit in dienstverlening en prijsstelling te waarborgen. Ook bij sterk veranderende behoeftes en veranderende marktomstandigheden. We komen steeds meer in control.

47

Het weerstandsvermogen bij Avri is erop ingericht om de uitvoering van de begroting van Avri beter te beheersen en sterke fluctuaties (bijvoorbeeld in de afvalstoffenheffing) te voorkomen. De risico’s lopen terug door betere contractuele afspraken. Ook is er nu duidelijkheid over de overdracht van de stortplaats aan de provincie. We zoeken naar nog meer grip op de grondstofmarkt om te werken aan meer prijsstabiliteit. Voorbeelden zijn het vergroten van onze invloed op de keten (o.a. afzetmarkt) en het zoeken naar nieuwe product-marktcombinaties. Hierbij streven we naar regionale samenwerking met bedrijven en instanties in circulaire ketens. In onderstaande afbeelding zijn de mogelijkheden binnen de keten gevisualiseerd.

Afbeelding 1: Mogelijkheden vergroten grip op de keten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10241724/1