bijlage 2 beantwoording technische vragen DEF ruimtelijke onderbouwing t NL.IMRO.0297.Akkerstraat5-CO01
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Akkerstraat 5, Bruchem Gemeente Zaltbommel
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0297.Akkerstraat5-CO01
Datum:
1 juli 2021
Contactpersoon Buro SRO:
J. van Nuland & S. Koop
Kenmerk Buro SRO:
SR210072
Opdrachtgever:
Tekenburo van Ballegooij
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Aanleiding ................................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6
2 Beleidskader ............................................................................................................................................ 7 2.1 Rijksbeleid ........................................................................................................................................................... 7 2.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 10 2.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 13
3 Ruimtelijke inpassing ............................................................................................................................ 15 3.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................. 15 3.2 Uitgangspunten ................................................................................................................................................. 16 3.3 Beoogde situatie ............................................................................................................................................... 17
4 Haalbaarheid ......................................................................................................................................... 19 4.1 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 19 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 21 4.3 Wet natuurbescherming ................................................................................................................................... 24 4.4 Niet-gesprongen Explosieven ............................................................................................................................ 25 4.5 Water ................................................................................................................................................................ 26 4.6 Leidingen ........................................................................................................................................................... 27
5 Eindconclusie ........................................................................................................................................ 28 6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 29 6.1 Economisch ....................................................................................................................................................... 29
3
4
1 Aanleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie Akkerstraat 5 te Bruchem is eerder door de gemeente Zaltbommel een omgevingsvergunning afgegeven voor de bouw van een woning en een bijbehorend bouwwerk. Daarnaast is ook vergunningsvrij, tussen het hoofdgebouw en de vergunde vrijstaande bouwerken, een tussenlid gerealiseerd. Dit tussenlid is hoger gebouwd dan vergunningsvrij is toegestaan en daarmee dus zonder vergunning opgericht. Ook is het vrijstaande bijgebouw en het hoofdgebouw iets hoger gebouwd dan vergund. Voor de geconstateerde afwijkingen dient een nieuwe vergunning aangevraagd te worden. Hiervoor zullen de afwijkingen met het geldende bestemmingsplan ruimtelijk gemotiveerd moeten worden, zodat de geconstateerde afwijkingen alsnog vergund kunnen worden.
1.2 Ligging plangebied De locatie ligt aan de Akkerstraat 5 in Bruchem. Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie S, perceel 374 en heeft een omvang van ongeveer 15.390 m². De navolgende afbeelding toont de locatie van het plangebied.
Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van de omgeving (bron: Google Maps)
5
1.3 Geldend bestemmingsplan De ontwikkeling ligt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel'. Concreet valt de ontwikkeling binnen de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemmingen is voor wat betreft de bebouwing en het gebruik het volgende toegestaan. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, een aan huis verbonden beroep, hobbymatig agrarisch gebruik, en waterhuishoudkundige voorzieningen, Daarnaast zijn binnen deze betemming onder andere erven, tuinen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan.
Bestemmingsplan 'Buitengebied Zaltbommel', plangebied rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voorliggende ontwikkeling is in strijd met dit bestemmingsplan. Onderhavig ruimtelijke onderbouwing vormt een passend juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling.
6
2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van belang. Het initiatief heeft geen raakvlakken met één van de nationale belangen van de NOVI. Conclusie De NOVI is niet van toepassing. 2.1.2 Besluit ruimtelijke ordening Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten genomen waarmee dat mogelijk is. Het gaat hier om het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie afzonderlijke paragraaf) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Rijk stelt in het Bro de juridische kaders aan processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij overheden met als doel een goed systeem van ruimtelijke ordening. In artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro staat dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan drie opeenvolgende voorwaarden (ook wel 'treden' genoemd) moet voldoen.
Het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Planspecifiek De regels van het Bro hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkeling. Conclusie De Bro is niet van toepassing.
7
2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft het Rijk de juridische kaders die nodig zijn voor het beleidsmatig borgen van het ruimtelijk rijksbeleid. Het Rijk heeft het Barro vastgesteld op 22 augustus 2011. De meest recente wijziging heeft op 18 mei 2016 plaatsgevonden. Het Rijk heeft in het Barro opgenomen: 1. Project Mainportontwikkeling Rotterdam 2. Kustfundament 3. Grote Rivieren 4. Waddenzee en waddengebied 5. Defensie 6. Erfgoederen van uitzonderlijke waarde 7. Rijksvaarwegen 8. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen 9. Natuurnetwerk Nederland 10. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 11. IJsselmeergebied 12. Elektriciteitsvoorziening 13. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Voor de gemeente Zaltbommel is binnen het Barro het rijksbeleid voor Grote Rivieren van belang. Dit beleid is uiteengezet in de Beleidslijn Grote Rivieren. Deze Beleidslijn omvat het gehele kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid, vanuit rivierkundig en ruimtelijk oogpunt, van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. De Beleidslijn is van toepassing op onder andere het stroomgebied van de Waal. In de Beleidslijn wordt een onderscheid gemaakt in een stroomvoerend regime en een bergend regime.
Een stroomvoerend regime geldt voor delen van het rivierbed waar, op grond van rivierkundige overwegingen, specifiek omschreven riviergebonden activiteiten zijn toegestaan. Riviergebonden activiteiten zijn bijvoorbeeld waterstaatkundige werken, de uitbreiding van steenfabrieken en de realisatie van natuur. Niet-riviergebonden activiteiten zijn bijvoorbeeld woningbouwontwikkeling en de realisatie van niet-watergebonden bedrijventerreinen. Niet-riviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan. Uitzonderingen zijn alleen toegestaan in situaties waarin sprake is van een groot openbaar belang en de activiteit niet buiten het rivierbed gerealiseerd kan worden, een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijvigheid, functieverandering binnen bestaande bebouwing en per saldo meer ruimte voor de rivier. Binnen de gemeente Zaltbommel vallen het Munnikenland (inclusief Slot Loevestein) ten westen van de Nieuwe Dijk, de Waal en de uiterwaarden langs de Waal onder het stroomvoerend regime. Een bergend regime geldt voor delen van het rivierbed waar alle activiteiten zijn toegestaan als voldaan wordt aan de gestelde rivierkundige voorwaarden. De Afgedamde Maas inclusief uiterwaarden en het buitendijks gelegen deel van Eiland Nederhemert vallen onder het bergend regime. Ten westen van de kern Brakel is een ruimtelijke reservering opgenomen.
Deze reservering heeft als doel te zorgen dat op deze locatie in de toekomst rivierverruimende maatregelen mogelijk te maken. In dit gebied moeten nieuwe grootschalige en kapitaalintensieve ontwikkelingen afgestemd worden op de toekomstige rivierverruimingsmaatregelen. Het bestaand gebruik mag worden voortgezet. De reservering bij Brakel is bedoeld om de toekomst een dijk teruglegging mogelijk te maken.
8
Planspecifiek Gelet op de aard en omvang van het plangebied is het Barro niet specifiek van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en er zijn dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. Conclusie Het Barro is niet van toepassing.
9
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Provinciale Staten hebben op woensdag 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’. De kern van deze Omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland. Duurzaam Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:
•
Energietransitie: In 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat bereiken we door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel realiseren we 49% CO2 reductie in 2030.
• •
Klimaatadaptatie: In 2050 is Gelderland ingericht op het veranderde klimaat.
•
Biodiversiteit: Vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief. Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt.
Circulaire economie: In 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden.
Een krachtige economie De ‘oude’ economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker. De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging. Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad en in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig. Deze situatie is niet vanzelfsprekend. Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de economische kracht van de Gelderse regio’s. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:
•
Het uitnutten de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en dragen duurzaam bij.
•
Het positioneren Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben; Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten.
•
•
Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. En we zoeken actief naar interessante
10
transformaties, zoals bijvoorbeeld de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren in woningen. Blijvend verbonden Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto’s en deelauto’s. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomstvaste waarde voor Gelderland is. Systemen moeten meebewegen met nieuweontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:
•
Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit in Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit.
•
Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering. De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen. Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden.
•
Planspecifiek Het initiatief heeft geen betrekking op één van de provincile belangen die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. In de huidige situatie wonen al toegestaan ter plaatse van de planlocatie. Conclusie Gelet op de aard en omvang van het voorliggende initiatief is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland niet van belang.
11
2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Vanaf 19 december 2018 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. De regels in de Omgevingsverordening vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie. Ten opzichte van de Omgevingsvisie voorziet de Omgevingsverordening niet in nieuw beleid. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Planspecifiek De regels uit de Omgevingsverordening hebben geen betrekking op het initiatief. Formeel gezien maakt de planlocatie onderdeel uit van het buitengebied, maar qua gebruik en ligging maakt de woning onderdeel uit van de kern. Voor het verruimen van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en de bouwhoogte van het tussenlid zijn geen specifieke regels opgenomen. Conclusie Het initiatief is niet in strijd met de Omgevingsverordening.
12
2.3 Gemeentelijk beleid 2.3.1 Woonvisie Bommelerwaard 2016-2020 De gemeente Zaltbommel heeft samen met de gemeente Maasdriel de Woonvisie Bommelerwaard 20162020 opgesteld. De visie is op 14 juli 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In de visie zetten de gemeenten hun ambities uiteen uit op het gebied van wonen. De beide gemeenten willen samen met de woningcorporaties, partners en burgers werken aan:
• •
De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: hierbij gaat het om het behoud en versterken van de kwaliteit van de woningen. Duurzaamheid, flexibiliteit en diversiteit zijn hierbij belangrijk; Passende woningvoorraad: de gemeenten willen dat heel gericht woningen worden toegevoegd die passen bij de lokale vraag. Dit betekent maatwerk in de kernen en gefaseerde woningbouw zodat bijsturen mogelijk is;
•
Voldoende betaalbare woningen: er is vraag naar betaalbare woningen in de Bommelerwaard. Hier willen de gemeenten in voorzien met bijzondere aandacht voor starters en de lage- en middeninkomens;
•
Wonen, welzijn en zorg: uitgangspunt is het langer zelfstandig wonen van mensen met een ondersteuningsbehoefte. De geschiktheid van de woningen en woonomgeving, match tussen vraag en aanbod van wonen met zorg en de bereikbaarheid van voorzieningen zijn van groot belang. Dit vraagt om samenwerking tussen veel verschillende partijen. Kwaliteit van de woonomgeving: Uitgangspunt is de identiteit en de kracht van de dorpen en kernen zelf. De gemeenten faciliteren initiatieven vanuit de lokale gemeenschappen en bieden waar nodig professionele ondersteuning. Ontmoeten en verbinden zijn een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van de woonomgeving.
•
De ambities en woonthema’s zijn in het uitvoeringsprogramma vertaald in uitvoeringsacties. Planspecifiek Met het voorliggende initiaitief wordt enkel het tussenlid tussen de bestaande woning en het bijbehorende bouwwerk gelegaliseerd. Daarnaast wordt de totale oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk geformaliseerd. Conclusie Er worden geen nieuwe woningen gebouwd, waardoor de Woonvisie Bommelerwaard verder niet van toepassing is.
13
2.3.2 Landschapsplan Bommelerwaard De gemeente Zaltbommel heeft in 2004 het Landschapsplan Bommelerwaard vastgesteld. Het doel van het landschapsplan is 'het vastleggen van een beleidskader voor het behouden en versterken van bestaande landschaps-, natuur-, cultuurhistorische en recreatieve waarden en voor een goede inpassing van ruimtelijke en functionele ontwikkelingen, alsmede het initiëren van nieuwe initiatieven en maatregelen gericht op het versterken van de cultuurhistorische identiteit en de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteit van de Bommelerwaard. Het Landschapsplan onderscheidt in de Bommelerwaard drie landschappelijke hoofdeenheden, namelijk de rivieren met de uiterwaarden, de oeverwallen en de komgronden. De hoofdeenheden zijn onder te verdelen in deelgebieden. Voor elk deelgebied beschrijft het Landschapsplan de kenmerkende landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. Verder brengt het plan in beeld welke ontwikkelingen zich in het buitengebied voordoen (glastuinbouw, fruitteelt, landbouw, infrastructuur, water etc.) en tot welke knelpunten en kansen deze ontwikkelingen voor het landschap leiden.
Op het schaalniveau van de Bommelerwaard is het algemeen streven om de kernkwaliteiten te behouden, de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit te verstreken, nieuwe functies in te passen in het landschap en nieuwe landschappelijke structuren te ontwikkelen. Vanuit de landschappelijke hoofdstructuur formuleert het Landschapsplan specifieke beleidsuitgangspunten voor de rivieren en uiterwaarden, de oeverwallen en de komgebieden met als doel de gewenste ontwikkelingsrichting voor het landschap te beschrijven. Planspecifiek Het landschapsplan heeft wel betrekking op het initiaitef, omdat de planlocatie aan de rand van de kern Bruchem ligt. Conclusie Het initiatief heeft verder geen invloed op de karakteristieken van het landschap. In de huidige situatie is er al een woning aanwezig op de planlocatie. Deze woning sluit aan op de kern Bruchem. De kernkwaliteiten van het landschap blijven behouden. 2.3.3 Overig gemeentelijk beleid De gemeente Zaltbommel beschikt verder over het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2017-2021 (vastgesteld op 20 april 2017), de Visie Externe Veiligheid (vastgesteld op 28 november 2013) en de Geurverordening (vastgesteld op 14 januari 2010, wijziging 13 september 2012) en beleid arbeidsmigranten. Indien van toepassing wordt op deze beleidskaders nader ingegaan in toelichting hoofdstuk 4: Haalbaarheid.
14
3 Ruimtelijke inpassing 3.1 Bestaande situatie Karakteristiek kern Het initiatief ligt aan de rand van de kern Bruchem. Bruchem is ontstaan op een stroomrug van de Waal. De historische dorpskern heeft haar originele cultuurhistorische waardevolle karakteristiek weten te behouden. Het lineaire karakter van de belangrijkste ontsluitingswegen is nog duidelijk aanwezig en herkenbaar. Het historische deel bestaat uit de bebouwing rondom de belangrijkste wegen; de Dorpsstraat, Peperstraat, Molenstraat en Vreedstraat. De bebouwing aan de Dorpsstraat vormt het oudste deel van Bruchem. De verschillende planmatige uitbreidingen van Bruchem zijn beperkt en hebben zich geschikt naar de bestaande landschappelijke en dorpsstructuur. Vrijwel heel Bruchem heeft een groene uitstraling door de vrijstaande boerderijen en woningen op ruime percelen met veelal diepe voortuinen. De belangrijkste straat in het dorp is de Dorpsstraat. De laanbomen langs deze straat en de boerderij met boomgaard midden in het dorp versterken het groene karakter. Aan de uitvalswegen Peperstraat en Molenstraat zijn veelal grote boerderijen op woerden gebouwd wat karakteristiek is voor Bruchem. De woningen staan over het algemeen wisselend geordend op de kavel, niet allemaal op gelijke afstand van de weg en niet in dezelfde rooilijn.
De panden in het dorp hebben overwegend een individuele uitstraling en bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen. De bouwhoogte is sterk afwisselend en de bebouwing kent hoofdzakelijk een zadeldak, met of zonder wolfeinden, schilddak of mansardekap. Over het algemeen is er sprake van een baksteenarchitectuur en een eenvoudige agrarische vormgeving. Planlocatie De planlocatie ligt aan de Akkerstraat aan de zuidelijke rand van de kern Bruchem. Aan de Akkerstraat zijn ruimte vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen gesitueerd. Op de planlocatie is in de huidige situatie een vrijstaandewoning aanwezig. De woning staat op een ruime kavel en is ontsloten door middel van een inrit die aansluit op de akkerstraat. De navolgende afbeelding toont de akkerstraat met aan de linker zijde de woning in aanbouw.
De Akkerstraat, links woning in aanbouw (bron: Google Maps)
15
3.2 Uitgangspunten Het initiatief voldoet aan de volgende stedenbouwkundige en landschappelijke randvoorwaarden:
Randvoorwaarden Plaatsing
Hoofdmassa •
• • Massa en vorm
Afstand van de voorgevel tot de as van de weg 20 m Afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 17 m
Hoofdmassa
• • •
Maximaal inhoud: 869 m³ Maximale goothoogte: 4 m • Maximale bouwhoogte: 8,65 m
Bijmassa
• • • Uitstraling
Overig Landschap
Parkeren
Welstand
• • • • • • • •
Maximaal bebouwd oppervlak: 250,28 m² • Maximale goothoogte: 3,18 m • Maximale bouwhoogte: 8,65m
Gevelsteen: stucwerk kleur wit Trasraam: stucwerk kleur antaciet Kozijnen: hout schilderwerk kleur antraciet Ramen en deuren: houd schilderwerk kleur grijs Gootconstructie: hout schilderwerk wit Luiken: hout schilderwerk kleur antraciet Dakbedekking: gebakken pan kleur blauw/zwart engobe Balkonhekken: hardhoud schilderwerk kleur wit
n.v.t. Het voorliggende initiatief betreft een lagalisatie en formalisatie van een bestaande situatie. Met de bouw van de woning is voldoende rekening gehouden met de omgeving. De woning sluit goed aan op de Akkerstraat en het achterliggende landschap blijft haar karakteristieken behouden. Er dienen (per woning) minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Dit is exclusief garage en de parkeerplaatsen mogen niet achter elkaar gelegen zijn. Op het eigen terrein is voldoende ruimte voor om de parkeerbehoefte te realiseren. De welstandsnota dient bij ontwikkeling in acht te worden genomen (zie: http://www.welstandsnotas.nl/zaltbommel/)
16
3.3 Beoogde situatie De nieuwe bouwaanvraag ziet op het vergroten van de woning tot 869 m³. De goothoogte bedraagt 3,18 meter en de nokhoogte 8,15 meter. De goot- en nokhoogte zijn passend binnen het geldende planologische regime en daarmee vergunbaar. De maximale inhoudsmaat van de woning is niet vergunbaar op grond van het bestemmingsplan. De aanvraag ziet ook op het legaliseren van het ‘vergunningsvrij’ gerealiseerde tussenlid. De nieuwe aanvraag ziet op het toestaan van goot- en bouwhoogte van 3,18 meter en 5,77 meter. De goothoogte is passend binnen het bestemmingsplan. Het totale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, na vergunning, bedraag 224,79 m², zoals reeds eerder vergund en 25,49 m² zoals reeds ‘vergunningsvrij’ is gerealiseerd maar nog geformaliseerd moet worden. In totaal is er dan 250,28 m² aan bijbehorende bouwwerken op het perceel aanwezig. Artikel 26.4.3 van het geldende bestemmingsplan maakt het mogelijk, voor percelen waarvan de oppervlakte, meer dan 1.500 m² bedraagt, de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken te verruimen naar 250 m². Met deze ontheffing kan medewerking verleend worden aan dit deel van de vergunningsaanvraag. Het totale perceel (KWK02-S-374) kent een oppervlakte van 15.390 m². Onderbouwing Het straatbeeld aan de overzijde van de Akkerstraat bestaat uit volumineuze woningen.
De woning aan de Akkerstraat 5 sluit in zijn verschijningsvorm aan bij deze woningen. De onderstaande afbeelding illustreert dit. Qua volume is de beoogde 869 m³ ruimtelijk inpasbaar.
Straatbeeld aan de overzijde van de Akkerstraat 5 (bron: Google Maps)
17
De onderstaande afbeelding laat de woning aan de Akkerstraat 5 zien.
Woning aan de Akkerstaat 5 (bron: Tekenburo van Ballegooij)
De ruimere goot- en nokhoogte zoals deze zijn toegepast bij het hoofdgebouw en het aangebouwd bijbehorend bouwwerk bedragen circa 3,18 en 8,65 meter. In hoogte sluit dit aan bij de bouwhoogte zoals deze aan de overzijde zijn toegepast en planologisch maximaal mogelijk zijn (goot 4 meter en nok 10 meter). Ruimtelijk is er geen bezwaar tegen het vergunnen van de iets hogere goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw en de garage. Met het vergunningsplichtig worden van het tussenlid wordt de garage formeel juridisch een aanbouw in plaats van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk. Als gevolg van deze verandering wordt niet meer voldaan aan de maximale diepte en breedte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zoals opgenomen in het vigerende regime. In verschijningsvorm en aanzicht treedt er geen wezenlijke verandering op. Vanuit dit oogpunt is de bebouwing ruimtelijk en stedenbouwkundig goed inpasbaar en daarmee vergunbaar.
18
4 Haalbaarheid 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Archeologie Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Erfgoedwet moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Op 7 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een archeologische inventarisatie en archeologiebeleid met een bijbehorende kaart vastgesteld. Hierin zijn onder meer vrijstellingsgrenzen voor oppervlakten en diepten opgenomen.
Het gemeentelijk beleid is op 1 september 2011 in werking getreden. De reden voor het vaststellen van het beleid is het voorkomen van onnodig onderzoek en slechts voor de gebieden waar archeologische waarden te verwachten zijn, wel te besluiten tot nader onderzoek (en alleen als de ontwikkeling de beide vrijstellingsgrenzen overschrijdt). Het bovengenoemde beleid is vertaald in deze ruimtelijke onderbouwing. Op de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart zijn alle archeologische onderzoeken en vondstmeldingen verwerkt. Verder is deze kaart op bureauonderzoek gebaseerd. Met betrekking tot bodemkundige en geologische gegevens is gebleken dat voor de gemeente Zaltbommel de zanddieptekaarten van het Gelders Rivierengebied het beste uitgangsmateriaal vormden. De kaarten beslaan namelijk het gehele oppervlak van de gemeente en ze zijn gebaseerd op grootschalige veldonderzoeken die specifiek zijn gericht op het in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland is een verdere detaillering in de begrenzing van het onderzoeksgebied gemaakt. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gaat uit van een intact landschap met gave bodemprofielen. In werkelijkheid zijn grote delen van het gebied in meer of mindere mate verstoord door allerlei bodemtechnische ingrepen in het verleden. De
19
mate van deze verstoringen en het effect ervan op de archeologische resten in het gebied zijn globaal bekend. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart doet dan ook globaal uitspraken over de mate van bodemverstoring, maar doet geen uitspraken over de gaafheid van te verwachten archeologische resten. Als een initiatiefnemer kan aantonen dat het terrein diepgaand is verstoord, geldt voor het verstoorde deel geen onderzoeksverplichting. Planspecifiek Voor de planlocatie is de beleidszone 'waarde - archeologie 2' van toepassing. Voor deze beleidszone geldt een vrijstellingsgrens voor een diepte van 30 cm en een oppervlakte van 100 m². Onderzoek Met het voorliggende initiatief vinden er geen nieuwe bouw- en graafwerkzaamheden plaats. Het gaat enkel om het legaliseren en formaliseren van een bestaande situatie. De vrijstellingsgrenzen worden dan ook niet overschreden, waardoor een archeologische onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Vanuit het aspect archeologie bestaan er geen belemmeringen voor het initiatief die met deze ruimtelijke onderbouwing wordt mogelijk gemaakt.
4.1.2 Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn:
• • • • • • •
De aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; De wetering Capreton; De Nieuwe Hollandse Waterlinie; Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert-Zuid); Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren); Gemeentelijke en rijksmonumenten; Historische buitenplaatsen (Huis Brakel).
Planspecifiek In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie In toelichting paragraaf 3.2 worden de stedenbouwkundige uitgangspunten omschreven waarin onder meer staat hoe de cultuurhistorische kwaliteiten van de locatie worden meegenomen in het voorgenomen plan. Vanuit cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor het initiatief die met wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.
20
4.2 Milieu 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Planspecifiek Met het voorliggende initiatief wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Het betreft een bestaande woning. Hierdoor zullen de omliggende bedrijven niet gehinderd worden in de bedrijfsvoering. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmeringen voor het voorliggende initiaitef.
4.2.2 Geluid verkeer Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen:
• •
Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
•
Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).
Planspecifiek Met het initiatief wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw gerealiseerd. De woning aan de Akkerstraat 5 betreft een bestaande woning. Ondanks dat de woning binnen de onderzoekszone van de Peperstraat ligt, is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.2.3 Bodem Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op projectomgevingsvergunningsprocedures die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval voor de functie wonen.
21
Planspecifiek De situatie ter plaatse van het plangebied veranderd niet. De gronden zijn al voorzien van de bestemming 'Wonen'. Daarnaast wordt er geen nieuwe woning gebouwd, maar wordt de bestaande situatie gelegaliseerd en geformaliseerd. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiaitef. 4.2.4 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Planspecifiek Met het voorliggende initiatief worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. De situatie veranderd niet ten opzichte van de huidige situatie. Conclusie Het aspect externe veiligheid is niet van toepassing en vormt geen belemmeringen voor het voorgenomen initiaitef. 4.2.5 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten.
Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien:
• •
de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
• •
de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding).
22
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1. 2.
Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Planspecifiek Het initiatief maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Dit betekend dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief. 4.2.6 Besluit milieueffectrapportage Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld.
De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op:
• • •
De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van mogelijke gevolgen.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. 2.
Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn niet uitgesloten. Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.
M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Is er sprake van een stikstofdepositie? Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogelen Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Met het opstellen van een plan mogen de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de soortenhabitats niet verslechteren. Het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Indien dat niet kan worden uitgesloten, is een plan m.e.r.plichtig.
23
Planspecifiek De ruimtelijke onderbouwing maakt legalisatie en formalisatie van een bestaande situatie mogelijk. Deze ontwikkeling valt onder een activiteit opgenomen in bijlage II van het Besluit m.e.r. In deze bijlage zijn ook drempelwaarden opgenomen. De activiteit blijft qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden. Ook gelet op de ligging van het plangebied worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Om de milieugevolgen ten gevolge van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. Deze milieugevolgen zijn ook in samenhang met andere activiteiten in de omgeving bekeken (cumulatie). De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk. Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben.
4.3 Wet natuurbescherming Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Zaltbommel liggen de Natura 2000-gebieden 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en 'Uiterwaarden Waal'. Het natuurgebied Munnikenland en Loevestein dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' ligt in het westen van de gemeente Zaltbommel. Het Natura 2000-gebied 'Kil van Hurwenen', dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Waal' ligt in het oosten van de gemeente Zaltbommel en, voor het overgrote deel, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel. Voor Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van externe werking. Dat betekent dat ontwikkelingen buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen binnen de Natura 2000-gebieden.
Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt Soortbescherming Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende planten diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd.
24
Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Planspecifiek Het initiatief bevindt zich niet in of in de directe omgeving van een beschermd natuurgebied. Daarnaast vinden er geen nieuwe sloop en/of bouwactiviteiten plaats. Gesteld kan worden dat het initiatief geen (negatieve) invloed heeft op beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief.
4.4 Niet-gesprongen Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (19401945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.
Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven.
25
Planspecifiek Uit de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 blijkt dat het plangebied verdacht is voor wat betreft aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Zie hiervoor onder de uitsnede van de 'Explosievenkansenkaart Bommelerwaard'.
Globale ligging plangebied binnen de explosievenkaart (plangebied: rood omcirkeld, bron: gemeente Zaltbommel)
Op het moment dat een ontwikkeling valt binnen verdacht gebied voor wat betreft aanwezigheid van nietgesprongen explosieven adviseert de gemeente Zaltbommel in samenspraak te kijken of vervolgonderzoek nodig is. Met het voorliggende initiatief vinden er geen bodemwerkzaamheden plaats, waardoor het apect niet-gesprongen explosieven niet van belang is. Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmeringen.
4.5 Water Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in de ruimtelijke onderbouwing van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Onderzoek Onderstaand zijn de consequenties van de herontwikkeling vanuit het aspect water beschreven.
26
Verharding Voor plannen met meer dan 500 m² extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m² verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat particulieren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes een enkele woning, moeten compenseren geldt voor particulieren een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Met het voorliggende initiatief vindt er geen toename van het verhard oppervlak plaats. Voor dit gebied dient dus geen compensatie van verharding te worden aangelegd. Er is geen sprake van een wateropgaven. Watergangen en status watergangen Ten zuiden van de woning ligt een watergang uit de categorie C. Tijdens de bouw van de woning heeft er watercompensatie plaatsgevonden, waardoor er een aansluitend op deze watergang wateropervlak is toegevoegd. Het voorliggende initiatief heeft verder geen invloed op de watergang. Waterafvoer De afvoer van het hemelwater en het afvalwater blijft volgens de huidige situatie bestaan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het initiatief.
4.6 Leidingen Planspecifiek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante (beschermingszones van) leidingen zoals rioolpersleidingen of hoofdwatertransportleidingen gelegen. Er bevinden zich ook geen (beschermingszones van) hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied. Conclusie In het geldende bestemmingsplan zijn geen relevante leidingen met bijbehorende beschermingszones opgenomen. Hiermee vormt het aspect leidingen geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
27
5 Eindconclusie Uit de beleidsmatige beoordeling (hoofdstuk 2), de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing (hoofdstuk 3) en de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten (hoofdstuk 4) van het initiatief blijkt dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarom kan een omgevingsvergunning worden verleend op basis van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (projectafwijkingsbesluit).
28
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economisch De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. b. c. d. e.
f.
de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte.
Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Zaltbommel met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De ontwikkeling valt niet onder één van de onder a t/m f genoemde categorieën dus het was niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen dan wel een anterieure overeenkomst te sluiten.
29