Bijlage 2.2b Verkennend bodemonderzoek
Tekst van het document
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Verkennend bodemonderzoek Hendrikstraat ong. te Gameren (2108/140/NL, versie 0)
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Verkennend bodemonderzoek
in opdracht van Woonstichting De Kernen De heer P. Meeuwis Postbus 13 5320 AA HEDEL betreffende locatie Hendrikstraat ong. te Gameren documentkenmerk 2108/140/NL-01 versie 0 vestiging Prinsenbeek datum 17 december 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
M.D.H. (Maurice) Pals
E.G. (Ester) Legerstee &
Projectleider bodem
B.M. (Bram) Uittenbogaard Projectleider bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies. Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/bodem-disclaimer/
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Samenvatting In opdracht van Woonstichting De Kernen heeft Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Hendrikstraat ong. te Gameren. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) op de (deel)locaties die bij eerdere onderzoeken onderbelicht zijn gebleven en om te bepalen of sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkelingen. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende verdachte deellocaties onderscheiden: •
deellocatie A :
•
deellocatie B :
gedempte watergang (1x)
•
deellocatie C :
voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2)
•
deellocatie D :
voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2)
gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m2)
Zintuiglijk zijn heterogeen verdeeld over de locatie in de bovengrond bijmengingen met kolen en plaatselijk met glas en puin waargenomen. In de ondergrond ter plaatse van de voormalige watergang zijn matige en uiterste bijmengingen met slib aangetroffen. Tevens is in de ondergrond een zeer dunne laag puin (5 cm) aangetroffen ter plaatse van boring B02. Dit was te weinig om een indicatief asbestmonster van samen te stellen. Bij het verzamelen van een asbestmonster werden twee indicatieve boringen geplaatst langs boring B02. De dunne puinlaag werd hierbij niet teruggevonden. Derhalve is bepaald dat het om een zeer kleine en plaatselijke puinlaag gaat waardoor asbestonderzoek hiernaar niet zinvol wordt geacht. Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie (7.978 m2) Bij eerder onderzoek [4 t/m 6] is reeds vastgesteld dat de puinhoudende lagen geen verontreiniging met asbest bevatten (< 100 mg/kg d.s.). Derhalve heeft geen aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond heterogeen lichte verontreinigingen zijn aangetoond met OCB (gamma-HCH, DDE, DDD, en drins). De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor en komen overeen met de resultaten van voorgaand onderzoek.
De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie B: gedempte watergang Zintuiglijk werd tijdens uitvoeren in de slibhoudende laag een lichte oliegeur waargenomen. In het traject van 1,00 tot 1,05 m-mv van boring B02 werd een zeer plaatselijk puinlaag aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de slibhoudende laag lichte verontreinigingen zijn aangetoond met cadmium, koper, kwik, nikkel, zink en lood minerale olie. In het grondwater werden geen verontreinigingen aangetoond met de minerale olie en vluchtige aromaten).
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Voor de aangetoonde dunne puinlaag geldt dat deze afwijkt van de bijmengingen die bij eerdere onderzoeken zijn aangetoond. Echter omdat deze bij nader onderzoek niet meer is teruggevonden wordt aangenomen dat het om een “toevalstreffer’’ gaat. Deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond een lichte verontreiniging is aangetoond met lood. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond met barium en xylenen, er is geen gehalte aan fosfaat of stikstof gemeten. In het grondwater zijn geen OCB aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond lichte verontreinigingen zijn aangetoond met zink, minerale olie, en OCB (gamma HCH en DDE). In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond met barium.
Tevens is een minimaal gehalte aan stikstof gemeten van 1,7 mg/l. In het grondwater zijn geen OCB aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Voor het gehalte aan stikstof geldt dat de verhoging zo minimaal is, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusies Bij eerder uitgevoerde onderzoeken [4, 5 en 6] zijn sterke verontreinigingen aangetoond met koper en minerale olie. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er bezwaren tegen de onroerend goed transactie en/of herontwikkeling in verband met de lichte tot sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond, de sterke verontreiniging met koper in de bovengrond en de sterke asbestverontreiniging in de volledig asbesthoudende laag (asbestnest) ter plaatse van de gedempte put. De aangetoonde lichte verontreinigingen uit de voorgaande onderzoeken zijn middels onderhavig onderzoek bevestigd. Op locatie is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, derhalve geldt geen saneringsplicht. Het is echter mogelijk dat binnen de grenzen van de locatie meerdere spots met (sterk) verontreinigde concentraties aanwezig zijn.
Om de werkzaamheden in de (sterk) verontreinigde grond veilig en op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze uit te voeren, wordt geadviseerd om de (sanerings)werkzaamheden uit te voeren conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. In dat geval dient een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina Samenvatting 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
2
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
5
2.3
Terreinverkenning
12
2.4
Bodemopbouw
12
2.5
Conclusies vooronderzoek
13
3.
Onderzoeksstrategie
14
4.
Uitvoering
15
4.1
Kwalibo
15
4.2
Plaatsen boringen en peilbuizen
15
4.3
Bemonstering grondwater
17
4.4
Analyses
18
5.
Analyseresultaten
19
5.1
Toetsingskader(s)
19
5.2
Grond
19
5.3
Grondwater
21
6.
Conclusie en aanbevelingen
22
Bijlagen Bijlage 1:
Kadastrale kaart
Bijlage 2:
Situatietekening
Bijlage 3:
Profielbeschrijvingen
Bijlage 4:
Analyseresultaten grond
Bijlage 5:
Analyseresultaten grondwater
Bijlage 6:
Toelichting toetsingskader
Bijlage 7:
Toetsingstabellen grond
Bijlage 8:
Toetsingstabellen grondwater
Bijlage 9:
Foto’s onderzoekslocatie
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
1. Inleiding In opdracht van Woonstichting De Kernen heeft Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Hendrikstraat ong. te Gameren. Aanleiding voor het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkelingen, op die locaties die bij eerdere onderzoeken onderbelicht zijn gebleven. Tritium Advies heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Kwalibo Op een deel van de werkzaamheden die in het voorliggende rapport worden beschreven is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor deze kwaliteitsborging zijn onderdelen van het onderzoek onder Kwalibo uitgevoerd. Indien dit het geval is, dan is dit bij het betreffende onderdeel expliciet vermeld. Onderdelen zonder vermelding van Kwalibo, zijn niet onder Kwalibo uitgevoerd.
pagina 1 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (oktober 2017). De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek vooronderzoek type
“aanleiding A” opstellen hypothese milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van bodemonderzoek
categorie
bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
22-10-2021
n.v.t.
06-09-2021
dhr. P. Meeuwis
23-11-2021
dhr. M. Broers
internet kadastrale gegevens
Kadastralekaart.com
actuele terreinsituatie
BAG Viewer - Kadaster Google Maps Grondwatertools.nl
historische gegevens
Topotijdreis Slagboom & Peeters Luchtfotografie
bodeminformatie
Bodemloket DINOloket WKO tool Nederland
opdrachtgever bodemdossiers Ad 4 t/m 6 opdrachtgever archieven omgevingsdienst Rivierenland historische gegevens
bodemdossiers
2.1 Locatiegegevens Op basis van de geraadpleegde bronnen, is een overzicht opgesteld van de locatiegegevens. Het overzicht is weergegeven in de volgende tabel. De ligging van de locatie is weergegeven in figuur 2.1. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens adres straat
Hendrikstraat
huisnummer
ongenummerd (voormalig nummer 21)
plaats
Gameren
kadastraal gemeente
Kerkwijk
sectie
P
nummer
2120
locatie oppervlak onderzoekslocatie huidig gebruik
totaal 7.978 m2 Grotendeels braakliggend, oostelijk een parkeerplaats en (voormalige) oprit, tijdelijke weg met rijplaten en stelcon over het midden van het terrein.
pagina 2 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Tabel 2.2 (vervolg): overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens locatie voormalig gebruik
Tot de jaren ’40 was de locatie onbebouwd. Van circa 1920 tot 1970 was een boomgaard aan de westzijde van de locatie aanwezig. Vanaf circa 1940 [ad 4.] werd het woonhuis en vermoedelijk ook de schuur op de oostzijde van de onderzoekslocatie gerealiseerd. Het woonhuis en de schuur werden in de loop van 2019 gesloopt. Van eind jaren ’90 tot 2018 was het perceel bebouwd met kassen.
toekomstig gebruik
Het voornemen is 20 woningen met tuin te realiseren, inclusief parkeerplaatsen en groenstroken.
dempingen, ophogingen,
Er is sprake van één voormalige gedempte watergang.
bijmengingen met puin bodembedreigende activiteiten
Voormalige boomgaard en kassencomplex.
en calamiteiten PFAS
Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van toepassing verklaard. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) inmiddels in Nederland (en breder in de wereld), niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetoond. Derhalve zijn de bovengrond (tot 1,0 m-mv) en geroerde bodems verdacht op PFAS.
bodemkwaliteitskaart
•
bron: Omgevingsdienst Rivierenland
•
ontgravingskaart boven- en ondergrond: ‘wonen’
•
toepassingskaart boven- en ondergrond: ‘wonen’
•
bodemfunctiekaart: ‘wonen’
•
de locatie is gelegen in de fruitteeltgebieden: boomgaard (1940-1970) en kas (19401990)
actuele locatiegegevens asbestaspecten jaartallen
aanleg terrein jaren ’70
toepassing
Mogelijk waren asbesthoudende kitten bij de voormalige kassen toegepast. Middels onderzoek [6] is aangetoond dat de gemeten gehaltes aan asbest de 100 mg/kg d.s. niet overschrijden en derhalve geen sprake is van een verontreiniging met asbest.
terreinsituatie bebouwing
geen, de voormalige bebouwing is reeds gesloopt
maaiveld
braak
installaties
geen bekend
omgeving gebruik belendende percelen
wonen met tuin, openbare weg, agrarisch
bodembedreigende activiteiten
zie tabel 2.3
en calamiteiten
De kadastrale gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn toegevoegd in bijlage 9. De ligging van de locatie is weergegeven in de volgende figuur.
pagina 3 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Figuur 2.1: luchtfoto onderzoekslocatie
Tabel 2.3: bedrijfsactiviteiten locatie
activiteit
beginjaar
eindjaar
reeds
bron
onderzocht, relevant? onderhavige onderzoekslocatie Hendrikstraat 21
bestrijdingsmiddelenopslag
1982
onbekend
ja, zie ad 5.
dieseltank (bovengronds)
1982
onbekend
ja, zie ad 5,
ondergrondse dieseltank (4 m3)
-
2017
ja, zie ad 2. en 5.
glastuinbouw
1982
onbekend
ja zie ad 1 t/m 3
industriemolen (papier, verf etc.)
1977
1985
onbekend
loodgieters-, fitters- en sanitair-
1977
1985
onbekend
grondontsmettingsbedrijf
1978
huidig
onbekend
petroleum- of kerosinetank
1978
onbekend
ja, zie ad 21 t/m
Bodemloket
directe omgeving Hendrikstraat 25a - 27
Bodemloket
installatiebedrijf
(bovengronds)
22
bestrijdingsmiddelengroothandel
1978
onbekend
onbekend
voormalige petroleum- of
1978
onbekend
ja, zie ad 3.
lasinrichting
1978
onbekend
onbekend
hbo-tank (bovengronds)
1992
onbekend
ja, zie ad 21 t/m
brandstoftank (bovengronds)
1992
onbekend
bestrijdingsmiddelenopslag
1992
onbekend
onbekend
opslag van alifatische
1992
onbekend
onbekend
landbouwmachinereparatiebedrijf
1992
onbekend
onbekend
Hendrikstraat 19
wagenmakerij
1932
onbekend
onbekend
Burgerstraat 7
hbo-tank (ondergronds)
onbekend
1999
ja, zie ad 27 en 28
Burgerstraat 11
voormalige bvg hbo-tank (5.000 l)
vermoedelijk ≤ 1998
kerosinetank (ondergronds) (deels op onderhavige onderzoekslocatie)
22 ja, zie ad 21 t/m 22
koolwaterstoffen
zie ad 31 t/m 34
1976
pagina 4 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
2.2 Eerder uitgevoerd onderzoek Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn in het verleden meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd en overige documenten en rapporten opgesteld. Voor zover relevant voor dit onderzoek is een overzicht van deze rapporten en documenten weergegeven in de volgende tabel en zijn de gegevens weergegeven in dit hoofdstuk. Voor de volledige gegevens wordt verwezen naar de desbetreffende rapportages. Tabel 2.4: eerder uitgevoerd onderzoek en overige documenten nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
Hendrikstraat 21
Enviroplan
P-012713/RO1
01-10-2001
Verhoeven Milieutechniek
B17.6718/BRFF-
23-06-2017
onderzoekslocatie 1.
verkennend onderzoek
2.
tankinspectie
01/DB 3.
saneringscertificaat ondergrondse
WENAU
170400026.02
29-08-2017
Verhoeven Milieutechniek
tank 4.
diverse (bodem)onderzoeken
B19.7420A
14-05-2019
5.
diverse (water)bodemonderzoeken
B19.7420B
04-06-2019
6.
nader bodem- en asbestonderzoek
B19.7420B_NO
21-08-2019
292/2729
22-02-1993
directe omgeving 7.
saneringsevaluatie
Hendrikstraat 25a
8.
nader onderzoek
- 27
Heidemij
9.
nader onderzoek en
633/WA94/a884/2
grondwateronderzoek
1640
633/WA93/D145/2 01-04-1993 0302
10.
nader onderzoek
Arcadis
J.J.J. Peters/D. de
07-02-1994 24-02-1994
Groot/01 11.
monitoringsrapportage
Heidemij
onbekend
30-01-1995
12.
briefrapport
Arcadis
D.deGroot/96-005
29-01-1996
13.
monitoringsrapportage
onbekend
onbekend
25-04-1997
14.
monitoringsrapportage
Arcadis
110501/zc3/5z9/7
03-12-2003
0102 15.
verkennend onderzoek
16.
nader onderzoek
17.
briefrapport
18.
Verhoeven Milieutechniek
B06.2961
01-02-2007
B07.3091
25-06-2007
2007-015023
12-09-2007
briefrapport
2007-015023
12-11-2007
19.
nader onderzoek
07040C
21-01-2008
20.
verkennend onderzoek
A1110
01-04-2016
21.
nader onderzoek
A1278
04-04-2016
22.
saneringsplan
25173
23-11-2016
23.
nader onderzoek
25173
14-09-2017
24.
meldingsformulier sanering
09700078
02-10-2017
Mol Ingenieurs
Grondslag
Romers Environmental Solutions
25.
verkennend bodemonderzoek
Hendrikstraat 19
Esteco
GGW246
02-07-1998
26.
verkennend bodemonderzoek
Burgerstraat 7
ingenieursbureau
3-40-021-2
04-03-1998
27.
BOOT-onderzoek
Limborgh Zuid BV
3-40-039-2
12-07-1998
28.
afperkend onderzoek
ISOTANK BV
9104/049.00
12-05-1999
29.
oriënterend onderzoek
onbekend
onbekend
13-07-1999
30.
saneringsevaluatie
onbekend
onbekend
10-11-1999
pagina 5 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Tabel 2.5 (vervolg): eerder uitgevoerd onderzoek en overige documenten nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
Burgerstraat 11
Centraal bodemkundig
5052601
01-12-1998
directe omgeving 31.
verkennend milieukundig bodemonderzoek
bureau
32.
beoordeling bodemonderzoek
gemeente Zaltbommel
-
29-07-1999
33.
verkennend bodemonderzoek
Hoogveld Sonderingen
HB-01886/04-
10-09-2004
M2324 34.
beoordeling bodemonderzoek
gemeente Zaltbommel
-
30-09-2004
Uit de documenten in de voornoemde tabel blijkt het volgende. Documenten 11 t/m 14, 16 t/m 19, 22, 29 en 30 waren vooralsnog niet beschikbaar in het archief van de Omgevingsdienst Rivierenland. Voor uitgebreide informatie over de bodemonderzoeken wordt verwezen naar de desbetreffende rapportages. Ad 1 De onderzoekslocatie betrof de onderhavige onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek werden zes deellocaties onderscheiden. Kassencomplex (A) Uit de analyseresultaten bleek de bovengrond licht verontreinigd met diverse zware metalen, PCB en OCB. De ondergrond bleek niet verontreinigd. Greppels langs de oost- en westzijde van het perceel (B) Uit de resultaten bleek dat het slib licht verontreinigd te zijn met diverse zware metalen, PAK, PCB en OCB. In één mengmonster was sprake van lichte verontreinigingen met diverse zware metalen, tolueen, PAK, 1,1-dichloorethaan en minerale olie en een matige tot sterke verontreiniging met zink aangetoond. Strook tussen het bedrijfspand Brinkman en kassencomplex (C) In de bovengrond werden lichte verontreinigingen met nikkel, zink, minerale olie en PAK aangetoond. Plaatselijk was sprake van een matige tot sterke verontreiniging met koper. Ter plaatse van de ondergrondse tank werd een matige verontreiniging met minerale olie in de ondergrond aangetoond. De omvang van de verontreiniging werd geraamd op 10 á 12 m3.
Bovengrondse dieselolietank in lekbak (D) In de bovengrond werd een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. Meststoffen en bestrijdingsmiddelenopslag (E) In de bovengrond werd een lichte verontreiniging met minerale olie en PAK aangetoond. Bovengrond overig bebouwd/onbebouwd terreindeel In de grond ter plaatse van de bebouwing werd een lichte verontreiniging met minerale olie en PAK aangetoond. De bovengrond van het westelijke onbebouwde deel bleek licht verontreinigd met zink, minerale olie en plaatselijk met PAK. Plaatselijk was sprake van een sterke verontreiniging met koper.
pagina 6 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
In de voortuin werd een matige verontreiniging met minerale olie aangetoond. In de onderliggende bodemlaag werd een lichte verontreiniging aangetoond. Uit aanvullend onderzoek bleek dat sprake was van een gedempte sloot. Geconcludeerd werd dat over de gehele lengte van de sloot sprake was van lichte tot matige verontreinigingen met minerale olie. Er was geen sprake van een sterke verontreiniging. Grondwater Het grondwater bleek plaatselijk licht verontreinigd te zijn met barium en xylenen. Verontreinigingen met koper in bovengrond De bron voor de heterogene koperverontreiniging was niet bekend. De omvang van de verontreiniging lijkt beperkt van omvang (enkele m3). Derhalve was geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Conclusie Geconcludeerd werd dat er geen sprake was van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ad 2 en 3 Uit de inspectie blijkt dat de ondergrondse tank (4 m3) is verbonden met het kassencomplex van de locatie Hendrikstraat 21. De tank is gedeeltelijk gelegen onder de kas. Zintuiglijk werden in de ophooglaag asbestverdachte materialen aangetroffen. De tank werd conform KIWA gesaneerd. Op 29 augustus werd de tank afgevoerd voor verschroting. Ad 4 De locatie was gelegen direct grenzend aan de onderhavige locatie. Aanleiding van het onderzoek was de voorgenomen transactie van de locatie.
Doel van het onderzoek was het bepalen van de bodemkwaliteit (inclusief asbest). Uit de resultaten bleek de boven- en ondergrond maximaal licht verontreinigd te zijn met diverse zware metalen en PAK. Ter plaatse van de voormalige sloot zijn eveneens maximale lichte verontreinigingen aangetoond. In de teeltlaag werden geen verontreinigingen met OCB aangetoond. Het grondwater bleek licht verontreinigd te zijn met barium. Er werd geen asbest aangetoond. Er was geen bezwaar voor de voorgenomen transactie. Ad 5 Algemene bodemkwaliteit Bij het onderzoek werden heterogeen in de bovengrond lichte tot sterke verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, molybdeen, zink, PCB en minerale olie aangetoond. In de ondergrond werden lichte verontreinigingen met nikkel en zink aangetoond. Het grondwater bleek licht verontreinigd met barium. Voormalige ondergrondse tank Ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank werden in de ondergrond lichte tot sterke verontreinigingen met minerale olie aangetoond. Tevens werden lichte verontreiniging met xylenen aangetoond. In de bovengrond werden heterogeen matige verontreinigingen met zink en een lichte verontreinigingen voor cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en PCB aangetoond. In de ondergrond werd plaatselijk een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond.
In het grondwater werden een matige verontreiniging met barium en lichte verontreinigingen met xylenen, naftaleen en minerale olie aangetoond.
pagina 7 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Voormalige bovengrondse activiteiten Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieselolietank (in lekbak) werd in de sporen baksteenhoudende bovengrond een matige verontreiniging met zink en lichte verontreinigingen aangetoond met kobalt, koper, lood, nikkel, zink en PAK. Gedempte sloot De slibhoudende grond in de gedempte sloot (dezelfde sloot als in het onderhavige onderzoek) bleek licht verontreinigd met koper, nikkel, lood en minerale olie. Er werd destijds geen dunne puinlaag aangetroffen zoals in onderhavig onderzoek is waargenomen. Verificatie koperverontreiniging Plaatselijk werd in zwak baksteenhoudende bovengrond een sterke verontreiniging met koper aangetoond. In de uiterst baksteenhoudende bovengrond werden plaatselijk een twee lichte verontreinigingen met koper aangetroffen. Bestrijdingsmiddelenopslag Ter plaatse van de voormalige bestrijdingsmiddelenopslag werden geen verontreinigingen aangetoond. Oorspronkelijke teeltlaag Heterogeen in de oorspronkelijke teeltlaag werden maximaal lichte verontreinigingen aangetoond met OCB. Asbest Op de locatie werd asbest aangetoond. Nabij proefgat B48 werd circa 60 gram asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van proefgat AB27 werd zowel zintuiglijk als analytisch asbest aangetroffen. De berekende totaal gewogen asbestconcentratie van 4.342 mg/kg d.s.
overschreed ruimschoots de toetswaarde van 100 mg/kg d.s. De asbestverontreiniging werd gerelateerd aan een lokaal asbestnest (volledig asbesthoudende laag) waarmee een put op het terrein was gedempt. In een mengmonster van de bovengrond werd analytisch 490 mg/kg d.s. aangetoond. Het asbest was mogelijk afkomstig van asbesthoudende kit van het voormalige kassencomplex. Aangezien het monster bestond uit diverse proefgaten, was de exacte locatie van de verontreiniging met asbest niet te herleiden. In de overige geanalyseerde grondmonsters werd zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestonden vooralsnog bezwaren tegen de voorgenomen onroerend goed transactie en herontwikkeling. De omvang van de grondverontreiniging met minerale olie ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank en de zware metalen in de bovengrond was niet volledig bekend. Derhalve werd geadviseerd om een nader onderzoek [6] uit te voeren. Ook diende een nader asbestonderzoek [6] te worden uitgevoerd om vast te stellen of rondom de put met asbest ook sprake was van een grondverontreiniging met asbest. Ook diende aanvullend asbestonderzoek te worden uitgevoerd te plaatse van de proefgaten B37, B39, B41 en B43 om te verifiëren of hier sprake was van een ernstige bodemverontreiniging met asbest.
pagina 8 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Ad 6 Middels de uitgevoerde onderzoeken [4 en 5] is vastgesteld dat binnen de onderzoekslocatie in totaal circa 10 m3 grond licht tot sterk verontreinigd is met minerale olie. Hiervan bleek circa 5 m3 sterk verontreinigd. Daarnaast was binnen de onderzoekslocatie circa 15 m3 grond sterk verontreinigd met koper. Er was geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, aangezien in totaal sprake is van minder dan 25 m3 sterk verontreinigde grond (totaal = circa 20 m3). De verontreiniging met minerale olie was te relateren aan de voormalige ondergrondse tank en is naar verwachting voor 1987 ontstaan, waardoor sprake is van een historisch geval van bodemverontreiniging. De verontreinigingen met zware metalen werden gerelateerd aan de bodemvreemde bijmengingen (baksteen en kolen). Echter was een duidelijke relatie tussen de bijmenging en de mate van de verontreiniging niet aanwezig. Gezien de situering (nabij perceelsgrenzen/voormalige bebouwing) was mogelijk sprake van een demping of ophooggrond. De verontreiniging was naar verwachting ontstaan voor 1987, waardoor sprake was van een historische bodemverontreiniging. Verder bleek dat ter plaatse van het erf sprake was van een gedempte put met asbest en werd een verontreiniging met asbest aangetoond ter plaatse van boorgaten B37, B39, B41 en B43 uit voorgaand onderzoek [5].
Geadviseerd werd om deze put te verwijderen en af te voeren naar een erkend verwerker. De verontreiniging met asbest van B37, B39, B41 en B43 werd in het nader onderzoek niet meer gereproduceerd. Er werd aangenomen dat het aangetoonde asbestgehalte een toevalstreffer betrof. In onderstaande tabel is een overzicht van de verontreinigingssituatie opgenomen. Tabel 2.5: overzicht verontreinigingssituatie deellocatie deellocatie 1: voormalige
stof minerale olie
ondergrondse tank
deellocatie 2: B04
deellocatie 6: AB27
koper
asbest
>I 2
oppervlakte (m )
+/- 10
traject (m-mv)
+/- 1,00 - 1,40
gemiddelde dikte
0,4 meter
omvang (m2)
+/- 5
oppervlakte (m2)
+/- 30
traject (m-mv)
+/- 0,00 - 0,50
gemiddelde dikte
0,5 meter
omvang (m2)
+/- 15
oppervlakte (m2)
<10 m2
traject (m-mv)
0,00 - 0,30
gemiddelde dikte
0,3 m
omvang (m2)
betreft enkel het gat in gedempte put (circa 0,03 m3)
Uit een voorgaand onderzoek [4] was reeds gebleken dat voor wat betreft de waterbodem van greppel A rekening diende te worden gehouden met nooit verspreidbare (ernstige verontreinigde) waterbodem. De waterbodem uit greppel B betrof klasse industrie bij toepassing op de bodem en was niet verspreidbaar op aangrenzend perceel. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt waren er bezwaren tegen de onroerend goed transactie en/of herontwikkeling in verband met de licht tot sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond, de sterke verontreiniging met koper in de bovengrond en de sterke asbestverontreiniging in de volledig asbesthoudende laag in de gedempte put (AB27) [aangetoond in 5.].
pagina 9 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Middels de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische bodemkwaliteit bepaald. Ad 7 t/m 14 Onder [7] de loods ter plaatse van Hendrikstraat 25 bleek een lichte restverontreiniging met minerale olie, tolueen en xylenen aanwezig te zijn. Er was sprake van een aanzienlijke grondwaterverontreiniging. Uit het onderzoek [8] bleek dat het grondwater op het terrein buiten de loods (ter plaatse van de restverontreiniging) matig was verontreinigd met minerale olie. Er werden geen vluchtige aromaten en naftaleen aangetoond. Nader onderzoek werd geadviseerd. Uit het nader [9] onderzoek bleek dat er licht verontreinigingen in de grond waren met minerale olie. Het grondwater bleek matig verontreinigd met minerale olie. Tevens bleek plaatselijk het grondwater matig tot licht verontreinigd met aromatische koolwaterstoffen en sterk tot matig verontreinigd met naftaleen. Geadviseerd werd om in de eerste instantie het grondwater te monitoren. De rapportages voor de monitoringen [11 t/m 14] zijn niet beschikbaar in het archief van omgevingsdienst Rivierenland. Ad 15, 20 t/m 22. De onderzoekslocatie was gelegen direct ten noorden van de onderhavige onderzoekslocatie Uit de onderzoeksresultaten [15] bleek dat er twee bodemverontreinigingen werden aangetoond met minerale olie; -
In de grond met een omvang van 800 en 40 m3.
-
In het grondwater met een omvang van 1.200 m3.
Tevens werden twee grondverontreinigingen aangetoond met een omvang van 90 m3 (zink) en 400 m3 koper. Naar aanleiding van de aangetoonde verontreinigingen werd in april 2016 verkennend onderzoek uitgevoerd [19]. Hierbij werden de verontreinigingen met koper en zink bevestigd. De grootste minerale olie verontreiniging werd ook bevestigd. De kleinste verontreiniging van 40 m3 werd niet meer teruggevonden. Op het overige terrein werden enkel in de boden- en ondergrond maximaal “licht verhoogde” gehalten met koper, lood, minerale olie en/of PAK aangetoond. Naar aanleiding van de resultaten werd nader onderzoek uitgevoerd [20]. Hieruit bleek dat de sterke minerale olieverontreiniging in de grond een omvang had van 50 m 3 en de matig tot sterke grondwaterverontreiniging een omvang van circa 100 m3. Naar aanleiding van de bevindingen werd door Grondslag in november 2016 een saneringsplan opgesteld [22]. Het betrof een saneringsplan voor het saneren van een drietal spots. Dit betrof een tweetal spots grenzend aan de onderhavige locatie en 1 aan de noordzijde van het pand. De spots grenzend aan de locatie werden in 2008 [19] niet gereproduceerd. Spot 1 betrof een koper verontreiniging welke later (2016, ad 21.) een puinverharding bleek te zijn. Ook spot 2, de sterke zinkverontreiniging werd niet gereproduceerd (2016).
Spot 3, de sterke verontreiniging met minerale olie werd ook niet bevestigd (2016). Spot 4 (ten noorden) bleek een lichte tot sterke verontreiniging met minerale olie. De omvang werd geraamd op 800 m3 waarvan 50 m3 sterk verontreinigd. Het grondwater was matig tot sterk verontreinigd met minerale olie en werd pagina 10 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
geraamd op 110 m3. Het betrof een nieuw geval van bodemverontreiniging. Het saneringsplan betrof het verwijderen van de laatste spot. Ad 23 De onderzoekslocatie betrof het perceel direct ten noordoosten van de onderhavige onderzoekslocatie. Aanleiding voor het onderzoek was het aantreffen van puin in de bodem bij de vorige onderzoeken. Doel van het onderzoek was het vaststellen er een verontreiniging met asbest aanwezig was in de bodem. Het onderzoek werd uitgevoerd middels het graven van sleuven. Uit de resultaten van het onderzoek bleek dat zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest werd aangetoond. Op het maaiveld werden vier stukjes asbesthoudend plaatmateriaal gevonden en verwijderd. Geconcludeerd werd dat er geen aanleiding was voor het uitvoeren van aanvullend asbestonderzoek. Ad 24 Betreft een meldingsformulier voor een sanering. Het is onbekend of de sanering is uitgevoerd. Ad 25 De onderzoekslocatie was gelegen direct ten zuidoosten van de onderhavige onderzoekslocatie. In de grond werden lichte verontreinigingen met nikkel en zink aangetoond. In het grondwater werden geen verontreinigingen aangetoond. De lichte verontreinigingen met nikkel en zink werden gerelateerd aan het mogelijke gebruik van bestrijdingsmiddelen in het verleden. Geconcludeerd werd dat eventuele bouwplannen niet zouden stuiten op milieuhygiënische bezwaren.
Ad 26 t/m 30 De onderzoekslocatie [26] was gelegen direct ten noorden / noordoosten van de onderhavige onderzoekslocatie. Aanleiding van het onderzoek was de voorgenomen aanvraag van een bouwvergunning. Plaatselijk werd puin aangetroffen in de bovengrond. De bovengrond bleek licht verontreinigd met PAK. De ondergrond bleek niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater bleek plaatselijk licht verontreinigd met chroom. Tevens werd een onderzoek [27] uitgevoerd ter plaatse van een ondergrondse olietank. Hier werd tijdens de uitvoering een zwakke oliegeur waargenomen in de grond rond de ondergrondse opslagtank voor huisbrandolie. Naar aanleiding hiervan is afperkend onderzoek uitgevoerd [28]. Ter plaatse van de ondergrondse tank bleek de grond matig verontreinigd met minerale olie en werd de omvang van de verontreiniging ingeschat op minder dan 25 m3. Plaatselijk bleek het grondwater sterk verontreinigd met minerale olie. Er werd niet verwacht dat te omvang van de grondwaterverontreiniging groter dan 100 m3 was. Geadviseerd werd om de HBO-tank te laten verwijderen en eventueel te saneren. Verder werd het mogelijk geacht dat de gemeente nadere afperking van de grondwaterverontreiniging vereiste. Uit het vooronderzoek blijkt dat nadien op de locatie nog een oriënterend onderzoek [29] en saneringsevaluatie [30] is opgesteld van de locatie.
Deze gegevens zijn echter niet (digitaal) voorhanden bij de Omgevingsdienst Rivierenland. Ad 31 t/m 34 De onderzoekslocatie [31] was gelegen circa 10 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Doel van het onderzoek was het vastleggen van de nulsituatie. Zintuigelijk werden geen pagina 11 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
afwijkingen aan het bodemmateriaal waargenomen. Het onderzoek bestond uit meerdere deellocaties: -
Opslag/aanmaak meststoffen;
-
Voormalige bovengrondse olietank,
De grond bleek licht verontreinigd met kwik en het grondwater bleek niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Door het bevoegd gezag werd beoordeelt dat de nulsituatie voldoende was vastgelegd middels het voorgaande onderzoek [32]. Naar aanleiding van de geplande renovatie van de boerderijwoning op de locatie is nogmaals een verkennend bodemonderzoek in 2004 uitgevoerd [33.]. Uit de onderzoeksresultaten bleek dat de bovengrond licht verontreinigd was met lood en zink. De ondergrond bleek licht verontreinigd met minerale olie. Het grondwater bleek niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Uit de beoordeling van de gemeente Zaltbommel [34.] bleek dat de bodem geschikt werd geacht voor de bebouwing.
2.3 Terreinverkenning Voorafgaand aan de monstername is een terreinverkenning uitgevoerd waaruit is gebleken dat reeds een peilbuis aanwezig was op deellocatie D. Naar aanleiding hiervan is een diepe boring tot 2,0 meter geplaatst (D01) en is de bestaande peilbuis “D01-bestaand” genoemd.
2.4 Bodemopbouw In de volgende tabel is een overzicht opgenomen van de regionale bodemopbouw en de geohydrologische situatie. Tabel 2.6: bodemopbouw en geohydrologie bodemopbouw maaiveldhoogte
2,25 m+NAP
deklaag
dikte
55,6 m
samenstelling
zandige klei met matig tot grof zand
doorlatendheid
slecht
dikte
6,7 m
samenstelling
midden - grof zand
doorlatendheid
goed
stijghoogte
1,5 m+NAP
stromingsrichting
noordwestelijk
stijghoogte
onbekend
stromingsrichting
noordwestelijk
1e watervoerende pakket
geohydrologie freatisch grondwater
1e watervoerende pakket
waterhuishouding oppervlaktewater
niet aanwezig
grondwaterbeschermingsbied /
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone.
boringsvrije zone grondwateronttrekking
In de omgeving vindt voor zover bekend circa 25 meter ten zuidoosten en circa 40 meter ten westen grondwateronttrekking plaats.
pagina 12 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
2.5 Conclusies vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek worden de in de volgende tabel vermelde deellocaties onderscheiden. Tabel 2.7: deellocaties deel-
omschrijving
oppervlakte
locatie A.
hypothese
motivatie
gehele onderzoekslocatie
2
7.978 m
verdachte stoffen 1)
/aantal verdacht
gebruik locatie kassen
OCB
boomgaard (westzijde) B.
gedempte watergang
C.
voormalige meststoffen- en
1x <100 m2
verdacht verdacht
mogelijk verontreinigd
zware metalen, PAK
dempingsmateriaal
en asbest (bij puin)
OCB en meststoffen
bestrijdingsmiddelenopslag
OCB, NENparameters, Nkjeldahl en fosfaat
D.
voormalige aanmaak
<100 m2
verdacht
OCB en meststoffen
OCB, NEN-
meststoffen en opslag
parameters, N-
bestrijdingsmiddelen
kjeldahl en fosfaat
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring verdachte stoffen: NEN- parameters
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie) en NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen;
OCB
:
organochloorbestrijdingsmiddelen;
PFAS Onderzoek naar PFAS is in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen niet verplicht. Voor hergebruik van grond zijn in het geactualiseerde ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (d.d. 2 juli 2020) regels opgesteld waardoor voorafgaand aan hergebruik van grond wel onderzoek naar PFAS nodig is. Omdat vooralsnog onbekend is of bij de herontwikkeling grond van de locatie wordt afgevoerd of elders buiten de locatie wordt hergebruikt, is geen onderzoek naar PFAS verricht.
pagina 13 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
3. Onderzoeksstrategie Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (april 2016). De te volgen strategie is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3.1: strategie verkennend bodemonderzoek strategie 1)
boorwerk
asfalt- of
(diepte in m-mv)
betonboringen
boringen
peilbuizen
analyses 2)
(diameter)
grond
grondwater
-
-
4 x OCB. L+H
- 5)
-
-
- 4)
-
1 x OCB, NEN-g
1 x OCB, NEN-gw,
2
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m ) VED-HE-NL
23 x (0,5)
deellocatie B: gedempte watergang MW
3 x (2,0)
2
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m ) VEP
2 x (0,5)
1
-
N-kjeldahl, fosfaat 2
deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m ) VEP
2 x (0,5)
1
-
1 x OCB, NEN-g
1 x OCB, NEN-gw, N-kjeldahl, fosfaat
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: VED-HE-NL
:
MW
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig; het onderzoek naar de gedempte watergang wordt uitgevoerd op basis van een maatwerkstrategie, waarbij een raai van 3 boringen haaks op een gedempte watergang geplaatst wordt.
2)
verklaring analyses: NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en
NEN-gw
:
L+H
:
lutum en humus (organische stof);
OCB
:
organochloorbestrijdingsmiddelen.
minerale olie); pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
3)
conform de strategie VED-HE-NL dienen vier analyses te worden verricht op de meest verdachte laag (de toplaag).
4)
Indien tijdens de veldwerkzaamheden zintuiglijk bijmengingen in de grond worden aangetroffen die duiden op deze gedempte watergang, worden aanvullende analyses uitgevoerd.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De grond- en grondwatermonsters worden conform AS3000 voorbewerkt.
pagina 14 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
4. Uitvoering 4.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) conform protocollen 2001 (versie 6.0, 1 februari 2018) en 2002 (versie 6.0, 1 februari 2018) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de volgende tabel zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 4.1: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
boornummers/peilbuisnummers
boorwerkzaamheden (protocol 2001) dhr. A. Van Eijkeren,
5-10-2021
A01 t/m A23, B01 t/m B03, C01 t/m C03, D01 t/m D03
dhr. V. Loderus
5-11-2021
B02-1 en B02-2
monstername grondwater (protocol 2002) dhr. R. Van der Steen
12-10-2021
C01 en D01 bestaand
dhr. V. Loderus
5-11-2021
B02
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.2 Plaatsen boringen en peilbuizen De locaties van de boringen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens het plaatsen van de boringen en de peilbuizen bleek dat ter plaatse van boring B02 een matige oliegeur werd waargenomen in het traject van 0,5 tot 2,0 m-mv. Naar aanleiding hiervan werd een steekbus genomen. Tevens werd tijdens de veldwerkzaamheden een bestaande peilbuis (peilbuis 19 uit ad 6) aangetroffen en deze werd bruikbaar geacht (D01-bestaand). Derhalve is een aanvullende diepe boring geplaatst. (D01) Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergang (deellocatie B) zijn waarnemingen zijn gedaan die duiden op een voormalige slootbodem of dempingsmateriaal. Naar aanleiding hiervan is met de opdrachtgever overlegd om aanvullende analyses uit te voeren. De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. De in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3.
pagina 15 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Tabel 4.2: waarnemingen en bijzonderheden boring
traject
waarnemingen en bijzonderheden
einddiepte
(m-mv)
(m-mv)
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m2) A02
0,00 - 0,30
resten kolen
0,50
A03
0,00 - 0,50
resten glas
0,50
A07
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
A09
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend, zwak kolengruishoudend
0,50
A10
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
A11
0,30 - 0,50
zwak glashoudend
0,50
A13
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
A14
0,00 - 0,30
zwak kolengruishoudend
0,50
A16
0,00 - 0,50
zwak puinhoudend
0,50
A17
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
0,30 - 0,50
zwak puinhoudend
A18
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
A19
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
A20
0,00 - 0,30
zwak puinhoudend
0,50
deellocatie B: gedempte watergang B01
B02
B02-1
B02-2
B03
0,00 - 0,30
sporen puin
0,30 - 0,50
sporen puin
2,00
0,00 - 0,30
zwak baksteenhoudend
0,50 - 1,00
matig slibhoudend, matige oliegeur, geen olie-water reactie
1,00 - 1,05
volledig puin 1)
1,05 - 2,00
uiterst slibhoudend, matige oliegeur, geen olie-water reactie
0,00 - 0,30
zwak baksteenhoudend
0,50 - 1,00
matig slibhoudend
1,00 - 1,50
uiterst slibhoudend, matig houthoudend
0,00 - 0,30
zwak baksteenhoudend
0,50 - 1,00
matig slibhoudend
1,00 - 1,50
uiterst slibhoudend, matig houthoudend, matige oliegeur
0,00 - 0,50
matig baksteenhoudend
2,50
1,50
1,50
2,00 2
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m ) C01
0,00 - 0,25
volledig puin
2,50
C02
0,00 - 0,20
volledig puin
0,80
C03
0,00 - 0,25
volledig puin
0,75
Opmerkingen bij de tabel: 1)
de puinlaag blijkt een niet eerder aangetroffen verdachte laag te zijn. Tijdens de peilbuisbemonstering op d.d. 5-112021 is getracht een (indicatief) mengmonster samen te stellen van het puin. De dunne puinlaag werd bij het herplaatsen van twee boringen echter niet meer aangetroffen. Het betreft een zeer plaatselijke toevalstreffer.
pagina 16 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
4.3 Bemonstering grondwater Tijdens de grondwatermonstername zijn in het veld de zuurgraad (pH), de troebelheid en de elektrische geleidbaarheid (Ec) van het grondwater bepaald. De peilbuisspecificaties en meetresultaten zijn weergegeven in de volgende tabel. De plaats van de peilbuizen is weergegeven in bijlage 2. Tabel 4.3: peilbuisspecificaties peilbuis
datum
filtertraject
grondwaterstand
pH
Ec
troebelheid
bemonstering
(m-mv)
(m-mv)
(-)
(µS/cm)
(ntu)
belucht
0,70
6,4
1537
148
Nee
45,4
nee
12,5
nee
deellocatie B: gedempte watergang B02
5-11-2021
1,80 - 2,80
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) C01
12-10-2021
1,50 - 2,50
0,82
7,1
1.119
deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) D01-bestaand
12-10-2021
2,00 - 3,00
0,75
7,1
934
Tijdens de bemonstering van peilbuizen C01 en D01-bestaand is in afwijking op de NEN5744 een troebelheid groter dan 10 ntu gemeten in het grondwater. Hierdoor kunnen concentraties van organische parameters hoger uitvallen. Bij de interpretatie van de analyseresultaten van het grondwater wordt met de afwijkingen rekening gehouden. De betrouwbaarheid van de analyseresultaten wordt in hoofdstuk 5 besproken.
pagina 17 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
4.4 Analyses De grond- en grondwatermonsters zijn volgens de volgende tabellen geanalyseerd. Tabel 4.4: geanalyseerde monsters (grond) monster-
traject
code
(m-mv)
analyses 1) toelichting
deelmonsters
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m2) MMA01
0,00 - 0,30
A02 (0,00 - 0,30), A03 (0,00 - 0,30),
OCB, L+H
verdachte toplaag (klei) 2)
OCB, L+H
verdachte toplaag (klei) 2)
OCB, L+H
verdachte toplaag (klei) 2)
OCB, L+H
verdachte toplaag (klei) 2)
A18 (0,00 - 0,30), A19 (0,00 - 0,30) MMA02
0,00 - 0,30
MMA03
0,00 - 0,30
MMA04
0,00 - 0,30
A04 (0,00 - 0,30), A05 (0,00 - 0,30), A20 (0,00 - 0,30), A21 (0,00 - 0,30) A06 (0,00 - 0,30), A07 (0,00 - 0,30), A22 (0,00 - 0,30), A23 (0,00 - 0,30) A08 (0,00 - 0,30), A09 (0,00 - 0,30), A10 (0,00 - 0,30), A16 (0,00 - 0,30)
deellocatie B: gedempte watergang B02-3
0,50 - 1,00
B02 (0,50 - 1,00)
NEN-g
matig slibhoudend en matige oliegeur (klei)
B02-5
1,50 - 2,00
B02 (1,50 - 2,00)
NEN-g
uiterst slibhouden en matige oliegeur (klei)
B02-8
0,80 - 1,00
B02 (0,80 - 1,00)
tsp, VOCl
matig slibhoudend en matige oliegeur (klei)
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) MMC01
0,25 - 0,80
C01 (0,25 - 0,50), C02 (0,50 - 0,80),
NEN-g, OCB meest verdachte laag (klei)
C03 (0,25 - 0,55) deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) MMD01
0,00 - 0,30
D01 (0,00 - 0,30), D02 (0,00 - 0,30),
NEN-g, OCB meest verdachte laag (zand)
D03 (0,00 - 0,30) Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-g
: pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie);
tsp
: tankstationpakket (aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, minerale olie vluchtig (C6-C9) en minerale
OCB
: organochloorbestrijdingsmiddelen;
L+H
: lutum en humus;
VOCl
: vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen.
olie (C10-C40));
2)
In afwijking op de NEN5740 zijn verschillende bijmengingen bij elkaar gemengd bij het samenstellen van de mengmonsters. Dit omdat verontreinigingen met OCB nooit te relateren zijn aan puin.
Tabel 4.5: geanalyseerde monsters (grondwater) monster-
peilbuis-
filtertraject
code
nummer
(m-mv)
analyses 1)
motivatie
deellocatie B: gedempte watergang B02-1-1
B02
1,80 - 2,80
tsp
matige oliegeur in grond verificatie verspreiding grondwater
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) C01-1-1
C01
1,50 - 2,50
NEN-gw, fosfaat, stikstof, OCB
onderzoek grondwater
deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) D01 bestaand-1-1 D01 bestaand
2,00 - 3,00
NEN-gw, fosfaat, stikstof, OCB
onderzoek grondwater
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: OCB
:
Organochloorbestrijdingsmiddelen;
NEN-gw
:
Pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie).
pagina 18 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
5. Analyseresultaten 5.1 Toetsingskader(s) De analyseresultaten van de grond en/of grondwatermonsters zijn vergeleken met de momenteel geldende toetsingskader(s). Voor een nadere toelichting op de gehanteerde toetsingskaders wordt verwezen naar bijlage 6. In de volgende tabel(len) is weergegeven op welke wijze de mate van verontreiniging na toetsing van de analyseresultaten aan de normen uit de Wet bodembescherming (Wbb) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in het rapport wordt weergegeven. Tabel 5.1: aanduiding mate van verontreiniging volgens Wbb aanduiding in rapport
betekenis voor grond
-
=
niet verontreinigd
De toetsingswaarden worden niet overschreden.
betekenis voor grondwater
>AW of >S
=
licht verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
achtergrond- en tussenwaarde.
streef- en tussenwaarde.
>T
=
matig verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de tussen- en interventiewaarde.
>I
=
sterk verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt boven de interventiewaarde.
Tabel 5.2: aanduiding bodemkwaliteitsklasse volgens Bbk aanduiding in rapport
betekenis
achtergrondwaarde (AW)
Grond kan vrij worden toegepast bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit.
wonen (Wo)
Grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader worden toegepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten "wonen" of "industrie".
industrie (Ind)
Grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader enkel worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit "industrie".
niet-toepasbaar (NT)
Grond kan elders niet worden toegepast. Indien deze grond vrijkomt moet deze worden afgevoerd naar een erkende verwerker.
5.2 Grond De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 7. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel(len). Tabel 5.3: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
deelmonsters
motivatie
toetsingsresultaten Wbb 1)
indicatie
> AW
>T
>I
Bbk 2)
-
-
AW
-
-
AW
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m2) MMA01
MMA02
0,00 - 0,30
0,00 - 0,30
A02 (0,00 - 0,30), A03 (0,00 - 0,30),
verdachte toplaag
gamma-HCH,
A18 (0,00 - 0,30), A19 (0,00 - 0,30)
(klei)
DDE (som)
A04 (0,00 - 0,30), A05 (0,00 - 0,30),
verdachte toplaag
DDD (som)
A20 (0,00 - 0,30), A21 (0,00 - 0,30)
(klei)
pagina 19 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
Tabel 5.3 (vervolg): samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
deelmonsters
toetsingsresultaten Wbb 1)
indicatie
> AW
>T
>I
Bbk 2)
-
-
Ind
drins
-
-
AW
(bovenkant
cadmium,
-
-
NT
verdachte laag)
koper, kwik,
matig slibhoudende
lood, nikkel,
ondergrond, matige
zink, m.o.
m.o.
-
-
NT
m.o.
-
-
NT
-
-
Wo
-
-
Ind
motivatie
deellocatie A: gehele onderzoekslocatie OCB (7.978 m2) MMA03
0,00 - 0,30
A06 (0,00 - 0,30), A07 (0,00 - 0,30),
verdachte toplaag
alfa-HCH 3),
A22 (0,00 - 0,30), A23 (0,00 - 0,30)
(klei)
alfa-Endosulfan
A08 (0,00 - 0,30), A09 (0,00 - 0,30),
verdachte toplaag
A10 (0,00 - 0,30), A16 (0,00 - 0,30)
(klei)
3)
, drins
MMA04
0,00 - 0,30
deellocatie B: gedempte watergang B02-3
0,50 - 1,00
B02 (0,50 - 1,00)
oliegeur. (klei) B02-5
1,50 - 2,00
B02 (1,50 - 2,00)
(onderkant verdachte laag) uiterst slibhoudende, ondergrond, matige oliegeur (klei)
B02-8
0,80 - 1,00
B02 (0,80 - 1,00)
matig slibhoudend, matige oliegeur,
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) MMC01
0,25 - 0,80
C01 (0,25 - 0,50),
meest verdachte
C02 (0,50 - 0,80),
laag (klei)
lood
C03 (0,25 - 0,55) deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) MMD01
D01 (0,00 - 0,30), D02 (0,00 - 0,30),
meest verdachte
zink, gamma-
D03 (0,00 - 0,30)
laag (zand)
HCH, DDE, m.o.
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring afkortingen: m.o.
:
minerale olie;
OCB
:
organochloorbestrijdingsmiddelen.
2)
De toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit betreft een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden.
3)
# De rapportagegrens voor alfa-HCH en alfa-endosulfan is verhoogd omdat door matrixeffecten, resp. co-elutie kwantificering bemoeilijkt werd. Aangenomen wordt dat het daadwerkelijke gehalte aan alfa-HCH en alfa-endosulfan lager is dan de achtergrondwaarde.
pagina 20 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
5.3 Grondwater De analyseresultaten van de grondwatermonsters zijn weergegeven in bijlage 5. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 8. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 5.4: samenvatting toetsingsresultaten grondwater peilbuis-
monster-
nummer
code
filtertraject
motivatie
(m-mv)
toetsingsresultaten Wbb >S
>T
>I
-
-
-
barium, xylenen
-
-
-
-
deellocatie B: gedempte watergang B02
B02-1-1
1,80 - 2,80
onderzoek grondwater (ter plaatse van grond met matige oliegeur)
deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) C01
C01-1-1
1,50 - 2,50
onderzoek grondwater
deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) D01 bestaand
D01 bestaand-1-1
2,00 - 3,00
onderzoek grondwater
barium
Het grondwater van peilbuizen C01 en D01 is tevens bemonsterd op fosfaat (ortho-PO4) en stikstof (N-Kjeldahl). In geen van de peilbuizen is een gehalte aan fosfaat gemeten. In peilbuis C01 is geen stikstof volgens Kjeldahl (N) gemeten. In peilbuis D01 bestaand, is een stikstofgehalte van 1,7 mg/l gemeten. Vanwege de verhoogde troebelheid van het grondwater in beide peilbuizen is aan de hand van de verwachtingen volgens het vooronderzoek, de overige waarnemingen tijdens de uitvoering van het veldwerk en de overige analyseresultaten beoordeeld of de resultaten voor organische parameters in het totale beeld van het onderzoek passen. Voor de organische parameter xylenen geldt dat geen bron voor de lichte verontreiniging bekend is. Mogelijk is de verhoogde troebelheid van invloed geweest op het resultaat. Omdat dit een overschatting betreft en de parameter slechts licht verontreinigd is, worden de resultaten bruikbaar geacht.
pagina 21 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
6. Conclusie en aanbevelingen Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende. Zintuiglijk zijn heterogeen verdeeld over de locatie in de bovengrond resten tot zwakke bijmengingen met kolen waargenomen. Tevens zijn een zwakke bijmenging- en resten glas en sporen tot zwakke bijmengingen met puin aangetroffen in de bovengrond. In de ondergrond ter plaatse van de voormalige watergang zijn matige en uiterste bijmengingen met slib aangetroffen. Tevens is in de ondergrond een zeer dunne laag puin (5 cm) aangetroffen ter plaatse van boring B02. Dit was te weinig om een indicatief asbestmonster van samen te stellen. Bij het verzamelen van een asbestmonster werden twee indicatieve boringen geplaatst langs boring B02. De dunne puinlaag werd hierbij niet teruggevonden. Derhalve is bepaald dat het om een zeer kleine en plaatselijke puinlaag gaat waardoor asbestonderzoek hiernaar niet zinvol wordt geacht. Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie (7.978 m2) Bij eerder onderzoek [4 t/m 6] is reeds vastgesteld dat de puinhoudende lagen geen verontreiniging met asbest bevatten (< 100 mg/kg d.s.). Derhalve heeft geen aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond heterogeen lichte verontreinigingen zijn aangetoond met OCB (gamma-HCH, DDE, DDD, en drins).
De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor en komen overeen met de resultaten van voorgaand onderzoek. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie B: gedempte watergang Zintuiglijk werd tijdens uitvoeren in de slibhoudende laag een lichte oliegeur waargenomen. In het traject van 1,00 tot 1,05 m-mv van boring B02 werd een zeer plaatselijke puinlaag aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de slibhoudende laag lichte verontreinigingen zijn aangetoond met cadmium, koper, kwik, nikkel, zink en lood minerale olie. In het grondwater werden geen verontreinigingen aangetoond met de minerale olie en vluchtige aromaten). De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Voor de aangetoonde dunne puinlaag geldt dat deze afwijkt van de bijmengingen die bij eerdere onderzoeken zijn aangetoond. Echter omdat deze bij nader onderzoek niet meer is teruggevonden wordt aangenomen dat het om een “toevalstreffer’’ gaat.
Deellocatie C: voormalige meststoffen- en bestrijdingsmiddelenopslag (<100 m2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond een lichte verontreiniging is aangetoond met lood. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond met barium en xylenen, er is geen gehalte aan fosfaat of stikstof gemeten. In het grondwater zijn geen OCB aangetoond.
pagina 22 van 24
documentkenmerk: 2108/140/NL-01, versie 0
De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie D: voormalige aanmaak meststoffen en opslag bestrijdingsmiddelen (<100 m 2) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond lichte verontreinigingen zijn aangetoond met zink, minerale olie, en OCB (gamma HCH en DDE). In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond met barium. Tevens is een minimaal gehalte aan stikstof gemeten van 1,7 mg/l. In het grondwater zijn geen OCB aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Voor het gehalte aan stikstof geldt dat de verhoging zo minimaal is, dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusies Bij eerder uitgevoerde onderzoeken [4, 5 en 6] zijn sterke verontreinigingen aangetoond met koper en minerale olie.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er bezwaren tegen de onroerend goed transactie en/of herontwikkeling in verband met de lichte tot sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond, de sterke verontreiniging met koper in de bovengrond en de sterke asbestverontreiniging in de volledig asbesthoudende laag (asbestnest) ter plaatse van de gedempte put. De aangetoonde lichte verontreinigingen uit de voorgaande onderzoeken zijn middels onderhavig onderzoek bevestigd. Op locatie is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, derhalve geldt geen saneringsplicht. Het is echter mogelijk dat binnen de grenzen van de locatie meerdere spots met (sterk) verontreinigde concentraties aanwezig zijn. Om de werkzaamheden in de (sterk) verontreinigde grond veilig en op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze uit te voeren, wordt geadviseerd om de (sanerings)werkzaamheden uit te voeren conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. In dat geval dient een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is.
Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. In hoofdstuk 5 is een indicatie van de toepassingsmogelijkheden weergegeven.