Bijlage 1h. Transect-rapport archeologie
Tekst van het document
Transect-rapport 4269 Bruchem, Nieuwstraat 3A Gemeente Zaltbommel (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
I. Korver, D.L. Scheeringa en J.P.M. de Wit
Versie
Versie 1.1
Projectcode
22070084
Datum
2-12-2022
Opdrachtgever
Legalexion
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Veldonderzoek
T. Nales (Senior KNA Prospector) J. de Wit
Onderzoeksmelding
5285594100
Bevoegde overheid
Gemeente Zaltbommel
Adviseur bevoegde overheid
Omgevingsdienst Regio Rivierenland
Status
Nog te beoordelen door bevoegde overheid
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (23-09-2022)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 2-12-2022
Paraaf
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting In opdracht van Legalexion heeft Transect in het najaar van 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Nieuwstraat 3a (gemeente Zaltbommel). Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek zijn in de ondergrond van het plangebied naar verwachting afzettingen van twee stroomgordels aanwezig. De oudste is de Broek stroomgordel die tussen circa 3640 v.Chr. en 2850 v.Chr. (Midden-Neolithicum). De tweede stroomgordel is de Bruchem stroomgordel. Deze stroomde tussen circa 610 v.Chr. en 190 na Chr. Deze periode omvat grofweg de IJzertijd tot en met de eerste helft van de Midden Romeinse tijd. Uit archeologische gegevens uit de directe omgeving van het plangebied valt af te leiden dat hier veel bewoningsactiviteit heeft plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd. Zo zijn meerdere nederzettingsterreinen aanwezig. Tevens zijn archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend.
Uit de Late Middeleeuwen betreffen het slechts enkele vondsten, maar bewoning uit deze periode is tot dusver niet waargenomen. Vondsten die voor de IJzertijd dateren zijn schaars. Hiervan is één vindplaats aanwezig, die dateert uit het Laat-Neolithicum. Archeologisch gezien is de verwachting op resten uit de periode voorafgaand aan het MiddenNeolithicum voor het plangebied laag. Archeologische resten uit deze perioden zijn naar verwachting geërodeerd door rivieractiviteit van de Broek stroomgordel. Resten op de Broek stroomgordel zijn vervolgens geërodeerd door de Bruchem stroomgordel, waardoor in het plangebied pas vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen archeologische resten te verwachten zijn. De verwachting hierop is hoog en is gebaseerd op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen uit deze perioden in de directe omgeving van het plangebied. Resten uit de Late Middeleeuwen en Midden Nieuwe tijd zijn waarschijnlijk niet aanwezig, maar kunnen op dit moment ook niet uitgesloten worden. Dit is het gevolg van enkele losse vondsten in de omgeving van het plangebied. De verwachting is daarom middelhoog. Vanwege de afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal geldt voor de Late Nieuwe Tijd een lage verwachting. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in het noorden van het plangebied oever- op geul- op beddingafzettingen aanwezig zijn.
Deze afzettingen behoren toe aan de Bruchem stroomgordel. In het westen van het plangebied is de top van de oeverwalafzettingen niet meer aanwezig en plaatselijk afgedekt door een puinlaag. In het overige deel van het plangebied bleek aan de hand van karterend boringen geen cultuurlaag in de top van de intacte oeverwalafzettingen aanwezig te zijn. Tevens zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Op grond van deze resultaten is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen. De hoge verwachting voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen en de middelhoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Midden Nieuwe Tijd kan worden bijgesteld naar laag. De lage verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Bronstijd is bevestigd, doordat de Bruchem stroomgordel deze geërodeerd, dan wel verspoeld heeft.
Advies Op basis van het onderzoek is geconstateerd dat in het plangebied geen archeologisch relevant niveau aanwezig is. Geadviseerd wordt voor zones in het plangebied waar de ontwikkelingen plaats zullen vinden geen dubbelbestemming archeologie op te nemen. Voor het overige deel adviseren wij de huidige dubbelstemming te blijven hanteren. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen geen aanvullende maatregelen nodig. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Zaltbommel) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
4
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
6
5.
Beleidskader
7
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
8
7.
Beschrijving bekende archeologische kenmerken
11
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
18
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
24
10. Resultaten veldonderzoek
28
11. Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek
31
12. Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
33
13. Conclusie en Advies
34
14. Geraadpleegde bronnen
36
Bijlage 1: Plantekening
39
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Zaltbommel
40
Bijlage 3: Geomorfologie
42
Bijlage 4: Hoogtekaart
43
Bijlage 5: Bodemkaart
45
Bijlage 6: Archeologische informatie
46
Bijlage 7: Boorpuntenkaart
47
Bijlage 8: Archeologische advieskaart
48
Bijlage 9: Foto’s van boringen
49
Bijlage 10: Boorbeschrijvingen
51
1. Aanleiding In opdracht van Legalexion heeft Transect1 in het najaar van 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Nieuwstraat 3A (gemeente Zaltbommel). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van woningbouw, bebossing en het uitgraving van watergangen. In het plangebied geldt in het bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel (2014) een Waarde – Archeologie 2. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv reiken. De precieze ontgravingsdieptes zijn ten tijde van het schrijven van dit rapport nog niet bekend, maar deze zullen de ontgravingsgrens uit het bestemmingsplan zeker overschrijden. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen van de toekomstige ontwikkeling (circa 1,1 ha, met bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, het Plan van Aanpak (De Wit, 2022) en de richtlijnen van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is er navraag gedaan bij de Historische Kring Bommelerwaard voor aanvullende informatie (via algemene e-mailadres; d.d. 09-112022). Een volledige lijst met geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 13. Het bureauonderzoek geeft antwoord op de volgende vragen (Stiller en Van Oort, 2018): 1.
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? 2. Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? 3. Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor-en vondstniveaus, ophogings-of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem? 4. Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? 5. Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? 6. Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. 7.
Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase? Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O).
2
Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? 2. Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? 3. In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? 4. Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Ook zijn de richtlijnen van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) in acht genomen (Stiller en Van Oort, 2018).
3
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Zaltbommel
Plaats
Bruchem
Toponiem
Nieuwstraat 3a
Kaartblad
45A
Centrumcoördinaat
144.775 / 421.390
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Nieuwstraat 3a in Bruchem (gemeente Zaltbommel). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied de percelen KWK02 Sectie N nummers 108, 546 en 547. De begrenzing wordt gevormd door de kadastrale grenzen van deze percelen. Het plangebied omvat circa 1,1 ha.
4
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).
5
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Bestemmingsplanwijziging
Oppervlakte plangebied
Circa 1,1 ha
Planvorming
Sloop deel bestaande bebouwing, realisatie nieuwbouw, bebossing en watergangen
Omvang verstoringen
Woning met bijgebouw (circa 200 m2) Amoveren schuur (circa 400 m2) Aanplanten bebossing (circa 2800 m2) Aanleg drassig grasland en watergang (circa 2800 m2)
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden, heiwerkzaamheden
Diepte verstoring
Onbekend (>50 cm)
Voor het plangebied bestaan herinrichtingsplannen (bron: opdrachtgever; bijlage 1). Het voornemen bestaat om een deel van de bestaande schuur te slopen (circa 400 m2) om daar vervolgens een nieuwe particuliere woning en schuur (circa 200 m2) te realiseren. Tevens zal in het oostelijk deel van het plangebied bebossing aangeplant worden (circa 2800 m2). Meer centraal in het plangebied wordt het maaiveld verlaagd en worden watergangen uitgegraven om een drassig grasland te creëren (circa 2800 m2). Een inrichtingstekening van de toekomstige situatie is weergegeven in bijlage 1. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijzing nodig. De bodemingrepen zullen naar verwachting het bodemarchief en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden aantasten. Waarschijnlijk zullen onder de toekomstige bebouwing ook heipalen nodig zijn. Hoe diep de ingrepen zullen reiken is echter nog niet bekend, aangezien de technische tekeningen voor de bebouwing nog worden opgesteld. Er zijn geen effecten op het grondwaterpeil voorzien.
6
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel 2014
Onderzoeksgrens
100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2023 in werking zal treden. In het bestemmingsplan “Buitengebied Zaltbommel 2014” heeft het plangebied Waarde – Archeologie 2 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart (Goossens, van Hemmen & Breimer 2010; bijlage 2). Hierop heeft het plangebied een Waarde – Archeologie 2. De vrijstellingsgrenzen van deze waarde zijn overgenomen in het bestemmingsplan.
Deze houden in dat bij bouwwerken en/of bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 50 cm -Mv, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Gezien het grotere verstoringsoppervlakte en -diepte betekent dat in dit geval er in het kader van de bestemmingsplanwijziging een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is (zie hoofdstuk 4). In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.
7
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Utrechts-Gelders Rivierengebied
Geomorfologie
Stroomrug of stroomgordel
Maaiveld
2,6 – 2,1 m +NAP
Bodem
Poldervaaggrond
Grondwater
GWT-VI (westelijk deel) en IV (oostelijk deel)
Landschapsgenese Het plangebied ligt in het zuidelijk deel van de Betuwe en maakt deel uit van het Midden- Nederlandse rivierengebied. Landschappelijk ligt het plangebied aan de zuidkant van het oude, pleistocene rivierdal van de Rijn, dat zich tussen circa 40000 en 20000 jaar geleden heeft kunnen vormen (Cohen e.a., 2012). Toentertijd lag er een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door de riviergeulen werd in het dal grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (De Mulder e.a., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanaf 15000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, circa 13000 tot 12000 jaar geleden en 11500 tot 11000 jaar geleden). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld.
De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een “getrapt” rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd ‘Hochflutlehm’ afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf circa 10000 jaar geleden, in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werd afgewisseld door de vorming van veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven.
Het moment waarop dit optrad, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Op die punten trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op. Geologie 8
Binnen 500 m van het plangebied zijn geen boringen in het Dinoloket van TNO bekend (www.dinoloket.nl). Wel valt op basis van een lithologische dwarsdoorsnede uit het Dinoloket van TNO waar te nemen dat in het plangebied tot een diepte van circa 4,0 m -Mv (-2,6 m -NAP) rivierafzettingen voorkomen die toegeschreven zijn aan de Formatie van Echteld (figuur 2). Daaronder bevinden zich grofzandige rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye.
Figuur 2: Lithologische dwarsdoorsnede (BRO GeoTOP v1.4.1) van het plangebied (bron: www.dinoloket.nl). De ligging van het plangebied is door middel van een rode sterk aangeduid.
Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een stroomrug of stroomgordel (code 10B44, bijlage 2, www.pdok.nl). Volgens Cohen et al. (2012) zijn in het plangebied twee stroomgordels aanwezig. De oudste is de Broek stroomgordel die tussen circa 3640 v.Chr. en 2850 v.Chr. Deze periode valt binnen het Midden-Neolithicum. Beddingafzettingen van deze stroomgordel kunnen aanwezig zijn vanaf circa +0,5 en 0,0 m NAP. De tweede stroomgordel is de Bruchem stroomgordel. Deze stroomde tussen circa 610 v.Chr. en 190 na Chr. Deze periode omvat grofweg de IJzertijd tot en met de eerste helft van de Midden Romeinse tijd. Beddingafzettingen van deze stroomgordel kunnen aanwezig zijn vanaf 2,7 – 1,4 m +NAP. Het is zeer aannemelijk dat activiteit van de Bruchem stroomgordel eventuele archeologische resten die op afzettingen van de Broek stroomgordel aanwezig waren, opgeruimd heeft. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied varieert (bron: www.ahn.nl; versie 4; bijlage 3). In het westen rondom de bebouwing ligt het maaiveld rond 2,6 – 2,5 m +NAP. De weilanden in het oosten van het plangebied liggen op een hoogte van 2,2 – 2,1 m +NAP. Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied poldervaaggronden te verwachten (kaartcode Rd95A, bijlage 4, www.pdok.nl).
Deze gronden zijn over het algemeen kalkhoudende, sterk zandige kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Daarbij worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond. Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (De Bakker, 1966).
9
In het plangebied gelden volgens de bodemkaart twee grondwatertrappen. In het westelijk deel van het plangebied is op de bodemkaart grondwatertrap VI gekarteerd. Dit deel omvat circa een kwart van het plangebied. Dit duidt op over het algemeen relatief droge gronden waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich tussen 40 – 80 cm -Mv bevindt. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) kan daarentegen beneden 120 cm -Mv bevinden. In het oostelijk deel van het plangebied is grondwatertrap IV aanwezig. Dit deel omvat circa driekwart van het plangebied. Dit duidt op over het algemeen wat nattere gronden waarbij de GHG beneden de 40 cm -Mv ligt. De GLG bevindt zich tussen 80 en 120 cm -Mv. Het verschil in grondwatertrap in het plangebied moet waarschijnlijk gezocht worden in het maaiveld verschil tussen het oosten en het westen van het plangebied. De wisselingen in grondwaterstanden leiden ertoe dat onverbrande organische resten, zoals bot- of plantenmateriaal boven de GHG naar verwachting volledig vergaan zijn. Tussen de GHG en de GLG zullen deze naar verwachting (groten)deels gedegradeerd zijn. Beneden de GLG zijn dergelijke resten naar verwachting goed geconserveerd. In humeuze(re) lagen kunnen onverbrande organische resten ook boven de GLG beter bewaard zijn gebleven.
10
7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de gemeentelijke beleidskaart van de gemeente Zaltbommel (Goossens, van Hemmen & Breimer 2010) kent het plangebied een middelhoge verwachting vanwege de ligging op de Bruchem stroomgordel. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Informatie uit overige bronnen De Historische Kring Bommelerwaard (R. van Zeelst; d.d. 20-11-2022) geeft dat het plangebied in een archeologisch interessant gebied ligt. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere vondsten gedaan, die een indicatie geven van vrijwel continue bewoning in het gebied. Enkele genoemde vondstmeldingen zijn opgenomen in dit rapport (tabel 2).
Archeologisch gezien valt op basis van de vondstmeldingen en uit de resultaten van de reeds uitgevoerde onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied af te leiden dat in de directe omgeving van het plangebied veel activiteit heeft plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd. Zo zijn meerdere nederzettingsterreinen bekend. Tevens zijn archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Uit de Late Middeleeuwen zijn enkele vondsten bekend, maar bewoning is tot dusver niet aangetroffen. Oudere vondsten zijn schaars. Hiervan is slechts één vindplaats aanwezig, daterend uit het Laat-Neolithicum. Vermoedelijk zijn veel oudere resten door latere rivieractiviteiten opgeruimd. De resten zouden zich volgens de onderzoeken kunnen kenmerken door een cultuurlaag. Vaak bevindt deze zich in de top van oeverafzettingen. Soms zijn archeologische niveaus begraven onder jongere afzettingen.
11
Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstand-windrichting
Type onderzoek
Bevindingen
Bron
2182289100
Peperstraat
498 m ten noorden
Booronderzoek
In het plangebied zijn zijn 3 boringen gezet. Er is een zware zavelbovengrond aangetroffen met daaronder een lichte zavelondergrond. Daarbeneden beddingzand. Dit is kenmerkend voor oeverwalafzettingen. Deze behoren tot de Formatie van Echteld. Op locatie ook een donkere bovengrond. Gedeelte van de bovengrond is waarschijnlijk ophogingsmateriaal van de terp behorende bij Peperstraat 39. In een boring is ook sterk gefragmenteed bot en aardewerk aangetroffen.
Thijs en Wullink (2008)
215 m ten westen
Booronderzoek
In het plangebied is in vier van de zeven boringen aardewerk uit de Late IJzertijd – Romeinse tijd aangetroffen. Deze bevinden zich in de top van de oeverafzettingen die zich op circa 30-70 cm -Mv bevinden. Onder de oeverafzettingen is beddingzand aangetroffen.
Stiekema (2013)
2400989100 / 2400997100
2406318100
Broekheuvelstraat 3
385 m ten noorden
Booronderzoek
In het plangebied zijn oever- en geulafzettingen van de Bruchemse stroomgordel aangetroffen. In 1 boring is onverbrand dierenbot en een scherfje grijsbakkend aardewerk aanwezig. Vermoedt wordt dat hier een laatmiddeleeuws grondspoor is aangeboord.
Kerkhoven en Pape (2013)
2089577100
Nieuwstraat
193 m ten zuiden
Booronderzoek
In het plangebied is een archeologische vindplaats uit de Ijzertijd-Romeinse tijd aangetroffen (vindplaats 1) In twee naast elkaar gelegen
Flokstra en Heunks (2003)
/ 3237921100
12
boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de top van de oeverafzettingen (bouwvoor). Op een dieper niveau zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Op grond hiervan betreft het vermoedelijk een akkerareaal uit deze periode behorend bij een nederzettingsterrein in de nabije omgeving van de vindplaats. De kans op aanwezigheid van sporen van bewoning op vindplaats 1 is zeer gering. Mogelijk zijn wel lokale grondsporen aanwezig, zoals greppels. 2412911100
Geerweg 1-3
220 m ten westen
Proefsleuvenonderzoek
Binnen het plangebied zijn sporen aangetroffen die dateren uit de Romeinse tijd. Het betreft (paal)kuilen en greppels die wellicht behoren tot twee huisplattegronden. Ook is er een afvalkuil aangetroffen. Ook zijn er 75 scherven aardewerk aangetroffen die gedateerd kunnen worden in deze periode.
Hos (2013)
2376073100
Vreedstraat-zuid
388 m ten noordwesten
Booronderzoek
Het betreft een verkennend booronderzoek (vier boringen) voor een toekomstige woning op deze lokatie (1500 m2). Hoge verwachting, AMK terrein 4203.
Miedema (2012)
2388507100
Vreedstraat
390 m ten noordwesten
Proefsleuvenonderzoek
Het plangebied maakt deel uit van het 2,1 ha grote, archeologische monument (nr. 4203, toponiem Vreedstraat/Geerweg, de Weeswoord) van hoge archeologische waarde (45A- 030). Vermoedelijk is hier een nederzetting gelegen uit het laat-neolithicum en uit de periode van de
Veenstra (2013)
13
Romeinse tijd tot en met de vroege middeleeuwen. In totaal zijn twee proefsleuven aangelegd. Uit het onderzoek dat tot nu toe in het plangebied is uitgevoerd, blijkt dat het plangebied ligt op de kruising van verschillende nevengeulen van de stroomgordel van Bruchem. Vermoedelijk was bij de ontginning van het gebied in de middeleeuwen deze restgeul nog deels in het landschap zichtbaar. De nog aanwezige laagte is vervolgens gebruikt om de Burgegraaf in aan te leggen. Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat zich in het oostelijk deel van het onderzochte terrein een begraven bodemlaag bevindt waarin vondsten uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Sporen van bewoning waaraan het vondstmateriaal is te koppelen zijn niet aangetroffen. Wel is een mogelijke onderkant van een kuil aangetroffen die mogelijk aan activiteit in de betreffende periode is toe te schrijven. Verder zijn vier greppels aangetroffen, waarvan de datering onduidelijk is, maar die vermoedelijk na de Romeinse tijd gedateerd moeten worden. Het vondstmateriaal en de eventuele kuil representeren mogelijk off-site activiteit van bewoning verder zuidoostwaarts op de stroomruggrond. De datering van het aardewerk als geheel lijkt de gehele tweede eeuw na Chr. te beslaan. Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat de bijbehorende menselijke activiteit in de omgeving in deze periode heeft plaatsgevonden.
De vindplaats wordt op grond van fysieke en inhoudelijke kwaliteit niet als behoudenswaardig 14
aangemerkt. De archeologische resten representeren mogelijke bewoning die buiten het plangebied, namelijk ten zuidoosten hiervan, heeft plaatsgevonden. 2441926100
2411753100
Vreedstraat
200 m ten westen
Opgraving
Uit de opgraving blijkt dat de periferie van een Romeinse vindplaats is aangetroffen. Zowel uit het handgevormde als het gedraaide aardewerk komt naar voren dat de activiteiten op deze vindplaats vermoedelijk op zijn vroegst in de late 1eeeuw na Chr. een aanvang namen. Het merendeel van het aardewerk dateert echter uit de 2eeeuw. De 3eeeuw na Chr. ontbreekt zeker niet, getuige de aanwezigheid van onder meer een bord Niederbieber 112 en verschillende fragmenten van ten minste één pot Willems T2. De totale omvang van de vindplaats is nog onbekend. Wel strekt de vindplaats zich in alle windrichtingen uit. Het beeld van deze vindplaats past goed in de regionale traditie/ het bewoningsmodel, zoals die bekend is van diverse nederzettingen in de omgeving en dan in het bijzonder Zaltbommel -De Wildeman.
Diependaal en van der Linden (2016)
353 m ten westen
Opgraving
Vervolg op 2388507100. Het plangebied vormt het noordwestelijk deel van een 2,1 ha groot, archeologisch monument van hoge archeologische waarde (AMK nr. 4203, 45A-030). Het monument heeft in het verleden vele vondsten opgeleverd uit de periode laat-neolithicum tot en met de Karolingische tijd. De opgraving is gesitueerd op de flank van een stroomrug die onderdeel vormt van de Bruchemse meandergordel. Aan de noord- en
Van der Linde (2016)
15
westzijde zijn bij het onderzoek de randzones van twee restgeulen aangesneden. Het onderzoek heeft verschillende vindplaatsen opgeleverd uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Veruit de meeste resten zijn afkomstig van bewoning in de Romeinse tijd. De vroegste resten bestaan uit enkele tientallen stuks aardewerk, vuursteen en botmateriaal uit de periode laat-neolithicum tot ijzertijd. Slechts één grondspoor is aan deze fase toe te wijzen. De vondsten liggen voor een deel in een door jonger sediment afgedekte bodemhorizont of laklaag op de flank van de stroomrug nabij de restgeul.
16
Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen die niet samenhangen met archeologisch onderzoek rondom het plangebied (<500 m).
Zaak-ID
Toponiem
Afstandwindrichting
Type onderzoek
Datering
Omschrijving vondstmelding
2924249100
De Burge
364 m ten westen
Niet archeologisch: Metaaldetector
Romeinse Tijd
Betreft dertig vondsten. Met name metaalvondsten (munten, fibulae etc.) uit de Romeinse tijd. Tevens is een fragment van een La Tene armband aanwezig.
3176256100
De Burge
361 m ten westen
Niet archeologisch: Metaaldetector
Romeinse Tijd
Betreft 23 metaalvondsten. Hierin zijn met name fibulae uit de Romeinse tijd aanwezig.
3176637100
Het Burge
330 m ten westen
Niet archeologisch: Metaaldetector
Laat-Neolithicum – Nieuwe Tijd
Het betreft tientallen vondsten, voornamelijk metaal en aardewerk, daterend in de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Sporadisch zijn ook vondsten uit de IJzertijd en Nieuwe Tijd aangetroffen. Tevens is een enkele scherf uit het Laat-Neolithicum aanwezig.
2818958100
De Burge
345 m ten westen
Niet archeologisch
Laat-Romeinse Tijd
Vondst uit Laat-Romeinse tijd.
2853366100
De Burge
435 m ten westen
Niet archeologisch: Metaaldetector
Late IJzertijd – Romeinse Tijd
6 vondsten. Met name metaal uit de Romeinse tijd (fibulae, munten etc.). Tevens is een fragment La Tene glas aangetroffen uit de Late IJzertijd – Romeinse tijd.
17
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Aard historisch landgebruik
Weiland
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie De oudste bebouwing in Bruchem bestaat uit de voor het gebied karakteristieke T-boerderijen. Een deel hiervan staat op vluchtheuvels of terpen. Vaak liggen deze op of aan de flank van een (Bruchem) stroomrug, die het middelste deel van de Bommelerwaard doorsnijdt. Deze stroomrug was de enige doorgaande route door dit gebied. De overige, lager gelegen delen waren te nat en daardoor slecht begaanbaar. De oorsprong van Bruchem ligt waarschijnlijk in de 9e en 10e eeuw na Chr. Het gestrekte esdorp wordt in 906 voor het eerst vermeld. Het dorp wordt dan aangeduid als “Breghem”.
De latere benaming “Brokhem” (960) geeft aan dat het hier ging om een ‘hem’ (woonplaats) in een ‘brok’ of ‘broek’ (moerassig gebied). Bruchem ontwikkelde zich in de Middeleeuwen langs de Dorpsstraat, de Peperstraat en de Molenstraat (Goossens e.a., 2010). Op de oudst geraadpleegde kaart, het Kadastraal Minuutplan van 1811-1832, is het plangebied onbebouwd (figuur 3). De Nieuwstraat, waaraan het plangebied gelegen is, was toen al aanwezig. Het plangebied bestaat in deze periode uit twee percelen, een noordelijke en een zuidelijke. Uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT’s) valt op te maken dat beide percelen in gebruik zijn als weiland. Op een kaart van rond 1850 (figuur 4) is te zien dat deze percelering is verdwenen. Het is niet geheel duidelijk of het plangebied één perceel vormt of dat het plangebied wederom is verdeeld in twee percelen, waarbij het tweede perceel een smalle strook langs de noordoostzijde van het plangebied ligt. Deze situatie blijft tot 1975 bestaan. Op een kaart van 1975 (figuur 8) is te zien dat het plangebied weer uit een noordelijk en een zuidelijk perceel bestaat. Langs de noordrand van het plangebied is bebouwing zichtbaar. Figuur 9 laat een kaart uit 1978 zien waarop de bebouwing op het noordelijk perceel alweer gewijzigd is. Deze bebouwing breidt in 1988 nog een keer uit (figuur 10).
In 2010 lijkt de bebouwing nogmaals uitgebreid te zijn, waarbij tevens aan de oostzijde van het noordelijke perceel een waterpartij uitgegraven is (figuur 10). Deze situatie is sindsdien niet meer veranderd. (figuur 10). Volgens gegevens van het Kadaster stamt alle bebouwing in het plangebied uit 1974 (bagviewer.kadaster.nl). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl).
18
Huidig gebruik en bodemverstoringen De noordelijke helft van het plangebied is ten tijde van het onderzoek deels bebouwd (circa 400 m2) en in gebruik als erf. Aan de oostzijde is hier een waterpartij aanwezig van onbekende diepte. De rest van het plangebied is in gebruik als grasland. Het is aannemelijk dat de realisatie van de verscheidene gebouwen en de waterpartij in het plangebied voor bodemverstoringen hebben gezorgd. De exacte diepte van deze verstoringen is niet bekend, aangezien de bouwtekeningen van de bebouwing niet beschikbaar zijn (regionaalarchiefrivierenland.nl). Tevens zal het historisch landgebruik voor kleinschalige bodemverstoringen hebben gezorgd. In het plangebied heeft niet eerder een saneringsproject plaatsgevonden (gelderland.omgevingsrapportage.nl).
19
Figuur 3: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
20
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
21
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1978 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1988 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
22
Figuur 9: Uitsnede van een topografische kaart uit 2010 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 10: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).
23
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het bureauonderzoek zijn in de ondergrond van het plangebied naar verwachting afzettingen van twee stroomgordels aanwezig. De oudste is de Broek stroomgordel die tussen circa 3640 v.Chr. en 2850 v.Chr. (Midden-Neolithicum). De tweede stroomgordel is de Bruchem stroomgordel. Deze stroomde tussen circa 610 v.Chr. en 190 na Chr. Deze periode omvat grofweg de IJzertijd tot en met de eerste helft van de Midden Romeinse tijd. Uit archeologische gegevens uit de directe omgeving van het plangebied valt af te leiden dat hier veel bewoningsactiviteit heeft plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd. Zo zijn meerdere nederzettingsterreinen aanwezig. Tevens zijn archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Uit de Late Middeleeuwen betreffen het slechts enkele vondsten, maar bewoning uit deze periode is tot dusver niet waargenomen. Vondsten die voor de IJzertijd dateren zijn schaars. Hiervan is één vindplaats aanwezig, die datereert uit het Laat-Neolithicum. Archeologisch gezien is de verwachting op resten uit de periode voorafgaand aan het MiddenNeolithicum voor het plangebied laag. Archeologische resten uit deze perioden zijn naar verwachting geërodeerd door rivieractiviteit van de Broek stroomgordel.
Resten op de Broek stroomgordel zijn vervolgens geërodeerd door de Bruchem stroomgordel, waardoor in het plangebied pas vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen archeologische resten te verwachten zijn. De verwachting hierop is hoog en is gebaseerd op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen uit deze perioden in de directe omgeving van het plangebied. Resten uit de Late Middeleeuwen en Midden Nieuwe tijd zijn waarschijnlijk niet aanwezig, maar kunnen op dit moment ook niet uitgesloten worden. Dit is het gevolg van enkele losse vondsten in de omgeving van het plangebied. De verwachting is daarom middelhoog. Vanwege de afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal geldt voor de Late Nieuwe Tijd een lage verwachting. Stratigrafische positie Archeologische resten in het plangebied zullen zich in de top van oeverafzettingen van de Bruchem stroomgordel bevinden. Deze bevindt zich naar verwachting direct onder de moderne bouwvoor. De dikte van deze bouwvoor is niet bekend, maar zal waarschijnlijk circa 30 cm bedragen. Complextypen In het plangebied worden verhoogde en onverhoogde nederzettingsterreinen, grafvelden en sporen van infrastructuur en landgebruik verwacht. Nederzettingscomplexen in de omgeving van het plangebied kenmerken zich door een cultuurlaag, vondstlaag en/of ophooglaag.
Een dergelijke laag kenmerkt zich door een donkergekleurde, humeuze laag met archeologische indicatoren. In de omgeving van het plangebied zijn in een dergelijke laag houtskool, bot en aardewerk aangetroffen. In het plangebied is een dergelijke laag ook te verwachten. De omvang van de te verwachtte complextypen is onbekend. Tevens kunnen in deze lagen grondsporen aanwezig zijn als onderdeel van palen van structuren (huizen, bijgebouwen) en afval- en beerkuilen en waterputten. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten is het in eerste instantie de vraag in hoeverre in het plangebied nog archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Het archeologisch relevante niveau, de top van oeverafzettingen van de Bruchem stroomgordel, kan als gevolg van latere
24
activiteiten (agrarisch landgebruik, realisatie bebouwing, uitgraven waterpartij) namelijk zijn verdwenen. Om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek te kunnen toetsen dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Indien in dit onderzoek een intact bodemprofiel wordt aangetroffen, waarin zich een archeologisch relevant niveau bevindt kan ter plaatse een karterend booronderzoek uitgevoerd worden. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten aanwezig zijn. Voor de methodiek van dit verkennende en karterend booronderzoek alsmede de resultaten hiervan wordt verwezen naar Hoofdstuk 10.
25
Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel
1
2 3 4
Archeologische verwachting Datering
Complextype Omvang Diepteligging
Laag
Laat-Paleolithicum- Vroeg Neolithicum
Laag
Midden Neolithicum-Bronstijd
Hoog
IJzertijd-Vroege Middeleeuwen
Middelhoog
Late Middeleeuwen-Midden Nieuwe Tijd
Laag
Late Nieuwe Tijd
Reden Archeologische resten uit deze periode zijn naar verwachting opgeruimd door rivieractiviteit van de Broek stroomgordel die in het MiddenNeolithicum actief was. Archeologische resten uit deze periode zijn naar verwachting opgeruimd door rivieractiviteit van de Bruchem stroomgordel die vanaf het begin van de IJzertijd tot en met de Midden Romeinse tijd actief was. In het plangebied zijn naar verwachting oeverafzettingen van de Bruchem stroomgordel aanwezig. Op deze afzettingen zijn in de directe omgeving van het plangebied meerdere vindplaatsen uit deze periode aangetroffen, waarbij het zwaartepunt in de periode IJzertijdRomeinse tijd lijkt te liggen. Hoewel het plangebied volgens historische kaarten niet bebouwd was, kan de aanwezigheid van archeologische resten uit deze periode niet in enigszins zekere mate uitgesloten worden. Dit is mede vanwege enkele vondsten uit deze periode in de directe omgeving van het plangebied Afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal
Huisplaatsen, grafvelden, sporen van landgebruik 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top oeverafzettingen gelegen onder een moderne bouwvoor die naar verwachting circa 30 cm dik is.
26
5
Gaafheid en conservering
-
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
Agrarisch landgebruik, realisatie bebouwing, uitgraven waterpartij
8
De kans is aanwezig dat eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied (deels) verstoord zijn door latere activiteiten (agrarisch landgebruik, realisatie bebouwing, uitgraven waterpartij). Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten of cultuurlagen.
27
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het kader van de ruimtelijke procedure ten behoeve van de nieuwe woning en het uitgraven van de watergangen in het plangebied een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; De Wit, 2022). De boringen zijn daarbij gebruikt om de mate van intactheid van de bodem en de bodemopbouw zelf te bepalen en vast te stellen of en waar archeologische resten aanwezig zijn. In totaal zijn in het plangebied zeven boringen gezet (boring 1-7). De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Ze hebben een diepte tot maximaal 325 cm –Mv, tot in de beddingafzettingen. Beneden de grondwaterspiegel (circa 140 cm -Mv) is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 10.
Tevens is er op de locaties waar intacte oeverafzettingen zijn aangetroffen, karterend geboord met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot 30 cm in de top van de oeverafzettingen (conform boormethode D1, KNA leidraad Karterend booronderzoek; Tol, 2012). De monsters zijn in het veld verbrokkeld en doorzocht op archeologische indicatoren. Ook heeft er in het oosten van het plangebied, ter plaatse van de weilanden, een veldinspectie plaatsgevonden. De boringen zijn in de gebieden gezet waar de toekomstige ontwikkelingen plaats zullen gaan vinden. Dit betreft een viertal boringen rondom de huidige bestaande schuur in het westen van het plangebied, een tweetal boringen in het centrale deel van het plangebied waar een watergang gegraven zal worden en een boringen in het oosten van het plangebied waar het bos aangeplant zal worden. Rondom de bestaande schuur was een puinlaag van circa 50-70 cm -Mv aanwezig. De boringen zijn daarom in uitgegraven putten gezet, waarin de puinlaag afgegraven is. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied bebouwd met een loods (circa 400 m2) en deels verhard met stelconplaten (300 m2).
In het noordoosten van het plangebied is een vijver aanwezig (circa 1200 m2). Deze heeft een diepte van circa 1,5 – 2,0 m -Mv (persoonlijk contact eigenaar). Het overige deel van het plangebied is begroeid met gras. Het maaiveld is vlak: er is geen sprake van opvallend reliëf. Er waren een drietal kijkgaten gegraven door de milieudienst die op dezelfde dag aanwezig waren (23-09-2022). Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 11.
28
Figuur 11: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (23-09-2022) met linksonder één van de kijkgaten gegraven door de milieudienst.
Bodemopbouw en lithologie De natuurlijke ondergrond in het plangebied bestaat uit sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand. Het is kalkrijk, grijs van kleur en matig gesorteerd. Het zand is geïnterpreteerd als beddingafzettingen, waarvan de top zich op 115 – 320 cm -Mv (-0,70 - +1,00 m NAP) bevindt. Op de zandige beddingafzettingen bevindt zich een laag klei, dat sterk zandig, slap en kalkrijk is. Tevens bevinden er zich veel dunne zandlagen in deze laag en is het geheel grijs van kleur. Deze laag is eveneens geïnterpreteerd als beddingafzettingen, maar het is ook mogelijk dat deze laag geulafzettingen van een verlande geul betreft. De top hiervan bevindt zich op 100 – 220 cm -Mv (0,40 – 1,20 m NAP). In boring 4 is er op de kleiige beddingafzettingen tussen de 180 – 220 cm -Mv (0,40 – 0,80 m +NAP) een laag donkergrijze, sterk zandige en matig humeuze klei aanwezig. Deze laag is geïnterpreteerd als geulafzettingen van een verlande geul. Op de bedding- en/of geulafzettingen is een laag sterk zandige klei aanwezig, die bruingrijs tot grijs van kleur is. De klei is matig stevig, kalkrijk en bevat schelpengruis en een spoor van plantenresten. De top van deze laag is gerijpt; deze is lichtbruin van kleur, kalkarm en zwak humeus. De klei is geïnterpreteerd als oeverafzettingen, waarvan de top onder de bouwvoor en/of puinlaag aanwezig is (20 – 70 cm -Mv; 1,90 – 2,05 m NAP).
In het westen van het plangebied, rondom de schuur (boring 14), is de top van de oeverwalafzettingen niet meer aanwezig. Tevens heeft ter plaatse van de puinlaag (boring 3 en 4) verstikking van de oeverafzettingen opgetreden, waardoor deze blauwgrijs is geworden.
29
Archeologische indicatoren De opgeboorde grondmonsters zijn te velde doorzocht op de aanwezigheid van archeologische en ecologische indicatoren. In de boringen zijn enkele houtskoolspikkels en roest en mangaanvlekken aangetroffen. Tijdens de veldinspectie zijn geen vondsten aangetroffen. Interpretatie Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in het noorden van het plangebied oever- op geul- op beddingafzettingen aanwezig zijn. Deze afzettingen behoren toe aan de Bruchem stroomgordel. In het westen van het plangebied is de top van de oeverwalafzettingen niet meer aanwezig en plaatselijk afgedekt door een puinlaag. In het overige deel van het plangebied bleek aan de hand van karterend boringen geen cultuurlaag in de top van de intacte oeverwalafzettingen aanwezig te zijn. Tevens zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Op grond van deze resultaten is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen. De hoge verwachting voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen en de middelhoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Midden Nieuwe Tijd kan worden bijgesteld naar laag. De lage verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Bronstijd is bevestigd, doordat de Bruchem stroomgordel deze geërodeerd, dan wel verspoeld heeft.
30
11. Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek 1.
Wat is de ontstaansgeschiedenis, genese en diepteligging van de bodem en individuele bodemlagen? In hoeverre kan er sprake zijn van erosie of juist afdekking door sedimentatie binnen het plangebied? In het plangebied liggen afzettingen van de Bruchem stroomgordel (Cohen et al., 2012). De Bruchem stroomgordel zal eventuele afzettingen van de Broek stroomgordel die eveneens in het plangebied aanwezig is, geërodeerd hebben. De top van deze afzettingen liggen naar verwachting op een diepte tussen 2,7 – 1,4 m +NAP.
2.
Welke (sub)recente (door de mens veroorzaakte) verstoringen hebben de bodem en tot welke diepte verstoord? De noordelijke helft van het plangebied is ten tijde van het onderzoek deels bebouwd (circa 400 m2) en in gebruik als erf. Aan de oostzijde is hier een waterpartij aanwezig van onbekende diepte. De rest van het plangebied is in gebruik als grasland. Het is aannemelijk dat de realisatie van de verscheidene gebouwen en de waterpartij in het plangebied voor bodemverstoringen hebben gezorgd. Tevens zal het historisch landgebruik voor kleinschalige bodemverstoringen hebben gezorgd. Overige verstoringen worden niet verwacht.
3.
Wat is de bewoningsgeschiedenis van het plangebied en omgeving? Welke neerslag heeft dit in de bodem gehad? Is er mogelijk sprake van spoor-en vondstniveaus, ophogings-of leeflagen? Wat is de stratigrafie en diepteligging in of op de bodem?
Het plangebied bevindt zich in een landbouwzone in de Bommelerwaard dat omstreeks de Middeleeuwen in gebruik is genomen. De hoger gelegen delen, zoals oeverwallen, werden werden voornamelijk als akker en boomgaarden gebruikt, terwijl lagere, nattere gebieden alleen geschikt waren als weiland. De top van de oeverwalafzettingen kunnen sporen van bewoning en landgebruik bevatten. Deze afzettingen zijn vanaf het maaiveld aan te treffen of liggen mogelijk onder een ophooglaag.
4.
Indien sprake is van een (potentieel) bouwhistorisch component: welke ondergrondse bouwhistorische waarden kunnen aanwezig zijn en op welke wijze kunnen deze zich manifesteren (denk hierbij ook aan bijvoorbeeld na sloop achter gebleven uitbraaksleuven)? Doordat er geen bebouwing in het plangebied bekend is, worden geen ondergrondse bouwhistorische waarden verwacht.
5.
Op basis van bodem-, bewoningsgeschiedenis, stratigrafie en verstoringen: wat is per periode de verwachting met betrekking tot het aantreffen van archeologische resten? Worden deze resten door de ontwikkeling bedreigd? Resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Bronstijd zijn naar verwachting door de Broek en Bruchem stroomruggen geërodeerd. Resten uit deze perioden worden derhalve niet in de ondergrond van het plangebied verwacht. Vanaf de IJzertijd zijn de oeverwalafzettingen van de Bruchem stroomrug mogelijk bewoonbaar geweest. Resten uit de periode IJzertijd – Nieuwe Tijd
31
kunnen daardoor in het plangebied aangetroffen worden. Eventuele vindplaatsen uit deze perioden worden door de toekomstige ontwikkelingen bedreigd. 6.
Indien een verkennende onderzoeksfase geadviseerd wordt: Welke doelstelling heeft een verkennend onderzoek en welke methode en strategie is geschikt om de doelstelling te verwezenlijken. Doordat vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Nieuwe Tijd zich voordoen in de vorm van cultuurlagen, vondstspreidingen en grondsporen wordt in het plangebied een verkennend onderzoek in de vorm van inventariserend boringen geadviseerd. Deze boringen zijn bedoelt om de mate van intactheid van de bodem, als de bodemopbouw zelf te bepalen.
7.
Welke onderzoeksmethoden zijn geschikt om eventuele te verwachten archeologische vindplaatsen en resten te inventariseren bij een karterende fase? Aangezien het archeologisch relevante niveau in het plangebied de top van oeverwalafzettingen betreft en archeologische resten vanaf de IJzertijd zich voornamelijk kenmerken door een cultuurlaag, vondstspreidingen en (diepere) grondsporen is een Inventariserend Veldonderzoek door middel van karterend boringen (boormethode D1, KNA leidraad Karterend booronderzoek; Tol, 2012) het meest geschikt.
32
12. Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? In het plangebied zijn oeverwalafzettingen op restgeulafzettingen op beddingafzettingen aangetroffen. Deze afzettingen behoren toe aan de Bruchem stroomgordel.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Er is binnen de bodemopbouw één archeologisch relevant niveau aan te wijzen: de top van de oeverafzettingen in het oosten van het plangebied (20 – 70 cm -Mv; 1,90 – 2,10 m NAP).
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De oeverafzettingen zijn in het westen van het plangebied afgetopt. Het archeologisch relevante niveau is ter plaatse dan ook niet meer aanwezig. In het oosten van het plangebied is het niveau wel intact aanwezig. in het plangebied zijn intact te noemen. Uit het booronderzoek blijkt dat in de top van de oeverwalafzettingen geen cultuurlaag aanwezig is.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op grond van de veldresultaten is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen. De hoge verwachting voor de periode IJzertijd – Vroege Middeleeuwen en de middelhoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Midden Nieuwe Tijd kan worden bijgesteld naar laag, vanwege het ontbreken van een cultuurlaag in het oosten van het plangebied. In het westen van het plangebied is de top van de oeverwalafzettingen verdwenen, waardoor hier geen niveau aanwezig is. De lage verwachting voor de periode Laat Paleolithicum – Bronstijd kan eveneens behouden blijven door de aanwezigheid van beddingafzettingen van de Bruchem stroomgordel. Deze locatie was niet bewoonbaar gedurende de actieve periode van de stroomgordel (Midden Neolithicum-Bronstijd) en de rivier zal eventuele eerdere archeologische resten geërodeerd hebben.
33
13. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek zijn in de ondergrond van het plangebied naar verwachting afzettingen van twee stroomgordels aanwezig. De oudste is de Broek stroomgordel die tussen circa 3640 v.Chr. en 2850 v.Chr. (Midden-Neolithicum). De tweede stroomgordel is de Bruchem stroomgordel. Deze stroomde tussen circa 610 v.Chr. en 190 na Chr. Deze periode omvat grofweg de IJzertijd tot en met de eerste helft van de Midden Romeinse tijd. Uit archeologische gegevens uit de directe omgeving van het plangebied valt af te leiden dat hier veel bewoningsactiviteit heeft plaatsgevonden in de IJzertijd en Romeinse tijd. Zo zijn meerdere nederzettingsterreinen aanwezig. Tevens zijn archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Uit de Late Middeleeuwen betreffen het slechts enkele vondsten, maar bewoning uit deze periode is tot dusver niet waargenomen. Vondsten die voor de IJzertijd dateren zijn schaars. Hiervan is één vindplaats aanwezig, die dateert uit het Laat-Neolithicum. Archeologisch gezien is de verwachting op resten uit de periode voorafgaand aan het MiddenNeolithicum voor het plangebied laag. Archeologische resten uit deze perioden zijn naar verwachting geërodeerd door rivieractiviteit van de Broek stroomgordel.