Bijlage 1f. Bijlage III. Quickscan Wnb
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0852
Datum:
26 augustus 2022
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Collegiale toets:
ir. L. Davids
Opdrachtgever:
Legalexion
Contactpersoon:
A.G. van Keulen
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
19
3.3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1
Conclusie
23
5.2
Uitvoerbaarheid
23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
23
1 Inleiding Aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem zijn weilanden en een woon- en bedrijfsperceel met woning en diverse opstallen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande schuur op de planlocatie te slopen ten behoeve van één nieuwbouwwoning. Op de bestaande weilanden worden natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Legalexion heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een woning met bijgebouwen, verhard erf, poel met bosschages en weilanden begraasd door pony’s. Rond de planlocatie loopt een kavelsloot met vrij steile oevers. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen bomen gekapt of watergangen gedempt. De woning en omliggende bijgebouwen blijven tevens behouden en blijven derhalve buiten beschouwing in het voorliggende rapport. Drie gebouwen worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt of verwijderd: 1.
Schuur bestaande uit verschillende aaneengesloten constructies. De bebouwing is in het westelijke deel opgetrokken uit gemetselde muren met spouw, houten schroten en een golfplaten zadeldak (deels voorzien van dakbeschot). Het oosten van de bebouwing is opgetrokken uit enkelsteens muren, houten schroten en damwandplaten met een golfplaten zadeldak zonder dakbeschot. 2. Bouwkeet opgetrokken uit een simpele constructie zonder spouwruimte of open dakruimte. 3. Kleine schuur opgetrokken uit houten schroten en een hellend dakvlak bedekt met een afdekzeil. In figuur 1.3, figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met vrijstaande woningen, akkers, weilanden, kavelsloten en sporadische bosschages. De dichtstbijzijnde rivier (Waal) en snelweg (A2) liggen circa 3,5 ten noorden en 1,3 km ten oosten van de planlocatie, respectievelijk.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de volgende gebouwen te slopen/verwijderen: schuur bestaande uit verschillende aaneengesloten constructies (foto’s boven); bouwkeet (links onder); kleine schuur (rechts onder).
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving ten zuiden van de planlocatie.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van meerdere opstallen (zie figuur 1.2), de bouw van één nieuwbouwwoning en de realisatie van natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte. De functie van het perceel dient (gedeeltelijk) te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; aanplant van bomen; graaf- en transportwerkzaamheden; graven van watergangen: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: NieuwBlauw).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 18 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
9
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand;
10
h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie bestaat uit bebouwde grond, een verhard erf, bosschages rond een poel en begraasde weilanden. Enkel de bebouwde delen en de weilanden worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep aangetast. Wegens menselijke betreding en begrazing van pony’s is er sprake van een verstoorde bodem binnen het plangebied. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gewone berenklauw, grote brandnetel, laurierkers, paardenbloem en zomerfijnstraal. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, steenmarter en wezel. De bever leeft in overgangsgebieden tussen land en water. De aanwezigheid van met bomen en struiken begroeide oevers is belangrijk voor het voorkomen van de soort. Hoewel er op en rond de planlocatie een poel en kavelsloten aanwezig zijn, zijn deze ongeschikt dan wel onbewoond door de bever. Rond de kavelsloten zijn enkel oevers aanwezig zonder houtige gewassen.
Rond de poel (en op de rest van de planlocatie) zijn geen sporen van bevers aangetroffen. Er is binnen de beoogde ruimtelijke ingreep daarnaast geen sprake van aantasting van water of bomen. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de bever uitgesloten. De bunzing, steenmarter en wezel behoren alle drie tot de marterachtigen. Deze soorten komen onder andere voor in kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende elementen die dekking bieden, zoals houtstapels of heggen. Schuilplaatsen voor deze soorten bestaan, afhankelijk van de soort, uit oude holen van andere zoogdieren, holle bomen, boomwortels, hout- en stenenstapels of stro- en hooibalen. De steenmarter heeft voor haar verblijfplaatsen in het bijzonder een voorkeur voor (verlaten) gebouwen. Op de planlocatie zijn na grondige inspectie van met name de te slopen bebouwing geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Derhalve is er geen sprake van aantasting van vaste rust- of voortplantingsplaatsen van deze soorten. De struwelen welke reeds aanwezig zijn op de planlocatie blijven gehandhaafd en behouden daarmee hun potentiële functie voor marterachtigen. 12
De weilanden op de planlocatie vormen, gezien de beschikbaarheid van voldoende alternatieven in de directe omgeving, geen essentieel deel van het leefgebied van marterachtigen. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel uitgesloten. De nieuwe situatie heeft een hogere natuurwaarde dan de huidige situatie, en zal deze marterachtigen derhalve ten goede komen. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen aangetroffen. Enkele knotwilgen op de planlocatie zijn rot, waardoor er openingen zijn ontstaan. Deze zijn, gezien de opening naar boven gericht zijn (geen bescherming tegen weerselementen), echter niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.
De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bouwkeet (gebouw 2 in figuur 1.2) en kleine schuur (gebouw 3 in figuur 1.2) zijn opgetrokken uit simpele constructies zonder spouwruimte en open dakruimte. Derhalve zijn er in deze opstallen voor vleermuizen geen geschikte ruimten aanwezig om een verblijfplaats te kunnen vinden. Er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis. De schuur (gebouw 1 in figuur 1.2) bestaat uit verschillende aaneengesloten constructies. Het oostelijke deel van de schuur (kapschuur) is opgetrokken uit enkelsteens muren, houten schroten en damwandplaten met een golfplaten zadeldak zonder dakbeschot.
Wegens de afwezigheid van een spouwruimte en open dakruimte is het voor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger onmogelijk om in dit deel van de schuur een verblijfplaats te vinden. De schuur is niet volledig donker, en is derhalve ongeschikt als hangplaats voor de gewone grootoorvleermuis. Tevens ontbreken sporen van de gewone grootoorvleermuis. Het westelijke deel is de schuur opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een golfplaten zadeldak wat deels is
13
voorzien van dakbeschot. Er zijn aan de buitenzijde van de bebouwing geen openingen aangetroffen die direct leiden tot de spouwruimte, zoals open stootvoegen of kieren langs kozijnen. Vanaf de binnenzijde van de schuur is de bovenkant van de spouw afgesloten middels een muurplaat. De spouw is derhalve niet toegankelijk voor vleermuizen. Achter de dakgoot van de schuur is echter een kier aanwezig welke leidt tot de open dakruimte (figuur 3.1). Vleermuizen kunnen middels deze kier de open dakruimte betreden. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de open dakruimte van de schuur is derhalve niet uit te sluiten. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (landelijk gebied) en de type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwerglveermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3).
Figuur 3.1 Zowel de noordelijke als de zuidelijke gevel van een gedeelte van de schuur (zie gestippelde lijn in bovenste foto’s voor potentierijke plekken) beschikken over een kier achter de dakgoot (foto links onder) welke leidt tot de open dakruimte. De schuur is namelijk gedeeltelijk voorzien van houten dakbeschot (foto rechts onder). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn geen grootschalige lijnvormige structuren zoals hoge bomenlanen aanwezig. Hoewel er op de planlocatie oppervlaktewater en struweel (i.e. potentieel foerageergebied voor vleermuizen) aanwezig is, worden deze structuren ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Derhalve is er geen sprake van aantasting van potentiële vliegroutes of foerageergebieden. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt binnen landelijk gebied met weinig lichtverstoring
14
Meervleermuis
Nee
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en buiten bekende verspreiding
Watervleermuis
Nee
Geen bomenkap
Rosse vleermuis
Nee
Geen bomenkap
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander (NDFF 2012-2022). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën zoals de kamsalamander leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander komt voor in oude, kleinschalige cultuurlandschappen. Het voortplantingswater bestaat uit vrij grote, geïsoleerde, stilstaande en half beschaduwde wateren met goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Grotere vissoorten dienen in deze wateren afwezig te zijn. Het landhabitat van de kamsalamander bestaat uit struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied. Overwintering vindt plaats in vorstvrije structuurelementen zoals muizenholletjes, stenenstapels of hout(wallen). De planlocatie is gelegen in landelijk gebied. Rond de planlocatie zijn meerdere kavelsloten aanwezig. Gezien de aanwezigheid van steile oevers, het gebrek aan watervegetatie en schaduw, vormen deze watergangen geen geschikt voortplantingswater voor de kamsalamander.
Op de planlocatie is een vrij grote poel met drijvende watervegetatie aanwezig. De poel wordt omringd door bomen en struiken en is daarmee deels beschaduwd. De aanwezigheid van de kamsalamander kan in deze poel niet volledig uitgesloten worden. Het struweel rond de poel heeft potentie om te fungeren als essentieel landhabitat voor de soort. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt deze poel en het omliggende struweel echter niet aangetast. De bebouwing en het verharde erf waar de geplande sloop- en bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden zijn geen onderdeel van het leefgebied van de kamsalamander. De weilanden, waar binnen de beoogde ruimtelijke ingreep natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte gerealiseerd worden, zijn sterk begraasd en bieden derhalve weinig structuur en beschutting voor de kamsalamander. Uitgaande van de ligging van deze weilanden ten opzichte van essentiële onderdelen van het leefgebied van de soort (de poel en houtopstanden), vormen deze weilanden geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de kamsalamander.
15
Hoewel er geen sprake is van aantasting van leefgebied van de kamsalamander, ontstaat er ten gevolge van de werkzaamheden mogelijk verstoring. Binnen het struweel nabij de te slopen bebouwing is reeds sprake van menselijke verstoring, onder andere door bewegingen van (vracht)voertuigen nabij het struweel. Derhalve is het aannemelijk dat de kamsalamander niet aanwezig is in deze delen van het struweel. De sloop van de bebouwing is van tijdelijke aard en zal niet leiden tot een significante toename van verstoring. De bouwwerkzaamheden zijn minder tijdelijk van aard en resulteren mogelijk in enige verstoring ten aanzien van het struweel nabij de planlocatie (i.e. potentieel maar niet aannemelijk landhabitat wegens reeds aanwezige verstoring). Om negatieve effecten ten aanzien van de kamsalamander uit te sluiten dienen grove verstoringen (o.a. heiwerkzaamheden) buiten de vorstperiode (i.e. meest kwetsbare periode voor de kamsalamander) uitgevoerd te worden (zie H5.4). Tevens wordt dringend geadviseerd om gebruik te maken van schroefpalen i.p.v. heipalen. Indien rekening wordt gehouden met deze maatregelen, kunnen negatieve effecten ten aanzien van de kamsalamander uitgesloten worden. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De geplande werkzaamheden beperken zich binnen de beoogde ruimtelijke ingreep tot bebouwing, een verhard erf en begraasde weilanden. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en, voor een gedeelte van de planlocatie, de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep komt geen oppervlaktewater te vervallen.
Wel worden er op het huidige weiland nieuwe natuurvriendelijke watergangen gegraven. Deze sluiten aan op de reeds aanwezige kavelsloten. Hoewel de kavelsloten binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden blijven, leidt het verbinden van de sloten met de nieuwe watergangen tot zeer lokale en tijdelijke verstoring. Binnen de bestaande watergangen zijn echter voldoende uitwijkmogelijkheden voorhangen buiten deze verstoringszone. De aanwezigheid van beschermde vissoorten zoals de grote modderkruiper wordt in deze watergangen, gezien het gebrek aan heterogeniteit (afwisseling van diepe en ondiepe delen) en uitbundige groei van watervegetatie, niet verwacht. Er is ten aanzien van vissen derhalve geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. In het kader van de algemene zorgplicht dient bij het graven van de nieuwe watergangen rekening gehouden te worden met enkele maatregelen (zie H5.4). Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.
16
Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Daarnaast worden de poel en groenstructuren niet aangetast. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: groene specht, groenling, huismus, kauw en Turkse tortel. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is.
(BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022). Tijdens het veldbezoek zijn op en rond de woning binnen de planlocatie meerdere huismussen waargenomen. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep blijft deze woning behouden. De bouwkeet (gebouw 2 in figuur 1.2) en kleine schuur (gebouw 3 in figuur 1.2), welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wel komen te vervallen, zijn opgetrokken uit simpele constructies zonder open dakruimte. Er zijn voor huismussen in deze gebouwen derhalve geen geschikte nestlocaties aanwezig. De schuur (gebouw 1 in figuur 1.2) heeft een golfplaten zadeldak wat deels voorzien is van dakbeschot. Voor deze delen geldt dat de ruimte tussen de golfplaten en het dakbeschot toegankelijk is via de dakvoet, en derhalve een potentiële nestlocatie vormt voor huismussen (figuur 3.2). De potentie voor nestlocaties van de huismus bevindt zich op dezelfde delen als weergeven in figuur 3.1. Er is geen sprake van aantasting van groenstructuren (i.e. functioneel leefgebied van de huismus). Om de aan- of afwezigheid van huismusnesten in het westelijke deel van de schuur vast te stellen, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).
Figuur 3.2 De ruimte tussen de golfplaten en het dakbeschot is voor huismussen toegankelijk via de dakvoet. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De te slopen bebouwing is grotendeels opgetrokken uit simpele constructies zonder (toegankelijke) spouw, (kierende) dakpannen of een open dakruimte. Enkel 17
het westelijke deel van de schuur beschikt over een open dakruimte. Aan de kopgevel van deze schuur is geen ruimte aanwezig waarmee deze open dakruimte betreden kan worden. De kier achter de dakgoot is niet groot genoeg voor gierzwaluwen om de bebouwing te betreden. Gezien de planlocatie gelegen is in landelijk gebied (waar nestlocaties van de gierzwaluw minder vaak aanwezig zijn) en er op en rond de planlocatie weinig andere potentiële nestlocaties aanwezig zijn (wat de voorkeur heeft voor een koloniebroeder als de gierzwaluw) kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten op de planlocatie uitgesloten worden. In de te slopen bebouwing zijn na grondige inspectie geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en andere roofvogelsoorten. In de directe omgeving van de planlocatie is namelijk voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.
De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Tabel 3.3
Vogelsoorten onder categorie 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
18
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.3).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop en het verwijderen van meerdere opstallen en de realisatie van één nieuwbouwwoning, natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.
Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
19
Gezien er sprake is van een grote afstand (4,3 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,0 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.4). Op een afstand van circa 330 m ligt Weidevogelgebied (figuur 3.5). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 4 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 28 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Gelders natuurnetwerk en circa 1,0 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: www.gldanders.planoview.nl).
20
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 330 m tot Weidevogelgebied (bron: www.gldanders.planoview.nl).
3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
21
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
art. 3.5
Ja
Verblijfplaatsen
art. 3.1
Ja
Nestlocaties en leefgebied
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
4,3 km 1,4 km 1,0 km 330 m 4,0 km
Geen Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
28 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
22
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van diverse opstallen en de realisatie van één nieuwbouwwoning, diverse natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus en vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. 23
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De beoogde werkzaamheden aan kavelsloten (verbinden nieuwe watergangen met kavelsloten) leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De werkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijk mogelijkheden te bieden. Zoals weergeven in onderstaand figuur dient gewerkt te worden volgend een specifieke graafmethode: de verbinding met de bestaande sloot dient pas na het graven van de nieuwe watergang doorbroken te worden (figuur 5.1).
Figuur 5.1 Graafmethode die toegepast dient te worden om negatieve effecten ten aanzien van (beschermde) aquatische soorten te voorkomen. • Ten aanzien van de kamsalamander dienen grove verstoringen (o.a. heiwerkzaamheden) buiten de vorstperiode (i.e. meest kwetsbare periode voor de kamsalamander) uitgevoerd te worden. Tevens wordt dringend geadviseerd om gebruik te maken van schroefpalen i.p.v. heipalen. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
24
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
25
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Nieuwstraat 3 en 3a te Bruchem en bestaat uit meerdere gebouwen, een poel met struweel en weiland. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van enkele opstallen en de realisatie van één nieuwbouwwoning, meerdere natuurvriendelijke watergangen en een bosruigte.
Figuur 2
De woning en bijbehorende bijgebouwen en tuin blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
26
Figuur 3
Impressie van de poel met daaromheen struweel. Deze elementen blijven binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden.
Figuur 4
De kavelsloten rondom de planlocatie hebben steile oevers en beperkte groei van oever- en watervegetatie.
27
Figuur 5
De bouwkeet wordt binnen de beoogde ruimtelijke ingreep verwijderd.
Figuur 6
Impressie van de binnenzijde van de bouwkeet.
28
Figuur 7
Impressie van de binnenzijde van het westelijke deel van de schuur (1) wat is voorzien van dakbeschot.
Figuur 8
Het oostelijke deel van de te slopen schuur (1) beschikt niet over dakbeschot.
29
Figuur 9
Impressie van het weiland waar binnen de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe watergangen en een bosruigte gerealiseerd worden.
Figuur 10
Impressie van het weiland waar binnen de beoogde ruimtelijke ingreep nieuwe watergangen en een bosruigte gerealiseerd worden.
30
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
31
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
32
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
33
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 34