Bijlage 1. Was-wordt tabel Algemene Plaatselijke Verordening 2021
Tekst van het document
Was-wordt-tabel Algemene Plaatselijke Verordening Zaltbommel 2020 Toelichting In de tabel hieronder zijn inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van APV Zaltbommel 2020-2 (d.d. 17-12-2020; gemeenteblad 2020, nummer 352607) weergegeven. Zie deze link: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2020-352607.html De geconsolideerde tekst van de Model APV en de toelichting daarop vindt u via deze link: https://www.decentraleregelgeving.nl/doc/20014657/? param1=20014657¶m2=&c_sso=1&error=access_denied Tekstuele wijzigingen zijn in de tabel hieronder niet weergegeven, omdat deze geen invloed hebben op de inhoud van de APV. Leeswijzer Groen is toegevoegde tekst (aangegeven in nieuwe tekst) Rood is vervallen tekst (aangegeven in bestaande tekst) Paars is gewijzigde tekst (aangegeven in beide teksten) Oranje is verplaatste tekst (aangegeven in beide teksten) Bestaande tekst (APV 2020-2) Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaarten in bijlage 1 bij deze verordening; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c.
bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; f. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; g. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; h. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; i. paracommerciële inrichting: inrichting waarin
Nieuwe tekst (APV 2020) Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaarten in bijlage 1 bij deze verordening; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 eerste lid van de Bouwverordening Zaltbommel 2010; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt
een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert; j. paracommerciële rechtspersoon: hetgeen in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en horecawet daaronder wordt verstaan; k. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; l. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur,
verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:1a Straatintimidatie Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur,
een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. (wordt lid 4) Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:19; d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; e. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Woningwet, of de provinciale wegenverordening. f. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard 3.
(wordt lid 4 sub e) Het college kan categorieën van voorwerpen en plaatsen
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. (was lid 4) De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. (was lid 5) Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a.
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. (was lid 2) Het verbod is niet van toepassing
aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt en ten aanzien van die voorwerpen en die plaatsen nadere regels stellen. 4. (wordt lid 2) In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. (wordt lid 3) Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.
De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. (was lid 3) door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Algemene Verordening Kabels en Leidingen of Omgevingsverordening Provincie Gelderland. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de geldende Omgevingsverordening Gelderland, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Zaltbommel. 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. (wordt lid 2 sub a) Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning geweigerd indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht. 3. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren indien: a. (wordt lid 2 sub c) het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; b. (wordt lid 2 sub b) dat ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. (wordt lid 2 sub d) sprake is van een perceel bij een woning dat al door een andere uitweg wordt ontsloten of een perceel bij een bedrijf dat al door twee of meer uitwegen wordt ontsloten. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de geldende Wegenverordening Gelderland. 5.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid [tekst niet opgenomen]
waterschapskeur, Omgevingsverordening Provincie Gelderland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Kabels en Leidingen. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. (was lid 2) ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. (was lid 3 sub b) als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. (was lid 3 sub a) als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. (was lid 3 sub c) als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of Omgevingsverordening Provincie Gelderland.
Artikel 2:13 Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg Het is onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg, of tot
Artikel 2:14 Winkelwagentjes [tekst niet opgenomen]
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:15a (worden artikelen 2:13 en 2:14) Veroorzaken van gladheid en verontreiniging ontstaan bij het laden, lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen of bij andere werkzaamheden 1. Degene die gladheid en of verontreiniging op de weg veroorzaakt dient deze terstond bij gevaar voor de verkeersveiligheid of bij gevaar voor beschadiging van het wegdek te reinigen. 2. In overige gevallen (iedere dag) na het beëindigen van de werkzaamheden. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
gevaarlijke situaties op de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien of te laten vallen. Artikel 2:14 Bruikbaar houden van de weg 1. In het belang van de orde en netheid van de weg, de veiligheid van het verkeer, het voorkomen van beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg is het degene, door wiens handelen of toedoen een of meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in artikel 2:13 op een weg zijn geraakt, verboden deze daarop te laten. 2. Met het oog op deze belangen dient de in het eerste lid bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing van politiefunctionarissen of gemeenteambtenaren te ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen als bedoeld in artikel 2:13. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze: a. dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; of b. dat deze een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare weg of openbare watergangen. 2.
Van hinder voor het wegverkeer is in ieder geval sprake indien niet tenminste een vrije doorgang van 1,2 meter breed en 4,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer of indien de richtlijnen voor uitzichtdriehoeken volgens de ASVV 2012 (Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen) niet haalbaar zijn. Artikel 2:15a (hiervoor in de plaats zijn artikelen 2:13 en 2:14 toegevoegd) (Vervallen)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
[tekst niet opgenomen]
-
Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de
1. Het is verboden in bossen of op de Stadswallen Zaltbommel of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende de periode van 1 april tot 1 oktober; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:23a Detectie verbod 1. Het is verboden zich op het grondgebied van de gemeente te bevinden met een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van wapens en munitie of munten, explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu niet in gevaar wordt gebracht. 3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet is versterkt. 4.
Het in de eerste lid bedoelde verbod is voorts niet van toepassing op een persoon of organisatie die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen van vakbekwaamheid op het niveau van opruimer explosieven. 5. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank-
Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een buurtfeest op één dag. 3. Onder buurtfeest wordt verstaan: een feest of barbecue voor bewoners van een bepaalde buurt of één of meerdere straten in een buurt waaraan geen vaste regelmaat is gebonden, speciaal is georganiseerd, een eenvoudige formule kent en voor die buurt of de straat of straten in die buurt een intern gerichte uitstraling heeft.
en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportwedstrijden of -gala’s als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. het evenement tussen 09:00 en 24:00 uur plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag, of tussen 13:00 en 22:00 uur op zondag of een feestdag gehouden wordt; c. het evenement niet langer duurt dan één dag. d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 11:00 uur (op zondag voor 13:00 uur) of na 23:00 uur (op zondag na 22:00 uur), dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 dB(C) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; e. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; f.
slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 15 vierkante meter per object. g. er een organisator is; h. de organisator binnen 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
Artikel 2:25 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren en te houden.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Bij de indiening van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen aangeleverd. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, tweede lid, kan indien een aanvraag om vergunning voor een evenement wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren. 4. De burgemeester kan bepalen dat één of meer categorieën van evenementen dan wel evenementen in één of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente, zijn vrijgesteld van het verbod in het eerste lid. 5. De burgemeester kan nadere voorschriften vaststellen en/of bepalen dat voor het houden van een evenement, waarvoor de burgemeester vrijstelling als bedoeld in het vierde lid heeft verleend, een voorafgaande melding aan de burgemeester is verplicht. 6. De burgemeester kan het houden van een evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden wanneer door het houden van het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7. (wordt lid 5) Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover het onderwerp wordt voorzien door artikel 10, juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. (was lid 7) Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. bij evenementen lachgas als bedoeld in artikel 2.48b te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten, of al dan niet tegen betaling aan te bieden (wordt 2:26a)
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor
zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. (Was 2:26, lid 2)
Artikel 2:27 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: i. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; ii. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. c. leidinggevende: i. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; ii. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de openbare inrichting; iii. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de openbare inrichting; d. vergunninghouder: de natuurlijk persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, is verleend. 2.
Onder openbare inrichting wordt mede verstaan: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden
Artikel 2:26a Gebruik lachgas bij evenementen Het is verboden bij een evenement lachgas (distikstofmonoxide ofwel N2O) bij zich te hebben, te verkopen of te gebruiken. Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
bereid of verstrekt en andere aanhorigheden. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. (wordt lid 4) Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover: i. de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; ii. de totale oppervlakte ten dienste van de nevenactiviteit (binnenwerks gemeten, waaronder niet begrepen de daarbij behorende opslag, keuken- en toiletruimten) niet meer bedraagt dan 25 % van de totale verkoopoppervlakte met een maximum van 50 vierkante meter; iii. de openingstijden van openbare inrichting gelijk is aan de openingstijden van de hoofdactiviteit; iv. de openbare inrichting uitsluitend via de winkel toegankelijk is; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een clubhuis van een sportvereniging; of e. een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant. 3. De burgemeester kan bepalen dat het verbod in het eerste lid niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten openbare inrichtingen in de gehele gemeente of in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. (was lid 2) Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 uur en 6.00 uur; b. op zaterdag en zondag tussen 2.00 uur en 6.00 uur; 2. In afwijking van het eerst lid, onder a, zijn openbare inrichtingen gesloten: a. (wordt lid 1 sub c) tussen 02.00 uur en 06.00 uur op carnavalsmaandag en –dinsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de dag daaropvolgend en de dag na Tweede Kerstdag; b. (wordt lid 1 sub d) tussen 03.00 uur en 06.00 uur op dag van overgang van winter- naar zomertijd; en c. tussen om 06.00 uur op Nieuwjaarsdag. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn openbare inrichtingen in de kern Zaltbommel gesloten tussen 02.00 uur en 05.00 uur de dag volgend op de dag waarop de jaarlijkse braderie plaatsvindt. 4. (wordt lid 2) Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5. (wordt lid 3) De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 6. (wordt lid 4) Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. (wordt lid 5) Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8.
(wordt lid 6) Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 uur en 6.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 2.00 uur en 6.00 uur, b. behalve op Nieuwjaarsdag; c. (was lid 2 sub a) op carnavalsmaandag en – dinsdag, Koningsdag en de dag daarop volgend en de dag na Tweede Kerstdag tussen 2.00 uur en 6.00 uur; c. (was lid 2 sub b) op de dag van overgang van winter- naar zomertijd tussen 3.00 uur en 6.00 uur. 2. (was lid 4) Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. (was lid 5) De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. (was lid 4) Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. (was lid 7) Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 6. (was lid 8) Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De leidinggevende van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat. 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.
Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige
maken van het terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Afdeling 14. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat Artikel 2:86 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.
Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:
activiteit betreft. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. (wordt sub c) Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. (wordt sub d) Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. (wordt sub f) Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woonen leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. (wordt lid 7 ) Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b.
Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden
a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. (was sub b) de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. (was sub c) indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. (was sub d) indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5.
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de
gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. (Wordt lid 8) De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. (Wordt lid 9) Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. (Wordt lid 10) De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. (Wordt lid 11) Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.
Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. (Wordt lid 12) Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. (Wordt lid 14) In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie
exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. (Was lid 5) Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g.
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie of; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Artikel 2:34A Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: VERVALLEN a. belwinkel: een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte die geheel of
8. (Was lid 6) Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. (Was lid 7) Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. (Was lid 8) De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. (Was lid 9) De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. (Was lid 10) Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14.
(Was lid 11) In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
gedeeltelijk gebruikt wordt om daarin door derden tegen vergoeding elektronisch berichtenverkeer, zoals (internationaal) telefoonverkeer, dan wel aanverwante activiteiten te doen plaatsvinden. b. leidinggevende: i. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; ii. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de openbare inrichting; iii. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de openbare inrichting; vergunninghouder: de natuurlijk persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, is verleend. c. vergunninghouder: de natuurlijk persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:34B, eerste lid, is verleend. d. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; e. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; f. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:34B Exploitatie belwinkel Het is verboden een belwinkel te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Artikel 2:34C Eisen leidinggevende Leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij staan niet onder curatele en zijn evenmin uit de ouderlijke macht of de voogdij ontzet.
Artikel 2:34D Vergunningaanvraag 1. Bij een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:34B, wordt tenminste: a. opgaaf gedaan van de personalia dan wel zetel en het adres van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd; b. opgaaf gedaan van de personalia en adresgegevens van iedere overige leidinggevende; c. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de openbare inrichting; d. overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent gedrag. 2. Per openbare inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen. Artikel 2:34E Beslistermijn 1. De burgemeester beslist binnen 13 weken na de datum waarop de aanvraag is ontvangen. 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in artikel 2:34B. Artikel 2:34F Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning, indien: a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:34C; c.
een leidinggevende binnen drie jaar voor de aanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd dat op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde of op grond van artikel 13b Opiumwet gesloten is geweest. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
woon- of leefsituatie in de omgeving van de belwinkel of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin de belwinkel is gelegen of zal zijn gelegen; b. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; c. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de belwinkel in deze of in een andere, belwinkel. Artikel 2:34G Vergunning 1. In een vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten. 2. In een aanhangsel bij de vergunning worden de leidinggevenden vermeld. 3. De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel zijn in de belwinkel aanwezig. Artikel 2:34H Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een belwinkel voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op de vergunning of het daarbij behorende aanhangsel. Artikel 2:34I Wijziging leidinggevende 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven of door te halen. 2. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3.
De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld formulier. 4. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag. 5. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel:
a. indien de persoon in het eerste lid, niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2:34C; b. voor zover de wijziging een leidinggevende betreft voor een belwinkel in het geval en onder de voorwaarden, bedoel in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6. Alvorens te beslissing op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel in de gevallen als bedoeld in het vijfde lid, onder b, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 2:34J Intrekken vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 1. trekt de burgemeester de vergunning in, indien: a. niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:34C; b. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft. c. de vergunninghouder in het in artikel 2:34I bedoelde geval geen melding als bedoeld in dat artikel heeft gedaan. 2. kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien: a.
aannemelijk is dat een leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de belwinkel die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting; b. een leidinggevende toestaat of gedoogd dat in de belwinkel strafbare feiten worden gepleegd; c. zich in of vanuit de belwinkel anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de belwinkel gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging van het woon- of leefklimaat in de omgeving van de belwinkel;
d. is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2:34H of de aan de vergunning verbonden voorschriften; e. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:34I om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal heeft geweigerd op grond artikel 2:34I, vijfde lid. Artikel 2:34K Sluiting 1. De burgemeester kan een belwinkel al dan niet voor een bepaalde termijn sluiten: a. in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid; b. indien de vergunning overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:34J is ingetrokken. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:34L Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een belwinkel geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:34A tot en met 2:34J op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:34M Schenktijden paracommerciële inrichtingen (wordt 2:34b lid 1) Het is verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden: Maandag tot en met donderdag 15:00 uur tot 23:00 uur Vrijdag, zaterdag en zondag 15:00 uur tot 24:00 uur Artikel 2:34N Andere schenktijden voor bepaalde typen paracommerciële inrichtingen (wordt 2:34b lid 2 en 3) In afwijking van het bepaalde in artikel 2:34M hanteren de in onderstaand schema opgenomen typen paracommerciële rechtspersonen de hierna opgenomen
Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; dat wat daaronder wordt verstaan in de Dranken Horecawet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met donderdag vanaf 15.00 uur tot 23.00 uur; en b. vrijdag, zaterdag en zondag vanaf 15.00 uur tot 24.00 uur. 2. In afwijking van lid 1 kunnen inrichtingen die in beheer zijn bij een paracommerciële