CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat naast 1

Raadsvergadering 9 november 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat naast 120.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bijvoorbeeld door een afwijking in de kap of verspringing in de gevel. Ook binnen deze beide hoofdbouwmassa’s dient te veel repetitie voorkomen te worden. Niet het beeld van rijtjeswoningen dient de sfeer te bepalen, maar die van een eenduidige, integrale bouwmassa zoals een boerderij of schuur. In dit beeldkwaliteitplan wordt daarom gestuurd op het realiseren van een aantal architectonische kenmerken die de rode draad vormen door het gehele plan. Op andere punten kan de vormgeving of het kleur- en materiaalgebruik juist afwijken om daarmee voldoende variantie te krijgen en ruimte te geven aan een individuele uitstraling per bouwvolume. Het bereiken van de samenhang komt neer op het consequent toepassen van de volgende aspecten: § § § § § §

De twee hoofdbouwmassa’s hebben een eenduidige traditionele bouwvorm van maximaal één bouwlaag en een zadeldak. De twee hoofdbouwmassa’s zijn een samenhangend, integraal geheel. Repetitie van telkens de zelfde gevel is daarom niet toegestaan. Alle woningen hebben een zichtbare dakoverstek met duidelijke gevelbeëindiging als overgang naar het dakvlak, topgevels zijn zodoende niet toegestaan. Beide hoofdbouwmassa’s hebben een overwegend verticale gevelgeleding (staande ramen). Alle woningen zijn hoofdzakelijk opgetrokken uit traditionele, warme materialen: baksteen/hout/keramische dakpannen. De twee hoofdbouwmassa’s hebben een vormgeving met architectonische details die verwijzen naar de oorspronkelijke boerderijen en stallen die aan de Molenstraat staan.

24

Het genoemde beeldkwaliteitsplan vormt toetsingskader voor de welstandstoets, in de procedure voor de te verlenen omgevingsvergunningen. Op die manier is gewaarborgd dat de woningen ook daadwerkelijk conform het beeldkwaliteitplan worden uitgevoerd. Groen In de nieuwe situatie krijgt een deel van het plangebied de bestemming ‘Groen’. Binnen deze bestemming is geen bebouwing mogelijk (zie figuur 3.3).

Fig. 3.3 Inpassing groen (er worden overigens geen bomen gerealiseerd aan de zuidelijk gelegen A-watergang, zie figuur 3.2)

Groen In de nieuwe situatie krijgt een deel van het plangebied de bestemming ‘Groen’. Binnen deze bestemming is geen bebouwing mogelijk (zie figuur 3.3). Belangen omwonenden Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de nieuwe woningen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Hierover het volgende. De afstand van de nieuwbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing is zodanig groot dat het woonen leefklimaat van omwonenden niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarbij wordt opgemerkt dat rekening is gehouden met het uitzicht vanuit en het zicht op de meest nabijgelegen woning, namelijk die aan de Molenstraat 1 te Bruchem. De nieuwe woningen zijn zodanig gepositioneerd (in oostelijke richting) dat deze het zicht vanuit en op de woning van Molenstraat 1 niet belemmert.

25

Voorts wordt opgemerkt dat bij de realisatie van dit bouwplan de regels uit het (privaatrechtelijke) burenrecht zullen en ook kunnen worden gerespecteerd. Conclusie Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende bouwplan weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan, maar wel resulteert in een goede aansluiting op bestaande bebouwing en daarmee in een kwalitatief-ruimtelijke aanvaardbaar plan voor dit gedeelte van Bruchem.

26

4.

VERKEER EN PARKEREN

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.

4.1

Parkeren

Voor de betreffende woningen wordt ingevolge de Parkeernota Zaltbommel 2018 uitgegaan van 2 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor openbaar parkeren. Dat betekent dat er in totaal 20 parkeerplaatsen nodig zijn. Het plangebied biedt voldoende ruimte om in deze parkeerplaatsen te kunnen voorzien (zie figuur 4.1).

Fig. 4.1 Overzicht parkeerplaatsen

4.2

Verkeersafwikkeling

De ontsluiting van het plan gebeurt op twee punten aan de Molenstraat, waarbij de meest noordelijke vormgegeven wordt als hoofdontsluiting. De oost-west gerichte straat in het verlengde van toegang tot het plan maakt het eveneens mogelijk om in de toekomst een eventuele woningbouwontwikkeling op het oostelijk gelegen perceel te realiseren. De zuidelijke entree tot het gebied zal functioneren als de secundaire ontsluiting en in maatvoering ondergeschikt zijn. De Molenstraat vormt een verbindingsweg tussen Bruchem en Kerkwijk. De Molenstraat is gedeeltelijk buiten de bebouwde kom gelegen (erftoegangsweg 60 km/u) en ter hoogte van het plangebied ligt deze binnen de bebouwde kom (50 km/u). 27

De wegbreedte ter hoogte van het plangebied is ongeveer 4,50 m en de huidige verkeersintensiteit bedraagt ongeveer 1.000 motorvoertuigen per (werkdag)etmaal. Om te bepalen hoeveel verkeersbewegingen de woningen in het plan genereren, wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 (toekomstbestendig parkeren). De locatie wordt getypeerd als "weinig stedelijk gebied" in "rest bebouwde kom". De verkeersgeneratie is gemiddeld 7,4 (tussenwoning) per woning per etmaal (weekdag). Uitgaande van het huidige woningbouwprogramma is dit, omgerekend naar werkdagintensiteiten, afgerond 74 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In relatie tot de functie van de weg en de huidige intensiteiten kan de Molenstraat het extra verkeer als gevolg van het plan prima verwerken.

28

5.

HAALBAARHEID

5.1

Water

Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Hierbij dient te worden verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. In paragraaf 2.4 is al ingegaan op het toepasselijke beleid vanuit het waterschap. Hieronder wordt een beschrijving gegeven van de watertoets.

5.1.1 Watertoets Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat ruimtelijke plannen en besluiten een watertoets wordt uitgevoerd. De watertoets verplicht bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die invloed hebben op de waterhuishouding, te toetsen in hoeverre bij de planvorming rekening wordt gehouden met water. In de plannen dient rekening gehouden te worden met: § het reserveren van voldoende ruimte voor water (door berging, infiltratie, aan- en afvoer); § aandacht voor effecten op de waterkwaliteit (lozingen, uitlogende bouwmaterialen etc.); § aandacht voor veiligheid tegen overstroming (waterkeringen, bouwen in uiterwaarden etc.); § aandacht voor het grondwater (zowel kwaliteit als kwantiteit).

5.1.2 Beoordeling plan In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Door Econsultancy is voor dit plan een watertoets opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd (Watertoets Molenstraat te Bruchem, 20 maart 2023, zie bijlage II). De conclusie van dit rapport is dat op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren is. Het plan voorziet daarbij wel in de verbreding van de huidige C-watergang die is gelegen aan de oostzijde van de planlocatie. De watergang moet voldoen aan T=10 + 10 %. Hierbij geldt de vuistregel 436 m3 per hectare verharding. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,30 meter stijgen. Voor deze ontwikkeling geldt dat de watergang verbreed moet worden om circa 62 m3 (1.415 m2 x 0,0436 m) water te kunnen verwerken. Uitgaande van een maximale peilstijging van 0,3 m komt dit overeen met een ruimtegebruik van circa 206 m2. In het planvoornemen wordt, middels de verbreding van de C-watergang, in totaal circa 238 m2 wateroppervlak gerealiseerd. Dit is voldoende om de watercompensatie te kunnen bergen.

Deze watercompensatie kan door initiatiefnemer worden gerealiseerd, nu de betreffende gronden waar de verbreding is voorzien ook haar eigendom zijn.

5.1.3 Klimaatadaptatie In september 2021 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een Lokaal Adaptatieprogramma opgesteld. In het LAP zijn de regionale ambities en speerpunten verder uitgewerkt voor de gemeente. Hierin worden beleidsuitgangspunten en ambities benoemd, en wordt aangegeven waar de prioriteiten liggen in de komende jaren. Op deze manier worden stappen gezet op weg naar een klimaatbestendig en waterrobuust Zaltbommel in 2050. 29

Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee ook de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. planspecifiek Het plan ziet op het planologisch mogelijk maken van de bouw van 10 woningen, waarbij rekening wordt gehouden met bovengenoemde aspecten. Zo wordt er voldoende aandacht besteed aan ‘groen’ in het plan (zie paragraaf 3.2). De initiatiefnemer spreekt voorts met de toekomstige bewoners af dat deze de tuin niet voor meer dan 50% van de oppervlakte mogen verharden. Verder worden parkeerplaatsen aangelegd met grasbetontegels. Dat betekent dat deze slechts voor 50% worden verhard (halfverharding). Voorts wordt de extra verharding gecompenseerd door de oostelijk gelegen watergang te verbreden (opvang van water wordt hierdoor vergroot). Bij de bouw zal tevens zoveel als mogelijk voorzien worden in het gebruik van duurzame (bouw)materialen.

Zo wordt ervoor gekozen om de woningen uit te voeren in houtbouw (definitie: zoveel als mogelijk hout als bouwmateriaal toepassen) in samenwerking met Houtenhuizen.nu . Het is aan de eindgebruikers van de woningen om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonneenergie en/of het toepassen van LED-verlichting. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan ‘klimaatadaptief bouwen’. Conclusie Er worden vanuit het oogpunt van de waterhuishouding dan ook geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

5.2

Leidingen

Uit een voor deze locatie uitgevoerde klic-melding blijkt dat binnen het plangebied geen bijzondere leidingen aanwezig zijn welke een belemmering zouden kunnen vormen voor realisatie van het project. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden zal met de aanwezige leidingen rekening worden gehouden. Verder is het perceel niet gelegen binnen een straalpadzone. Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan.

5.3

Bedrijven en zonering

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. 30

De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en Zonering’). Voor de projectlocatie zijn in dit kader relevant de boomgaarden zie zijn gelegen ten zuiden en ten zuidwesten van het plangebied. Hierover het volgende. Vanwege het feit dat deze boomgaarden op minder dan 50 meter van de projectlocatie vandaan liggen, is een onderzoek uitgevoerd naar eventuele gezondheidsrisico’s, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift van de omliggende agrarische percelen. Eveneens is hiermee onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een belemmering van de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijfsvoering (Woningbouw Molenstraat 5 in Bruchem, Locatiespecifiek onderzoek spuitzone, SPA WNP Ingenieurs, d.d. 7 december 2021, zie bijlage III). Hierin wordt het volgende geconcludeerd. Voor de beoordeling van de locatiespecifieke situatie is in dit onderzoek gebruikt gemaakt van het EFSA rekenmodel.

Het EFSA-model is ook de basis voor het College van toelating gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) voor beoordeling van nieuwe aanvragen en middelen. Diverse onderzoeksgegevens en wetenschappelijke studies op Europees niveau hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het model en de handreiking. In dit locatiespecifieke onderzoek is uitgegaan van het gebruik van voor de gezondheidsrisico’s maatgevende gewasbeschermingsmiddelen die voor omliggende gewassen zijn toegelaten en de wijze van toepassen daarvan. Daarbij is rekening gehouden met de locatiespecifieke situatie én de planologisch toegestane situatie. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek blijkt dat, de in de praktijk en planologische situatie meest gebruikte en de voor het gezondheidsrisico maatgevende gewasbeschermingsmiddelen, op een afstand van 5 meter, niet leidt tot een overschrijding van de Acceptable Operator Exposure Level (AOEL). Het blootstellingspercentage van de afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen blijft namelijk onder de 100%. Desondanks is, vanwege de locatiespecifieke situatie, het advies om een spuitzone van minimaal 10 meter aan te houden. Voor deze zone dient uitgegaan te worden van de afstand tussen de agrarische perceelsgrens en de grens van de driftgevoelige bestemming wonen.

Voor de beoogde ontwikkeling betekent voorgaande dat, met een afstand van minimaal 12 meter ten opzichte van het dichtstbijzijnde agrarisch perceel (boomgaard), voldaan wordt aan de geadviseerde spuitzone. SPA WNP komt tot de conclusie dat de betreffende boomgaarden geen belemmering vormen voor de realisatie van de woningen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemer niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van de woningen aan de Molenstraat 5 te Bruchem.

31

5.4

Bodem

5.4.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

5.4.2 Onderzoek Voor de locatie zijn in het verleden meerdere onderzoeken uitgevoerd: § Verkennend bodemonderzoek, Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 26 november 2007 § Nader Onderzoek, Verhoeven Milieutechniek BV d.d. 25 juli 2013 § Nader onderzoek, Verhoeven Milieutechniek BV d.d. 12 september 2013 Uit deze onderzoeken bleek dat op het perceel sprake was van een lichte tot matige verontreiniging met minerale olie in de grond en een sterke grondwaterverontreiniging met minerale olie, veroorzaakt door een voormalige ondergrondse opslagtank voor petroleum. Deze tank is sinds 1960 op de locatie aanwezig geweest. Het geval wordt aangemerkt als een niet ernstig historisch geval van bodemverontreiniging (dat wil zeggen: < 25 m3 sterk verontreinigde grond ontstaan voor 1 januari 1987). Dat betekende dat sanering noodzakelijk was. Deze sanering heeft plaatsgevonden op 15, 16 en 20 december 2016. De Omgevingsdienst Rivierenland heeft het naderhand ingediende evaluatieverslag van de sanering beoordeeld (Beoordeling evaluatieverslag bodemsanering Molenstraat 5 te Bruchem, 19 juli 2017, zie bijlage IV). De ODR concludeert dat de bodem van de saneringslocatie geschikt is gemaakt voor alle gebruiksvormen (AW2000). Er gelden daarom geen specifieke gebruiksbeperkingen als gevolg van restverontreinigingen met olie.

Inmiddels heeft Verhoeven Milieutechniek BV een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie (Diverse actualiserend (water)bodemonderzoeken, Molenstraat ong. te Bruchem, d.d. 25 augustus 2022, zie bijlage V). Hoofdstuk 9 van dit onderzoek bevat de conclusies met betrekking tot de diverse uitgevoerde onderzoeken (naar de inhoud wordt hierbij verwezen). Uit dit actualiserend onderzoek bleek dat er enkel nog nader onderzoek nodig is in verband met het aantreffen van een sterke verontreiniging met asbest in de grond. Dat onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden en de verontreiniging met asbest is inmiddels gesaneerd. Het opgestelde evaluatierapport zal bij de aanvraag om omgevingsvergunning aan de Omgevingsdienst rivierenland overgelegd te worden (Evaluatie, Immobiel BUS sanering, Molenstraat (ong.) te Bruchem d.d. 8 februari 2023, zie bijlage VI). Conclusie Na sanering van de verontreiniging met asbest zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen aanwezig voor realisatie van de woningbouw binnen het onderzoeksgebied.

32

5.5

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht.

Fig. 5.1

Uitsnede Risicokaart Nederland (projectlocatie: zie rode pijl)

Planspecifiek In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen risicobronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid is niet van toepassing voor deze locatie. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Geluid

Wat betreft het onderwerp geluid is het voor dit plan van belang in te gaan op wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Milieuadviseur heeft onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai (Akoestisch onderzoek wegverkeer, Molenstraat 5 Bruchem, 10 februari 2022, zie bijlage VII). De Milieuadviseur komt tot de volgende conclusies:

33

§

§

De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Molenstraat, bedraagt 48 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wet geluidhinder (Wgh). Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Dorpsstraat, bedraagt 27 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

Aangezien bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de 48 dB uit de Wgh is de realisatie van de woning vanuit akoestisch oogpunt zonder meer mogelijk. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

5.7

Geur

5.7.1 Wettelijk kader In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van veehouderijen op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. Op grond van de Wgv gelden vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (de extensieve veehouderijen). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De kinderopvang is een geurgevoelig object.

Op basis van de wet kan de gemeente een geurverordening vaststellen, die tot doel heeft woningbouw in de dorpen veilig te stellen en de geurbelasting van de bestaande woongebieden niet of nauwelijks toe te laten nemen. Op basis van deze verordening kunnen de afstanden waarmee rekening moet worden gehouden worden beperkt. Op 14 januari 2010 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een geurverordening vastgesteld, zoals bedoeld in de Wgv. De verordening is op 19 januari 2010 in werking getreden. Het gebied waarop dit artikel betrekking heeft betreft het gehele grondgebied van de gemeente Zaltbommel. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a Wet geurhinder en veehouderij voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (100 meter) is als waarde (afstand) van toepassing 50 meter. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 100 meter tot het emissiepunt van veehouderijen waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld 34

(extensieve veehouderijen), en 50 meter tot de buitenzijde van een dierenverblijf van een extensieve veehouderij. De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een intensieve veehouderij ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet-concentratie gebeid. De gemeente Zaltbommel is gelegen in een zogenaamd nietconcentratiegebied. Voor niet-concentratiegebieden geldt als standaard norm 2 OU/m3 voor locaties binnen de bebouwde kom en 8 OU/m3 voor locaties buiten de bebouwde kom. Indien de berekende geur belasting lager is dan de van toepassing zijnde norm, staat dit de realisatie van een nieuw geurgevoelig object niet in de weg.

5.7.2 Toetsing Achtergrondbelasting Voor de informatie over achtergrondbelasting wat betreft geur is gebruik gemaakt van de achtergrondbelastingskaarten van de geurverordening van de gemeente Zaltbommel. De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van 'zeer goed' tot 'extreem slecht'. Deze termen zijn afkomstig uit de 'GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)' en zijn afhankelijk van geurhinderpercentages. Voor de planlocatie geldt dat deze net is gelegen in categorie ‘matig’ (zie figuur 5.2). Deze categorie is op meerdere woningen en woonlocaties in Bruchem van toepassing en wordt als aanvaardbaar beschouwd in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat.

Fig. 5.2

Kaart achtergrondbelasting (projectlocatie: zie rode pijl)

Voorgrondbelasting Ten noorden van het plangebied liggen de veehouderijen aan de Middelsteeg 5, de Middelstraat 1 en de Middelstraat 2. De veehouderij aan de Middelsteeg 5 kan niet meer uitbreiden in geurbelasting omdat deze al overbelast is op de bestaande bebouwde kom van Bruchem en de wel vergunde uitbreiding is nog niet gerealiseerd. Het voornemen bestaat om de vergunning in te trekken. Op onderstaande kaart (fig. 5.3) 35

is te zien dat het plangebied binnen de zone die als ‘goed’ wordt aangemerkt voor wat betreft het leefklimaat.

Fig. 5.3 Voorgrondbelasting Middelsteeg 5 (projectlocatie: rode pijl)

De veehouderij aan de Middelstraat 1 heeft op 10 september 2014 een revisievergunning gekregen. Er is momenteel geen sprake van een overbelaste situatie op de kom van Bruchem. De veehouderij aan de Middelstraat 2 is een bedrijf waarvoor enkel de vaste afstanden gelden. Voort kan worden opgemerkt dat de genoemde bedrijven met dit woningbouwplan niet extra worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, omdat er al geurgevoelige objecten in de directe omgeving aanwezig en ook recent gerealiseerd (zoals het plan Dorpsstraat 55). Conclusie De geursituatie ter plaatse vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde woningen.

36

5.8

Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Voorliggend plan voegt slechts 10 woningen toe. Een specifiek luchtkwaliteitonderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.

5.9

Flora en fauna

5.9.1 Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden. 37

Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

5.9.2 Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland, Molenstraat Bruchem, d.d. 24 oktober 2022, zie bijlage VIII). Uit de quickscan blijkt dat negatieve effecten op beschermde soorten en functies op voorhand zijn uit te sluiten. Wel is het van belang om een stikstofonderzoek te doen, omdat een bijdrage van stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase van dit project op voorhand niet is uit te sluiten.

5.9.3 Onderzoek stikstofdepositie Om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo onderzoek stikstofdepositie woningbouw Molenstraat 5 Bruchem, d.d. 20 maart 2023, bijlage IX). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: §

§ §

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het plan hoeft ingevolge artikel 2.8 Wnb geen passende beoordeling gemaakt te worden vanwege stikstofdepositie.

Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied. De sloop-, bouw-, en rooiwerkzaamheden en ingrepen dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden of er dient voorafgaande aan deze werkzaamheden een vogelcheck uitgevoerd te worden.

5.10

Explosieven

Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard 2016 bevindt een klein deel van het noordwesten van de projectlocatie zich in ‘verdacht’ gebied op basis van geschutsmunitie (verschoten). Zie hiervoor onderstaande kaartuitsnede. De locatie is in niet naoorlogs vergraven of verstoorde grond en er is sprake van grondroerende werkzaamheden. Vanuit de Arbo-wetgeving bestaat de verplichting voor een werkgever om voorafgaand aan werkzaamheden de veiligheid van werknemers veilig te stellen via een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E).

38

Planspecifiek Het projectgebied bevindt zich slechts voor een klein gedeelte in ‘verdacht’ gebied (zie figuur 5.4). Op het perceel was voorheen een agrarisch bedrijf aanwezig (zie figuur 5.5). Aangezien het perceel in het verleden deels bebouwd is geweest, ook ter plaatse van het hiervoor bedoelde ‘klein gedeelte’, is de bodem ter plaatse reeds verstoord en zouden eventueel aanwezige niet gesprongen explosieven destijds zijn aangetroffen en zijn weggenomen.

Fig. 5.4 Uitsnede Explosievenkansenkaart

Fig. 5.5 Overzicht voormalige bebouwing

Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat wat betreft de kans op de aanwezigheid van explosieven er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project. 39

5.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.11.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: 1. 2. 3.

de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.

5.11.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage is niet aan de orde voor het project aan de Molenstraat. Een vormvrije m.e.r.beoordeling is niet benodigd om tot deze conclusie te komen. Bij woningbouw is een vormvrije m.e.r.beoordeling slechts noodzakelijk als deze woningbouw een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ vertegenwoordigt als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Aangezien de omvang van het project ruimschoots onder de drempelwaarden van activiteit D.11.2 blijft, kan er worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De voorgeschreven procedure is dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling middels een m.e.r.-aanmeldnotitie (artikel 7.16 Wm) aangeboden te worden aan het bevoegd gezag, op basis waarvan zij een m.e.r.beoordelingsbesluit moet nemen. Hierover het volgende. Deze paragraaf, alsmede de inhoud van de toelichting (vooral voor zover betrekking hebbend op milieuaspecten), kan worden beschouwd als zogenaamde ‘m.e.r.-aanmeldnotitie’. Deze ‘m.e.r.aanmeldnotitie’ beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie over de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent, dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....'.

De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 40

1. 2. 3.

de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).

Ad. 1 De kenmerken van de activiteit Het bouwplan voor de Molenstraat te Bruchem bestaat uit de realisatie van 10 woningen. In paragraaf 3.2 van deze toelichting is het plan nader beschreven. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de bouwwerkzaamheden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal gas, elektriciteit en water nodig zijn. Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname van de woningen, zijn ten aanzien van de productie van afvalstoffen voornamelijk de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn nader beschreven in hoofdstuk 5 van deze toelichting. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Molenstraat. De toevoeging van de woningen zal een beperkte toename met zich meebrengen wat betreft het aantal motorvoertuigbewegingen. Zowel tijdens de bouw als daarna zijn de aspecten waterhuishouding, bodem, verkeer, geluid, ecologie, archeologie en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn hierboven nader beschreven. Het beoogde plan zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving.

Er worden naar huidig inzicht geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Op de planlocatie neemt de bebouwde oppervlakte iets toe. De huidige brandweervoorzieningen in het gebied zijn voldoende voor de bestrijding ingeval van calamiteiten. In paragraaf 5.5 van deze toelichting wordt nader ingegaan op aspecten omtrent externe veiligheid. Ad 2. De plaats van het project Voor wat betreft de plaats van het project wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van deze toelichting. Ad 3. De kenmerken van het potentiële effect Dit hoofdstuk van de toelichting bevat tevens een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan aan de Molenstraat te Bruchem relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben.

Conclusie Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. 41

Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende weten regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

5.12

Archeologie en cultuurhistorie

5.12.1 Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft in zijn vergadering van 7 juli 2011 beleid vastgesteld hoe het aan die wettelijke verplichtingen invulling wenst te geven. Daarvoor zijn onder andere verschillende archeologische (beleids)kaarten vastgesteld. Daarnaast zijn vrijstellingsgrenzen vastgesteld die aangeven of in een specifiek geval (aanvullend) archeologisch onderzoek noodzakelijk is als de bodem bij een bepaalde (bouw)activiteit wordt verstoord. Op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaart (zie afbeelding hierna) geldt voor de projectlocatie voor een deel ‘Waarde Archeologie – 1’, wat betekent dat er een vrijstellingsgrens geldt voor 30 m2, en voor een deel ‘Waarde Archeologie – 3’, wat betekent dat er een vrijstellingsgrens geldt van 2.500 m2.

Fig. 5.6 Uitsnede Archeologische beleidskaart (projectlocatie: rood omcirkeld)

Planspecifiek In opdracht van initiatiefnemer heeft ADC ArcheoProjecten een Archeologische Begeleiding (conform protocol Opgraven) uitgevoerd ten behoeve van het bouwrijp maken van het perceel aan de Molenstraat

42

5 te Bruchem (Een archeologisch begeleiding, Molenstraat 5 te Bruchem, ADC Projecten, d.d. januari 2018, zie bijlage X). De Archeologische Begeleiding behelsde het toezicht houden op het uitgraven van een te saneren olievervuiling, het afgraven van te saneren bovengrond en het afgraven van puinhoudende bovengrond. Deze werkzaamheden waren leidend voor de omvang en diepte van het onderzoek. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van ca. 2.320 m² en was vóór de sloop in gebruik als erf met woonhuis en opstallen. Het gebied ligt in het noordwesten van Bruchem en wordt begrensd door de Molenstraat in het westen, perceel ‘Molenstraat 1’ in het noorden en een sloot in het oosten en zuiden. Tijdens de begeleiding zijn in het noorden van het plangebied funderingsrestanten van een boerderijtje uit de 19e eeuw aangetroffen. De boerderij is omstreeks 1970 gesloopt. Deze maakte oorspronkelijk deel uit van een groep van drie boerderijtjes, waarvan er één nog als Gemeentelijk monument aanwezig is. Aan de westzijde van het plangebied werden funderingsrestanten van een woonhuis aangetroffen. Dit huis is waarschijnlijk in het vierde kwart van de 19e eeuw gebouwd en daarna nog enkele malen uitgebouwd en inpandig veranderd. Onder andere resten van kelders met een trap en een toegangshek werden aangetroffen. Dit huis is enkele jaren geleden gesloopt.

De bodemopbouw laat een dik ophogingspakket zien, tot wel 1,60 m onder maaiveld. Bekend is dat de grond van Bruchem door de eeuwen heen flink is opgehoogd om het land geschikt te maken voor bewoning en landbouw. Ook lag er rond Bruchem een verhoogde schans en lag er ca. 50 m ten oosten van het onderzoeksgebied een kasteel op een terp. Sporen van het kasteel zelf zijn niet aangetroffen, wel werd een sloot waargenomen die door het ontbreken van vondstmateriaal verder niet gedateerd kan worden, maar mogelijk wel tot het kasteelterrein hoorde. Conclusie De sloopwerkzaamheden/bouwrijp maken van het perceel aan de Molenstraat 5 in Bruchem zijn onder archeologische begeleiding uitgevoerd. De archeoloog van de gemeente heeft aangegeven dat voor dit deel van het terrein geen archeologisch vervolgonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Archeologie vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Gemeente Zaltbommel verplicht.

5.12.2 Cultuurhistorie De beleidsnota Cultuurhistorie van de gemeente Zaltbommel bevat ideeën en stimulansen om de in de gemeente Zaltbommel aanwezige cultuurhistorische waarden zoveel als mogelijk te beschermen dan wel te gebruiken ten behoeve van andere beleidsdoelen zoals het versterken van de recreatieve functie, het versterken van het toeristische beleid, het verbreden van de publieksparticipatie en de versterking van de lokale economie. Door ruimtelijke ontwikkeling kan de historische identiteit van Zaltbommel onder druk staan. In de nota wordt onderkend dat dit niet hoeft, want economische ontwikkeling en behoud van cultuurhistorische waarden kunnen goed samengaan. Cultuurhistorie wordt als economische drager onderscheiden. De gemeente Zaltbommel wil ook de kansen die cultuurhistorie biedt op het economische vlak - toerisme en recreatie, werkgelegenheid – benutten en stimuleren. De geïnventariseerde cultuurhistorische kenmerken zijn met elkaar geïntegreerd en vertaald naar landschapsbiografische ensembles. Deze ensembles vormen de cultuurhistorische kansen – en mede de basis - voor de stedenbouwkundige 43

opgaven, de wateropgaven en de natuuropgaven bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Zaltbommel. Planspecifiek Het dorp Bruchem ligt op een stroomrug van de Waal middenin de Bommelerwaard, dichtbij de stad Zaltbommel. De naam Bruchem bestaat uit twee delen: bruc en hem. Bruc komt van broek, dat laagland of een weiland betekent. Hem is afgeleid van heim, dat woonplaats betekent. De historische dorpskern van Bruchem heeft haar originele cultuurhistorische waardevolle karakteristiek weten te behouden. Het lineaire karakter van de belangrijkste ontsluitingswegen is nog duidelijk aanwezig en herkenbaar. De bebouwing aan de Dorpsstraat vormt het oudste deel van Bruchem. De verschillende planmatige uitbreidingen van Bruchem zijn beperkt en hebben zich geschikt naar de bestaande landschappelijke en dorpsstructuren, waarvan de oorspronkelijke bebouwingslinten nog steeds de belangrijkste verkeersverbindingen zijn. De panden in het dorp hebben overwegend een individuele uitstraling en bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen. De bouwhoogte is sterk afwisselend en de bebouwing kent hoofdzakelijk een zadeldak, met of zonder wolfeinden, schilddak of mansardekap. Over het algemeen is er sprake van een traditionele baksteenarchitectuur met een eenvoudige agrarische vormgeving.

Aan de uitvalswegen Peperstraat en Molenstraat zijn veelal grote boerderijen op woerden gebouwd wat karakteristiek is voor de bebouwing van voornamelijk voor 1900 in Bruchem. De woningen staan over het algemeen wisselend geordend op grote kavels, niet allemaal op gelijke afstand van de weg en niet in dezelfde rooilijn. In de directe omgeving van het plangebied ligt het gemeentelijke monument Molenstraat 1. Dit betreft een historisch waardevol pand (zie figuur 5.7). Bij de opzet van dit woningbouwplan is zo veel als mogelijk rekening gehouden met de ligging van deze historische boerderij. Om die reden is ervoor gekozen om de twee woonblokken iets oostwaarts te verschuiven waardoor vanuit de Molenstraat zicht blijft bestaan op deze woning (zie figuur 5.8, de oranje pijl). Ook zal het meest zuidelijke blok worden uitgevoerd met een wolfseinde kap, wat refereert aan de woning Molenstraat 1.

Fig. 5.7

Molenstraat 1 Bruchem

Fig. 5.8 Stedenbouwkundige opzet met zichtlijn

44

6

JURIDISCHE PLANOPZET

6.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.2

Methodiek

6.2.1 Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

6.2.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

45

2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.

Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

6.3

Bestemmingen

Dit bestemmingsplan kent 3 bestemmingen, namelijk ‘Wonen’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. De bestemmingsregels kennen allen veelal een zelfde opbouw met de volgende leden: lid 1: bestemmingsomschrijving lid 2: bouwregels lid 3: afwijkingsregels (van bouwen) lid 4: specifieke gebruiksregels (indien aanwezig), omgevingsvergunningplichtige werken (indien aanwezig) lid 5: afwijkingsregels (van gebruik) lid 6: parkeernorm De bestemmingsomschrijving is de centrale regel van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Wonen Binnen de bestemming Wonen zijn woningen toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden-beroepen en bedrijven. Hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd, terwijl bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Met betrekking tot het gebruik kan worden opgemerkt dat de uitoefening van een beroepsmatige activiteit in het hoofdgebouw (beroep aan huis), de woning, te allen tijde is toegestaan. Als beroep aan 46

huis kunnen worden aangemerkt het beroep van (tand)arts, fysiotherapeut, accountant e.d. Deze activiteiten zijn binnen de aangegeven maatvoering direct toegelaten tot een maximale oppervlakte van 30 m². Voor de uitoefening van een bedrijf aan huis is een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning vereist. Ten aanzien van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten geldt onder meer als voorwaarde dat de woning in overwegende mate geschikt dient te blijven voor de woonfunctie. Dit betekent dat maximaal 30 m² voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw in gebruik mogen zijn. Voorts is er in het plan geen onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen van woningen (zoals bijkeukens of serres) en aangebouwde bijgebouwen (bergingen en aangebouwde garages). Deze gebouwen worden in dit plan vervat onder de ‘bijbehorende bouwwerken’. De regeling gaat uit van een hoofdgebouw binnen het bouwvlak; de bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en binnen de bouwaanduiding bijgebouwen. De gronden ter plaatse van het achtererfgebied, inclusief de gronden binnen de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’, mogen met niet meer dan 50% worden bebouwd tot een maximum van 100 m². Dat biedt voldoende ruimte om aldaar de beoogde vrijstaande bergingen te realiseren.

Groen De gronden binnen de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen, paden en parkeervoorzieningen, sport en spel voorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. Verkeer De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, openbare sporten spelvoorzieningen, verblijfsvoorzieningen, nutsvoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, één en ander met bijbehorende voorzieningen. Kleinschalige gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen mogen binnen de bestemming worden gebouwd.

47

7

UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

7.1

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling van de planlocatie aan de Molenstraat te Bruchem is een ontwikkeling van Woonstichting De Kernen. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de ontwikkelende partij. Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst is ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Vooroverleg Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er is een reactie ingediend door het Waterschap Rivierenland, die leidde tot een kleine aanpassing van de toelichting van het plan.

7.2.2 Ontwerp-bestemmingsplan ter inzage Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Bruchem, Molenstraat naast 1’ is conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode, van 28 april tot en met 8 juni 2023, is een aantal zienswijzen ingediend. Dit heeft geleid tot een aantal (kleine) wijzigingen van het plan (verwezen wordt naar de zienswijzenota welke als bijlage bij het vaststellingsbesluit is gevoegd). 48

7.2.3 Burgerparticipatie De initiatiefnemer heeft in de periode juni – juli 2021 een bezoek gebracht aan de omwonenden van het bouwplan. De doelstelling van deze huisbezoeken was: - Aankondiging van de aanstaande procedure bestemmingsplanwijziging - Inventarisatie standpunten van omwonenden ten aanzien van het plan Uit deze inventarisatie kwamen de volgende opmerkingen: 1. Bewoners Molenstraat 7 Bewoners voorzien bezwaren vanwege de toename verkeerdrukte richting A2 (Molenstraat, Krangstraat). Hiervoor zou een verkeersonderzoek uitsluitsel moeten geven. 2. Molenstraat 6, vergadercentrum De Hoogen Hof De directie geeft aan geen bezwaren te voorzien. 3. Molenstraat 1 De bewoners voorzien bezwaren vanwege de nabijheid van de parkeervoorziening aan het woonhuis. 4. Boomgaard perceel S 398 Eigenaren voorzien bezwaren vanwege de spuitzone die noodzakelijk is voor de exploitatie van de fruitboomgaard. Het nieuwe plan mag hun rechtspositie niet aantasten. Een spuitzone-onderzoek is noodzakelijk om uitsluitsel te kunnen geven omtrent het risico voor de bewoners van het nieuwe plan.

In reactie hierop puntsgewijs, en voor zover nodig, het volgende: Ad 1. De toevoeging van het aantal woningen is beperkt. Dit zal ook slechts een beperkt effect hebben op de verkeerssituatie ter plaatse (zie hierover nader paragraaf 4.2). Ad 3.

Het bouwplan dient te voldoen aan de vereiste parkeerbehoefte. De parkeerplaatsen zijn nu geprojecteerd ter plaatse van de nieuwe woningen en ter hoogte van het bijgebouw van het perceel Molenstraat 1. Er worden geen parkeerplaatsen aangelegd recht voor de voorgevel van de woning Molenstraat 1. De bewoners van Molenstraat 1 zullen te maken krijgen met een bepaalde vorm van hinder vanwege deze parkeerkeerplaats. Niettemin wordt niet verwacht dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

Ad 4.

In verband met deze spuitzone is door SPA WNP een onderzoek uitgevoerd. SPA WNP komt tot de conclusie dat de betreffende boomgaarden geen belemmering vormen voor de realisatie van de woningen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemer niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Zie hierover nader paragraaf 5.3.

49

OVERZICHT BIJLAGEN I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X.

Beeldkwaliteitsplan Molenstraat 5 Bruchem – Gemeente Zaltbommel, Urban Jazz, 6 januari 2023 Watertoets Molenstraat te Bruchem, Econsultancy, 20 maart 2023 Woningbouw Molenstraat 5 in Bruchem, Locatiespecifiek onderzoek spuitzone, SPA WNP Ingenieurs, d.d. 7 december 2021 Beoordeling evaluatieverslag bodemsanering Molenstraat 5 te Bruchem, Omgevingsdienst Rivierenland, 19 juni 2017 Diverse actualiserend (water)bodemonderzoeken, Molenstraat ong. te Bruchem, Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 25 augustus 2022 Evaluatie, Immobiel BUS sanering, Molenstraat (ong.) te Bruchem, Verhoeven Milieutechniek BV, d.d. 8 februari 2023 Akoestisch onderzoek wegverkeer, Molenstraat 5 Bruchem, De Milieuadviseur, 10 februari 2022 Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Gelderland, Molenstraat Bruchem, Ecoresult, d.d. 24 oktober 2022 Memo onderzoek stikstofdepositie woningbouw Molenstraat 5 Bruchem, Langelaar Milieuadvies, d.d. 20 maart 2023 Een archeologisch begeleiding, Molenstraat 5 te Bruchem, ADC Projecten, d.d. januari 2018

50

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleidende regels ......................................................................................2

Artikel 1

Begrippen ...................................................................................................................... 2

Artikel 2

Wijze van meten ........................................................................................................... 7

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels...................................................................................8

Artikel 3

Wonen ........................................................................................................................... 8

Artikel 4

Groen .......................................................................................................................... 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13407340/1