Bijlage 1. Aanwijzingsbesluit Bindend advies en participatiegevallen
Tekst van het document
Aanwijzingsbesluit bindend advies-gevallen en participatiegevallen in Omgevingsplan
Inleiding In ons separate overzicht van ‘actiepunten Omgevingswet’ hebben we aangegeven dat het wenselijk is nog eens zorgvuldig te kijken naar de mogelijkheden om in het omgevingsplan gevallen aan te wijzen, waarin een bindend advies nodig is en waarin participatie verplicht is. In december 2021 – toen het er nog naar uitzag dat de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking zou treden - heeft u besloten gebruik te maken van uw bevoegdheid. Om onder meer praktische redenen is ervoor gekozen om voor initiatieven die afwijken van het omgevingsplan, aan te sluiten bij het systeem van de zogenaamde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (v.v.g.b.) onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wabo. Voor projecten die afwijken van het bestemmingsplan is een lijst opgesteld waarin is aangegeven voor welke categorieën van gevallen de raad een v.v.g.b moet afgeven. In de nieuwe situatie zou deze lijst worden gehanteerd voor ‘bindend advies’-gevallen. En in lijn daarmee werd besloten om de gevallen waarin ‘participatie verplicht is, eveneens te relateren aan de v.v.g.b-lijst. Onder de Omgevingswet moet een vergunning in bijna alle gevallen binnen 8 weken worden behandeld. Ook in de gevallen dat uw Raad een bindend advies wil geven moet dat binnen die 8 weken plaatsvinden. Naar onze mening is een heroverweging van deze besluitvorming gewenst.
Onze conclusie is dat het werken met lijstjes geen aanbeveling verdient en dat de snelheid van werken en daarmee de dienstverlening minder goed tot hun recht komen. Hieronder zullen we dit verder toelichten. Bindend advies In beginsel is het college (en niet de gemeenteraad!) bevoegd om te beslissen over vergunningverlening, zelfs als van het geldende regime (bijvoorbeeld een geldend bestemmingsplan) wordt afgeweken. In het laatste geval kan dat via een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (in de praktijk BOPA genoemd). Tot 1-1-2024 wordt nog gebruik gemaakt van een lijst met categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen (v.v.g.b.) van de raad is vereist. Wordt die verklaring geweigerd, dan moet de omgevingsvergunning worden geweigerd. In de v.v.g.b-lijst worden diverse categorieën van gevallen genoemd op het gebied van wonen, recreatie en bijzondere doeleinden, werken/bedrijvigheid, bouwwerken geen gebouwen zijnde en natuur. In beginsel is het de bevoegdheid van het college te beslissen over de vergunning verlening; het benoemen van onderwerpen die in aanmerking komen voor een bindend advies door de raad zijn altijd arbitrair. Daarnaast moet de raad bij een bindend advies binnen de behandeltermijn van 8 weken acteren.
En bij ingrijpende en grootschaliger projecten is in de regel een wijziging van het omgevingsplan aan de orde, zodat u daar sowieso over moet besluiten. Zolang er sprake is van initiatieven die afwijken van de juridische regels in het Omgevingsplan, maar in overeenstemming zijn met uw beleid - is er geen aanleiding om hiervoor een bindend adviesprocedure in te zetten. In de Omgevingswet wordt het huidige v.v.g.b.-systeem omgekeerd: ons college is bevoegd gezag voor de vergunningverlening, tenzij in het omgevingsplan wordt voorgeschreven dat de raad een ‘bindend advies’ moet afgeven. Als geen bindend advies wordt voorgeschreven is ons college exclusief bevoegd en hoeft er niets te worden geregeld. Als daarvoor wordt gekozen, moet het besluit van 16 december 2021 waarin u heeft besloten de ‘v.v.g.b.-lijst te hanteren, worden ingetrokken. Om snel en efficiënt te kunnen acteren op aanvragen van vergunningen geven wij er de voorkeur aan om geen lijst van bindend advies-gevallen vast te stellen. Daarbij heeft ook de vergadercyclus van uw raad een rol gespeeld. Wij zijn er voorstander van dat waar mogelijk ons college de concrete initiatieven beoordeelt. In de praktijk gaat het veelal om concrete vergunningaanvragen waarvan de impact op de fysieke leefomgeving gering is.
Gaat het om complexe projecten en/of echte gebiedsontwikkelingen (nieuwe woonwijk of bedrijventerrein, transformatiegebied, windmolenparken, etc.) dan hebben we het over een ander schaalniveau. In dergelijke situaties is uw raad sowieso bevoegd, omdat dan een wijziging van het omgevingsplan in de rede ligt. In de praktijk zal het naar verwachting niet stormlopen met grootschalige (bouw)activiteiten. Onze inschatting is dat – zeker in de beginperiode en bij uitgewerkte initiatieven – waar mogelijk gebruik zal worden gemaakt van BOPA’s. Om de invloed van de raad tot uitdrukking te brengen stellen we voor om in het omgevingsplan te volstaan met een verplicht bindend advies als het aanvragen om vergunningen betreft die in strijd zijn
met eerder vastgesteld beleid in de omgevingsvisie of in andere door de raad vastgestelde beleidsdocumenten. Daarnaast ontvangt de Raad een raadsinformatiebrief voor alle initiatieven waar het College de behandeltermijn verlengt van 8 naar 26 weken. Het College is gerechtigd dit te doen op verzoek van de initiatiefnemer en als de gevolgen voor de leefomgeving aanzienlijk zijn en er naar verwachting veel belanghebbenden met bedenkingen zijn. We houden de ontwikkelingen in de praktijk nauwlettend in de gaten. Mogelijk geven die aanleiding tot een herijking, maar vooralsnog hechten wij eraan dat burgers zo snel mogelijk kunnen worden bediend. Participatie Een soortgelijke benadering willen we volgen voor participatie. Het betreft hier participatiegevallen op het niveau van omgevingsvergunningen. Deze participatie wordt vorm gegeven door de initiatiefnemer. Op basis van de Omgevingswet kan Uw raad in het omgevingsplan gevallen aanwijzen (bijvoorbeeld bouwprojecten) waarin participatie verplicht is. Het rechtsgevolg daarvan is dat een initiatiefnemer het voorgeschreven participatietraject moet volgen en als hij daar niet aan voldoet, kan ons college besluiten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen.
Als wordt besloten om geen gebruik te maken van de aanwijzing van participatiegevallen in het omgevingsplan, dan wil dat niet zeggen de initiatiefnemers niet moeten zorgen voor draagvlak. Dat hoort tot de onderbouwing van de aanvraag en de belangenafweging die moet plaatsvinden door de gemeente. Dit is een ‘zachtere’ eis dan dat in alle aangewezen gevallen de participatie volgens de vastgestelde regels moet verlopen. Zo gezegd kan de aanwijzing tot een extra belasting voor de aanvragers leiden en is de meerwaarde beperkt. Initiatiefnemers zijn formeel niet verplicht om een participatietraject te volgen en kunnen zelf bepalen hoe met eventuele participatie wordt omgegaan. Meestal zal draagvlak in de directe omgeving vooral worden gezocht voordat er een concreet plan of project wordt ingediend en niet pas als een concrete aanvraag wordt ingediend. Indien naar het oordeel van het College de initiatiefnemer geen adequate omgevingsdialoog heeft gevoerd en de gevolgen van het initiatief voor de leefomgeving aanzienlijk zijn kan de gemeente participatie alsnog vorm geven. Voor het gemak werd eerder door uw raad besloten om naast de gevallen van bindend advies ook voor participatiegevallen de v.v.g.b. lijst te hanteren.
We wezen er hiervoor al op dat het maken van een lijstje niet alleen een lastige exercitie is en bovendien aanleiding kan geven tot allerlei discussies over gevallen die wel of niet op het lijstje voorkomen. De gemeente doet er beter aan om te bevorderen dat initiatiefnemers een goed onderbouwde aanvraag indienen en verantwoording afleggen over het gevolgde participatietraject. De gemeenteraad dient in het kader van participatie onder de Omgevingswet ook participatiebeleid vast te stellen. Dit beleid ziet op de participatie rond het op- en vaststellen van de omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan. Nog dit jaar ontvangt uw Raad hiervoor ter vaststelling een apart beleidskader.