CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Brakel-West, bijlagen bij de toelichting Bijlage 12 Natuurtoets

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Brakel-West13.186 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Brakel-West

projectnummer 0485570.100 definitief revisie 02 10 november 2023

www.anteagroup.nl

Natuurtoets Brakel-West projectnummer 0485570.100 definitief revisie 02 10 november 2023

Auteurs D.G. Lampe

Opdrachtgever Gemeente Zaltbommel Postbus 10002 5300 DA ZALTBOMMEL

Gecontroleerd W.R. Klokk

Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

datum 10 november 2023

beschrijving Definitief

vrijgave M. Fransen

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer

4 6 6

2.

Effectbeschrijving en -beoordeling

7

2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Insecten Kreeftachtigen en weekdieren Zaadplanten, varens en bladmossen Zorgplicht Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb Kansen voor natuurwaarden in het plangebied

7 9 9 9 13 15 17 18 18 19 20 20 20 20 21 22 23 23

3.

Conclusie & advies

25

3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3

Soortbescherming Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb

25 26 26 26 27 27 27

Literatuurlijst

28

Bijlage 1 Wettelijk kader

30

Bijlage 2 Methodiek natuurtoets

39

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding & planvoornemen De gemeente Zaltbommel is voornemens om maximaal 260 woningen en 28 intramurale zorgeenheden te realiseren. In de huidige situatie betreft het plangebied enkele kassen, schuren en landbouwpercelen liggend ten zuiden van de Appelweg en ten westen van de Molensteeg te Brakel (gemeente Zaltbommel, Provincie Gelderland). Om het planvoornemen te realiseren moet het plangebied volledig opnieuw worden ingericht. De kassen, schuren en landbouwpercelen zullen verdwijnen en alleen de huidige boerenerven binnen het plangebied blijven behouden. In het voornemen is echter ruimte voor de realisatie van groen en water. Er komt een groene hoofdstructuur door het midden van het gebied te lopen wat kansen biedt voor natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming (Wnb), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden).

Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd. In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied is ondertussen gewijzigd. Het onderzoeksgebied is niet afgestemd op het nieuwe plangebied. In figuur 1.3 is een impressie van het ontwerp weergegeven.

Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: QGIS-PDOK, 2023.

blad 4 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: QGIS-PDOK, 2023.

Figuur 1.3. Impressie ruimtelijke ontwikkeling (voornemen). Bron: Kuiper Compagnons, 2021.

blad 5 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

1.2

Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.

1.3

Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden aan de natuurwetgeving en overige beleidskaders. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven.

blad 6 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

2.

Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincie Gelderland en beschermde houtopstanden. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.

2.1

Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 14 juni 2023 is vanaf circa 06:30 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij onbewolkt weer met een temperatuur van circa 15 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd vanaf de openbare wegen. Hierbij zijn gebouwen met een verrekijker geïnspecteerd op geschiktheid voor (beschermde) diersoorten en is gekeken naar de aanwezige vegetatie. Ook zijn de omliggende bomen met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van holtes, scheuren en grote nesten. Het plangebied betreft agrarische terreinen met landbouwpercelen, kassen en boerenerven. Grenzend aan het plangebied is een verharde weg met bomenrijen. Aan de noord- en westzijde is het plangebied omgeven door een sloot met steile, natuurlijke oevers. De landbouwpercelen worden gebruikt voor het verbouwen van verschillende soorten gewassen. Om het planvoornemen te realiseren moeten twee kassen en drie schuren gesloopt worden. De schuren bestaan uit bakstenen gevels en golfplaten daken. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied.

Noordwestzijde van het plangebied als te zien vanaf de Engsteeg

Noordwestzijde van het plangebied als te zien vanaf de Appelweg

Te slopen schuur opgetrokken uit baksteen met golfplaten dak aan de Appelweg

Greppel in het plangebied

blad 7 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Een van de waterwegen die het plangebied omsluit

Te slopen kas en bakstenen schuur aan de Groenesteeg

Te slopen kas en waterreservoir aan de westzijde van het plangebied

Weiland aan de zuidwestzijde van het plangebied

Bedrijventerrein aan de zuidwestzijde van het plangebied

Te slopen golfplaten schuur binnen bedrijventerrein

Figuur 2.1. Impressie van het plangebied. Bron: Antea Group, 2023.

blad 8 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

2.2

Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: De agrarische percelen krijgen een nieuwe (woon)bestemming; Opgaande vegetatie wordt verwijderd; Schuren en kassen binnen het plangebied worden gesloopt; De watergangen binnen het plangebied worden gedempt; Er wordt tijdelijke en permanente verlichting geplaatst; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring gedurende en na de werkzaamheden.

2.3

Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.

2.3.1

Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2.5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Boomvalk 4 Buizerd 4 Gierzwaluw 2 Grote gele kwikstaart 3 Havik 4 Huismus 2 Kerkuil 3 Ooievaar 3 Ransuil 4 Roek 2 Slechtvalk 3 Sperwer 4 Steenuil 1 Zwarte wouw 4

Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en wespendief), gebouwbroedende soorten (zoals huismus en gierzwaluw) en overige soorten (zoals grote gele kwikstaart en ooievaar).

blad 9 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Boombroedende soorten Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en zwarte wouw Binnen het plangebied zijn slechts enkele kleine bomen aanwezig op de boerenerven. Deze bomen bevatten geen grote nesten die toe kunnen behoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. Ook de bomen grenzend aan het plangebied bevatten geen grote nesten. De aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest kan in (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Gebouwbroedende soorten Gierzwaluw en Huismus De huismus en gierzwaluw zijn soorten die voornamelijk in gebouwen broeden. De nesten van de huismus worden meestal onder dakpannen of daklijsten (BIJ12, 2022) aangetroffen. De gierzwaluw nestelt in (hoge) bebouwing in holtes in ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen en in kerktorens (BIJ12, 2017a). Eén van de schuren heeft zwarte, golfplaten daken zonder kantpannen en heeft dus een ongeschikt klimaat voor de gierzwaluw en huismus om te broeden. Bij twee andere schuren zijn wel mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor huismus en gierzwaluw gevonden omdat deze dakpannen, kantpannen of holtes in de gevels bevatten (zie figuur 2.2).

Te slopen schuur aan de Weitjesweg met mogelijk geschikte verblijfplaats voor huismus

Te slopen schuur naast de kas aan de Groenesteeg met mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor huismus en gierzwaluw

Figuur 2.2. Mogelijke verblijfplaatsen voor huismus en gierzwaluw. Bron: Antea Group, 2023.

De huismus en gierzwaluw vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Indien er nestplaatsen van de huismus en/of gierzwaluw aanwezig zijn, kunnen deze verloren gaan als gevolg van de voorgenomen sloop van de woningen. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Ook aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus is in overtreding met de Wnb. Om overtreding van de Wnb te voorkomen, dient allereerst de aan- of afwezigheid van beide soorten te worden vastgesteld middels nader onderzoek. Dit nader onderzoek bestaat voor de huismus uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2022). Voor de gierzwaluw bestaat het nader onderzoek uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli plaatsvindt (BIJ12, 2017a).

blad 10 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de huismus en gierzwaluw aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de huismus bestaat dit nader onderzoek uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12,2022). Voor de gierzwaluw bestaat het nader onderzoek uit drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli plaatsvindt (BIJ12,2017a).

Slechtvalk De slechtvalk heeft als natuurlijke broedplaatsen rotswanden, kliffen en in mindere mate boomnesten. In Nederland broedt de soort vaak op een richel, in een nis, een nestkast of oud kraaiennest. Het is een roofvogel van open agrarische gebieden, half beboste landschappen tot en met steden waar prooiaanbod en voldoende hoge gebouwen aanwezig zijn. In (de direct omgeving van) het plangebied is geen geschikt habitat of broedbiotoop voor slechtvalk aanwezig. Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van de slechtvalk is uitgesloten. Kerkuil De kerkuil komt voor in halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen (houtwallen, heggen of bosjes) die voor afwisseling zorgen. In Nederland broedt hij voornamelijk in speciale nestkasten en slechts heel incidenteel in boomholten. Geschikte boomholten zijn afwezig binnen en in de directe omgeving van het plangebied, maar het voorkomen van geschikte nestkastenen voor kerkuil kan niet worden uitgesloten omdat delen van het terrein ontoegankelijk waren. Hierom dient er nog minimaal één terreinbezoek plaats te vinden waarbij het volledige terrein toegankelijk is en het mogelijk is om gericht te zoeken naar nestgelegenheden en sporen van de kerkuil. Mochten deze aanwezig zijn, zijn er drie gerichte veldbezoeken verspreid in de periode van begin februari tot en met half oktober benodigd.

De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede weersomstandigheden en in een geschikt biotoop plaatsvinden. De beste momenten om te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts (BIJ12, 2017a). Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van nestmogelijkheden van kerkuilen aan te tonen dient er nog minimaal één terreinbezoek plaats te vinden waarbij het volledige terrein toegankelijk is. Mochten nestmogelijkheden aanwezig zijn, zijn er drie gerichte veldbezoeken verspreid in de periode van begin februari tot en met half oktober benodigd. De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede weersomstandigheden en in een geschikt biotoop plaatsvinden. De beste momenten om te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts (BIJ12, 2017a). Steenuil Steenuilen komen voor in halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen (houtwallen, heggen of bosjes) die voor afwisseling zorgen. In Nederland broeden ze voornamelijk in speciale nestkasten en slechts heel incidenteel in boomholten. Nestkasten en bomen met geschikte holten zijn binnen en in de directe omgeving van het plangebied afwezig. Wel zijn er een aantal schuren aanwezig waar deze soorten misschien in zouden kunnen broeden/rusten/roesten.

Omdat het terrein en de gebouwen tijdens het veldbezoek niet konden worden betreden vallen verblijfplaatsen van de steenuil in de te slopen gebouwen van het plangebied niet uit te sluiten. Hierdoor is nader onderzoek naar steenuil benodigd. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een jaarrond beschermd nest in de boom naast het plangebied moeten drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april, waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en laatste bezoek. Overigens kan het daadwerkelijke gebruik van het nest gebeuren

blad 11 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

van begin februari tot en met half juli. De werkelijke periode is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden en van het voedselaanbod (BIJ12, 2017b). Vervolgstappen Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een jaarrond beschermd nest in een van de schuren binnen het plangebied moeten drie gerichte veldbezoeken worden uitgevoerd in de periode van 1 februari tot en met 30 april, waar er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en laatste bezoek (BIJ12, 2017b) Overige soorten Geschikt broedbiotoop voor de grote gele kwikstaart (nabij stromend water of nissen onder bruggen) en de ooievaar (hoge elementen) is in (de directe omgeving van) het plangebied niet aanwezig, waardoor jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soorten kan worden uitgesloten. Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2018-2023).

Soort Categorie Blauwe reiger 5 Boerenzwaluw 5 Bonte vliegenvanger 5 Boomklever 5 Boomkruiper 5 Bosuil 5 Brilduiker 5 Ekster 5 Gekraagde roodstaart 5 Glanskop 5 Grauwe vliegenvanger 5 Groene specht 5 Grote bonte specht 5 Hop 5 Huiszwaluw 5 IJsvogel 5 Kleine bonte specht 5 Koolmees 5 Oeverzwaluw 5 Pimpelmees 5 Spreeuw 5 Tapuit 5 Torenvalk 5 Zeearend 5 Zwarte kraai 5 Zwarte mees 5 Zwarte roodstaart 5

Tijdens het terreinbezoek zijn enkele categorie 5-soorten waargenomen (boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie-5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde

blad 12 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

bescherming rechtvaardigen. De categorie 5-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (o.a. merel, houtduif en witte kwikstaart). De boerenerven, bomen en heggen binnen en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele demp- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog.

Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatie specifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Vervolgstappen Demp- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien dit niet mogelijk is dient het plangebied vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels.

2.3.2

Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Baardvleermuis X Gewone dwergvleermuis X Gewone grootoorvleermuis X Laatvlieger X Rosse vleermuis X Ruige dwergvleermuis X Watervleermuis X

Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd.

1

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.

blad 13 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. Twee van de te slopen schuren in het plangebied bevatten diverse openingen in de buitenmuur. Tevens is er ruimte aanwezig tussen de muur en de kant- en nokpannen (zie figuur 2.3). Deze openingen geven vleermuizen toegang tot de spouwmuur van de woningen, de ruimtes binnen de bebouwing en/of het dak waar ze naar toe weg kunnen kruipen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) kan niet worden uitgesloten. In het plangebied zijn geen grote bomen met scheuren of holtes aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten (o.a. rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis) kan worden uitgesloten.

Te slopen schuur aan de Appelweg

Te slopen schuur naast de kas aan de Groenesteeg

Figuur 2.3. Mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. Bron: Antea Group, 2023.

Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). De woningen in het plangebied kunnen als verblijfplaats dienen voor gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis). Als gevolg van de sloop van de woningen, worden deze mogelijke verblijfplaatsen vernield. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb. Om het gebruik van de woningen als verblijfplaats door vleermuizen al dan niet vast te kunnen stellen, is nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaats door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied meerdere malen (minimaal vijf keer) verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober) te bezoeken voor het vleermuisonderzoek.

blad 14 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) aan te kunnen tonen, is nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober).]

Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. De enige lijnvormige elementen binnen het plangebied zijn de kassen. Omdat deze vaak ’s avonds en ’s nachts verlicht zijn lijkt het onwaarschijnlijk dat deze kassen een essentiële vliegroute vormen. Echter vormen de bomenrijen langs het plangebied bij de Appelweg en de Groenesteeg mogelijk wel een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. Deze straten zijn een van de weinige lijnvormige elementen voor vleermuizen om van oost naar west en andersom te vliegen. Deze route kan met name interessant zijn omdat in het oosten veel mogelijke verblijfplaatsen in woningen zijn, en in het westen een water- en vegetatierijk gebied wat geschikt foerageergebied voor vleermuizen vormt. Hierom is het van belang dat zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het planvoornemen geen extra lichtuitstraling op deze bomenrijen veroorzaken. Mocht dit niet mogelijk zijn dient er ook nader onderzoek naar essentiële vliegroutes te worden gedaan. Vervolgstappen Voorkom extra lichtuitstraling op de bomenrijen bij de Appelweg en de Groeneweg tijdens zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het planvoornemen. Mocht dit niet mogelijk zijn dient er ook nader onderzoek naar essentiële vliegroutes te worden gedaan.

Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn als agrarisch, water- of bosrijk landschap. In het plangebied is sprake van opgaande begroeiing. Daarbij is geen sprake van unieke beplanting en/of structuren die enkel in het plangebied aanwezig zijn. Bij verwijdering van deze begroeiing blijft er voldoende beschut en geschikt foerageergebied over in de directe omgeving van het plangebied. Er is daardoor geen sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten.

2.3.3

Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2.5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde zoogdieren Aardmuis X Bever X Boommarter X Bosmuis X Bunzing X Dwergmuis X Egel X

blad 15 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

X X X X X X X X X X

Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos (Zoogdiervereniging, 2023). Binnen (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen voor bevers geschikte wateren gevonden. De sloten in het plangebied zijn te klein en worden niet omgeven door geschikte houtige plantensoorten. Het voorkomen van essentieel leefgebied voor bevers kan binnen (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Boommarter Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, struwelen, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen (Zoogdiervereniging, 2022). Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. In (de directe omgeving van) het plangebied is geen geschikt habitat voor boommarters gevonden. Het gebied zelf en de directe omgeving bevatten erg weinig bomen. De waarnemingen van boommarters die in de omgeving van het plangebied zijn op meer dan 1.5 kilometer afstand van het plangebied.

Het voorkomen van essentieel leefgebied voor boommarters kan binnen (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Bunzing, hermelijn en wezel De bunzing, hermelijn en wezel zijn de laatste jaren enkele malen waargenomen in de omgeving van het plangebied. Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel hebben voorkeur voor kleinschalige landschappen met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Deze landschapselementen worden voornamelijk gebruikt voor verplaatsing en beschutting omdat kleine marterachtigen prooidieren zijn voor roofvogels. Als dagrustplaats worden voornamelijk bestaande holen gebruikt, zoals konijnenholen en holen van bijvoorbeeld muskusrat. Ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes worden als dagrustplaats gebruikt. (Zoogdiervereniging, 2023.) Binnen het plangebied is vanwege de relatief kort onderhouden agrarische vegetatie weinig beschutting voor kleine marterachtigen te vinden. Echter kunnen de te slopen schuren en heggen wel als verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen dienen. De overige beschutting die binnen het plangebied te vinden is betreft vegetatie op boerenerven die behouden blijft.

Omdat delen van het terrein waaronder de te slopen schuren niet toegankelijk waren tijdens het terreinbezoek, valt de aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen binnen het plangebied niet uit te sluiten. Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de wezel, bunzing en hermelijn aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek op basis van de “Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming” wordt het beste in de actieve periode van de marters (15 maart - 15 augustus) gedurende 6 aaneengesloten weken uitgevoerd en bestaat uit het plaatsen van cameravallen. Daarnaast kan een inpandige inspectie de precieze locatie van een verblijfplaats aantonen.

blad 16 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de wezel, bunzing en hermelijn aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek op basis van de “Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming” wordt het beste in de actieve periode van de marters (15 maart - 15 augustus) gedurende 6 aaneengesloten weken uitgevoerd en bestaat uit het plaatsen van cameravallen. Daarnaast kan een inpandige inspectie de precieze locatie van een verblijfplaats aantonen. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als verschillende muizensoorten, haas, egel, konijn, ree, vos en de woelrat. Deze soorten komen vaak voor in agrarische gebieden. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Gelderland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.11 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.

2.3.4

Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde amfibieën Bastaardkikker X Bruine kikker X Gewone pad X Groene kikker X Heikikker X Kamsalamander X Kleine watersalamander X Poelkikker X

Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuur vermijdende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. (Ravon, 2023). Omdat het projectgebied een intensief gebruikt agrarisch landschap omringd door infrastructuur en bebouwing betreft, valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de heikikker binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Kamsalamander Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door

blad 17 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. (Ravon, 2023) De locatie waar de waarnemingen van kamsalamanders gedaan zijn ligt op minimaal 1.5 kilometer van het plangebied. Gezien de afstand tot de waarnemingen en het feit dat het plangebied een intensief gebruikt agrarisch landschap betreft, valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de kamsalamander binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. (Ravon, 2023) Agrarische watergangen zijn vaak relatief vervuild en zuur. De enige waarneming van de poelkikker die binnen een straal van 2.5 kilometer binnen het plangebied is gedaan, ligt op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied.

Gezien de afstand tot de waarnemingen en het feit dat binnen het plangebied beperkt geschikt habitat voor poelkikkers betreft, valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de poelkikker binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde amfibieën niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten komen vaker voor in en bij de slootjes van waterrijk agrarisch gebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Gelderland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.11 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.

2.3.5

Reptielen In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde reptielen bekend. Op basis van het terreinbezoek worden deze ook niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.

2.3.6

Vissen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vissen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen vissen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 20182023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Wnb) Vrijgestelde vissen Grote modderkruiper X

Grote modderkruiper De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Door een gespecialiseerde huid- en darmademhaling (via ingeslikte lucht) kunnen lage

blad 18 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

zuurstofgehalten overleefd worden. In drooggevallen wateren kan de soort zelfs enige tijd ingegraven in de modder overleven door de levensfuncties tot een minimum te beperken en gebruik te maken van huidademhaling. De grote modderkruiper is veelvuldig gevonden in gelijksoortige slootjes ten zuidwesten van het plangebied. Omdat deze slootjes in verbinding lijken te staan met de te dempen sloten in het plangebied, kan het voorkomen van de grote modderkruiper hier niet worden uitgesloten. Omdat het dempen van deze sloten negatieve effecten op de grote modderkruiper kan hebben, is nader onderzoek naar de grote modderkruiper nodig. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van grote modderkruiper aan te kunnen tonen, dient er ofwel een elektrovisserij onderzoek in de periode maart tot oktober of eenmalig eDNA onderzoek in de periode maart tot juli of september tot november gedaan te worden (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde vissen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde vissoorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als kleine modderkruiper en tiendoornige en driedoornige stekelbaarsje. Deze soorten komen vaker voor in en bij de slootjes van agrarisch gebied.

Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Gelderland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.11 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.

2.3.7

Insecten In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van insecten in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.7 Overzicht van waargenomen insecten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 20182023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Wnb) Vrijgestelde insecten Gevlekte witsnuitlibel X Rivierrombout X Teunisbloempijlstaart X

Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel leeft in Laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen en de larven leven tussen waterplanten in de verlandingszone. Het plangebied betreft geen geschikt habitat voor de gevlekte witsnuitlibel. Bovendien zijn de waarnemingen die gedaan zijn van de gevlekte witsnuitlibel op meer dan 2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand tot de waarnemingen en het feit dat binnen het plangebied beperkt geschikt habitat voor de gevlekte witsnuitlibel betreft, valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de gevlekte witsnuitlibel binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Rivierrombout De rivierrombout komt voor bij rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. Ook in de omgeving van het plangebied zijn de enige waarnemingen van de rivierrombout gedaan bij de oevers van de Waal. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de rivierrombout binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten.

blad 19 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart komt voornamelijk voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van deze soort zijn het wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Het plangebied betreft onderhouden agrarisch gebied waarin deze waardplanten niet voorkomen. Het is mogelijk dat deze waardplanten wel in de tuinen op de boerenerven voorkomen, maar deze blijven met de planvoornemens behouden. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en geschikte waardplanten valt het voorkomen van essentieel leefgebied voor de teunisbloempijlstaart binnen (de directe omgeving van) het plangebied uit te sluiten. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde insecten niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.

2.3.8

Kreeftachtigen en weekdieren In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde kreeftachtigen en weekdieren bekend. Op basis van het terreinbezoek worden deze ook niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.

2.3.9

Zaadplanten, varens en bladmossen In een straal van 2,5 km nabij het plangebied zijn er geen waarnemingen van Europese- en nationale beschermde zaadplanten, varens en bladmossen bekend. Deze zijn tijdens het oriënterende bezoek derhalve ook niet waargenomen. Op basis van het terreinbezoek worden deze niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.

2.3.10 Zorgplicht In het plangebied kunnen (kleine) zoogdieren, vissen en amfibieën aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.11. Tabel 2.8. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Vissen (alle soorten) Niet dempen bij ijsvorming Grondgebonden zoogdieren (alle Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort soorten) maaien Amfibieën en vissen Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid bij het dempen van de watergang

2.4

Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem en ligt op circa 300 meter afstand ten noorden van het plangebied (zie figuur 2.4). Dit gebied is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Binnen een straal van 15 kilometer liggen nog twee andere Natura 2000-gebieden. Het betreft het Lingegebied & Diefdijk-Zuid en de Rijntakken (zie figuur 2.4).

blad 20 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Figuur 2.4. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (rode cirkel). Bron: AERIUS-calculator, versie 2023.

Bij voorliggend planvoornemen is er zowel sprake van een realisatiefase als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. Gezien de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in combinatie met het planvoornemen is de kans op significant negatieve effecten niet uit te sluiten. Het opstellen van een voortoets is de eerste stap om de kans op significant negatieve effecten te beoordelen. Vervolgstappen Om de kans op significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem te kunnen beoordelen, dient een voortoets te worden opgesteld.

2.5

NNN In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 300 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 2.5). Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Gelderland zijn vervolgstappen niet aan de orde.

blad 21 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Figuur 2.5. Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN. Bron: QGIS-PDOK, 2023.

2.6

Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt buiten de begrenzing van de Groene ontwikkelzone (zie figuur 2.6). Er zijn geen vervolgstappen aan de orde.

blad 22 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Figuur 2.6. Begrenzing van de groene ontwikkelzone in Gelderland. Bron: Provincie Gelderland, z.d.

2.7

Beschermde houtopstanden Wnb Met de planvoornemens worden geen bomen aangetast. Beschermde houtopstanden Wnb zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen.

2.8

Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het behouden van de aanwezige natuurwaarden of het vergroten, verbeteren en verbinden ervan, kan op diverse punten een meerwaarde creëren voor voorliggend planvoornemen. Door bestaande en nieuwe natuurwaarden in het planvoornemen te integreren wordt een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving gecreëerd voor bewoners in de stad. Tevens levert het integrale kansen op ten aanzien van verschillende duurzaamheids- en klimaatadaptatie doelen zoals waterretentie, hittestress beperking, luchtzuivering etc. Op basis van het terreinbezoek zijn de huidige natuurwaarden in het plangebied vastgesteld (zie ook paragraaf 2.1). Deze natuurwaarden zijn onder te verdelen in diverse biotopen. De aanwezige biotopen en mogelijkheden voor het realiseren van nieuwe biotopen zijn weergeven in respectievelijk tabel 2.7 en 2.8. Deze tabellen vormen een aanknopingspunt voor het behoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Tabel 2.7. Kansen voor bestaande natuurwaarden in het voorgenomen plan. Aanwezige biotoop Belangrijkste functies voor flora en fauna Grasland

Foerageer-/leefgebied voor insecten, vogels, vleermuizen.

Tabel 2.8. Mogelijk nieuw te ontwikkelen natuurwaarden. Kansen nieuwe biotopen Belangrijkste functies voor flora en fauna Gebouwen Nestgelegenheid gebouwgebonden vogels (mussen, zwaluwsoorten), verblijfplaatsen voor vleermuizen, vegetatie aan/op gebouw

Mogelijkheden voor vergroten, verbeteren en verbinden. Gaat verloren. Grasstroken in planvoornemen opnemen, bijvoorbeeld door aanplant van kruidenrijke vegetatie afgewisseld met ruigtes

Hoe te realiseren Natuurinclusief bouwen

blad 23 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Aanleg (gezamenlijke) tuinen Water aanleggen Kruidenrijke/ bloemrijke vegetaties, b.v. plantsoenen/ tuinen

Schuil- en foerageerplek voor (tuin)vogels en grondgebonden fauna, insecten, vlinders Creëren van biotoop voor vissen, libellen, amfibieën. Schuil- en foerageerplek voor (tuin)vogels en grondgebonden fauna, insecten (zoals vlinders).

Ontwerp door deskundig ecologisch hovenier Ontwerp door een ecologisch deskundige of hovenier. Ontwerp door een deskundig ecologisch hovenier, gebruik van geschikte zaadmengsels.

blad 24 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

3.

Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.

3.1

Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vogels met een jaarrond beschermd nest, algemene broedvogels, vleermuizen en vissen. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in Nader onderzoek (directe omgeving van) nodig? plangebied? Vogels met een Ja, nestgelegenheid in de Ja, zie tabel 3.2 jaarrond beschermd te slopen schuren nest (huismus, (huismus en gierzwaluw) gierzwaluw) Vogels met een Mogelijk geschikte Ja, zie tabel 3.2 jaarrond beschermd nestkasten binnen het nest (kerkuil) plangebied Vogels met een Ja, nestgelegenheid in de Ja, zie tabel 3.2 jaarrond beschermd te slopen schuren nest (steenuil) Vogels (algemene Ja, nestgelegenheid in N.v.t.

broedvogels) opgaande begroeiing Zoogdieren (diverse Ja, mogelijke Ja, zie tabel 3.2 soorten vleermuizen) verblijfplaatsen in de te - verblijfplaatsen slopen schuren Zoogdieren (diverse Ja, mogelijke essentiële Niet als soorten vleermuizen) vliegroutes bij de maatregelen uit – essentiële Appelweg en de tabel 3.3 vliegroutes Groeneweg uitgevoerd kunnen worden. Zoogdieren (bunzing, Ja, mogelijke Ja, zie tabel 3.2 hermelijn en wezel) - verblijfplaatsen in de te verblijfplaatsen slopen schuren Vissen (grote Ja, de te dempen Ja, zie tabel 3.2 modderkruiper) watergangen binnen het plangebied Vrijgestelde soorten Zie tabel 3.4

Maatregelen?

Ontheffing Wnb aan de orde?

Nader te bepalen

Nog onduidelijk

Nader te bepalen

Nog onduidelijk

Nader te bepalen

Nog onduidelijk

Ja, zie tabel 3.3

Nee

Nader te bepalen

Nog onduidelijk

Ja, zie tabel 3.3

Nader te bepalen

Niet als maatregelen uit tabel 3.3 uitgevoerd kunnen worden. Nog onduidelijk

Nader te bepalen

Nog onduidelijk

In tabel 3.1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de huismus, gierzwaluw, steenuil, vleermuis en grote modderkruiper De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.2 uiteengezet. Tabel 3.2. Beschrijving nader onderzoek. Soort Onderzoeksmethode Huismus Twee inventarisatiemomenten tussen 1 april en 15 mei, met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Ook is mogelijk om vier inventarisatiemoment uit te voeren in de periode 10 maart tot en met 20 juni. Gierzwaluw Drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei -15 juli, waarbij minimaal 1 inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli plaatsvindt. Kerkuil Extra bezoek waarbij de delen van het terrein die tijdens het veldbezoek niet toegankelijk waren worden gecontroleerd op kerkuilkasten.

blad 25 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Steenuil Vleermuis Bunzing, hermelijn en wezel Grote modderkruiper

Drie gerichte veldbezoeken worden uitgevoerd in de periode van 1 februari tot en met 30 april, waar er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en laatste bezoek. Minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober). Cameraonderzoek in de actieve periode van de marters (15 maart - 15 augustus) gedurende 6 aaneengesloten weken. Daarnaast kan een inpandige inspectie de precieze locatie van een verblijfplaats aantonen. Ofwel een elektrovisserij onderzoek in de periode maart tot oktober of eenmalig eDNA onderzoek in de periode maart tot juli of september tot november.

In tabel 3.3 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3.3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Tabel 3.3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen. Soort(groep) Maatregelen Algemene broedvogels Werken buiten het broedseizoen Vleermuizen Voorkom extra lichtuitstraling op de bomenrijen bij de Appelweg en de Groeneweg tijdens zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het planvoornemen. Mocht dit niet mogelijk zijn dient er ook nader onderzoek naar essentiële vliegroutes te worden gedaan.

3.1.1

Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.11 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Vissen (alle soorten) Niet dempen bij ijsvorming Vissen en amfibieën Dempen vanuit één richting Grondgebonden zoogdieren (alle Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort soorten) maaien Amfibieën en vissen Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid bij het dempen van de watergang

3.2

Gebiedsbescherming

3.2.1

Natura 2000 In tabel 3.5 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.5. Conclusies Natura 2000-gebieden. Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Wnb-vergunning of akkoord van de provincie noodzakelijk?

Natura 2000 Ja, Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem (op circa 300 meter afstand). Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Nog onbekend

blad 26 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

3.2.2

NNN In tabel 3.6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.6. Conclusies NNN-gebieden. Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?

3.2.3

NNN Circa 300 meter. Nee Niet bepaald, aangezien de provincie Gelderland geen externe werking kent. Nee Nee

Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van de groene ontwikkelzone. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde.

3.3

Beschermde houtopstanden Wnb Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Er zijn voor wat de Wnb betreft geen vervolgstappen aan de orde.

blad 27 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Literatuurlijst BIJ12, 2017a. Kennisdocument gierzwaluw (Apus apus). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument heikikker (Rana arvalis). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2022. Kennisdocument huismus (Passer domesticus). Versie 2.0, juni 2022. BIJ12, 2017c. Kennisdocument kerkuil (Tyto alba). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017d. Kennisdocument poelkikker (Rana lessonae). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017e. Kennisdocument steenuil (Athene Noctua). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2021. Kennisdocument grote modderkruiper (Misgurnus fossilis). Versie 2.0, oktober 2021. Provincie Gelderland, z.d. Atlas kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone (arcgis.com). Van: https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ec1ecdbf259c42f7ba498e7a589b3aee Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Augustus 2009 Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2022. www.floron.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl QGIS-PDOK QGIS 3.22 ‘Białowieża’

blad 28 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Bijlage 1 Wettelijk kader

blad 29 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Het betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). Wnb - Algemeen De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis.

LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb).

blad 30 van 41

datum 10 november 2023 projectnummer 0485570.100 betreft Natuurtoets

Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de overtreding van de verbodsbepalingen. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v.: 1.

2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14272946/1