Beleidskader zon- en windbeleid gemeente Zaltbommel
Tekst van het document
1
`
Gemeente Zaltbommel Afdeling Leefomgeving Floor Ebben Januari 2021
2
INHOUD Introductie ....................................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding beleid ............................................................................................................................ 4
1.2
Doelstellingen klimaatakkoord, GEA, RES en gemeente Zaltbommel ............................................ 4
1.3
Tendermethodiek ........................................................................................................................... 4
Voorwaarden................................................................................................................................................... 6 2.1
Voorwaarden ruimtelijk aspect ...................................................................................................... 6
2.1.1
Ontwikkeling in gebieden zoals beschreven in de Energiekansenkaarten ................................. 6
2.1.2
Ontwikkeling op voorkeurslocaties zoals beschreven in de zon- en windladder ....................... 6
2.1.3
Een passend landschapsontwerp bij de ontwikkellocatie .......................................................... 7
2.1.4
De initiatiefnemer stelt een ‘plan voor landschappelijke inpassing’ op voor het initiatief........ 7
2.1.5
Concentratie en combinatie energieopwekking ........................................................................ 8
2.1.6
Primair ontzien, en zo nodig compenseren, van natuurwaarden .............................................. 8
2.1.7
Ontmanteling en ruimen van windturbines en zonnevelden..................................................... 8
2.2 2.2.1
Voorwaarden procesparticipatie .................................................................................................... 8 Vooraf afstemmen met directe omgeving en belangen en initiatiefnemer maakt
participatieplan ....................................................................................................................................... 9 2.2.2 2.3
De initiatiefnemer maakt een evaluatie van het participatieplan ............................................. 9 Voorwaarden financiële participatie .............................................................................................. 9
2.3.1
Minimaal 50% met een streven naar 100% lokaal eigendom van de omgeving ...................... 10
2.3.2
Omwonenden en inwoners delen in de winst door middel van omgevingsfonds ................... 10
2.3.3
De kosten van de planontwikkeling van het initiatief zijn voor de initiatiefnemer ................. 10
2.3.4
Samenwerkingen met lokale bedrijven .................................................................................... 10
2.4
Voorwaarden zonnevelden specifiek ........................................................................................... 11
2.4.1
Zonnevelden mogen niet worden gerealiseerd op landbouw- en weidegrond ...................... 11
2.4.2
Zonnevelden worden optimaal in de omgeving ingepast ........................................................ 11
2.4.3
Zonnevelden mogen de biodiversiteit niet benadelen ............................................................ 11
2.4.4
Dubbelgebruik van land voor zonne-energie opwek ............................................................... 12
2.5 2.5.1
Overige voorwaarden ................................................................................................................... 12 Vooraf afstemmen met netwerkbeheerder en aantonen van uitvoerbaarheid ...................... 12
Begrippenlijst ................................................................................................................................................ 13
3
INTRODUCTIE 1.1 Aanleiding beleid Op 25 juni 2020 zijn door de gemeenteraad van gemeente Zaltbommel uitgangspunten geformuleerd voor in dit Zon- en windbeleid. Deze uitgangspunten zijn als basis genomen voor de bepalingen in dit beleid. Daarnaast is er gebruik gemaakt van de informatie die is opgedaan bij een online enquête, de Ruimteateliers van de Regionale Energiestrategie (RES) en de Energiecafés waar inwoners en andere belanghebbenden bij aanwezig zijn geweest. In bijlage 1 wordt het participatieproces beschreven. Grootschalige opwekking van zonne- en windenergie heeft een grote ruimtelijke impact. De manier waarop projecten worden gerealiseerd is daarom van groot belang. Door dit Zon- en windbeleid op te stellen, geeft de gemeente Zaltbommel sturing op zowel de locaties (wáár grootschalig zon en wind kan worden opgewekt) als op het proces (onder welke voorwaarden, zoals participatievoorwaarden) grootschalig zon en wind kan worden opgewekt. Extra (mogelijke) belemmeringen die in acht genomen moeten worden in de gemeente Zaltbommel worden beschreven in bijlage 2. Dit beleid is van toepassing op elk initiatief voor grootschalige zon- en windenergie opwekking in de gemeente Zaltbommel. Zowel met een tender methodiek als zonder. De voorwaarden die in dit beleid zijn beschreven zijn aanvullend op alle wettelijke bepalingen.
1.2 Doelstellingen klimaatakkoord, GEA, RES en gemeente Zaltbommel Het nationale Klimaatakkoord bevat de algemene doelstelling om de Nederlandse CO₂ uitstoot in 2030 met 49% te reduceren ten opzichte van de niveaus van 1990, en met minimaal 95% in 2050. Het Gelderse Energieakkoord (GEA), waar gemeente Zaltbommel zich bij aan heeft gesloten, gaat nog een stapje verder en streeft naar 55% minder CO₂ -uitstoot in 2030 en een klimaatneutrale provincie in 2050. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we op regionaal niveau werken aan de doelen voor 2030 en 2050. Voor de gemeente Zaltbommel betekent dit, dat er samen met de gemeenten uit de Regio Rivierenland aan de Regionale Energiestrategie (RES) FruitDelta Rivierenland wordt gewerkt om samen als regio de doelstellingen te halen. En de gemeente Zaltbommel werkt met haar eigen Programma Duurzaamheid aan het behalen van deze ambities. Dit Zon- en windbeleid draagt bij aan het behalen van bovenstaande ambities.
1.3 Tendermethodiek Gemeente Zaltbommel heeft ervoor gekozen om bij het duurzame elektriciteit vraagstuk voor een tendermethodiek te kiezen voor het realiseren van grootschalige initiatieven. Het klassieke model voor overheidssturing is het opstellen van sturend beleid: het bepalen van de plekken waar wel of geen zonnevelden of windturbineopstelling mag komen en onder welke condities het per locatie mag. Door periodiek een beperkt aantal megawatts als tender uit te schrijven, kan de gemeente meer werk uitbesteden aan de markt. Hierdoor kunnen we de snelheid om de klimaatdoelen te halen 4
versnellen. Ook zonder dat wij onze belangrijkste randvoorwaarden: omvang, participatie & draagvlak en voorkeurslocaties, als sturingsprincipe uit het oog verliezen. Op basis van een puntentelling wordt in een tender bepaald welk initiatief doorgang kan vinden. Deze puntenstelling wordt niet in dit beleid beschreven, maar deze zal worden bepaald in de uitvoering. In bijlage 3 wordt het proces van de tendermethodiek beschreven. In het Zon- en windbeleid zijn de voorwaarden beschreven voor het realiseren van grootschalige zon- en windinitiatieven. Deze beleidsregels zijn de uitgangspunten die worden meegenomen in de uitvraag voor een initiatief in de gemeente Zaltbommel. De uitvraag/tender zal apart van dit beleid worden gedaan door de gemeente.
5
VOORWAARDEN De voorwaarden die hier worden beschreven zijn voorwaarden voor het realiseren van grootschalige energie opwek in de gemeente Zaltbommel. De voorwaarden zijn onderverdeeld in ruimtelijke aspecten, aspecten die betrekking hebben op procesparticipatie en financiële participatie. In deze voorwaarden zijn de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de raad verwerkt. Deze voorwaarden beschrijven de minimumnorm.
2.1 Voorwaarden ruimtelijk aspect De opwek van grootschalige duurzame energie heeft impact op de ruimtelijke omgeving. Het is daarom van groot belang dat een initiatief goed past in de gemeente en goed is ingepast in het landschap.
2.1.1 ONTWIKKELING IN GEBIEDEN ZOALS BESCHREVEN IN DE ENERGIEKANSENKAARTEN Op de Energiekansenkaart zonne-energie en de Energiekansenkaart windenergie zijn gebieden weergegeven binnen de gemeente Zaltbommel waar de mogelijk- en onmogelijkheden liggen voor grootschalige energie opwek. De Energiekansenkaarten geven aan in de paarse gebieden waar grootschalige energieopwekking mogelijk is, in de blauwe gebieden waar dit mogelijk is onder voorwaarden en in de rode gebieden waar dit niet mogelijk is (zowel de volledige en gearceerde rode gebieden). De gemeente Zaltbommel geeft alleen medewerking aan initiatieven die zijn gelegen in de blauwe en paarse gebieden in de Energiekansenkaarten. In de rode gebieden zijn initiatieven voor grootschalige zonnevelden en windturbines niet mogelijk. De Energiekansenkaarten staan in bijlage 4 en in bijlage 5 staat een uitgebreide toelichting van de Energiekansenkaarten.
2.1.2 ONTWIKKELING OP VOORKEURSLOCATIES ZOALS BESCHREVEN IN DE ZON- EN WINDLADDER Initiatieven in gebieden, zoals beschreven in de Energiekansenkaarten in paragraaf 2.1.1, worden vervolgens beoordeeld en gescoord aan de hand van de zon- en windladder van de gemeente Zaltbommel. De zon- en windladder scoort de initiatieven op hun invloed op de omgeving. De zon- en windladder geeft een voorkeursvolgorde aan waar we zon- en wind opwek mogelijk willen maken en is gebaseerd op onder andere uitkomsten van bijeenkomsten met inwoners en andere belanghebbenden zoals de Ruimteateliers en de Energiecafés en een online enquête. De locatie heeft een grote invloed op de algehele score van het initiatief. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de voorkeuren van inwoners en belanghebbenden een grote impact hebben. Initiatieven die liggen op een locatie die hoog op de zon- en windladder staan, zullen beter scoren dan initiatieven die lager op de ladder staan. Bijvoorbeeld een windinitiatief scoort hoger als deze langs de infrastructuur ligt dan een windinitiatief dat in de uiterwaarden ligt. De zon- en windladder geeft de voorkeurvolgorde aan van plekken voor de toepassing van zonnevelden of windparken .
6
Voorkeursvolgorde windenergie (hoogste voorkeur eerst) 1. 2. 3. 4. 5.
Langs de infrastructuur (A2 en N322) Op en bij bedrijventerreinen Bij de glastuinbouw In de uiterwaarden In de komgronden / in de weilanden
Voorkeursvolgorde zonne-energie 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Op of bij bedrijventerreinen Langs infrastructuur Bij de glastuinbouw Pauzelandschap* In de komgronden en weilanden In de uiterwaarden
*Onder ‘pauzelandschap’ worden gronden bedoeld die zijn gereserveerd voor ontwikkelingen waarvan duidelijk is dat de bestemming gaat veranderen in de (verre) toekomst. Belangrijke noot: In het huidige bestuursakkoord 2018-2022 van de gemeente Zaltbommel is aangegeven: ‘Zonnepanelen worden bij voorkeur geplaatst op voormalige agrarische bouwpercelen en op locaties waar geen ander nuttig gebruik denkbaar is. Voorbeelden zijn weg-/spoorbermen, retentievijvers, dijken en daken van bedrijven en gemeentelijke gebouwen. Er komen geen zonnepanelen in weilanden en landbouwgronden zolang er nog alternatieve locaties voorhanden zijn’. Voor dit beleid zijn de termen ‘weilanden en landbouwgronden’ nader gedefinieerd tot ‘gronden die in het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben’.
2.1.3 EEN PASSEND LANDSCHAPSONTWERP BIJ DE ONTWIKKELLOCATIE Zon- en wind opwek dient plaats te vinden met respect voor het landschap. Voor alle initiatieven nemen we naast de ontwikkeling van energie daarom ook altijd de ontwikkeling van het landschap mee. Hoe groter het initiatief (dus de impact op het landschap), of hoe kwetsbaarder een gebied (dus met grotere landschapswaarden), des te meer dit gecompenseerd moet worden in een passend landschapsontwerp van de locatie. Het is wenselijk landschap en energie waar mogelijk ruimtelijk te verbinden zodat ingreep en opbrengst zichtbaar en herleidbaar zijn voor de landschapsbezoeker. Daarom stelt de gemeente Zaltbommel dat het initiatief goed landschappelijk wordt ingepast. Een wens is daarnaast dat een initiatiefnemer, waar nodig, mitigerende (verzachtende) en compenserende maatregelen neemt om het initiatief om de impact op landschap te verzachten, dan wel compenseren.
2.1.4 DE INITIATIEFNEMER STELT EEN ‘PLAN VOOR LANDSCHAPPELIJKE INPASSING’ OP VOOR HET INITIATIEF De initiatiefnemer maakt een landschappelijk inrichtingsplan met daarin het ontwerp van de opstelling en op welke wijze deze in het landschap wordt ingepast. Hier wordt rekening gehouden met het landschapstype en de locatie. Inrichtingsprincipe en alternatieven worden gemotiveerd.
7
2.1.5 CONCENTRATIE EN COMBINATIE ENERGIEOPWEKKING Waar mogelijk, streeft gemeente Zaltbommel naar de concentratie van energieopwekking. Dit zorgt ervoor dat er niet overal in de gemeente initiatieven worden gerealiseerd. Daarnaast wordt er waar mogelijk gestreefd naar het combineren van zonnevelden en windturbines op één locatie wanneer hierdoor het landschap wordt versterkt. Dit zorgt ervoor dat energieopwekking geconcentreerd blijft en het landschap en de landschapsbeleving zo min mogelijk wordt belast. Naast de landschappelijke belangen is het tot slot ook technisch gezien gewenst om energie opwek te combineren en te concentreren.
2.1.6 PRIMAIR ONTZIEN, EN ZO NODIG COMPENSEREN, VAN NATUURWAARDEN Onze landelijke natuurwetgeving is hierin leidend. Voor wat betreft Natura 2000-gebieden, beschermd via de Wet Natuurbescherming, zijn ontwikkelingen alleen mogelijk wanneer er geen negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelen van het habitattype of het leefgebied van de soort waarvoor dit Natura2000 gebied is aangewezen. Ook ontwikkelingen met mogelijke schade voor flora en fauna, beschermd via de Wet Natuurbescherming, zijn in principe niet mogelijk en/of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN), welke is verankerd in de Verordening van de Provincie Gelderland, zijn ontwikkelingen alleen mogelijk als er geen negatieve ontwikkelingen zijn op de kernkwaliteiten van deze gebieden, of er geen reële alternatieven zijn, of er sprake is een groot openbaar belang. De overblijvende negatieve effecten moeten dan gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de wettelijk verplichte natuurtoets onderzoeken we van welke natuurwaarden er op de locatie sprake is en welk effect de voorgenomen ontwikkeling hierop heeft. Hieruit volgt of er sprake is van schade is aan natuurwaarden, en of een ontheffing wet Natuurbescherming nodig is en kan worden verleend en welke aanvullende maatregelen hiervoor nodig zijn.
2.1.7 ONTMANTELING EN RUIMEN VAN WINDTURBINES EN ZONNEVELDEN Gewenst is dat er bij ontmanteling en ruimen gestreefd wordt de materialen zoveel mogelijk te recyclen. Na ontmanteling van een zonneveld of windturbine moet de grond weer bruikbaar zijn voor andere bestemmingen, het gebied moet dan zonder sporen achterblijven, zowel onder als boven de grond. Indien de bodemkwaliteit is afgenomen, moet deze na ontruiming hersteld worden door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer kan afspraken maken met inwoners, omwonenden en de gemeente over het behoud van landschaps- en natuurelementen die tijdens de bouw of exploitatie zijn toegevoegd. Het ontmantelen en ruimen moet binnen een redelijke termijn gebeuren. De initiatiefnemer moet voor het ontmantelen en ruimen van het initiatief geld hebben gereserveerd.
2.2 Voorwaarden procesparticipatie De opwek van grootschalige duurzame energie heeft impact op het landschap en het gebruik en de beleving daarvan. Het is daarom van belang dat de omgeving voldoende betrokken wordt bij de totstandkoming van een initiatief. Hoe meer omwonenden zijn betrokken bij keuzes, en zij de mogelijkheid krijgen om keuzes te beïnvloeden, hoe meer draagvlak er voor een initiatief is. Bovendien maken de ideeën van omwonenden en andere belanghebbenden de plannen nog beter en passender bij de omgeving. Dit heet procesparticipatie, ofwel, de betrokkenheid van de omgeving bij de planvorming van het initiatief.
8
2.2.1 VOORAF AFSTEMMEN MET DIRECTE OMGEVING EN BELANGEN EN INITIATIEFNEMER MAAKT PARTICIPATIEPLAN De initiatiefnemer geeft in het participatieplan aan hoe hij/zij de directe omgeving en belangen van de beoogde locatie betrekt in het planproces. Daarnaast moet de initiatiefnemer ook aan kunnen tonen dat er al omgevingsactiviteiten zijn ondernomen voor het ingediende project. Daarin moet worden aangegeven hoe de omgeving aankijkt tegen de plannen van de initiatiefnemer. Elk plan moet daarbij ook aangeven op welke
manier omwonenden en lokale
bedrijven kunnen participeren in de ontwikkeling
(procesparticipatie), realisatie (lokale aanbesteding) en opbrengst (financiële participatie) van het initiatief. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de participatie voor zijn initiatief. Hij is hiervoor het eerste aanspreekpunt. Wij volgen hiermee de Omgevingswet. Onder ‘directe omgeving’ wordt het volgende verstaan: Voor windenergie initiatieven wordt onder ‘directe omgeving’ de afstand van vier keer de masthoogte van de windturbine verstaan. Voor zonne-energie initiatieven wordt hieronder de afstand van minimaal 200 meter van het zonne-initiatief verstaan. Deze afstanden zijn hemelsbreed van het initiatief gemeten, vanaf de rand van het initiatief. Bij initiatieven nabij de gemeentegrens, dienen ook de aangrenzende gemeente(n) te worden betrokken.
2.2.2 DE INITIATIEFNEMER MAAKT EEN EVALUATIE VAN HET PARTICIPATIEPLAN De gemeente toetst of er participatie heeft plaatsgevonden zoals vastgelegd in het participatieplan. Bij het indienen van het concept bestemmingsplan levert de initiatiefnemer een schriftelijke evaluatie van het participatieplan in van het participatietraject. In het verslag staat minimaal: -
-
Hoe het participatietraject is verlopen: wie is wanneer betrokken en op welke manier. Hier moet duidelijk worden beschreven wie, op welk moment en hoe is geïnformeerd en de kans heeft gehad om te reageren op conceptplannen; Welke inbreng de betrokkenen hebben gegeven; Tot welke aanpassingen de participatie heeft geleid en welke afspraken zijn gemaakt. Daar waar participatie niet heeft geleid tot aanpassingen, wordt toegelicht waarom; Hoe de initiatiefnemer ervoor heeft gezorgd dat tijdig de mogelijkheid is geboden om schriftelijk en mondeling op de conceptplannen te reageren door o.a. inwoners; Voor welke vorm van financiële participatie is er gekozen met onderbouwing; Welk samenwerkingsverband(en) van inwoners en omwonenden voor ten minste 50% medeeigenaar is van het initiatief; Eventuele afspraken over grondruil; Eventuele afspraken over sociale grondvergoeding; Beschrijving van het maatschappelijk draagvlak voor het initiatief.
2.3 Voorwaarden financiële participatie Het is belangrijk dat de omgeving ook de voordelen ervaart van het initiatief. Dit kan door de gemeenschap te laten delen in de opbrengst en ze zeggenschap te geven over het initiatief. Dit is mogelijk via financiële participatie, wat inhoudt dat de omgeving mee investeert en financieel meeprofiteert van een initiatief.
9
2.3.1 MINIMAAL 50% MET EEN STREVEN NAAR 100% LOKAAL EIGENDOM VAN DE OMGEVING De initiatiefnemer moet voor ten minste 50% lokaal eigendom van de omgeving organiseren, met een gemeentelijk streven naar 100% lokaal eigendom. Hierbij wordt aangesloten op het landelijke Klimaatakkoord waarin 50% lokaal eigendom wordt nagestreefd. Onder lokaal eigendom wordt verstaan dat inwoners van gemeente Zaltbommel mede-eigenaar zijn. Onder lokaal eigendom worden aandelen in een coöperatie of vereniging of andere democratische ondernemingsvorm verstaan. Een uitzondering hierop is dat er ook een klein percentage van de 50% van naastgelegen gemeente afkomstig mag zijn, de gevolgen van een windturbine in gemeente Zaltbommel houdt namelijk niet op bij de gemeentegrens. De laatste uitzondering zijn aangrenzende percelen aan bedrijventerreinen, deze hoeven geen 50% lokaal eigendom te hebben in de vorm van inwoners voor het realiseren van een zonproject waarvan de energie wordt gebruikt voor eigen gebruik van de bedrijven op het bedrijventerrein. Hierop is het Lokaal Energiebedrijf van gemeente Zaltbommel een uitzondering. Hier is de eigenaar namelijk de gemeente, waardoor de inwoners indirect profiteren. Lokaal eigendom van de omgeving moet geregeld zijn voordat een initiatief in behandeling wordt genomen.
Omdat juist in de aanloop van het project waarde wordt gecreëerd en belangrijke beslissingen worden genomen voor de omgeving. Van belang is dat de rechtsvorm van het georganiseerd lokaal eigendom toestaat dat ieder die dat wil toe kan treden. Daarnaast is van belang dat de toegetredenen zeggenschap hebben over het initiatief, delen in de opbrengsten en zeggenschap hebben over de besteding van eventuele winst. Financiële deelneming (bijvoorbeeld obligaties), waarbij het element zeggenschap ontbreekt, tellen niet mee voor het percentage lokaal eigenaarschap van de omgeving. Schijnconstructies, waarbij het lokaal eigendom in werkelijkheid bestaat uit een verband van commerciële ontwikkelaars, grondeigenaren en/of ondernemingen, zijn niet toegestaan.
2.3.2 OMWONENDEN EN INWONERS DELEN IN DE WINST DOOR MIDDEL VAN OMGEVINGSFONDS Naast lokaal eigendom, is het ook wenselijk dat de winst lokaal wordt ingezet. De initiatiefnemer is verplicht een omgevingsfonds op te zetten dat ten goede komt aan de omgeving van het initiatief. Een minimale bijdrage van de initiatiefnemer van € 0,50 per MWh aan een omgevingsfonds is verplicht.
2.3.3 DE KOSTEN VAN DE PLANONTWIKKELING VAN HET INITIATIEF ZIJN VOOR DE INITIATIEFNEMER De planontwikkeling en exploitatie van een zonneveld en/of windturbinelocatie is voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De gemeentelijke kosten voor de planvoorbereiding en de eventuele afwikkeling van planschadeclaims tegen een zonneveld en/of windturbinelocatie zijn voor de initiatiefnemer. Dit verhaalt de gemeente op de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst. Het afsluiten van zo’n overeenkomst is een voorwaarde voor het verlenen van de ruimtelijke medewerking.
2.3.4 SAMENWERKINGEN MET LOKALE BEDRIJVEN De gemeente wil de investeringen zoveel mogelijk ten goede laten komen aan de lokale gemeenschap. Daarom is het wenselijk dat er met bedrijven uit de gemeente wordt samengewerkt. 10
2.4 Voorwaarden zonnevelden specifiek 2.4.1 ZONNEVELDEN MOGEN NIET WORDEN GEREALISEERD OP LANDBOUWEN WEIDEGROND In het bestuursakkoord is de volgende voorwaarde opgenomen: ‘Er komen geen zonnepanelen in weilanden en landbouwgronden zolang er nog alternatieve locaties voorhanden zijn’, deze voorwaarde wordt gewaarborgd in dit beleid. Onder ‘weilanden en landbouwgronden’ worden de gronden die in het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben bedoeld.
2.4.2 ZONNEVELDEN WORDEN OPTIMAAL IN DE OMGEVING INGEPAST Het is wenselijk dat zonnevelden zo min mogelijk opvallen in (en zo min mogelijk impact hebben op) de omgeving. Het verschilt per landschapstype en locatie hoe dat het best kan worden ingepast en gerealiseerd. In het algemeen geldt hoe minder zichtbaarheid, hoe beter. In een besloten landschap is bijvoorbeeld meer mogelijk dan in een open landschap. Voor de positionering van de panelen is niet alleen de optimale ligging ten opzichte van de zon leidend, maar ook of het aansluit bij de verkavelingsstructuur en andere lijnen in het landschap. Zonnevelden zijn mogelijk onder de volgende voorwaarden: -
De afstand tot woningen/tuinen is ten minste 40 meter. Tenzij schriftelijk kan worden aangetoond dat eigenaar en/of bewoner hier toestemming voor geeft; Omwonenden en verkeer geen last hebben van de schittering van een zonneveld; Transformatorhuisjes (gebouwtje dat transformatoren herbergt om hoogspanning om te zetten in laagspanning) zich op het perceel van het zonneveld bevinden.
2.4.3 ZONNEVELDEN MOGEN DE BIODIVERSITEIT NIET BENADELEN De biodiversiteit in Nederland staat onder druk. Het is van belang dat er maatregelen worden getroffen om de biodiversiteit zoveel mogelijk te behouden, dan wel te vergroten. Uitgangspunt is daarom een natuur inclusieve inrichting van het zonneveld. Op de locatie waar het zonneveld komt, mag de biodiversiteit niet afnemen. Als de biodiversiteit niet op de locatie kan worden behouden moet het verlies van biodiversiteit ter plekke of elders worden versterkt en gecompenseerd. Een aantal voorwaarden moeten in acht worden genomen: -
-
-
De initiatiefnemer zorgt (ongeacht locatie), in samenwerking met natuurorganisatie(s), voor de ontwikkeling van een aanleg- en beheer plan voor de natuurwaarden in de vorm van een Biodiversiteitsbeheerplan; Een goede bodem is belangrijk voor de biodiversiteit van flora en fauna. Daarom moeten zonnepanelen zo ver mogelijk uit elkaar en boven de grond worden geplaatst, zodat de bodemkwaliteit zo veel mogelijk wordt behouden. Minimaal 30% van de oppervlakte van een zonneveld is onbedekt met panelen, om verdroging tegen te gaan; Standaard zullen er specifieke natuurelementen aan het gebied worden toegevoegd zoals bomen, struiken, bloemen als omheining van de zonnevelden. De keuze is maatwerk; Klein wild moet het park in kunnen; Het vegetatiebeheer stuurt op gebiedseigen inheemse, kruidenrijke vegetaties die zo laat en weinig mogelijk worden gemaaid; Er mogen op het zonnepark geen pesticiden, herbiciden en chemische schoonmaakmiddelen worden gebruikt;
11
-
We borgen dat de aangelegde groenstructuren ten behoeve van de landschappelijke inpassing / Biodiversiteitsbeheerplan ook na het verdwijnen van de zonnepanelen behouden blijven, waarmee het een investering in de toekomstige ecologische en landschapsstructuur van onze gemeente vormt.
2.4.4 DUBBELGEBRUIK VAN LAND VOOR ZONNE-ENERGIE OPWEK Met dubbelgebruik wordt bedoeld dat landbouwgrond gecombineerd wordt (en dus dubbel wordt gebruikt) met zonne-energie opwek. De gemeente sluit mogelijke experimenten niet uit, echter moet dit per initiatief worden beoordeeld.
2.5 Overige voorwaarden 2.5.1 VOORAF AFSTEMMEN MET NETWERKBEHEERDER EN AANTONEN VAN UITVOERBAARHEID De initiatiefnemer van het project moet aan kunnen tonen dat er contact is geweest met de netwerkbeheerder over of het initiatief kan worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Daarnaast moet de initiatiefnemer ook schriftelijk kunnen aantonen dat er met de grondeigenaren een overeenkomst of intentieverklaring bestaat. Tot slot moet ook de uitvoerbaarheid van het project door de initiatiefnemer(s) worden aangetoond, inclusief de beschikbaarheid van financiële middelen en financiële stabiliteit.
12
BEGRIPPENLIJST Initiatief: een project voor de realisatie van zonnevelden en/of windturbines in de gemeente Zaltbommel. Initiatiefnemer: de organisatie die de aanvraag voor vergunning doet voor minimaal één windturbine of een zonneveld. De initiatiefnemer is de trekker van het initiatief. Ontwikkelaar: de organisatie die een windturbine of zonneveld ontwikkelt. Grondeigenaar: de persoon of organisatie die grond in eigendom heeft. Biodiversiteit: de verschillende planten en dieren in een gebied vormen samen de biodiversiteit. Het wordt ook wel ‘soortenrijkdom’ genoemd. Grootschalige windenergie opwek (windpark): onder grootschalige windenergie opwek wordt één of meerdere windturbines van meer dan 20 meter (ashoogte) gemeten vanaf het maaiveld verstaan. Grootschalige zonne-energie opwek (zonneveld): zonnevelden als opstelling van zonnepanelen vanaf 0,5 hectare, die grond of watergebonden zijn.
13