4. Subsidiebeleid Nawoord van de rekenkamer
Tekst van het document
Rekenkameronderzoek Subsidiebeleid gemeente Zaltbommel Nawoord van de Rekenkamer 15 december 2025 De rekenkamer constateert dat het college de conclusies en de aanbevelingen van de rekenkamer in grote lijnen ondersteunt. Op een aantal punten lijken verschillen van inzicht te bestaan. Deze geven de rekenkamer aanleiding de raad nog het volgende toe te lichten. Reactie college op conclusie 5 en aanbeveling 6 Conclusie 5: Langdurige structurele subsidierelaties bieden zekerheid en stabiliteit, maar stimuleren niet tot vernieuwing en eigen draagkracht en geven weinig ruimte voor nieuwe initiatieven. Aanbeveling 6: Zet subsidieregelingen in als uitdaging aan de samenleving om vernieuwing op gang te brengen. De samenleving is voortdurend in verandering en ontwikkeling. Dat maakt dat beleid en dus ook subsidiebeleid op gezette tijden daarop moeten worden aangepast. Voorkomen moet worden dat er ingesleten verhoudingen en verwachtingen ontstaan. Deze stimuleren niet tot eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Bovendien staan zij door het beslag op de middelen de mogelijkheid om in te spelen op nieuwe behoeften, doelen en doelgroepen in de weg. Dat bestaande subsidieregelingen van tijd tot tijd kunnen worden aangepast, zoals het college naar aanleiding van conclusie 5 aangeeft, is daarvoor niet toereikend.
Op enig moment kan het noodzakelijk zijn een subsidieregeling ten principale ter discussie te stellen. Overigens lijkt de reactie van het college op aanbeveling 6 daarmee volledig in lijn. Reactie college op conclusie 6 Conclusie 6: Bij incidentele subsidies is onvoldoende duidelijk of en hoe deze naar een structurele relatie kunnen worden uitgebouwd indien de activiteit maatschappelijk succesvol blijkt. Het is duidelijk dat de essentie van een incidentele stimuleringssubsidie is een initiatief op gang te helpen, waarna het bij succes op eigen benen verder zou moeten gaan. Voorstelbaar is dat dat niet geheel lukt, terwijl het initiatief wel de gewenste maatschappelijke effecten heeft. In lijn met aanbeveling 6 zou dan de afweging gemaakt kunnen worden de subsidiëring duurzamer in te zetten. Daarbij moet uiteraard, zoals ook het college zelf stelt, ‘goed gekeken worden welke zaken dan niet meer gesubsidieerd kunnen en hoeven te worden’. Reactie college op conclusie 8 en aanbeveling 8 en 9 Conclusie 8: In de uitvoering leidt dit alles tot een verzwaring van de druk op de organisatie, beperking van de toegankelijkheid voor de aanvrager en inconsistenties in de verantwoording en verslaglegging. Aanbeveling 8: Maak de controle op de doeltreffendheid en doelmatigheid tot een onderdeel van de evaluatie en voortgangsrapportages van het sectorale beleid.
Aanbeveling 9: Zorg dat de ambtelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het subsidiebeleid en op één punt in de organisatie wordt neergelegd. De rekenkamer heeft niet gesteld dat het overzicht totaal ontbreekt, maar in het onderzoek is geconstateerd dat het de organisatie veel moeite heeft gekost alle benodigde informatie consistent op een rij te krijgen. In zijn reactie op conclusie 8 stelt het college dat het onmogelijk, niet wenselijk en zeer kwetsbaar zou zijn om de verantwoordelijkheid voor dit overzicht bij één persoon te leggen.
De rekenkamer spreekt in aanbeveling 9 overigens over één punt in de organisatie. De rekenkamer begrijpt dat dit, zoals het college stelt, nader bekeken moet worden. Voor de duidelijkheid: de rekenkamer doelt hierbij vooral op de formele uitvoering van de subsidieregelingen. Voor de controle op en de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van subsidieregelingen beveelt de rekenkamer juist aan deze te leggen bij de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het inhoudelijke beleid. De bijdrage van de subsidieregeling aan het resultaat van dit beleid is dan direct zichtbaar te maken. Mogelijk kan deze benadering vanuit het sectorale beleid ook bijdragen aan een verbetering van het inzicht in en de greep op het subsidiebeleid bij de raad. Overigens, de cultuurvisie ‘Verder ontwikkelen’ is inderdaad in 2023 vastgesteld, maar deze visie is te weinig concreet om als basis te dienen voor de inrichting en toetsing van subsidieregelingen. De beleidsnota ‘Sport en bewegen’ is in september 2025 vastgesteld en kon niet meer worden meegenomen in het onderzoek.