20220411 Staatsontvoeringen in NL
Tekst van het document
Het “Toekomstscenario kind en gezinsbescherming” van 30 maart 2021 geeft opnieuw bewijs van het intentionele karakter van het doorgaan met de mensenrechtenschendingen aan. In het scenario worden de integriteitsproblemen op systeemniveau ongemoeid worden gelaten.17 Ondanks het inhumane en barbaarse karakter van de dienstverlening, wordt het werkgebied van jeugdzorg uitgebreid, en verder samengevoegd met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Dit scenario is nog weer een stap in de verkeerde richting en vormt opnieuw bewijs van het intentionele karakter van de mensenrechtenschendingen, waarbij de “zorg” zich – gedwongen – steeds meer op alle leden van het gezin gaat richten.
15
Vonnis Rechtbank Warschau d.d. 21 september 2020 https://www.europarl.europa.eu/news/nl/headlines/eu-affairs/20210325STO00802/eu-waarden-uitgelegd-in-een-minuut 17 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/03/30/tk-bijlage-toekomstscenario-kind-en-gezinsbescherming 16
14 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
Hoofdstuk 5: nietigheid vernietigbaarheid 5.1 Nietigheid (schending legaliteitsbeginsel) 55. Het tweede grote knelpunt in het NJI overzicht is de miskenning van het juridische kader: de beginselen van de rechtsstaat, wetten en verdragen. 56. Er is een zeker gemak waarmee de uitvoeringspraktijk voorbij lijkt te gaan aan het legaliteitsbeginsel. Bureau Berenschot bracht op 14 mei 2018 een rapport uit, waarbij door de opdrachtgevers was gesteld, dat men moest uitgaan van de volgende “(wettelijke) producten”. Dit zijn producten waarvoor de gemeente betaalt in het kader van jeugdzorg.18
57. De aanduiding “(wettelijke) producten” geeft aan dat jeugdzorg wettelijke en niet wettelijke producten en diensten aanbiedt. Echter, het legaliteitsbeginsel brengt mee dat alle producten/diensten in het kader van overheidsdwang moeten berusten op een wettelijke grondslag, omdat anders het bestuursorgaan handelt zonder bevoegdheid; dit is het kenmerk van een rechtsstaat. Advocaten en rechters, ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, en de in-house juristen en advocaten van de GI’s weten dit, althans behoren dit te weten. Ook de juristen in dienst van de gemeenten of door de gemeente ingehuurde advocaten weten dit, althans behoren dit te weten. 58. Het vereiste van een wettelijke grondslag beschermt burgers tegen onrechtmatige inmenging van hun familieleven, aantasting van de menselijke waardigheid en willekeur. 59. Voorbeelden van producten en diensten zonder wettelijke grondslag zijn: Voorbeeld 1. De gegroeide praktijk, waarbij de ouders vanuit de contractsvrijheid een overeenkomst van kinderbeschermingsmaatregelen (dwang) – OTS of OTS/UHP – afsluiten met de GI, berust niet op een wettelijke grondslag. Dit is nadrukkelijk aan de orde gekomen tijdens de Ronde tafel jeugdbescherming in de Tweede Kamer op 27 oktober 2021.19 Voorbeeld 2.
De gegroeide praktijk, waarbij medewerkers uit van GI’s met hun ketenpartners proactief toegang hebben tot gezinnen om hen te observeren en naar mogelijke en/of toekomstige ontwikkelingsbedreigingen – ernstig of niet – te zoeken of te construeren, mist een wettelijke grondslag. Voorbeeld 3. De inschakeling van spionagediensten en geheime politiediensten tegen ouders (die geen binnenlandse terroristische activiteiten ontplooien) mist een wettelijke grondslag. 60. Hierna zullen wij zien, dat het contractenrecht verbiedt dat partijen dwingende wetsbepalingen opzij zetten.
5.2 Nietigheid (strijd met dwingende bepaling/schending verdragsbepaling) Uitholling ouderlijk gezag/Bescherming gezinsleven 61. Artikel 1:247 BW (het ouderlijk gezag) geeft ouders niet alleen het recht, maar legt aan hen ook de plicht op, elk eigen kind (zelf!) op te voeden en te verzorgen. De Staat moet op grond van artikel 3 lid 2 VN 18 19
https://vng.nl/sites/default/files/eindrapport_kostprijsonderzoek_gecertificeerde_instellingen_14mei2018_0.pdf https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2021A05923
15 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
Kinderrechtenverdrag rekening houden met de rechten en plichten van ouders, en de Staat moet op grond van artikel 5 van dit verdrag de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders eerbiedigen. 62. Ouders mogen contracten sluiten in de sfeer van vrijwillige jeugdhulp, zolang deze hulp het ouderlijk gezag niet uitholt; vanuit hun autonomie wensen zij extra ondersteuning, en daarover voeren zij zelf de regie; zij beslissen over welke hulp, het begin en de beëindiging daarvan. Verder bepaalt artikel 1:265a BW dat uitsluitend na een machtiging van de rechter, een kind uit huis kan worden geplaatst. Ook deze bepaling is dwingend. Men kan dus niet via een overeenkomst vanuit de jeugdzorg afspreken dat kinderen elders worden ondergebracht. 63. Contractsvrijheid in de sfeer van kinderbeschermingsmaatregelen is een andere situatie, omdat het ouderlijk gezag geheel of gedeeltelijk wordt uitgehold. Met de GI wordt een contract gesloten waarbij ouders de verbintenis op zich nemen om: i. ofwel hun autonomie en de regie rond de verzorging of opvoeding structureel te delen, dan wel over te dragen aan de GI dan wel enige mate van zeggenschap van de GI te dulden (een overeenkomst van OTS); ii. ofwel hun eigen kind(eren) vrijwillig af te staan en te leveren aan de GI die met hulp van derden de opvoeding en verzorging volledig overneemt (een overeenkomst van OTS/UHP). 64.
Dergelijke afspraken zijn in strijd met de wettelijke plicht van ouders onder artikel 1:247 BW. Op grond van artikel 3:40 lid 2 BW leidt strijd met een dwingende wetsbepaling – zoals artikel 1:247 BW – tot nietigheid van de rechtshandeling. De GI als bestuursorgaan hoort te weten, dat zij ouders niet mag vragen om dergelijke afspraken contractueel vorm te geven, en dat die afspraken dus geen enkele rechtsgeldigheid hebben. De GI als bestuursorgaan hoort dus ook te weten, dat zij ouders niet mag vragen om zo’n overeenkomst toch te sluiten. De Raad voor de Kinderbescherming hoort dit te toetsen. In het uiterste geval behoort de rechter de nietigheid te constateren en de GI – en de Raad voor de Kinderbescherming – tot de orde te roepen. Overeenkomst van exploitatie/moderne slavernij 65. Elke vorm van hulp aan een kind, maar zeker kinderbeschermingsmaatregelen, moet effectief zijn. Ze moeten dus de ernstige, concrete problemen oplossen binnen een redelijke termijn, want artikel 274 Sr verbiedt slavenhandel, artikel 273f Sr verbiedt mensenhandel en elk opzettelijk voordeel uit de uitbuiting van een ander, en artikel 1:1 BW verbiedt persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook. Ook deze artikelen zijn dwingend, dus ook daarvan mag contractueel niet worden afgeweken. 66.
Volgens de Verenigde Naties is mensenhandel het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van mensen door middel van geweld, fraude of bedrog, met als doel hen voor winst uit te buiten. Mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden en van alle achtergronden kunnen het slachtoffer worden van deze misdaad, die in elke regio van de wereld voorkomt.20 Indicatoren 67. Op grond van de volgende indicatoren kwalificeert een overeenkomst met de Nederlandse jeugdzorg tot kinderbescherming vrijwel zonder uitzondering een overeenkomst van moderne slavernij: slavenhandel, mensenhandel, uitbuiting, persoonlijke dienstbaarheden. (i) het kind is altijd de bron van de financiële aanspraken die uit het contract voortvloeien, (ii) er is sprake van een rechtsverhouding van machtsongelijkheid tussen de ouders en de contractspartij,21 (iii) er is sprake van enige mate van uitholling van het ouderlijk gezag, en/of (iv) de kinderbeschermingsmaatregelen zijn niet effectief, of zelfs (per saldo) schadelijk; en worden jaar in jaar uit verlengd, (v) ouders klagen over valsheid in geschrifte, eenzijdige dossiervorming, leugenachtige verklaringen, ondeugdelijk bewijs, en andere problemen met de deugdelijkheid van het dossier.
(vi) er worden dwangmiddelen ingezet tegen de ouders (zoals een gang naar de rechter, schriftelijke aanwijzingen, contactbeperkingen, etc.), deze middelen kunnen worden ingezet, of er wordt mee gedreigd om ouders te bewegen tot volgzaamheid, gehoorzaamheid danwel volledige onderwerping. 20
https://www.unodc.org/unodc/en/human-trafficking/human-trafficking.html De machtsongelijkheid kan zijn: feitelijk (aantal medewerkers), financieel, kennis gerelateerd (in-house specialistische kennis en middelen om die kennis in te kopen via externe consultants en advocaten), ervaring (is de contractspartij een professionele “repeat-player”?), wettelijke machtsbasis, en toegang tot de macht (ketenpartners, met inbegrip van de Nederlandse Orde van Advocaten, de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, de betrokken ministeries (VWS/Minister V&J), en parallelle belangen aan die van de macht, etc. 21
16 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
68. Vrijwel alle overeenkomsten zullen kwalificeren als nietige overeenkomst. Onder leiding van de GI’s raken de meeste kinderen (verder) beschadigd of verbetert hun situatie niet wezenlijk, zonder dat ouders hun kinderen nog kunnen beschermen en de vrijwillige hulp zelfstandig kunnen beëindigen of daarin de beslissende stem hebben (artikel 255 Sr). De contractuele bepaling dat de GI slechts een inspanningsverbintenis heeft, of dat overeenkomst geen overeenkomst tot exploitatie is of bedoeld te zijn, nemen de schending van artikel 1:247 BW niet weg. Het feit dat de GI de betaling voor de dienstverlening krijgt van de Gemeente, doet niets af aan de kwalificatie van slavernij. De facto moeten ouders in het Nederlandse systeem overigens (via eigen bijdragen) meebetalen aan de uitbuiting van hun eigen kind(eren). 69. Op grond van artikel 3:40 lid 2 BW is de overeenkomst wegens strijd met dwingende wettelijke bepalingen verboden en nietig. Vanwege de inbreuk van verdragsbepalingen door inhoud of strekking “in strijd met de goede zeden of de openbare orde,” en daarom eveneens nietig (artikel 3:40 lid 1 BW). De GI als bestuursorgaan hoort te weten, dat zij ouders niet mag vragen om zo’n overeenkomst toch te sluiten. De Raad voor de Kinderbescherming hoort dit te toetsen.
In het uiterste geval behoort de rechter de nietigheid te constateren en de GI – en de Raad voor de Kinderbescherming – tot de orde te roepen. Verdragsbepalingen inzake exploitatie/moderne slavernij 70. De kinderen worden ook door Europese en internationale verdragen beschermd tegen exploitatie, zoals artikel 5 Handvest EU, artikel 32 Kinderrechtenverdrag.22 Op grond van artikel 7 VN Kinderrechtenverdrag hebben kinderen het recht om de eigen ouders te kennen, en door hen te worden verzorgd. Vanuit hun rechtspositie is de overeenkomst van de GI met hun ouder(s) – zie hiervoor aan de hand van de indicatoren – door inhoud of strekking “in strijd met de goede zeden of de openbare orde,” en daarom eveneens nietig (artikel 3:40 lid 1 BW). 71. Ook op deze grond zijn vrijwillige overeenkomsten van OTS en/of OTS/UHP verboden en nietig. De GI als bestuursorgaan hoort te weten, dat zij ouders niet mag vragen om zo’n overeenkomst toch te sluiten. De Raad voor de Kinderbescherming hoort dit te toetsen. In het uiterste geval behoort de rechter de nietigheid te constateren en de GI – en de Raad voor de Kinderbescherming – tot de orde te roepen.
5.3 Vernietigbaarheid (wilsgebreken) 72. Deze vrijwillige contracten zijn eenzijdig vernietigbaar door ouders op grond van wilsgebreken Informatie achterstand. Jeugdbeschermingsmaatregelen leiden zoals reeds geconstateerd, in de praktijk vrijwel nooit tot een snelle oplossing van de problemen en/of terugkeer naar huis. Integendeel, OTS en/of OTS/UHP worden meestal tot het 18e of 21e levensjaar verlengd. 1. Ook als er fouten gemaakt zijn of achteraf komt vast te staan dat de maatregelen nooit opgelegd hadden mogen worden, komen de kinderen niet thuis (zelfs niet in het Kindertoeslagen Schandaal23). 2. Zelfs als de maatregelen niets helpen en wel leiden tot en (verdere) beschadiging van het kind leiden zoals een UHP (denk ook aan de bevindingen van Commissie Samson en Commissie De Winter over seksueel, fysiek en psychologisch geweld), komen de kinderen niet meer thuis. Deze informatie wordt vaak voor ouders verborgen gehouden. De indruk wordt gewekt dat het kind mogelijk door de jaarlijkse rechterlijke toetsing weer thuis kan komen, of de GI doet alsof het kind beter af zou zijn via vrijwillige jeugdbeschermingsmaatregelen. Machtsongelijkheid en/of druk. Het is staande praktijk dat de GI - om het zichzelf gemakkelijker te maken - streeft naar vrijwillige maatregelen, met het dreigement van dwang als middel om ouders te bewegen tot aanvaarding (‘drang/dwang’).
Hiermee bewijst de branche zelf dat een vrijwillige overeenkomst tot OTS en/of OTS/UHP, het wettelijk systeem van bescherming bij dwangmaatregelen doorkruist. Veel ouders en kinderen leven dan ook in constante angst, ondanks het zogenaamde vrijwillige kader. 73. In de hiervoor beschreven omstandigheden mogen ouders de nietigheid van de overeenkomst eenzijdig inroepen (artikel 3:49 BW) op grond van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW) en/of dwaling (artikel 6:228 BW). Deze wilsgebreken leiden tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. De vernietiging heeft terugwerkende kracht (‘ex tunc’, artikel 3:53 lid 1 BW). 74. Deze rechtsgevolgen maken duidelijk dat de contractsvrijheid geen geschikt instrument is voor kinderbeschermingsmaatregelen (rechtsonzekerheid). Gemeentes riskeren jarenlange financiering kwijt te raken met terugwerkende kracht. Zij moeten dat zien terug te vorderen van de GI.
22 23
Zie ook artikel 36 VN Kinderrechtenverdrag, artikel 7 lid 1 sub c Statuut van Rome, artikel 4 EVRM, etc. https://nieuwrechts.nl/87893-omtzigt-furieus-zelfs-een-onafhankelijk-onderzoek-laten-doen-lukt-deze-regering-niet
17 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
75. Ten slotte handelt de GI structureel onrechtmatig, door de rechtsgeldige vernietiging van een contract door ouders niet te accepteren, maar te negeren. De uitvoering van het contract gaat doorgaans na vernietiging gewoon door.
5.4 Rechtsgeldige gronden van uithuisplaatsing 76. De uithuisplaatsing mag slechts als laatste redmiddel worden toegepast (EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen e.a. t. Duitsland), EHRC 2018/118 m.nt. S. Florescu, par. 84-85. Zie ook o.m. EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94 (K. en T. t. Finland), par. 166-167, EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04 (Wallová en Walla t. Tjechië), par. 73-74, EHRM 16 maart 2010, nr. 28680/06 (A.D. en O.D t. Verenigd Koninkrijk), par. 89. Zie ook de Case law guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights (versie 30 april 2019), blz. 62, te raadplegen op www.echr.coe.int). 77. In de Parlementaire Geschiedenis (2010)24 worden voorbeelden aangegeven van de zeldzaamheid in de casuïstiek, op grond waarvan dit middel geschikt zou kunnen zijn. Overigens geldt nog steeds dat eerst minder schadelijke alternatieven moeten worden geprobeerd, met steun uit het eigen netwerk; zeer waarschijnlijk is dat helaas ook in de onderstaande voorbeelden niet gebeurd. Zelfs in deze schrijnende gevallen moeten alternatieven worden geprobeerd (zoals beschermd, begeleid wonen in een woongroep): a. Een moeder waarvan het kind in 1998 uithuis is geplaatst wordt ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarig kind.
De moeder is jarenlang verslaafd aan alcohol en drugs, gebruikt medicijnen vanwege depressieve klachten, moeder is onbereikbaar voor de hulpverlening, onbetrouwbaar in het nakomen van afspraken. Er is geen zicht op verbetering van de situatie. b. Vader wordt jarenlang behandeld bij de GGZ, afdeling forensische psychiatrie. Beide ouders zijn zwakbegaafd. Vanaf 1993 heeft het gezin een geschiedenis van agressie en mishandeling van het kind door de vader. Deze mishandeling vindt nog steeds plaats tijdens de contactmomenten tussen de ouders en het – al zes jaar uithuisgeplaatste – kind. De veiligheid van het kind kan dan niet worden gewaarborgd. De moeder kan de situatie niet in goede banen leiden. De contactmomenten moeten fors worden teruggebracht om het kind normaal te laten ontwikkelen. In het belang van het kind verliezen de ouders het wettelijke gezag over hem. De rechtbank ging er vanuit dat deze ontheffing de ouders er toe zou kunnen bewegen om wel deskundige adviezen te volgen en afspraken na te komen. c. Mevrouw X, vermoedelijk in de regio Rotterdam verblijvend, is 34 weken zwanger. Haar zwangerschap verloopt ongecontroleerd, mevrouw X gebruikt fors harddrugs, dealt daarin en prostitueert zichzelf. Mevrouw weigert zich te laten behandelen of haar zwangerschap te laten controleren. Het kind zal hoogstwaarschijnlijk verslaafd ter wereld komen.
Mevrouw krijgt geen ouderlijk gezag en Bureau Jeugdzorg krijgt de voorlopige voogdij. d. Voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren kind. Moeder heeft cognitieve beperkingen en sociaal emotionele problemen. De moeder wil op geen enkele wijze meer hulp. Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld. e. Moeder, oefent alleen het gezag uit over twee kinderen en is zwanger. De ontwikkeling van de kinderen wordt op sociaal-emotionele, cognitief en fysiek gebied bedreigd. Moeder is door een verstandelijke beperking niet in staat «adequaat opvoedingsgedrag» te vertonen. Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet afdoende gebleken. Moeder is van mening dat er zich in haar woning geesten bevinden en heeft daarop de woning verlaten. Nadat zij de woning «ritueel [heeft] laten reinigen» woont zij er weer. Zowel de twee minderjarige kinderen als de ongeboren vrucht worden onder toezicht gesteld en uithuis geplaatst. f. Een zwangere vrouw is langdurig bekend bij diverse hulpverleningsinstanties vanwege haar verschillende gedragsstoornissen. Zij functioneert op zwakbegaafd niveau en onttrekt zich regelmatig aan hulpverlening. De vader die ook hulpverlening behoeft heeft die stopgezet. Omdat de vrees bestaat dat de ouders de ongeboren vrucht zullen onttrekken aan noodzakelijke medische zorg wordt de vrucht onder voorlopig toezicht gesteld en te zijner tijd uithuis geplaatst. g.
Moeder, van enkele weken oude baby, functioneert op zwakbegaafd niveau, heeft borderline persoonlijkheidsstoornis en kan «onder ongunstige omstandigheden haar onmacht, angst of woede omzetten in destructief gedrag». De vrouw moet binnen kort in detentie vanwege een veroordeling tot een poging tot doodslag. Moeder is kan zich «geen opvoedingsvaardigheden eigen maken, zij bleek [eerder] niet leerbaar». Moeder is eerder ontheven over het gezag van twee andere kinderen. Vader functioneert eveneens op zwakbegaafd niveau en heeft 24-uurs begeleiding en behandeling nodig. Hij vormt een gevaar in verband met impulsdoorbraken bij spanning gevolgd door agressie. De baby wordt onder toezichtgesteld en met spoed uithuis geplaatst. 78. De huidige gronden van uithuisplaatsing zijn volgens veel advocaten in de afgelopen jaren aantoonbaar (veel) te ver opgerekt.
24
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32405-2.html
18 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
5.5 Illegale richtlijnen terugplaatsing 79. De richtlijnen voor terugkeer van de kinderen naar huis gaan uit van een zogeheten “aanvaardbare termijn”. Deze termijn bedraagt ½ jaar (kinderen tot 5 jaar) tot een jaar (kinderen ouder dan 5 jaar). Na ommekomst van die termijn zijn de kinderen van de pleegouders. De kinderen zouden dan zozeer aan de pleegouders zijn gehecht, dat de pleegouders voorgaan boven de eigen ouders. Bovendien hebben pleegouders een ‘blokkeringsrecht’ dat zij kunnen inroepen als ouders verzoeken om terugplaatsing naar huis bij ‘vrijwillige’ zorg van langer dan een jaar; bij een formele OTS/UHP laat de Raad voor de Kinderbescherming de wensen van de pleegouders doorgaans zwaarder wegen dan die van het belang van het oorspronkelijke gezin. 80. Deze richtlijnen vormen eveneens bewijs van het karakter van exploitatie van de Nederlandse jeugdzorg, mede door het eigen belang van de ketenpartners om de kinderbeschermingsmaatregelen voor te zetten en de kinderen zo lang mogelijk te ‘verzilveren’. a. Ten eerste is de richtlijn nietig, omdat het in strijd is met artikel 7 VN Kinderrechtenverdrag en in strijd met artikel 1:247 BW. b. Ten tweede wordt miskend dat na deze termijn de kinderen geregeld binnen de jeugdzorg worden verplaatst. Dan is de richtlijn kennelijk geen beletsel. c. Het tijdsverloop is geen geldige reden.
Doorslaggevend is het bestaan van een concrete, ernstige ontwikkelingsbedreiging. d. Als die concrete, ernstige ontwikkelingsbedreiging er nooit geweest is, of de uithuisplaatsing om andere redenen achteraf onrechtmatig of nietig blijkt, kan het tijdsverloop de onrechtmatigheid of nietigheid niet wegnemen. e. Als kinderen hun gehechtheid met hun eigen ouders verliezen, is er een vermoeden van onrechtmatig handelen van de GI in strijd met artikel 1:262 lid 3 BW (het bevorderen van de familieband). 81. Nederland haalt hiermee niet eens het niveau van Nazi-Duitsland in 1945, nu zij dergelijke inhumane, barbaarse richtlijnen niet als nietig en onrechtmatig heeft geïdentificeerd, maar als beroepsstandaarden heeft geïmplementeerd. Als de kinderen dan vervolgens niet mogen terugkeren naar huis, en de ouders buiten spel zijn gezet – vaak wordt hun ouderlijk gezag bij wijze van automatisme afgenomen na een perspectiefbesluit – dan laten de pleegouders alle ouderschapsrechten gelden jegens de kinderen, maar doen geen afstand van de exploitatierechten. Hoewel zij dus als rechtsopvolgers hebben te gelden van de echte, biologische ouders, hoeven zij geen genoegen te nemen met de kinderbijslag, maar blijven zij dagelijkse vergoedingen en andere aantrekkelijke voorwaarden genieten die binnen het commerciële systeem worden betaald.
De exploitatie gaat door, maar de ouders zijn dan ook formeel rechteloos gemaakt.
82. De verplichte periodieke rechterlijke toetsing is illusoir na ommekomst van de termijnen. Ook dit draagt bij aan het karakter van showprocessen. Vrijwel geen enkel kind mag terugkeren naar huis, ook al wordt in de beschikkingen niet expliciet aan de richtlijnen gerefereerd. Advocaten en rechters geven in hun onderlinge rolverdeling de schijn van legitimiteit aan nietige en onrechtmatige praktijken.
5.6 De tenuitvoerlegging van beschikkingen 83. Op grond van artikel 430 lid 3 Rv mogen beschikkingen pas ten uitvoer worden gelegd na voorafgaande betekening door de gerechtsdeurwaarder. Artikel 812 Rv voorkomt dat de afgifte apart moet worden
19 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate
verzocht, maar ontslaat niet van de verplichting tot betekening. Ouders kunnen een executiegeschil aanspannen. Ook voorkomt deze tussenkomst de antedatering van gerechtelijke beschikkingen (zie Protocol ‘vluchtende’ gezinnen). 84. Ook de tenuitvoerlegging van beschikkingen mag geen aantasting van de menselijke waardigheid opleveren, niet van de ouders en ook niet van het kind. Als blijkt dat het kind helemaal niet weggehaald wil worden, dan is het kind kennelijk ondanks mogelijke problemen (voldoende) gelukkig en gehecht en wil het niet op deze manier ‘beschermd’ worden. Voorafgaande betekening stelt ouders in staat om zichzelf en het kind voor te bereiden en het kind vrijwillig naar een aangewezen plek te brengen, in plaats van dat zij thuis worden overvallen door een overmacht van zwarte uniformen (bijvoorbeeld met 12 politieagenten en vier politiebussen).
20 | mw. mr. dr. H.W.R. Nakad-Weststrate