2. Bijlagen bestemmingsplan Gameren, Hendrikstraat Molendel Gameren
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Gameren, Hendrikstraat 4 oktober 2019 Voorontwerp Molendel’ Bijlagen
Datum: Planstatus:
Gemeente Zaltbommel Status: Vast te stellen Datum: 6 juni 2023 ID: NL.IMRO.0297.GMRBP20220027-VS01 Bijlagen Ecologie 1. Quickscan ecologie, 13 oktober 2021 2. Rapportage aanvullend onderzoek Hendrikstraat te Gameren, 9 november 2022 3. Activiteitenplan Hendrikstraat te Gameren, 1 december 2022 4. Aerius-berekening, 14 april 2023 Archeologie 5. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen, Hendrikstraat 14 en Peperstraat 15, maart 2006 6. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek, locatie Gameren, januari 2010 7. Alternatief selectieadvies ADC Rapporten 570 en 1967, 21 november 2011 8. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Hendrikstraat, 5 augustus 2020 9. Archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen Hendrikstraat-Molendel, 16 maart 2021 10. Selectiebesluit archeologische monumentenzorg, 17 oktober 2022 Bodem 11. Historisch onderzoek, 9 maart 2021 12. (Water)bodemonderzoeken, 6 mei 2021 13. Nader grond- en asbestonderzoek, 12 oktober 2021 14. Diverse onderzoeken P280, 28 november 2019 15. Historisch-verkennend-aanvullend bodemonderzoek Peperstraat 15/15a te Gameren, 22 maart 2006 en Nader onderzoek Peperstraat 15/15a te Gameren, 15 mei 2006 16.
Actualiserend bovengrondonderzoek achter Peperstraat 21-31 te Gameren, 21 september 2015 17. Historisch onderzoek achter Peperstraat 15, 28 november 2022 18. Aanvullend grondonderzoek achter Peperstraat 15, 12 januari 2023 Divers 19. Beeldkwaliteitplan Hendrikstraat Molendel, 27 januari 2023 20. Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten, 24 november 2021 met protocol toevalvondsten 21. Verkeerskundige onderbouwing, 12 augustus 2022 22. Laddertoets Hendrikstraat Molendel, Gameren, 28 november 2022 23. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 23 mei 2022 24. Watertoets, 9 mei 2023 Reacties 25. Verslagen omgevingsdialoog 26. Vooroverlegreacties met Eindverslag inspraak 27. Zienswijzenota
Quickscan Natuurwetgeving Hendrikstraat te Gameren
Quickscan Natuurwetgeving locatie Hendrikstraat te Gameren
Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM20681 : Definitief (versie 1) : 13 oktober 2021
Opdrachtgever
: Accent adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven
Opgesteld door Paraaf
: ir. J.P.M Hovens | ir. C. de Koning :
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2
AM20681
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4
2.
WET- en REGELGEVING ....................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5
2.3
Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................................................................6
2.4
Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6
3.
WERKWIJZE ...........................................................................................................................................................................................................8 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8
3.2
Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8
4.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN ...............................................................................................................................................................9 4.1
Beschrijving plangebied .............................................................................................................................................................................9
4.2
Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................................................................. 11
4.3
Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 12
4.4
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 12
5.
MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ....................................................................................................... 17 5.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 17
5.2
Gelders Natuurnetwerk ............................................................................................................................................................................ 17
5.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 17
6.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................................... 20 6.1
Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 20
6.2
Gelders Natuurnetwerk ............................................................................................................................................................................ 20
6.3
Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 20
LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 23
Bijlage: 1
Toelichting per beschermingsregime
Pagina | 3
AM20681
1. INLEIDING In opdracht van Accent adviseurs heeft Aeres Milieu in samenwerking met Faunaconsult een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Hendrikstraat te Gameren
Gemeente
: Zaltbommel
Kadastrale registratie
: Kerkwijk, sectie P, nummers 161, 268, 270, 298, 684, 799, 996, 998, 1074, 1111, 1174, 1175, 1176, 1654, 2173 en 2174
Oppervlakte
: circa 47.000 m2
Huidige bestemming
: Agrarisch
Toekomstige bestemming
: Wonen
Deze locatie wordt ontwikkeld tot woongebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.
Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.
Pagina | 4
AM20681
2. WET- en REGELGEVING 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.
2.2
Bescherming van Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 5
AM20681
2.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
•
gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
•
alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.
2.4
Beschermde planten en dieren
De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):
-
Vogels
alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;
Pagina | 6
AM20681
-
Internationaal beschermde soorten
alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
-
Overige beschermde soorten
soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Gedeputeerde Staten van Gelderland, 2016; Provincie Gelderland, 2017). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.
Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.
Pagina | 7
AM20681
3. WERKWIJZE 3.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
De bestaande vegetatie wordt waar nodig verwijderd en alle bebouwing wordt gesloopt. In het plangebied wordt vervolgens een woongebied ontwikkeld, met een mix van woningen voor verschillende doelgroepen. Een afbeelding van de voorgestane situatie is (nog) niet voorhanden.
3.2
Werkwijze quickscan
Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van twee veldbezoeken en een literatuurstudie. Op 27 januari 2021 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Alle te slopen gebouwen (en kassen) in het plangebied zijn onderzocht met behulp van een ladder, boomcamera en zaklamp. Naar aanleiding van de eerste versie van dit rapport heeft Steenuilenwerkgroep Bommelerwaard (bij monde van Harry Kolman) aangegeven dat delen van het plangebied mogelijk deel uit maken van leefgebied van steenuil en kamsalamander. Faunaconsult B.V. heeft het plangebied en twee kavels naast het plangebied (Hendrikstraat 8 en 10) daarom op 30 september 2021 in het bijzijn van Harrie Kolman (coördinator steenuilenwerkgroep Bommelerwaard) nogmaals bezocht. Daarbij werden op nr. 8 alle knotwilgen op de aanwezigheid van holten geïnspecteerd en de steenuilennestkast in de paardenstal op steenuileneieren, -veren, -braakballen etc. geïnspecteerd. Het schuurtje achter nr.
10 werd daarbij eveneens afgezocht naar steenuilennesten. Daarnaast werden beide achtertuinen beoordeeld op hun geschiktheid als habitat voor de kamsalamander. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl). Verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen; - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).
Pagina | 8
AM20681
4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1
Beschrijving plangebied
Het plangebied (zie figuur 4.1.1) ligt in het noordwesten van de kern van Gameren. Alle zijdes grenzen aan woningen met achtertuinen. In het plangebied bevinden zich twee kassen (zie figuur 4.1.2), waarvan er één is voorzien van een loods met kantoor (zie foto rechtsonder pagina 2). Daarnaast liggen er enkele akkers (voor de teelt van fresia’s, kronkelhazelaars en pioenrozen; zie middelste foto op pagina 2 ), enkele weilandjes (zie figuur 4.1.3), twee schuurtjes (zie foto linksboven pagina 2 en figuur 4.1.4) en twee waterbassins (zie figuur 4.1.5). In het plangebied bevinden zich enkele watergangen, die spaarzaam zijn begroeid (zie figuur 4.1.6) met sterrekroos. Verder groeien er in het plangebied soorten als fluitenkruid, groot kaasjeskruid, grote brandnetel, paarse dovenetel, boerenwormkruid, madeliefje, kruipende boterbloem, paardenbloem, muizenoor, vogelmuur, herderstasje, klein kruiskruid, zachte ooievaarsbek, hondsdraf, smalle weegbree en wilgenopslag (eenjarig).
Figuur 4.1.1. Het plangebied (rood omlijnd). Bron: Gemeente Zaltbommel.
Figuur 4.1.2. De westelijk kas wordt gebruikt voor de teelt van hortensia’s. Pagina | 9
AM20681
Figuur 4.1.3. Een deel van het plangebied is ingericht als weiland.
Figuur 4.1.4. De westelijk gelegen schuur is uit damwand opgetrokken.
Figuur 4.1.5. In het plangebied bevinden zich twee waterbassins.
Pagina | 10
AM20681
Figuur 4.1.6. De watergangen zijn vrijwel onbegroeid.
4.2
Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van circa 4,2 kilometer ten oosten van het plangebied. Op 8,3 kilometer ligt het Natura 2000-gebied ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ en op 8,8 kilometer afstand bevindt zich Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (groen weergegeven). Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Pagina | 11
AM20681
4.3
Natuurnetwerk Nederland
Op circa 30 meter ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), het Gelderse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘Bloemdijk’ (zie figuur 4.3).
Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het GNN (gekleurde delen). Bron: Provincie Gelderland (https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=a01fc4e9da1248f8ae24b6378444ab26).
4.4
Beschermde planten en dieren
De kassen, de gevels en daken van de twee schuurtjes en de twee waterbassins zijn allemaal enkelwandig. In deze bouwwerken zijn vleermuisuitwerpselen, vogelnesten, braakballen, steenmarteruitwerpselen, etc. afwezig. Het is daarom uitgesloten dat er vleermuisverblijven, vogelnesten etc. in deze bouwwerken aanwezig zijn. De noordelijkste punt van het plangebied bevat bramenruigte die geschikt oogt als leefgebied voor kleine marterachtigen (zie figuur 4.4.1). De overige delen bevatten onvoldoende dekking. René Dubbelt (bewoner Hendrikstraat 8) fotografeerde een bunzing net buiten het plangebied (met een cameraval in zijn achtertuin; zie figuur 4.4.2). Het kantoor (zie foto rechtsonder pagina 2) bevat spouw en in de buitengevel bevinden zich open stootvoegen op circa 3 meter hoogte (zie figuur 4.4.3). Het is daarom mogelijk dat de spouw van het kantoor als vleermuizenverblijf fungeert. Voor vleermuis massa-winterverblijven is het gebouw echter te klein. Het gebouw heeft een plat dak dat is voorzien van een nauw op de gevel aansluitende daktrim. Voor vogels is er geen opening waardoor ze naar binnen kunnen.
Pagina | 12
AM20681
Figuur 4.4.1. Het meest noordelijk deel van het plangebied oogt geschikt als habitat voor kleine marterachtigen en als landhabitat van de kamsalamander.
Figuur 4.4.2. Een door René Dubbelt gefotografeerde bunzing bij Hendrikstraat 8.
In een spar net buiten het plangebied, in de tuin van de woning van Waalbandijk 11 bevindt zich een steenuilennestkast (zie figuur 4.4.4). Uit navraag bij de eigenaar (Jurjan Jongma) blijkt dat de nestkast nimmer door steenuilen als nest is gebruikt. Daarnaast is er een steenuilennestkast aanwezig, in een paardenstal aan de Hendrikstraat 8. Deze is op 30 september 2021 geïnspecteerd en in de kast werd een oud zangvogelnest (vermoedelijk spreeuw) aangetroffen. Deze nestkast wordt dus niet door steenuilen gebruikt. De eigenaar (René Dubbelt) gaf ook aan nimmer broedende steenuilen in de nestkast te hebben waargenomen. Ook in de bomen (o.a. knotwilgen) op zijn terrein werden geen holten o.i.d. aangetroffen. René en zijn vrouw gaven verder aan regelmatig steenuilen waar te nemen in hun tuin, maar ze gaven ook aan dat er geen steenuilennesten zijn gemeld op de buurtapp (n.a.v. de vraag naar beschermde dieren rondom het plangebied).
Pagina | 13
AM20681
Figuur 4.4.3. Open stootvoeg in de buitengevel het kantoor.
Figuur 4.4.4. De steenuilennestkast aan de Waalbandijk 11 is nooit door steenuilen als nestkast gebruikt.
Figuur 4.4.5. Links: In de paardenstal aan de Hendrikstraat 8 bevindt zich een steenuilennestkast. Rechts: uit de aanwezigheid van een oud zangvogelnest blijkt dat de kast niet door steenuilen wordt gebruikt.
Tijdens beide veldbezoeken werden er geen (potentiële) jaarrond beschermde vogelnesten of overige strenger beschermde vogelnesten in het plangebied waargenomen. Deze zijn in het plangebied dus afwezig. Tijdens het eerste veldbezoek werden staartmees, heggemus, witte kwikstaart en grote bonte specht waargenomen. Pagina | 14
AM20681
Waarschijnlijk broeden er in het broedseizoen wel algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de opgaande vegetaties in het plangebied. Ook zijn er geen dassenwissels, -burchten, eekhoornnesten etc. aanwezig. In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. De sloten in en rond het plangebied lijken grotendeels ongeschikt te zijn om als voortplantingswater voor strenger beschermde amfibieën te kunnen dienen. Ze zijn immers verbonden met open water en ze bevatten daardoor waarschijnlijk vis. René Dubbelt (bewoner Hendrikstraat 8) gaf op 30 september 2021 aan vorig jaar een kamsalamander in de sloot naast zijn tuin te hebben waargenomen en enkele jaren geleden een kamsalamander onder een steen in zijn tuin. Dit is goed mogelijk, omdat de achtertuin takkenrillen en ruigte bevat, die geschikt ogen als landhabitat voor de soort. Volgens Natuurwacht Bommelerwaard (bij monde van voorzitter H. Kolman) plant de kamsalamander zich jaarlijks voort in de poelen en wielen ten noorden van de oude dijk; tussen café Mestershuis en het betonnen dijkmonument Shovel worden jaarlijks overstekende dieren doodgereden (zie figuur 4.4.6). In 2018 werden in één week tijd 100 kamsalamanders doodgereden (Natuurwacht Bommelerwaard, S.A.).
Het ligt voor de hand dat de bramenruigte in het noordelijkdeel van het plangebied, net als de met takkenrillen en bramenruigte ingerichte delen ten noorden van het plangebied (tegen de dijk) deel uitmaken van het leefgebied van deze soort. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen daarnaast mogelijk ook als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten.
Figuur 4.4.6. Een aantal door Natuurwacht Bommelerwaard aangetroffen overreden kamsalamanders op de dijk direct ten noorden van het plangebied.
Reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben.
Pagina | 15
AM20681
Nederlandse en wetenschappelijke naam
Steenuil (Athene noctua)
Vogels met jaarrond
Internationaal
Overige beschermde
beschermd nest
beschermde soorten
soorten
X*
Bunzing (Mustela putorius)
X
Hermelijn (Mustela erminea)
X
Wezel (Mustela nivalis)
X
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
X
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
X
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
X
Bosmuis (Apodemus sylvaticus)
X
Huisspitsmuis (Crocidura russula)
X
Veldmuis (Microtus arvalis)
X
Bruine kikker (Rana temporaria)
X
Gewone pad (Bufo bufo) Kamsalamander (Triturus cristatus)
X X
Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven. * Nesten van de steenuil zijn in het plangebied afwezig, maar het plangebied dient wel als foerageergebied van deze soort.
Pagina | 16
AM20681
5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1
Natura 2000
Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op een afstand van circa 4,2 kilometer van het plangebied. Tussen het gebied ‘Rijntakken’ en het plangebied in ligt (een gedeelte van) de bebouwde kom van Gameren en de Waal. Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemd Natura 2000-gebied. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Het is daarom niet uitgesloten dat er een significant negatief effect is op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000gebieden.
5.2
Gelders Natuurnetwerk
Het plangebied ligt op circa 30 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), bestaande uit het beheertype ‘Bloemdijk’. Omdat dit geen zeer stikstofgevoelige biotoop is, hebben de plannen waarschijnlijk geen negatief effect op het GNN. Wij verwachten daarom dat er geen significante effecten zijn te verwachten op het GNN.
5.3
Beschermde planten en dieren
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •
Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.
•
Het noordelijkste puntje (onder aan de dijk) van het plangebied fungeert mogelijk als landhabitat van kleine marterachtigen. Als het hier aanwezige braamstruweel wordt omgevormd tot woonwijk, dan leidt dit mogelijk tot sterfte en/of verwonding van aanwezige dieren en verlies van landhabitat voor deze soorten.
•
Het te slopen kantoor bevat mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door dit gebouw te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood.
•
In de opgaande vegetatie in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.
•
Delen van het plangebied dienen waarschijnlijk als foerageergebied voor de steenuil. Als deze worden omgevormd tot woonwijk, dan leidt dit mogelijk tot een ernstige verstoring van deze soort. Pagina | 17
AM20681
•
Het noordelijkste puntje (onder aan de dijk) van het plangebied is begroeid met bramstruweel en het fungeert zeer waarschijnlijk als landhabitat van de kamsalamander. Ook de met bramenruigte en takkenrillen ingerichte delen ten noorden van het plangebied (tegen de dijk) en de tuin aan de Hendrikstraat 8 maakt deel uit van het leefgebied van deze soort. Als het in het plangebied aanwezige braamstruweel wordt omgevormd tot woonwijk, dan leidt dit tot sterfte en/of verwonding van aanwezige dieren en verlies van landhabitat voor de soort. Ook herinrichting nabij de kamsalamanderhabitats naast het plangebied kan leiden tot verstoring van de soort. Daarnaast dienen sommige watergangen in/op de grens van het plangebied mogelijk als voortplantingshabitat van deze soort. De voorgenomen herinrichting leidt mogelijk tot sterfte en/of verwonding van aanwezige dieren en verlies van voortplantingshabitat voor de soort.
In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.
Pagina | 18
AM20681
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in opgaande vegetaties
Art. 3.1
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.5
Art. 3.10
lid 1
lid 2
lid 1
lid 2
lid 3
lid 4
lid 1
X
X
X
X
Vogels
broedende vogels Vleermuizen
Internationaal beschermde X
soorten Algemeen voorkomende
Overige soorten X
grondgebonden zoogdieren en amfibieën Kamsalamander
Internationaal beschermde X
X
X
soorten Wezel, bunzing en hermelijn
Overige soorten
Steenuil
Vogels met een jaarrond
X X
beschermd nest Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A -soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zi jn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Pagina | 19
AM20681
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Natura 2000
De plannen zullen mogelijk een effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Het is daarom aan te raden de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Gelders Natuurnetwerk
De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen noemenswaardig negatieve effecten op het GNN. Omdat er geen negatieve effecten op het GNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
6.3
Beschermde planten en dieren
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Gelderland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf Het te slopen kantoor (zie foto rechtsonder pagina 2) bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: -
3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken);
-
2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).
Pagina | 20
AM20681
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten types als VK WS 02, VK MP 05 of VK PL 04 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl) op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige.
Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.
Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
Kamsalamanders Het noordelijkste puntje (onder aan de dijk) van het plangebied is begroeid met braamstruweel en het fungeert zeer waarschijnlijk als landhabitat van de kamsalamander. Dat geldt ook voor de met bramenruigte en takkenrillen ingerichte delen ten noorden van het plangebied (tegen de dijk) en de tuin aan de Hendrikstraat 8. Kamsalamanders zijn streng beschermd en indien het in het plangebied aanwezige braamstruweel wordt omgevormd tot woonwijk, dan leidt dit tot sterfte en/of verwonding van aanwezige dieren en verlies van landhabitat voor de soort. Deze structuren dienen daarom te worden behouden.
Daarnaast dienen sommige watergangen in/op de grens van het plangebied mogelijk als voortplantingshabitat van de kamsalamander. Het is daarom nodig de watergangen in/rond het plangebied te onderzoeken op deze functie. Dat kan door de wateren 3 maal (in april, mei en juni) te bemonsteren met een steeknet van 70 cm. Daarbij dient er minstens 20 dagen tussen de bezoeken worden aangehouden. Verder moet de landhabitat er omheen op basis van expert-judgement worden beoordeeld, waarbij tevens stukken hout, stenen etc. worden omgedraaid.
Steenuilen Delen van het plangebied fungeren als foerageergebied van de steenuil en de steenuilenwerkgroep vermoed dat er een nest van de soort nabij het plangebied aanwezig. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd en rond het nest dient er voldoende leefgebied aanwezig te zijn om de jongen groot te laten komen. Om de functionaliteit van het plangebied en haar omgeving voor de steenuil in kaart te brengen, kunnen er het beste drie gerichte veldbezoeken plaatsvinden in de periode 1 Pagina | 21
AM20681
februari tot en met 30 april – met minimaal 1 maand tussen het eerste en het laatste bezoek (BIJ12, 2017). Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht. Een ander goed moment is in de ochtendschemer, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De beste resultaten worden verkregen door het afspelen of nadoen van de baltsroep van de steenuilen. Indien blijkt dat delen van het plangebied functioneren als leefgebied van de steenuil, dan is een ontheffing op de Wnb ten aanzien van de soort noodzakelijk.
Kleine marterachtigen Onderaan en tegen de dijk in het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich bramenruigte die waarschijnlijk dient als leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel. Daarnaast bevatten de tuinen ten noorden van het plangebied takkenrillen die ook geschikt zijn als leefgebied voor deze soorten. Indien de bramenruigte in het plangebied en een zone van enkele meters tegen de tuinen wordt gehandhaafd/omgevormd tot ruigte of grasland, is er voor deze soorten geen extra onderzoek nodig. Wellicht dient voor deze soorten wel een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd.
Pagina | 22
AM20681
LITERATUUR •
BIJ12. 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.
•
Gedeputeerde staten van Gelderland. 2016. Beleidsregels procedure besluitvorming Wet natuurbescherming Gelderland.
•
Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
•
Natuurwacht Bommelerwaard. S.A. Help de Kamsalamander oversteken. Brochure Natuurwacht Bommelerwaard.
•
Provincie Gelderland. 2017. Wijziging Omgevingsverordening Gelderland vanwege vaststelling Natuurparagraaf. Provinciaal blad. Jaargang 2017, Nr. 435.
•
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.
Pagina | 23
AM20681
BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:
•
het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)
•
het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)
•
het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)
•
het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)
•
het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).
Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:
•
geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;
•
de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en; Pagina | 24
AM20681
•
de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -
het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
-
het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
-
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
-
ter bescherming van flora of fauna;
-
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of
-
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.
Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:
•
het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)
•
het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)
•
het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)
•
het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)
•
het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)
•
het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).
Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: -
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
Pagina | 25
AM20681
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.
Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.
Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:
•
er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)
•
er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan
•
de ontheffing of vrijstelling nodig is: Pagina | 26
AM20681
-
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
-
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
-
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
-
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of
-
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
-
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
-
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
-
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;
-
ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Pagina | 27
AM20681
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn
Art 3.1 lid 1
Art. 3.5 lid 1
Art. 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun natuurlijke
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te vangen
verspreidingsgebied opzettelijk te doden of
doden of te vangen
te vangen Art 3.1 lid 2
Art.3.5 lid 4
Art. 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de voortplantingsplaatsen
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
of rustplaatsen van dieren te beschadigen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van
vernielen of te beschadigen, of nesten van
of te vernielen
dieren opzettelijk te beschadigen of te
vogels weg te nemen
vernielen.
Art. 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
Het is verboden eieren te rapen en deze
Het is verboden eieren van dieren in de
onder zich te hebben
natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art. 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Pagina | 28
AM20681
Aanvullend onderzoek Hendrikstraat te Gameren
Aanvullend onderzoek Hendrikstraat te Gameren
Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM20681 : Definitief (versie 1) : 9 november 2022
Opdrachtgever
: Van Wanrooy Projectontwikkeling B.V. Broekstraat 2 5386 KD Geffen
Opgesteld door
: ing. W.J.J. van Oosterhout en ir. J.P.M. Hovens
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2 AM22209
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
INLEIDING....................................................................................................................................................................................................................4 1.1
Aanleiding ........................................................................................................................................................................................................4
1.2
Leeswijzer ........................................................................................................................................................................................................4
WERKWIJZE .................................................................................................................................................................................................................5 2.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................5
2.2
Werkwijze vleermuizenonderzoek ..........................................................................................................................................................5
2.3
Werkwijze steenuilenonderzoek ..............................................................................................................................................................5
2.4
Werkwijze amfibieënonderzoek ...............................................................................................................................................................6
RESULTATEN ..............................................................................................................................................................................................................7 3.1 Vleermuizen .............................................................................................................................................................................................................7 3.2 Steenuilen ................................................................................................................................................................................................................7 3.3 Amfibieën .................................................................................................................................................................................................................8
4.
CONCLUSIES ............................................................................................................................................................................................................ 11
Pagina | 3 AM22209
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In het plangebied wordt een woongebied ontwikkeld. Om bij de werkzaamheden rekening te kunnen houden met beschermde natuurwaarden heeft Aeres Milieu in samenwerking met Faunaconsult een flora- en fauna-inspectie uitgevoerd. De bevindingen van de flora- en fauna-inspectie gaven aan dat aanvullende onderzoeken naar de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, steenuil en de kamsalamander noodzakelijk waren.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de werkwijze van de inventarisaties beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten weergegeven. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies weer.
Pagina | 4 AM22209
2. WERKWIJZE 2.1
Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden
In het plangebied wordt een woongebied ontwikkeld, met een mix van woningen voor verschillende doelgroepen. De bestaande vegetatie wordt waar nodig verwijderd en de huidige bebouwing wordt gesloopt. Een overzicht van de voorgestane situatie is niet voorhanden.
2.2
Werkwijze vleermuizenonderzoek
Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied is onderzocht met behulp van een heterodyne vleermuisdetector (Pettersson D100). Hierbij werden de duur van het onderzoek, het startmoment en het aantal onderzoek ronden bepaald aan de hand van het vleermuisprotocol1, waarbij werd aangenomen dat er mogelijk verblijven van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger of ruige dwergvleermuis aanwezig waren, maar geen massa-winterverblijven. Tabel 2.2 Veldgegevens vleermuizenonderzoek. Datum 07-05-2022 2 uur voor zonsopkomst – zonsopkomst 15-05-2020 Zonsondergang – 2 uur na zonsondergang 05-06-2022 Zonsondergang – 2 uur na zonsondergang 26-08-2022 zonsondergang – 3 uur na zonsondergang 16-09-2022 Zonsondergang – 3 uur na zonsondergang
2.3
Waarnemers
Min. Temp.
Weersomstandigheden
W. de Groot
10 C°
2 Bft, Droog
W. de Groot
16 C°
3 Bft, Droog
W. de Groot
16 C°
4/5 Bft, Droog
W. de Groot
16 C°
3 Bft, Droog
W. de Groot
14 C°
3/4 Bft, Droog
Werkwijze steenuilenonderzoek
De aanwezigheid van steenuilenterritoria is volgens het Kennisdocument steenuil 2 onderzocht. Het plangebied is daartoe in de periode 1 februari – 30 april drie maal bezocht (zie tabel 2.3). Elke ronde vond plaats vanaf een half uur na zonsondergang tot middernacht. Tijdens elk ronde is vanaf meerdere locaties de baltsroep van de steenuil afgespeeld. Waarnemingen van terugroepende uilen zijn genoteerd. Ten slotte is er ook tijdens het vleermuizenonderzoek gelet op de aanwezigheid van uilensoorten in en rond het plangebied. Tabel 2.3 Veldgegevens steenuilenonderzoek. Datum
1
Waarnemers
20 februari 2022
R. Rijnders en P.J.C. A. op het Veld
23 maart 2022
J.P.M. Hovens en S.P.N. Hovens
25 april 2022
J.P.M. Hovens en S.P.N. Hovens
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.
www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. 2
BIJ12. 2017. Kennisdocument Steenuil, versie 1.0. Pagina | 5
AM22209
2.4
Werkwijze amfibieënonderzoek
Om de aanwezigheid van amfibieën in en rond het plangebied te onderzoeken, zijn de aanwezige sloten en poelen gedurende drie bezoeken met behulp van een waad pak en steeknet van 70 cm breed bemonsterd op het voorkomen van amfibieën en vissen. De veldgegevens zijn te zien in tabel 2.4. Tabel 2.4 Veldgegevens amfibieën onderzoek. Datum
Waarnemers
25-04-2022
J.P.M. Hovens en S.P.N. Hovens
16-05-2022
R. Rijnders en P.J.C.A. op het Veld
04-07-2022